← Table of contents
De Kennemer Vrijbuiter

HOOFDSTUK VII.

Reading edition

De Spanjaarden te Westzaan. Een bezoek aan de ruïne der verbrande hoeve.

[A]„Hopman Van der Linden verzuimde niets, om Saardam tot een duchtig versterkt punt te maken, en aan alle zijden van goede gemeenschapsmiddelen te voorzien. Behalve de schansen, die hij liet aanleggen op den Dam, werden ook nog op vier andere plaatsen gronden uitgemeten en afgepaald, en aan de Voor- en Achterzaan nieuwe schansen opgeworpen. Op den mond der Braak, bij het gat van de sluis, die aan de Oostzijde in den dijk lag, bezuiden den Dam, werd eene groote schans gelegd, en op een werf daartegenover, aan de Westzijde der rivier, in 't begin van den Horn, een tweede, dwars door den stroom aan elkander verbonden met een of twee rijen palen, die door twee Saardammers, Jacob Teeuwissen en Barend Smit, goed van ijzerwerk was voorzien. Een wachthuisje werd daarbij getimmerd, om den boom nauwlettend te kunnen bewaken.

„In de Achterzaan werd eene schans opgehaald ter plaatse, waar thans de kerk van Zaandams Westzijde ligt; ongeveer daar tegenover aan de Oostzijde, op den Schinkeldijk een tweede, van kleineren omvang, en eenige schreden verder nog een derde, „op eenige rietbordjes” aangelegd. Deze alle drie werden over den stroom met elkander vereenigd door paalwerk en twee boomen, waarbij twee vaartuigen met gewapenden steeds ter beveiliging en dekking op de Zaan de wacht hielden.

„Eenige huizen op den Dam waren opzettelijk voor het vuur gespaard gebleven, om te dienen tot berging van krijgs- en mondvoorraad, dat steeds in niet geringe hoeveelheid aanwezig diende te zijn, want de schansen, die allen van hier uit moesten worden voorzien, waren sterk bezet.”

Voor dien arbeid werden Saardamsche burgers geprest, die zonder loon en tegen wil en dank daartoe door den Hopman werden aangewezen. Wee den onvoorzichtige, die hierover eenig blijk van ongenoegen durfde geven, of zich onwillig betoonde. Hij werd zonder vorm van proces opgehangen.

Diederik van Sonoy had echter evenmin stil gezeten. Tot zijne groote teleurstelling ontving hij het bericht van het bezetten van den Dam door de Spanjaarden, en bij alle narichten, die hij daaromtrent inwon, kwam hij tot de overtuiging, dat hij er op dit oogenblik niet met goed gevolg tegen handelen kon. Hij stelde zich echter ten plicht, het verder doordringen van den vijand te beletten, en zond met dat doel eenige vendels onder bevel van Nicolaas Ruychaver, Jacob Cristal en Lazarus Muller uit, om den Waterlandschen dijk te bezetten van de Oostzijde van Saardam af tot Nieuwendam toe. En toen de vijandelijke vendels zoo dicht in elkanders nabijheid gelegen waren, spreekt het van zelf, dat het al spoedig tusschen hen tot eene botsing kwam. De Hollanders waagden een moedigen aanval op de verschansing aan den Schinkeldijk, en streden daarbij zoo geducht, dat de schans weldra in hunne handen zou gevallen zijn, indien het geknal der musketten niet tot de mannen op den Dam ware doorgedrongen. Dezen werden daardoor op het dreigende gevaar opmerkzaam gemaakt en snelden ter hulp. Toen werd het een bloedig gevecht. De Hollanders werden tot wijken gedwongen en moesten de koeien op het land zelfs tot borstwering gebruiken, zoo dicht vielen de kogels. Met medeneming van hunne gewonden en dooden trokken zij terug. De vijand was meester van het terrein gebleven, en de Hollandsche vendels moesten er zich toe bepalen, behalve den Waterlandschen dijk ook de plaatsen Jisp, Wormer en Knollendam te bezetten, waarmede zij het Noorderkwartier tegen mogelijke invallen van de Spanjaarden beveiligden.

De Westzaners waren tot dusverre ongemoeid gebleven, en zij hoopten, dat de Spanjaarden zich met de bezetting van Saardam tevreden zouden stellen.

Marten hielp zijn vriend Aelbert elken dag bij den arbeid op het veld. 's Morgens al vroeg werden de koeien gemolken en de kaas of boter gemaakt, en daarna werd de mest over het land geslecht, of hielden zij zich bezig met het scheren der schapen. 't Spreekt van zelf, dat Marten niet ophield nasporingen te doen naar het verblijf van zijne zuster Anna, aan wie hij dacht van den morgen tot den avond. O, hoe vurig verlangde hij er naar, haar te zien en te spreken, en haar in zijne nabijheid te hebben, om als dat noodig mocht zijn, haar helper en beschermer te kunnen wezen. Aelbert stond hem in zijne pogingen getrouw ter zijde. Soms gingen zij in den namiddag samen naar eene naburige plaats, om een onderzoek in te stellen, maar telkens keerden zij onverrichter zake terug. Anna was spoorloos verdwenen, en niemand had iets omtrent haar gehoord of gezien. 't Maakte Marten dikwijls moedeloos en verdrietig, maar dan sprak Aelbert hem nieuwen moed in en wist hem gewoonlijk weer op te monteren.

„Kom Marten, niet zuchten!” zei hij dan op luchtigen toon. „Zoo heel ver weg zal ze niet zijn, en 't zou me niets verwonderen, als we haar vandaag of morgen onverwachts tegenkwamen.—Zeg Marten, wat zou je dan vreemd opkijken!”

De dagen verliepen echter,—maar Anna liet zich niet zien, en Marten werd er stil en somber van.

Soms dacht hij erover, naar Alkmaar te gaan, om daar zijne nasporingen voort te zetten. Hij kon dan Heer Jan Gerritsz opzoeken, die daar na den grooten brand te Saardam met zijn gezin een toevlucht had gezocht, en wien hij gesmeekt had hem onverwijld bericht te zenden, indien hij Anna misschien vinden mocht. En Heer Jan had hem dat op handslag beloofd.

„Je kunt op me rekenen, Marten,” had hij bij zijn vertrek gezegd. „Ik zal je geen bode zenden, maar zelf komen, dat beloof ik je. Ik meen dat aan de nagedachtenis van je ouders verplicht te zijn. Zoowel jij als Anna kunt ten allen tijde over mij en mijn huis beschikken. Ik ben, Gode zij dank, nog altoos een vermogend man, want de Spanjaarden hebben bij mij achter het net gevischt. Ik was hun te vlug af en had nauwelijks de eerste rookwolk opgemerkt, of mijn besluit was genomen. Met vrouw en kinderen stapte ik in een schuit en roeide zoover mogelijk landwaarts in, tot wij te voet verder moesten trekken. Het overige weet je, want zonder de hulp van de dappere Vrijbuiters waren wij den Spekken toch nog in handen gevallen.—Daarom,—wanneer je ooit in nood verkeert, wend je dan tot mij. En mocht ik Anna hier of daar ontmoeten, dan zal ze in mij een vriend vinden, die haar als eene dochter behandelen zal.”

Zoo had Heer Jan gesproken,—en nu was hij al sedert eenige dagen vertrokken, maar nog altoos was er van hem geen tijding gekomen. Zeker had hij omtrent Anna nog niets vernomen, en Marten voelde een onbedwingbaren lust, om zelf naar Alkmaar te gaan. 't Oude Hoen en Nicht Geerte raadden hem dat echter af, want zij hielden veel van Marten en achtten hem nog te jong, en den toestand van het land te onveilig, om hem als een zwerveling weg te laten trekken.

't Zou intusschen te Westzaan niet zoo rustig blijven, als het daar tot dusver geweest was. Hopman Van der Linden wist wel, dat een rijke buit hem daar wachtte, maar hij wilde eerst de schansen te Saardam in gereedheid brengen, voor hij de omliggende dorpen ging bespringen.

Elken morgen besteeg 't Oude Hoen alleen, of in gezelschap van een of meer zijner vrienden, den hoogen kerktoren, om den omtrek te verkennen. Hij had daar eene uitstekende gelegenheid om ver rondom zich te zien, en was daardoor in staat, een naderend gevaar spoedig op te merken. En 't meest tuurde hij in de richting van Saardam, waar de vijand zich genesteld had.

Eens op een morgen stond hij daar weer, toen zijne aandacht getrokken werd door eene menigte mannen, die in de verte naderden. Hij zag scherp toe, en merkte al spoedig op, dat het een vendel krijgsknechten was. Neen, daarin kon hij zich onmogelijk bedriegen, want hij zag, hoe de stalen lansen flikkerden in de zonnestralen. Ongetwijfeld waren het vijanden, die op weg waren, om Westzaan te bespringen en te plunderen. Het gevaar naakte dus. Hij klom van den trans naar beneden en greep het klokketouw. Met zwaren galm verkondigde het brommen van de kerkklok de komst van den vijand. In allerijl verliet hij het kerkgebouw, om zich naar zijn hoeve te begeven en daar de noodige maatregelen te nemen. Overal snelden de bewoners de huizen uit, angstig en verschrikt, en niet wetende, wat te beginnen. De vrouwen en kinderen jammerden. De mannen grepen naar de wapens.

„Wat is er?—Wat is er?” werd er angstig gevraagd, en 't Oude Hoen antwoordde, zonder zich echter ook maar een oogenblik op te houden:

„Bergt je, menschen, de vijand komt!”

En nu klonk het van mond tot mond:

„De Spanjaarden komen! De Spanjaarden komen!”

In een oogenblik tijds heerschte in het anders zoo vreedzaam Westzaan eene onbeschrijflijke verwarring. Vele mannen droegen alles van waarde naar buiten, en zochten met vrouw en kinderen hun heil in eene overhaaste vlucht. Anderen deden de grendels op de deuren en wapenden zich met vuurroeren en verrejagers, om den vijand eene ver van vriendelijke ontvangst te bereiden. Weer anderen laadden hun voornaamste huisraad in schuiten, en brachten het met hunne vrouwen en kinderen naar eene naburige plaats, terwijl zij zelven zich in vaartuigen vereenigden, om zich tusschen de rietlanden in den omtrek te verbergen en den vijand zooveel mogelijk afbreuk te doen.

Tot deze laatsten behoorde ook 't Oude Hoen.

Toen zijn huisraad in eene schuit geladen was, deed hij ook zijn vrouw daarin plaatsnemen, en beval Marten en Aelbert haar naar Knollendam te brengen. Daar woonde hare zuster, bij wie zij voorloopig wel veilig zou zijn, omdat te Knollendam een vendel Hollanders lag. De Spanjaarden zouden hun strooptocht wel niet tot die plaats uitstrekken, en mochten zij dat doen, daar wel geen gunstig onthaal vinden.

Vrouw Geerte schreide, toen zij afscheid van haar man nam, doch deze troostte haar.

„'t Is maar eene scheiding voor korten tijd, beste Geerte,” sprak hij. „Zoodra het huis weer veilig is, betrekken wij onze woning weder. Vaarwel, God bescherme u!”

Aelbert en Marten staken van wal. Tijd tot talmen hadden zij niet, want de vijand naderde snel.

De mannen, die besloten hadden voortaan het leven van den vrijbuiter te leiden, vereenigden zich in pramen of roeijachten, die zij ijlings van proviand en wapens hadden voorzien, en verdwenen achter de hooge rietpluimen, die hun aan het oog der vijanden onttrokken. En zij waren er het best aan toe, want de boeren, die in hun hoeven gebleven waren, kregen het spoedig kwaad te verantwoorden. Zoodra de Spanjaarden Westzaan hadden bereikt, nestelden zij zich in de huizen en maakten zich aan de grootste knevelarij schuldig. Hun aantal was te groot, dan dat de ongelukkige dorpelingen het konden wagen zich te verzetten, en wie dat nog poogde, moest het bitter bezuren. Want doodslag en brand kenmerkten elk bezoek van de Spanjaarden. Hunne hoeven werden eenvoudig gemaakt tot eene prooi der vlammen. Alles wat eenige waarde had, persten zij de bewoners af, en als zij dachten, dat deze of gene zijn geld of sieraden ergens op eene geheime plaats verborgen had, wisten zij wel middelen, om ze te voorschijn te roepen.

„Als men een boer pijnigt, zweet hij goud,” was de leuze der vijanden, en zij brachten haar zonder medelijden in toepassing.

De ongelukkige Westzaners waren diep te beklagen, en zij, die tot nog toe gemeend hadden, dat de vrees voor de Spanjaarden overdreven en niet gegrond was, hadden thans eene goede gelegenheid om van de dwalingen huns weegs bekeerd te worden. Menigeen dan ook, die tot nog toe in het geheim Spaanschgezind was geweest, veranderde nu in een ijverig aanhanger van den Prins van Oranje, en hunkerde naar den aftocht van de wreede soldaten. Indien zij echter gemeend hadden, dat hunne tegenwoordigheid slechts van korten duur zou zijn, hadden zij zich deerlijk bedrogen, want de Spanjaarden namen ongevraagd bezit van hunne woningen, en lieten zich goed bedienen. Blijkbaar waren zij niet van plan, spoedig naar Saardam terug te keeren. Dat lag ook in het geheel niet in de bedoeling van den Hopman, want daar zijne krijgslieden in langen tijd hunne soldij niet hadden ontvangen, meende hij hen schadeloos te moeten stellen, door hen de ongelukkige Westzaners zooveel mogelijk hun geld en goed te laten afpersen, welke middelen zij daartoe ook wilden gebruiken. Zij handelden dan ook geheel met hen naar welgevallen, beschouwden zich volkomen als heer en meester over de in beslag genomen hoeven, namen de beste plaatsjes voor zich, kozen de zachtste bedden uit, eischten eene goede tafel en lekker bier, en plaagden en kwelden de eigenaars, zelfs de vrouwen en kinderen, op de ergerlijkste wijze. Zij hielden woeste drinkgelagen en verdobbelden onder elkander het geld, dat zij den boeren afgeperst hadden. Zoodra alles verloren was, namen zij tot nieuwe wreedheden hun toevlucht, om met het aldus verkregen geld of goed opnieuw te kunnen dobbelen.

's Avonds trokken zij van de eene hoeve naar de andere, zingende en tierende, en niet weinig onder den invloed van het genuttigde bier. Al hunne daden getuigden van de grootste tuchteloosheid.

Soms knalden dan opeens schoten uit het riet, aan weerszijden van den landweg, gevolgd door de kreten van de getroffenen, die wankelend nog een paar schreden aflegden en daarna nederstortten. Een groote schrik maakte zich dan van de Spanjaarden meester. Snel trokken zij hun rapier, maar—waar was de vijand? Van welke plaats waren deze doodelijke schoten gelost?

't Waren de Vrijbuiters, die met de grootste omzichtigheid waren genaderd, en op deze wijze wraak namen over de wandaden van den vijand. Hoe deze ook rondkeek in de duisternis,—zij ontdekten niemand.

„Vuur!” klonk het na eenige oogenblikken met gedempte stem, en opnieuw knalden de musketschoten, die maar al te goed troffen. In groote verwarring vluchtten de Spanjaarden ijlings heen, om op eene andere plaats opnieuw te ervaren, dat de Hollandsche boeren zich maar niet lijdelijk lieten mishandelen en uitplunderen. 't Duurde maar kort, of de Spekken durfden zich niet meer in de duisternis buiten de hoeven te bewegen, want indien zij dat waagden, konden zij er verzekerd van zijn, dat een of meer hunner het met het leven zouden moeten bekoopen.

Wel werd in den vroegen morgen van den volgenden dag een verkenningstocht gemaakt door het geheele dorp, hetwelk zich over eene groote lengte uitstrekte, maar deze bleef zonder gevolg. Geen Vrijbuiter kregen zij te zien. Wel werden op verschillende plaatsen van tusschen de rietlanden musketschoten op hen gelost, die hen tot de uiterste behoedzaamheid maanden.

De groep Vrijbuiters werd bij het uur grooter, want ieder, die kans zag Westzaan te ontkomen, voegde zich bij hen, uiterst verbitterd over de ondervonden geweldenarijen. Ook Marten en Aelbert waren van hun tocht naar Knollendam behouden teruggekeerd, en hadden zich bij hunne vrienden aangesloten. De beide jongelieden haakten naar den strijd en zouden niets liever gewenscht hebben, dan aan wal te stappen en een openlijken strijd aan te binden. Maar de ouderen waren wel wijzer. Zij wisten wel, dat zij daarmede hun ondergang tegemoet zouden gaan. En 't Oude Hoen, wiens naam reeds gevreesd begon te worden bij de Spanjaarden, verbood het ten stelligste.

„Dapperheid is goed en prijzenswaardig, jongens,” sprak hij, „maar dit zou roekeloosheid wezen, die ik niet mag toestaan. Wij doen thans den vijand al meer afbreuk, dan hem lief is, en daarmede moeten wij tevreden zijn.”

Illustration from De Kennemer Vrijbuiter

De Vrijbuiters gingen onvermoeid voort met het bestoken van de vijanden, en dezen ontdekten al spoedig, dat zij, zoodra zij een voet buiten de deur zetten, hun leven niet meer zeker waren. Onverwachts knalden van uit verborgen schuilhoeken de doodelijke schoten, die al menigen Spanjaard in het gras hadden doen bijten.

„'t Oude Hoen!” mompelden zij dan verschrikt, en ijlings brachten zij zich binnenshuis in veiligheid.

Eindelijk, nadat zij langen tijd op den huisman hadden geteerd en de overtuiging hadden opgedaan, dat van de Westzaners thans niets meer te halen viel, klonk het bevel, naar Saardam terug te keeren, wat geschiedde met slaande trom en vliegende vaandels. Maar bij zijn vertrek bracht Hopman Van der Linden aan de welvaart van Westzaan den genadeslag toe. Hij beval namelijk, al het vee uit de landen te drijven en het naar Saardam te voeren. Wie beschrijft de woede, den haat, die den armen boeren bezielde, toen zij zich hun kostelijk vee zagen ontrooven! Hoe moesten zij thans aan boter, melk en kaas komen, van welke producten zij immers moesten leven! Wel vierhonderd en tien koeien werden hun op dien noodlottigen dag ontstolen, die een waarde vertegenwoordigden van ruim acht duizend gulden, want een koe kostte in dien tijd ongeveer twintig gulden. Met tranen van spijt moesten zij het toezien, hoe de vijanden met hunne woede spotten.

Thans hadden zij alle middelen van bestaan verloren, en schoot hun niet anders over dan te leven van den buit, dien zij met de wapenen in de hand op den vijand moesten veroveren. Ja,—voortaan zou het ook bij hen zijn „oog om oog en tand om tand!” De ijzeren noodzakelijkheid dwong hun er toe.

Nauwelijks was de woeste bende vertrokken, of 't Oude Hoen en de andere Vrijbuiters keerden op hunne hoeven terug, die duidelijk de kenmerken droegen, dat zij door ruwe gasten bewoond waren geweest. De geleden schade werd zooveel mogelijk hersteld, de vrouwen en kinderen kwamen van lieverlede terug, ook Vrouw Geerte, en voorloopig keerde in Westzaan de oude rust weder. Maar de ongelukkige bewoners waren thans voor het meerendeel in armoede gedompeld, en wie zijn geld op eene geheime plaats had weten te verstoppen, zoodat het aan het scherpziend oog van den vijand was ontsnapt, waagde het niet, ander vee aan te schaffen. Wie toch gaf hun de zekerheid, dat de Spanjaarden niet morgen of overmorgen een nieuwen inval zouden doen?

't Was al laat in den avond van een der volgende dagen, toen drie personen de hoeve van 't Oude Hoen verlieten. De vuurroeren hingen hun over den schouder, maar in plaats van den verrejager droegen zij thans elk eene spade. In de drie personen herkennen wij 't Oude Hoen, Aelbert en Marten. Zij liepen den weg dwars over en stapten in het schuitje van Marten, waarin de riemen reeds gereed lagen, evenals de verrejagers, die de Vrijbuiters niet gaarne misten.

Zij staken van wal, 't Oude Hoen gezeten op het roerbankje, de beide knapen aan de riemen, en weldra plasten deze in het water. Met krachtige slagen roeiden zij in de richting van den Overtoom. Daar aangekomen brachten zij de boot over den dijk het IJ in, roeiden Oostwaarts en bereikten den mond der Zaan en daarmede de plaats, waar eenmaal de hoeve van Martens ouders had gestaan. 't Stemde den knaap droevig, dien hem welbekenden grond opnieuw te betreden, en hij dacht aan de gelukkige jaren, die hij daar in den schoot zijner familie had doorgebracht.

De boot was vastgelegd, en met de spaden in de hand betraden zij het erf. Daar lag de ruïne van de voormalige hoeve vóór hen, en Marten zag met een enkelen oogopslag, dat zij reeds veel kleiner geworden was. Blijkbaar waren er reeds kapers op de kust geweest, die alles, wat nog eenigszins bruikbaar was, hadden medegenomen.

„Wij zijn de eersten niet, die hier komen,” sprak hij. „Er is hier geducht gestolen. Al het goede hout is weggehaald....”

„Als zij het voornaamste maar lieten liggen, Marten,” sprak 't Oude Hoen. „Op welke plaats ongeveer moeten wij het zoeken?”

Marten keek nauwlettend rond, mat met zijne oogen de verschillende afstanden, betrad de ruïne, en zei eindelijk:

„Hier moeten wij zijn, denk ik. Wij dienen eerst de half verbrande balken weg te ruimen, en de neergevallen steenen. Maar veel tijd zal dat niet kosten.”

Men sloeg de hand aan 't werk, want 't Oude Hoen hield niet van talmen, en de twee jongens evenmin. Zonder meer leven te maken dan noodzakelijk was, werd het puin opgeruimd en de vloer blootgelegd. Marten had goed geraden, want het bleek hun, dat zij precies waren, waar zij wezen wilden. Zij hadden de plaats schoongemaakt, waar eenmaal de schouw was geweest. Marten bukte zich voorover, ruimde de steenen een voor een weg, verwijderde met behulp der beide anderen de ijzeren plaat, en tilde daarna het kistje omhoog, dat door de plunderende soldaten niet in zijn schuilhoek was ontdekt. Ook hadden de vlammen van het brandende gebouw het niet gedeerd.

Zij brachten het schielijk over naar de boot, waar het een plaatsje kreeg onder de achterste bank; de riemen werden opnieuw gegrepen en de terugtocht aanvaard. Zonder eenigen tegenspoed kwamen zij te Westzaan terug, waar het geld geborgen werd naast dat van 't Oude Hoen, die het zijne begraven had midden in zijn land, waar geen Spanjaard het zoeken zou.

Marten was recht verheugd, want wanneer het hem nu gelukken mocht Anna weder te vinden, was hij in staat, haar voor broodsgebrek te behoeden en voor haar te zorgen. Ach, hoe verlangde hij naar haar!

Illustration from De Kennemer Vrijbuiter

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings