III
Reading edition
Veel verder in de rij der gelijkvormige werkmanswoningen was er een huisje, dat zich onderscheidde door zijne netheid.
Tot op de straat was er wit zand voor de deur gestrooid. Drie of vier bloempotten geurden op de vensters, achter sneeuwblanke gordijntjes. Op de schouwplaat prijkte een Lieve-Vrouwebeeld, tusschen twee pleisteren papegaaien, wier rood, geel en groen vederkleed de oogen aangenaam verraste. Het kleinste keukengerief, de schotels en koffietasschen stonden op eene kas te pronken, en glinsterden en schitterden, als waren zij hoogmoedig over hunne netheid. De grove biezenstoelen waren zonder vlekken, de withouten tafel gewasschen, de kachel met potlood geglimd.
Even arm als de andere was deze werkmanswoning; de meest schitterende voorwerpen hadden slechts eenige centen gekost ... en nochtans er heerschte zulke bekoorlijke toon van vrede, van levenslust en van gemak; de lucht was er zoo zuiver en zoo
In de benedenkamer van het huisje zat eene vrouw bij eene lamp te arbeiden. Zij naaide aan een blauwen kiel; en vermits er op eenen stoel nog vele zulke kielen geplooid lagen, was het te vermoeden, dat zij voor eenen winkel werkte. Zij kon den ouderdom van achtentwintig of dertig jaar bereikt hebben; hare kleederen, van gemeen katoen en door wasschen verbleekt, waren zeer zuiver en zelfs met zekeren eenvoudigen zwier geschikt.
Nevens haar bij de tafel, zat een achtjarig jongsken met bruin haar en groote, levendige oogen. Hij had een brief voor zich liggen en verroerde de lippen, terwijl hij met een stokje de lettergrepen aanwees, welke hij poogde te lezen.
In eenen hoek, op een paar houten bankjes zaten twee kleine meisjes van drie of vier jaar. Zij speelden met poppen en vermaakten zich in stilte, nu en dan eens de stem verheffende om de poppen te bekijven, of zoet lachende onder elkaar.
Sedert eene wijl scheen de jongen in verlegenheid; zijn stokje verroerde niet meer, hij schudde het hoofd met ongeduld.
"Wat is het, Bavo?" vroeg de vrouw. "Gaat het niet goed, kind?"
"Ach, moeder," zeide hij, "de meester heeft mij eene les te leeren gegeven, en daar is een woord in, zoo moeilijk, zoo moeilijk! Ik zweet er van; maar ik kan er toch niet uit. Lees gij het eens, moeder lief!"
Hij naderde dichter, legde haar het boek onder de oogen en wees het onleesbare woord. Maar de vrouw, na eene lange poging, mompelde met moedeloosheid:
"Zelf.... Zelfver.... Zelfverloo.... Het overige kan ik niet lezen, Bavo. Zijn dit ook woorden voor een kind als gij? Kom, sla dit maar over en vraag het morgen uwen meester."
Het jongsken hield zwijgend den blik op het boek gevestigd; zijne leden spanden zich, zijne oogen werden starend en hij verzamelde zichtbaar de kracht zijns geestes.
"Neen, laat af, kind," zeide de vrouw, "breek u de hersens niet nutteloos: het woord is te moeilijk."
"Te moeilijk?" morde de kleine. "Ik moet het lezen, ik wil.... Ach, moeder, stil, stil; gij hebt mij geholpen, het zal gaan.... Zelfverloo.... Zelfverlooch.... Zelfverloochening! Zie, zie, moeder lief, het woord is zelfverloochening!"
Een kreet van bewondering ontsnapte de vrouw; zij greep haar zoontje in de armen en legde eenen langen kus op zijn voorhoofd. Wat haar dus ontroerde, was de vroegtijdige gemoedskracht en de schier mannelijke wil, dien zij in haren zoon meende te ontdekken. Wat droomde zij bij den liefderijken kus? Zij wist het niet, en evenwel dankte zij God uit den grond des harten.
Het kind, door de teedere goedkeuring aangemoedigd, had weder zijn boek gegrepen; maar de vrouw, nog ontroerd, zeide hem:
"Bavo lief, gij moet maar goed leeren, kind; later in het leven zult gij eerst begrijpen, hoe schoon en hoe nuttig het i
"Altijd, altijd, en u ook, moeder lief!" zei het jongsken, haar de wangen streelende.
Op dit oogenblik werd de deur geopend, en een man trad binnen. Zijne kleederen, door katoen en stof bevlekt, waren versleten en schenen vuil in zulke zindelijke plaats. Er was iets spijtigs in zijne uitdrukking en hij scheen van slechte luim.
Maar daar klonk het woord "vader! vader!" hem op alle tonen tegen, en vooraleer hij twee stappen in de kamer had gedaan, waren zijne handen streelend aangegrepen en fijne kinderstemmen verwelkomden hem met eenen vloed van zoete liefdewoorden. Bavo liep naar hem toe, een stukje papier boven zijn hoofd zwaaiende:
"Vader, vader lief!" riep hij, "twintig goede noten! Twee kussen voor mij en vier centen voor mijnen spaarpot!"
En onder het uitspreken dezer woorden had de jongen eenen machtigen sprong genomen, en hing nu aan zijns vaders hals, om de belooning zijner leerzaamheid te ontvangen.
Intusschen was de vrouw bezig met een ammelaken op de tafel te spreiden en het avondeten op te zetten. Zij lachte haren man vriendelijk aan en sprak insgelijks menig blij woord tot welkom.
"Zit neer, zit neer, Damhout," zeide zij, "gij moet eetlust hebben, en de aardappelen zouden welhaast koud geworden zijn. Ik heb een lekker pladijsje voor u gekocht, goedkoop, voor vijf centen, springende levend. Komt, kinderen, aan tafel, aan tafel!"
Adriaan Damhout was gevoelig aan de liefdesbetuigingen zijner kinderen; de rimpels verdwenen van zijn voorhoofd en een stille glimlach verlichtte zijn gelaat. Hij gaf zijn zoontje de vier verschuldige centen en reikte zijn weekloon aan zijne vrouw, die, zonder het te bezien, het geld in haren zak liet glijden.
Dan namen allen plaats aan de tafel, zoo ordelijk, zoo zuiver en zoo netjes geschikt, alsof die arme menschen gekozene s
Allen te gelijk maakten het teeken des kruises en dankten God in stilte, waarna zij met waren lust begonnen te eten. Slechts toen de visch zou worden aangevat, werd de vrede eenigszins gestoord. Damhout kon het niet over zijn gemoed krijgen, de pladijs, hoe klein zij ook ware, geheel alleen op te eten; hij wilde het lekker gebak met zijne vrouw deelen; maar de vrouw bevestigde, dat het voor hem en slechts voor hem was gekocht. Hij zou haar door langer aandringen bedroeven. Alhoewel de kleinen, door de moeder geleerd, haar hielpen, eindigde toch de vriendelijke twist op zulke wijze, dat elk kind, een stukje van den visch op zijn bord kreeg en de werkman het overige met onbeneveld vermaak genoot.
Onmiddellijk na het avondmaal werd het ammelaken geplooid, en alles verdween in een oogslag van de tafel.
De vrouw zette zich nevens haren man en begon met hem over het werk en over de fabriek te spreken; de twee meisjes kropen op vaders knieën. Bavo stond aan zijne andere zijde met zijn boek in de hand te wachten, totdat zijne ouders ophielden samen te kouten.
Het was een eenvoudig, doch roerend tooneel, dien werkman in zijne slechte en besmette kleederen, te zien zitten met die nette, lachende engeltjes op de knieën, tusschen eene liefderijke vrouw en eenen leerzamen zoon, wiens oogen met ontzag en biddend tot hem waren
"Vader lief, mag ik eens lezen?" vroeg het jongetje eindelijk. "Wij hebben vandaag zulke schoone les gekregen! Ik weet niet of ik ze al goed ken, maar ik zal mijn best doen."
"Ja, Bavo, lees uwe les eens voor vader," zeide de vrouw.
De jongen opende zijn boek en las met zekere moeite en eenige onderbrekingen, evenwel met genoegzame duidelijkheid om verstaan te worden:
"Kinderen, wilt gij door God gezegend zijn op aarde, eert uwen vader en uwe moeder. Zij hebben u lief als het licht hunner oogen; zij zorgen en werken voor u van den morgen tot den avond; het eenige doel van al hun streven, van hunnen kommer en van hunne gebeden, is uw geluk alleen. Bemint hen teederlijk; zijt hun onderdanig en blijft hun dankbaar; wordt de steun en de blijdschap hunner oude dagen, en beloont aldus de ouderlijke liefde, die zuivere en schier goddelijke zelfverloochening."
Deze lezing scheen eenen ongunstigen indruk op het gemoed van Damhout te doen; zij herinnerde hem wat Wildenslag hem had gezegd, en gaf nieuwe kracht aan de vrees, welke zijn vriend nu weder voor de twintigste maal in hem had opgewekt. Zijn gelaat werd zeer ernstig en hij schudde nadenkend het hoofd.
"Bavo, begrijpt gij wat gij daar hebt gelezen?" vroeg hij na eenige overweging.
"Ja, vader lief," antwoordde het kind, "er staat, dat gij voor mij werkt, en ik u en moeder altijd gaarne moet zien."
"Tot in onzen ouden dag, Bavo."
"Ja, vader, tot in uwen ouden dag, zoolang ik leef."
"
De jongen zag zijnen vader verbaasd aan, doch zonder spreken, als begreep hij zijnen twijfel niet.
"Het is wel," zeide Damhout, "gij zijt wijs, Bavo. Blijf zoo, en vergeet nimmer wat daar in uw boek geschreven staat, anders zal God u straffen."
Er volgde eene wijl stilte; de vrouw bespiedde het gelaat van haren man, die nu klaarblijkend in treurige gepeinzen was verzonken.
"Adriaan," murmelde zij, "wat is er toch, man lief? Gij schijnt zoo denkend? Ik heb het gezien toen gij binnenkwaamt: er hangt u iets in het hoofd. Hebt gij verdriet?"
"Ik heb wel geen verdriet, Christina," antwoordde hij, "maar er is toch iets dat mij kwelt. De andere kameraden gaan al eens een pintje te zamen drinken; zij lachen en kouten en vermaken zich een beetje na den weeklangen arbeid. Ik zit hier altijd te huis, alsof ik buiten de wereld was; en de vrienden drijven den spot met mij. Misschien is het onverstandig, zoo zijn leven geheel op te offeren, zonder te weten, wat er in het einde nog zal van komen."
Alhoewel deze woorden haar verrasten, haalde de vrouw een zilveren geldstuk uit haren zak en reikte het met eenen minzamen glimlach haren man toe.
"Damhout lief," sprak zij, "gij moet het voor mij niet laten; daar is geld; hebt gij lust om een uur of eenige uren met de kameraden te zijn, voldoe uwe goesting. Ga, ik zal zelve plezier in mijn hart hebben, als ik weet, dat gij u vermaakt."
Maar de man, als beschaamd over zijn gemor, dreef zachtjes hare hand terug.
"Neen, houd het geld," zeide hij,—mijn lust is over.... Nochtans, Christina, dezen avond vieren de vrienden in de Blauwe Geit het jubilé van rossen Leo, omdat hij nu vijfentwintig jaren spinner is. Wildenslag heeft mij aangemaand om er bij tegenwoordig te zijn; ik heb hem beloofd, dat ik zou komen, indien het mogelijk was."
"Welnu, Damhout, het is mogelijk: gij moet uwe belofte houden."
"Ja, maar ik weet niet, mij dunkt, dat ik nog liever te huis zou blijven met de kinderen."
"Neen, neen, Damhout; morgen is het Zondag; dan zijn wij van den morgen tot den avond te zamen. Doe mij plezier en neem dit geldstuk; ga naar de Blauwe Geit en wees vroolijk met de vrienden. Ik zal tevreden en welgemoed naar u wachten; maar blijf zoolang, zoolang gij wilt. Ga, ga, ik bid u."
Zij moest hem nog gedurende eene wijl met vriendelijk geweld aanmanen om op te staan. Dan vergezelde zij hem tot de deur en wenschte hem eenen genoeglijken avond. Zij keerde tot de tafel terug en hernam haar naaiwerk.
Eenige oogenblikken later werd de deur zeer zachtjes geopend, en een klein meisje trad binnen.
"Bavo, daar is Godelieve," zeide de moeder.
De jongen sprong recht, liep naar het meisje, greep haar de hand en bracht haar bij de tafel, met groote blijdschap zeggende:
"Ha, Lieveken, dat is goed, dat gij nog terugkomt. Ik ben moede geleerd; laat ons nog wat spelen. Willen wij winkel houden gelijk gisteren? Het is zoo vermakelijk."
"
"Ja, ja, school spelen!" herhaalden de twee zusterkens, lachend in de handen kletsende.
Bavo haalde eenige boekjes voor den dag, welke hij van zijne eerste leermaanden had gespaard; hij zette Lieveken op het eene bankje en zijne zusterkens op het andere, greep zijns vaders zondagsrietje en begon, met opgeheven hoofd en koddigen ernst, over en weder te wandelen, ondertusschen op verzwaarden toon roepende:
"Stil, in de school, of ik zet u in den hoek! Wie zijne les niet kent, zal noen-overal blijven. Godelieve Wildenslag, let op! Welke letter is dit?—Goed. En deze? En deze?—Gij kent uwe les; gij zult eene klasse verhoogen. Keer het blad van uw boek om. Wat staat daar op den tweeden regel?"
"Da, de, di, do, du, dij!" riep Lieveken.
"Ja, gij kent dit van buiten, ik weet het wel; maar daar, op het andere blad, daar?"
Het meisje deed een oneindig geweld om de aangewezene lettergreep te spellen, doch zij geraakte er niet uit.
"Heb moed, let wel op," zei Bavo. "Die dubbele O is lang; en voeg daar achter nu den klank ge bij, wat hebt ge dan?"
"Oog, oog!" riep Lieveken met zegevierende blijdschap.
"Wel zoo, mijn kind, gij zijt er," juichte de jonge schoolmeester. "Godelieve Wildenslag krijgt tien goede noten!"
De moeder had dit tooneel glimlachende en met welgevallen afgezien.
De jongen en het meisje bezagen haar met verwondering.
"Het is, zooals ik u zeg," bevestigde zij. "Waarom verwondert het u? Ziet eens, Lieveken, zonder het te weten, kent al hare letters en zij begint reeds te spellen. Indien Bavo zich wat moeite wilde geven, wees zeker, Lieveken, gij zoudt wel spoedig kunnen lezen."
"Gij zegt het om te lachen, niet waar, bazin Damhout?" murmelde het meisje twijfelend.
"Zou dit inderdaad mogelijk zijn, moeder lief?" vroeg Bavo, in wiens oog eene vonk van besluit glinsterde.
"Mogelijk? Wel, kind, het is bijna gedaan? gij ziet het immers wel?"
"Ha, ha, Lieveken, wij zullen altijd school spelen! Gij zult leeren lezen!"
"Ik zal leeren lezen!" herhaalde Lieveken met bedwongen geestdrift.
"Gij zult het leeren!" kreet Bavo. "Och, hemeltje, dat zal vermakelijk zijn, als wij te zamen in hetzelfde boek zullen kunnen lezen. Nu ga maar weder op de bank zitten, en geef acht ... of ik doe u twee groote lessen uit den Catechismus van buiten leeren!"
Bavo speelde zijne rol van schoolmeester met verdubbelde vlijt voort. Alhoewel hij insgelijks nu en dan zijnen kleinen zusterkens de letters toonde en met geveinsd ongeduld hen terechtwees, hield hij zich toch meest
Het duurde zoolang, dat eindelijk de twee kleine zusterkens, hoofdje tegen hoofdje, op hunne bank waren in slaap gesukkeld.
Dan was de school uit. De moeder ontkleedde de ingesluimerde wichtjes en droeg ze naar hun bed. Bavo en Lieveken keerden terug bij de tafel en keken daar in een klein boek met beeldekens.
Terwijl bazin Damhout haar naaiwerk voortzette, spraken de twee kinderen in stilte met elkaar over de gelukkige hoop, dat Lieveken zou leeren lezen, alhoewel zij niet naar de school mocht gaan, dan weder over andere schoone, vroolijke dingen. Meest altijd zweefde er een zoete glimlach op hunne lippen; hunne oogen glinsterden van vriendschap en zielsgenoegen, en soms drukten zij elkander de handen.
Eindelijk hoorde men eene kinderstem van buiten den naam van Godelieve roepen, en het meisje, na Bavo en zijne moeder eenen goeden nacht te hebben gewenscht, meende zich naar huis te spoeden; maar bazin Damhout greep eenen emmer en zeide:
"Kom, Lieveken, ik moet om water naar de pomp; ik zal met u gaan."
Toen zij in de kamer terugkeerde, bevond zij, dat Bavo met het hoofd op zijne boekjes was ingesluimerd.
Zij zette zich neder, zag haar slapend zoontje eene wijl met zaligen blik aan, droomde van onbestemde dingen en legde eindelijk eenen langen, vurigen kus op het
"Reeds terug? Zoo spoedig?" vroeg zij verwonderd. "Gij doet het toch niet om mijnentwil, Adriaan? Het zou mij bedroeven."
"Neen, Christina," antwoordde hij, terwijl hij zich bij de tafel nederzette. "Ik weet niet, ik kan in dat woeste leven geen vermaak meer vinden. De vrienden zijn brave jongens, dit wil ik niet ontkennen; maar die baldadige manieren en grove woorden stuiten mij tegen de borst. Het is hier in huis tusschen u en mijne kinderen toch beter. Denk eens, daar zijn ze nu in de Blauwe Geit volop aan het ruziemaken. Zeker, de rosse Leo zal dezen avond nog vechten tegen Kobe den zandboer. Zij verwijten malkanderen zulke leelijke dingen, dat er de haren van te berge zouden rijzen op uw hoofd. Ik heb groote spijt, dat ik vandaag naar de Blauwe Geit gegaan ben."
"Ik geloof het, Adriaan; maar gij kondt niet weten, dat men er zou schelden en twisten."
"Daarom is het niet: ik ben droef in mijn hart."
"Hoe zoo? Is u iets geschied?"
"Wildenslag heeft mij vervaard gemaakt! hij maakt mij altijd vervaard.... En misschien heeft hij gelijk; misschien doen wij niet wel met onzen Bavo boven zijne ouders te willen verheffen."
"Alweder dit kwaad gepeins!"
"Kwaad gepeins, Christina? Wie kan het weten? Laat onze Bavo nu jaren lang naar de gemeenteschool gaan en geleerd worden. Hij zal ons veel meer geld kosten dan
"Ach, hoe kunt ge toch zoo spreken, met uwe oogen op uw onnoozel kind?" zuchtte de moeder. "Bavo zou ondankbaar worden en zijne ouders miskennen? Nooit, nooit, zijn hart is enkel liefde en dankbaarheid."
"Het is een goed kind, ik weet het," morde Damhout "Ze zijn altemaal goed, Christina, zoolang ze klein zijn; maar zoohaast ze man worden, gaan ze hunne eigene gangen en ze bekreunen zich om hunne ouders niet meer. Ja, wanneer ze een beetje verhoogd zijn in de wereld, zien ze wel dikwijls met kleinachting neder op degenen, die zich onvoorzichtig voor hen hebben opgeofferd."
"Dit zal met onzen Bavo niet gebeuren, Damhout," antwoordde de vrouw, haar verdriet bedwingende. "Zijn hart is zuiver, ik zal hem bewaken. Gij vreest, dat ons kind later in de wereld een beter lot hebbe dan wij? Maar geschiedde het aldus, zou uw vaderhart niet van vreugde kloppen? Zoudt gij niet met hoogmoed zeggen, hij is mijn zoon, voor hem heb ik met liefde geslaafd; zijn geluk is mijn werk?"
"Schoone dingen Christina; maar indien mijn zoon werkman bleef, gelijk ik ben, dan zou ik niet vreezen, dat hij zich later over mij zou kunnen schamen."
"Wie zegt u toch, dat hij geen werkman worden zal? Zijn er dan geene werklieden, goede, uitmuntende werklieden, die kunnen lezen?"
"Spinners toch niet veel."
"Maar er zijn andere stielen, Adriaan. Mekaniekmakers, timmerlieden, schrijnwerkers en honderd andere, waarin men met geleerdheid en goed gedrag het tamelijk verre kan brengen."
"Ziet gij wel, Christina, dat gij besloten hebt, onzen Bavo niet naar de fabriek te laten gaan?"
"Hij zal gaan waar hij wil of waar hij kan," zeide de vrouw met klimmende kracht. "Wij mogen daarover niet op voorhand beslissen. Van zijne leerzaamheid, van onze liefde en van Gods wil hangt het af. Uwe vrienden verschrikken u, met u te zeggen, dat ik van Bavo eenen mijnheer wil maken. Wat ik wil, is, dat mijn kind een mensch worde en niet door onwetendheid tot onmacht en eeuwige slavernij veroordeeld blijve. Wordt hij mijnheer, zooveel te beter!"
"Christina, Christina," zuchtte de werkman, "indien gij wist, hoe uwe woorden mij bedroeven! De hoogmoed is een slecht raadsman."
"Hoogmoed?" kreet de vrouw verontwaardigd. "Gelooft gij dan, dat het geluk mijner kinderen mij verschrikt? Ik zou geen moederhart moeten hebben. Ha, gij zult mij misschien niet begrijpen; maar ik zeg u, Damhout, dat, indien onze kinderen later van omhoog op mij konden nederzien, ik God zou danken, omdat Hij hen in de wereld heeft verheven. Schud het hoofd niet. Kon ik onzen Bavo ten prijze van mijn leven koning of keizer maken, ik stierve van blijdschap voor den troon van mijn kind!"
Zij was zeer ontroerd en scheen te beven; er was iets ontzaglijks in hare houding en in haren blik; het moederlijk gevoel had deze nederige vrouw indrukwekkend en schoon gemaakt.
Adriaan Damhout onderging den invloed harer geestdriftige woorden: hij boog het hoofd als overwonnen en bleef eene wijl zwijgend. Dan zeide hij:
"Misschien hebt gij in den grond gelijk, Christina; maar overweeg toch eens met bedaardheid. Nu gaat het nog zoo erg niet; er is veel en goed werk. Onze andere kinderen zijn nog klein. Later zult gij misschien willen, dat de meisjes insgelijks naar de school gaan?"
De vrouw deed een bevestigend teeken met het hoofd.
"Zullen wij, zonder eenige hulp van onze kinderen, dien last wel kunnen blijven dragen? Het schijnt mij onmogelijk."
"Ik zal een beetje meer werken, Adriaan."
"Altijd werken als slaven, zich geheel opofferen gedurende gansch zijn leven!"
"Ha, dan gevoel ik eerst, dat ik moeder ben, wanneer ik weet, dat ik mij opoffer voor het geluk mijner kinderen."
"Goed; maar indien het werk nu eens voor lang wierd gestaakt? Indien een onzer ernstig ziek wierd, wat dan?"
"Dan, Adriaan, dan zouden wij het schikken volgens Gods beslissing. Het onmogelijke kan men niet doen."
"En indien het noodig was, Bavo eenig geld te doen verdienen, zoudt gij hem naar de fabriek laten gaan?"
"Waarom niet, indien de nood het eischte?"
"En wat zou dan de geleerdheid hem helpen?"
Adriaan Damhout greep de lamp en lichtte zwijgend zijne vrouw.

"Wat zij hem zou helpen? Hoe kunt gij dit vragen, Adriaan? Hij zou ten minste mensch zijn, een uitmuntend werkman worden, bekwaam tot alles
"Zie, Christina," zeide de man met zekere tevredenheid, "zoohaast gij zegt, dat gij er niet tegen zijt, dat Bavo werkman worde, ben ik gerust."
"Nooit, Adriaan, heb ik een ander inzicht gehad; maar is het zijn lot, in de wereld vooruit te gaan, ik zal niet uit baatzucht zijn geluk beletten."
Na een oogenblik stilte zeide zij met zoete minzaamheid:
"Nu, lieve man, laat ons over dit alles niet bekommerd zijn. Waarom zouden wij door eene voorbarige vrees ons zelven verdriet aandoen, zoolang het ons wel gaat en wij niets te kort hebben? Komt er tegenspoed, dan zullen wij ons schikken volgens den nood. In alle geval, wat er ook gebeure, indien onze kinderen kunnen lezen en schrijven, zullen wij, alhoewel arme werklieden, hun toch een kostelijk erfdeel nalaten. Zij, die u berispen, kunnen dit niet zeggen. Leg de hand op uw hart, Adriaan, en gevoel, of het u niet hoogmoedig en gelukkig maakt, te weten, dat gij voor God en voor de menschen uwe vaderlijke plichten met liefde vervult. Wees vergenoegd, en luister niet meer naar kwaden raad van onwetende lieden. Kom, vriend, ik zal Bavo in mijne armen nemen. Wij gaan slapen."
En Adriaan Damhout greep de lamp en lichtte zwijgend zijne vrouw, die achter hem met haar zoontje de trap beklom.
Sedert Bavo de overtuiging had bekomen, dat hij Lieveken zou kunnen leeren lezen, had hij geenen enkelen dag laten voorbijgaan, zonder uren lang haar in het spellen te oefenen. Er was iets wonderlijks in de aanhoudendheid en in de vlijt van den kleinen jongen; ja, dikwijls vermoeide hij Lieveken zoodanig, dat haar hoofd er duizelig van werd en zij om verpoozing smeekte.
Buiten de goedheid des harten, die Bavo aandreef om het arme Lieveken deelachtig te maken aan het onderwijs, dat zijne moeder hem had leeren aanzien als de hoogste weldaad voor een werkmanskind, bestond er eene bijzondere reden van zijne drift en haast om zijne speelgenoote te leeren lezen. Hij wist, dat zij, zoohaast het mogelijk zou worden, naar de fabriek zou moeten gaan, en dan, vreesde hij, zou zij niet meer kunnen leeren; misschien zelfs zou hij niet meer of zeer zelden met haar kunnen spelen.
Inderdaad, vader Wildenslag was een vijand van het onderwijs. Volgens zijne meening,—die, eilaas, gedeeld wordt door vele onwetende werklieden—zijn de kinderen slechts op de wereld om hunnen ouders geldelijk voordeel aan te brengen, en is alle opoffering voor hen eene domheid, zoohaast er
Godelieve was te jong en te zwak om nu reeds naar de fabriek te gaan; maar er bestond in de buurt een huis, waar men den kleinen meisjes leerde handwerken. Daar zou zij eerlang elken dag eenige centen verdienen, en dit was toch alweder zooveel in het huishouden gewonnen. Daarenboven, zij zou gevoelen, dat zij geboren was om te werken evenals de anderen, en de luiheid, de juffrouwerij, zooals hij het noemde, zou den tijd niet hebben om in haar te groeien.
Meer dan eens reeds had hij met zijne vrouw over zijn inzicht gesproken; maar moeder Wildenslag had hem telkens tot een uitstel overgehaald, door hem te doen begrijpen, dat Lieveken nog altijd zwak en kwijnend was.
Deze reden ontsnapte haar evenwel na eenige maanden; want Lieveken scheen gezond te worden, en hare leden hadden in korten tijd zeer in sterkte toegenomen.
Dan werd op zekeren middag het vonnis over haar geveld, en haar werd bekend gemaakt, dat zij des anderen daags 's morgens, te zes uren, naar het speldenwerkhuis zou gaan.
Het meisje zou zich zonder het minste verdriet
"En dan, Godelieve, is het voor altijd gedaan met leeren lezen. Gij kent daarvan al veel te veel voor een arm werkmanskind. Poog het liever te vergeten, want anders zou het u gedachten kunnen geven, die u later op den doolweg zouden brengen. Geene boeken meer in huis; denk aan werken alleen."
Godelieve ging zwijgend het huis uit en bleef bij de deur met gebogen hoofd staan. Lang overwoog zij. Zij zou niet meer mogen leeren! Dit gepeins rukte tranen uit hare oogen, en zij ging langzaam en als dwalend naar de woning van bazin Damhout.
Zij verscheen in de kamer met het voorschoot voor de oogen. Adriaan Damhout was reeds terug naar zijne fabriek; maar dewijl het Donderdag en schoolverlof was, zat Bavo nog nevens zijne moeder bij de tafel.
De jongen sprong met eenen gil van zijnen stoel op, greep het meisje de hand en vroeg:
"Lieveken, gij krijscht? Wie heeft er u kwaad gedaan?"
Maar Lieveken begon luide te snikken en scheen ontroostbaar.
"Nu, Godelieve, spreek, wat is u geschied? Het zal niet erg zijn," zeide moeder Damhout.
"Ach, ik mag niet meer leeren lezen!" zuchtte het kind.
"Hoe? Waarom? Het kan niet zijn!" morde Bavo met eene uitdrukking van ongeloof en tevens van opstand.
"
"Wie, wie zegt dit?" kreet de jongen.
"Mijn vader heeft het gezegd, en er is niets aan te doen," antwoordde het droeve Lieveken.
"Uw vader!" herhaalde Bavo met schrik.
"Ja, en morgen van te zes uren moet ik naar het kantwerkhuis, en ik mag nooit een boek meer in de hand nemen, dat vader het zie. Och God, wat ben ik ongelukkig!"
Luider nog begon zij te krijschen; de tranen biggelden van tusschen hare vingeren.—Bavo, door medelijden ontroerd, liet het hoofd op de tafel vallen en begon insgelijks te weenen.
Gedurende eenigen tijd deed vrouw Damhout pogingen om de kinderen te troosten; maar zij gelukte er niet in. Om hun eenigen moed te geven, beloofde zij eindelijk, dat zij moeder Wildenslag zou gaan spreken, en zij drukte de hoop uit, dat zij misschien het pijnlijk vonnis zou kunnen verbidden.
Haastig schikte zij alles in de kamer, en zeide dan tot het meisje:
"Zijt gij wel zeker, Lieveken, dat uwe ouders beslist hebben u naar het kantwerkhuis te doen?"
"Zeker, bazin Damhout, reeds van morgen vroeg."
"Zij weten dus niet wat een kantwerkhuis is?"
"Ik geloof, dat zij het wel weten. Dit is niets, bazin Damhout; ik wil wel naar het kantwerkhuis gaan, ik zal er mijn best doen zooveel ik kan; maar dat ik niet mag leeren lezen, daarom heb ik zooveel verdriet."
"Welnu, blijf hier; ik ga naar uwe moeder.
Eenige oogenbliken daarna trad vrouw Damhout in de woning van Wildenslag.
"Wel goeden dag, Christina, wat geluk u hier te zien!" riep de moeder van Godelieve. "Zijt gij op den wandel? Het gebeurt u niet veel. Ik heb daar juist koffie opgeschonken, omdat het vuur toch aan was. Wij gaan een lekker kopje te zamen drinken....
En gij daar, vuile bengels, de deur uit, totdat ik u roepe, of anders zal het troef op uwen rug zijn!... Nu, zit neer, Christina, wij zijn alleen en kunnen op ons gemak een beetje kouten."
"Het is om een beetje te kouten, dat ik gekomen ben, Lina," antwoordde vrouw Damhout, zich nederzettende. "Is het inderdaad waar, dat gij besloten hebt uwe Godelieve op het kantwerkhuis te doen?"
"Het is waar, Christina. Ik hadde haar nog wel eenigen tijd te huis gelaten. Het kind is nog niet van de sterksten; maar mijn man houdt niet af, en hij heeft misschien gelijk. Hoe vroeger men de kinderen aan het werk gewent, hoe beter. Dan brengen zij al gauw iets of wat in het huishouden. Gij trekt zulk aardig gezicht, Christina? Verwondert het u, dat wij onze Godelieve naar het kantwerkhuis doen gaan?"
"Het bedroeft mij."
"Waarom toch?"
"Ik ga het u zeggen, Lina; en vermits gij moeder zijt en een goed hart hebt, zult gij mij begrijpen, ik hoop het ten minste. Gij weet misschien niet wat een kantwerkhuis is? Ik weet het, ik heb er een paar jaren op eenen stoel genageld gezeten, en ik zou
"Hemel, gij verschrikt mij!" zuchtte bazin Wildenslag. "Maar het is zeker niet waar, wat gij daar altemaal zegt!"
"Het is ten minste grootendeels waar, Lina. Ik weet het, er zijn sterke kinderen, die wel niet ziek worden, omdat zij op het kantwerkhuis zijn geweest; maar had ik een kind, dat zoolang ziek was als Godelieve, ik zou het niet durven wagen hare gezondheid te krenken en misschien de schuld te worden des doods van mijn kind. Ik ben moeder...."
"Maar ik ook, ik ben moeder!" kreet bazin Wildenslag.
"Ik weet het, Lina," was het stille antwoord. "Had ik kunnen twijfelen aan uwe liefde voor uwe kinderen, gij zoudt mij vandaag hier niet gezien hebben. Godelieve is mij komen zeggen, dat gij
"Maar, Christina, zij gaat niet naar het kantwerkhuis!" riep vrouw Wildenslag met eene soort van verontwaardiging. "Ik ben arm, ik ben eene onwetende sloor, dit beken ik; maar ik heb ook een moederhart in het lijf; ik zal mijn kind de borst niet laten indrukken, al gave men mij eenen hoop goud!"
"Dit vereert u in mijne oogen, Lina," zeide bazin Damhout, "dat gij uw arm Godelieveken zoo oprecht bemint ... maar uw man?"
"Mijn man? Wat heeft hij zich daarmede te bemoeien? Godelieve is een meisje, en over de meisjes is de moeder alleen meesteres. Dat hij met zijne bengels van jongens doe wat hij wil; ik kom daar ook niet tusschen. Wees niet bevreesd, Christina; al verroerde hij hemel en aarde, onze Lieveken zou toch niet naar het kantwerkhuis gaan. Het is beslist; ik kan niet weten, of gij geheel gelijk hebt, maar met den schrik, dien gij mij hebt aangejaagd, zou ik nog niet plooien, al stond ik voor den koning zelven."
De beide moeders drukten elkander de handen; bazin Wildenslag scheen zeer gevleid door den lof en de vriendschap harer buurvrouw, en het was met onverborgene blijdschap, dat zij haar aandreef om nog een kopje koffie te drinken.
"Zeker, Godelieve gaat niet naar het kantwerkhuis; maar zij kan toch niet langs de straat blijven loopen? Haar vader knort dagelijks daartegen, en hij heeft geen ongelijk. Zij is nog te jong om naar de fabriek te gaan. Wat zou ik met het kind doen, Christina?"
"Indien ik u eenen goeden raad mocht geven...."
"Wel, het is naar goeden raad, dat ik u vraag."
"In uwe plaats liet ik Godelieve voor een paar jaren naar de school gaan."
"Naar de school gaan? Ons Lieveken naar de school? Waar zijn toch uwe zinnen, Christina?" riep vrouw Wildenslag als verbaasd. "Hebben wij, arme fabriekwerkers, de middelen, om van ons kind eene juffrouw te maken, die niet meer zou willen en kunnen werken?"
"Gij verstaat mij niet, Lina," bemerkte vrouw Damhout. "Lieveken kan, om zoo te zeggen, reeds lezen. Indien ze nu nog twee jaren naar de school gaat, zou ze geleerd zijn en goed kunnen schrijven en rekenen. Dan deed ik ze bij eene kleermaakster of op een modewinkel. Zij zou dienvolgens ook leeren werken, maar zij zou niet onwederroepelijk veroordeeld blijven, om tot het einde van haar leven eenvoudige werkster en dienstmeid van anderen te blijven. Met hare geleerdheid zou zij zeker winkeldochter worden, en later zou ze zonder twijfel zelve eenen winkel oprichten en meesteresse worden. Het verwondert u? De geleerdheid, Lina, maakt den mensch tot alles bekwaam. Voor ons, onwetende werklieden, is er geene verbetering mogelijk; wat wij zijn, moeten wij blijven tot onzen dood; maar geven
Bazin Wildenslag luisterde met wijdgeopende oogen; zij scheen niet wel te begrijpen, wat hare buurvrouw zeide.
"Vooronderstel nu eens, Lina," hernam deze, "dat uwe Godelieve winkeldochter worde, en later zelve meesteresse; dat zij veel geld winne en als eene ware juffrouw gekleed ga. Zou u dit bedroeven? Is het geluk van haar kind de hoogste vreugde eener moeder niet?"
"Inderdaad, Christina."
"En indien gij, met de hand op het hart, u zelve mocht zeggen, dat gij, gij alleen de oorzaak zijt van hare welvaart in de wereld, zou het u niet hoogmoedig maken?"
"Ja, maar zou zij dan hare arme ouders wel blijven beminnen?"
"Waarom niet? Is de dankbaarheid dan vijandin van de liefde? Integendeel, ik ben wel zeker, dat Godelieve nooit uwe weldaad zou vergeten en tot op haren ouden dag nog in zich zelve zou zeggen: mijn geluk, mijne welvaart ben ik verschuldigd aan mijne moeder. Uwen naam zou zij zegenen, haar leven lang, en zij zou God bidden, dat Hij u in Zijnen schoonen hemel beloone voor uwe goedheid."
Vrouw Wildenslag was getroffen; hare oogen schenen vochtig van ontroering.
"En dan, ziet gij, Lina, de verstandige lieden zouden u achten en prijzen. Zij zouden zeggen: die juffrouw, de meesteresse van dien schoonen modewinkel,
"Het is wel schoon wat gij daar zegt," zuchtte de moeder van Godelieve, "maar zoo valt het niet altijd uit."
"En ware de zaak onzeker, zoudt gij daarom Lieveken tot eeuwige armoede veroordeelen, als gij het middel kent om haar een beter lot te bezorgen? Zijt gij niet moeder, en zou de overtuiging, dat gij uwen plicht hebt gedaan, u niet hoogmoedig en blijde maken voor gansch uw leven?"
"Naar de school gaan, het is gemakkelijk te zeggen," mompelde vrouw Wildenslag, het hoofd schuddende, "maar het geld, de kosten?"
"Daar loopen geene kosten op, Lina. Bij de Zusters-ten-Nonnenbosch, achter St.-Anna-Kerke, zal men uw kind met vreugde ontvangen en het kosteloos leeren, zoolang gij wilt. Wat zijn die twee jaren? Lieveken kan toch niets winnen, en, eens geleerd, zal zij zooveel te spoediger bekwaam zijn om een schoon dagloon te verdienen. Wees zeker, indien gij mijnen raad volgt, zult gij er mij later om bedanken."
Moeder Wildenslag boog het hoofd en zag zwijgend ten gronde.
"Welnu, wat denkt gij van mijnen raad?" vroeg hare buurvrouw.
"Laat mij overwegen; het is eene gewichtige zaak. Ja, ik ben moeder, en het geluk van mijn kind...."
Eensklaps sprong zij recht, liep tot eene kas,
"Kom, Christina," riep zij, "ga mede met mij!"
"Maar wat wilt gij doen?" vroeg bazin Damhout verwonderd.
"Wat ik wil doen? Ik heb nu een goed gepeins, en ik ben vervaard, dat het zou kunnen veranderen. Zóó ben ik. Het moet maar seffens gedaan worden, anders komt het er niet van. Wij gaan naar de Zusters, om te zien, of zij mijne Godelieve op hunne school willen toelaten."
"Moet gij niet eerst uwen man daarover raadplegen?"
"Denk daar niet aan. Van een beetje lawijd en eenen avond gegrom zal ik niet ziek worden. Lieveken is mijn kind, en als de zaak eens afgedaan en geklonken is, zal haar vader zooveel te gemakkelijker te overwinnen zijn. Kom, kom, geen tijd verloren. Gij kunt schoon en beleefd spreken, Christina, doe gij het woord bij de Zusters, dan geraken wij seffens klaar, indien het mogelijk is."
De beide vrouwen verlieten het huis en verdwenen onmiddellijk achter den hoek der stege.
Intusschen wachtten Bavo en Lieveken met koortsig ongeduld op de terugkomst van vrouw Damhout. In het eerst hadden zij elkander getroost met de hoop op goed nieuws; maar dewijl Bavo's moeder zoolang weg bleef, ontzonk hun eindelijk de moed geheel.
Nu zaten zij sedert een half uur zwijgend te treuren, toen eensklaps de deur werd geopend en zij hunne moeders zagen verschijnen. Bevend sprongen
"Godelieve," zeide bazin Wildenslag met groote blijdschap, "gij moet niet naar het kantwerkhuis! Morgen gaat gij naar de school, bij de Zusters-ten-Nonnenbosch, en gij zult mogen leeren gelijk Bavo!"
Een blijde kreet ontsnapte het gelukkige Lieveken; zij omhelsde hare moeder en vrouw Damhout; zij greep Bavo bij de handen en danste juichend met hem de kamer rond.
"Ik mag naar de school gaan, ik mag leeren, gelijk gij, Bavo!" riep zij, in de handen kletsend. "Hoe goed, hoe schoon!"
En zij stortte zich vermoeid tegen de borst harer moeder, streelde haar de wangen met de beide handen en stamelde op den toon eener diepgevoelde dankbaarheid:
"Ach, moeder lief, ach, moeder lief, wat zijt gij goed voor uw arm Lieveken. O, wat zie ik u gaarne! Wat zal ik u altijd gaarne zien, mijn geheel leven lang!"
Bazin Wildenslag veegde zich eenen traan uit de oogen. Zulke moederlijke fierheid, zulke zuivere, innige blijdschap had ze nog nooit gevoeld. Het scheen haar, dat er iets in hare natuur was veredeld geworden: zij had ten minste dit besef van eigene waardigheid, dat als eerste belooning van eenen grooten vervulden plicht in den mensch ontstaat.
"Kom, Lieveken," zeide zij, "laat ons naar huis gaan. Ik moet eens goed al uwe kleederen nazien en u een nieuw paar schoenen koopen. De kinderen op de
In het uitgaan drukte zij met bijzondere kracht de hand van vrouw Damhout, en zeide tot allen groet:
"Dank, dank!"
Lieveken was ter schole bij de Zusters. Hoe fier en hoe gelukkig gevoelde zich het arme kind, wanneer zij, met hare leerboekjes en hare schalie in de hand, door de stege stapte! Nu zou zij het onderwijs genieten evenals Bavo. Zij was dus een bevoorrecht wezen tusschen al deze arme werkmanskinderen, die niet mochten ter schole gaan. De overtuiging, dat zij het voorwerp was van eene onverwachte en bijzondere gunst, dreef haar aan tot eene ongewone vlijt. Elken avond herhaalde zij hare lessen met Bavo. Dewijl zij eenen helderen geest en een sterk geheugen had, deed zij met dit dubbel onderwijs in min dan een jaar zulke groote vorderingen, dat hare leermeesteressen zelven er over verwonderden. Daarenboven, zij was zoo gehoorzaam, zoo dankbaar, zoo streelend, dat de Zusters haar met eene bijzondere voorliefde behandelden, en allengs trotsch werden over de verrassende vruchten van hun onderwijs in dit arme werkmanskind.
Vader Wildenslag had nooit rechtzinnig toegestemd om zijn meisje ter schole te laten gaan. Hij gromde nog immer tegen deze gevaarlijke gekheid, zooals hij het noemde; en wanneer hij met zijne
Lieveken woonde dikwijls de samenspraken bij, waarin er over haar lot werd getwist: zij hoorde en zag bevend, hoe hare moeder haar verdedigde en hoe zij te lijden had om haar op de school te houden. Het kind wist zulke zoete woorden, zulke teedere streelingen te vinden om hare moeder te troosten; zij drukte hare dankbaarheid met zooveel gevoel en kracht uit, dat bazin Wildenslag soms haar beminlijk Lieveken tegen de borst drukte en diep ontroerd haar omhelsde.
Uit erkentenis voor hare moeder, poogde Lieveken zich op alle wijze nuttig te maken. Zij stond op met het krieken van den dag, schikte, kuischte en schuurde, en deed zooveel, dat het huisje van Jan Wildenslag allengs een min onzindelijk aanzien
Bazin Wildenslag, hoe woest en onwetend ook, had een goed hart en veel gezonde rede. Wanneer zij alleen was met Lieveken en zij het kind zoo eenvoudig en toch zoo schoon hoorde spreken van haar onbekende dingen, van godsvrucht, van zedelijkheid en van de menschelijke plichten, gevoelde zij zich in eene andere lucht, en het scheen haar, dat hare eigene natuur door de aanraking van haar kind zich verhief en zich louterde.
Ook zeide zij soms tot hare buurvrouw: "Zie, bazin Damhout, wij, arme lieden, wij denken, dat wij dom en slecht zijn. Het is niet waar. Het goede steekt er in, maar niemand heeft het er doen uitkomen. Hadden mijne ouders mij beter opgebracht en mij laten leeren, ik zou een ander mensch geworden zijn; want nu gevoel ik het wel, ik ben zoo bot niet als ik zelve het meende. Ware het nog te herdoen! Maar het is te laat, gebuurvrouw. Ik heb nu toch het geluk, te weten, dat mijne Godelieve goed zal geleerd worden. Zij is een engeltje in mijn huis; en mijn man mag mij vervaard maken zooveel hij wil, ik ben zeker dat ik plezier in mijn kind zal hebben zoolang ik leef. Wat hare broeders en zusters betreft, kleinen en grooten, daar is niets goeds van te verwachten. Zij staan tegen mij op, alsof ik geboren ware om hunne slavin en hunne dienstmeid te zijn.
Misschien had de tevredenheid van vrouw Wildenslag nog eene andere reden. Zij was naar de school van Lieveken gegaan. De Zusters hadden haar met eene bijzondere beleefdheid en met eene zichtbare blijdschap ontvangen; haar de wonderlijke vorderingen van haar kind geroemd; haar hoog geprezen, omdat zij, nederige werkmansvrouw, haar kind liet leeren, en haar eindelijk, tot overmaat van vriendelijkheid, op eene lekkere koffie onthaald.
Natuurlijk, zulk eerbewijs en de uitbundige lof over haar zelve en over haar kind hadden haar het hoofd duizelig gemaakt, en zij was uit de school teruggekeerd met het vaste opvat, Godelieve zoolang mogelijk te laten leeren.
Daaruit volgde, dat, als de twee jaren verloopen waren, zij allerlei listen uitvond en zelfs openlijk tegen haren man in opstand kwam, om haar meisje nog eenige maanden langer op de school te laten.
Alles was echter geene vreugde in het leven van Lieveken. Hare broeders en zusters, waarvan er reeds drie op de fabriek werkten, hadden voor haar eene soort van haat opgevat. Het scheen hun eene schreeuwende onrechtvaardigheid, dat Godelieve, zonder geld in huis te brengen, in luiheid mocht leven.—Onrechtvaardigheid vanwege de ouders was het zeker, dat zij al hunne kinderen niet hadden laten leeren; maar zoo verstonden de woestaards het niet. Op Lieveken alleen meenden zij zich te moeten wreken. Zij noemden haar spottenderwijze de Mammezel, scholden haar uit voor eene leegloopster, eene
Godelieve verdroeg alles met een engelachtig geduld; slechts wanneer men hare schrijfboeken bemorste of beschadigde, weende zij in stilte, omdat zij vreesde in de school door de Zusters te worden bekeven.
Elken dag, zoohaast het avondmaal was geëindigd, ging zij met hare boeken naar het huis van bazin Damhout. Daar las en schreef zij aan de zijde van Bavo, ontving zijne terechtwijzingen en zijne lessen met een liefderijk gemoed, en speelde dan nog wat, en koutte misschien met haren jongen vriend van hetgeen zij beiden meenden of hoopten later in de wereld te zullen worden.
Bazin Damhout arbeidde zonder ophouden aan het naaien van kielen of van ander lijnwaden kleedergoed. Dewijl haar oudste meisje nu insgelijks naar de school ging, moest zij pogen wat meer geld te winnen, om haren man niet te laten gevoelen, dat het onderwijs der kinderen, ofschoon kosteloos, toch wel eenige opoffering vergde.
Niet zelden wanneer Adriaan Damhout in gezelschap van Jan Wildenslag was geweest, keerde hij naar huis met een versomberd gelaat, en dan ontsnapten hem treurige bemerkingen, die genoeg lieten blijken, dat hij nog altijd ongerust was aangaande de gevolgen der al te hooge opvoeding, welke zijne vrouw aan hare kinderen gaf.
Misschien dat de arme moeder niet geheel zonder vrees of twijfel was; want zij hield niet op van Bavo
Zij was sedert jaren gewend aan de tegenwoordigheid der kleine Godelieve; nu vond zij haar geluk in de zoete vriendschap der kinderen voor elkander en in hunne ijverige leerzaamheid. Zij aanschouwde eenigszins het goede meisje als haar eigen kind. Was zij de oorzaak niet, dat zij naar de schole ging? En gaf deze weldaad haar het recht niet om Godelieve uitzonderlijk te beminnen?
Het meisje erkende hare liefde niet alleen door eene groote dankbaarheid, maar tevens door een gevoel van diepen eerbied en van ontzag, dat zij zelfs op Bavo overdroeg; want alhoewel zij aan zijne zijde leefde als zijne zuster en zijne gelijke, bleef hij in hare oogen altijd een waardiger wezen, wiens vriendschap en wiens edelmoedige bescherming zij onverdiend genoot.
Eindelijk toen Godelieve bijna gedurende drie jaar had ter schole gegaan, kon hare moeder het niet langer tegen haren man volhouden, en er werd beslist, dat het meisje met het begin der volgende week het gesticht der Zusters zou verlaten.
Wildenslag meende, dat men haar onmiddellijk op de fabriek moest doen; zij zou er seffens eenige stuivers elken dag winnen, terwijl zij, om een handwerk
Daarover echter behaalde hij geen gelijk. In den geest van vrouw Wildenslag was de toekomst van Godelieve afgebakend zooals Bavo's moeder ze haar had voorspeld. Zij zou kleermaakster worden, winkeldochter en eindelijk meesteresse; daar was niets aan te doen, haar man mocht er tegen grollen en grimmen zooveel hij wilde.
Toen Lieveken met het onverwachte nieuws bij Bavo kwam en zeide, dat zij hare school ging verlaten, was er eerst verrassing en dan stille treurnis. De kinderen wisten niets daartegen in te brengen en onderwierpen zich; maar hunne oogen, wanneer zij elkanders blikken ontmoetten, waren klagend, en uit Lievekens boezem ontsnapte nu en dan een zucht. Het was zoo goed voor haar bij de Zusters; zij was er zoo bemind geweest en zij droeg haren leermeesteressen zooveel dankbare genegenheid toe. Hare goede weldoensters voor altijd vaarwel te zeggen, viel haar hart bitter en wreed. Maar het kon niet anders: zij was arm in de wereld en moest een ambacht leeren, dit wist zij wel.
Bazin Damhout zeide aan hare buurvrouw, dat zij niet mocht nalaten de Zusters van hare beslissing te verwittigen, en bij deze gelegenheid hen duizendmaal
Daar Lina reeds eens in het gesticht met bijzondere vriendelijkheid was onthaald geworden, volgde zij den raad harer buurvrouw.
Wie het meest verrast en bedroefd schenen bij de onverwachte aankondiging, waren de Zusters. Godelieve was eene leerlinge, op welke zij niet alleenlijk trotsch waren, maar zij hadden allen het meisje bijzonder lief om hare voorbeeldige zedigheid en ijver, en meer nog misschien om hare aandoenlijke dankbaarheid. Daarenboven, Godelieve was hun reeds sedert eenige maanden behulpzaam geweest om de kleinste meisjes te leeren spellen.
Nadat de Zusters de redenen van bazin Wildenslag hadden gehoord, staken zij de hoofden bijeen en spraken eenigen tijd in stilte met elkander.
Dan zeide de oudste:
"Vrouw, het zou ons pijn doen, onze beste leerlinge nu reeds te moeten verliezen. Wij waren fier op haar, en hadden ze wel gaarne nog een jaar behouden, om te doen zien waartoe wij bekwaam zijn, als onze lessen in eenen goeden grond vallen. Zoudt gij ze niet nog een beetje op onze school kunnen laten?"
Hij opende een groot schrijfboek, trok er een blad papier uit.

"Onmogelijk, Zuster," antwoordde bazin Wildenslag met eenen zucht. "Ik wenschte het ook wel. Vermits ik slechts één kind heb, dat heeft mogen naar de school gaan, zou ik ze willen laten leeren zoolang ze kan; maar mijn man is niet meer te stillen. Wij kunnen zóó niet leven. De kinderen kosten geld. Ik heb er niet minder dan zes; en, gelooft mij of niet, ze eten ons waarlijk het haar van het hoofd. Als
"En wanneer denkt gij, dat Godelieve, met den kleermakersstiel te leeren, haren kost zou beginnen te verdienen?"
"Niet spoedig, Zusters, ik weet het wel: binnen twee jaar misschien, zoo allengskens."
"Welnu, wij willen u een goed voorstel doen. Laat Godelieveken nog naar de school komen. Zij zal hier het noenmaal en het avondmaal genieten, en zelfs het ontbijt, indien gij wilt. Wij zullen eene bijzondere zorg aanwenden om haar goed te leeren naaien. En zoohaast zij dertien of veertien jaar bereikt en wel onderwezen is, zullen wij zelven haar op eenen winkel doen, bij eene meesteresse, die haar zal beschermen en bevorderen. Zij zal dus den verloren tijd ruimschoots inwinnen. Bevalt u dit voorstel?"
"Ach, menschen lief, wat zijt gij toch goed voor mijn arm kind!" riep moeder Wildenslag met de tranen in de oogen. "Dat God u beloone voor uwe liefdadigheid. Ja, ja, zeker, ik neem uw edelmoedig voorstel aan uit gansch mijn hart."
Zoo bleef Godelieve, ondanks de tegenwerpingen haars vaders, op de school der Zusters.
Wat Bavo betreft, het is onnoodig te bevestigen, dat hij op de gemeenteschool insgelijks zich onder al zijne medeleerlingen onderscheidde. Hij was in geleerdheid oneindig verder dan Lieveken; hij had een schoon geschrift, was zeer geoefend in het rekenen en had reeds eenige vorderingen in de Fransche taal gedaan. Zijne meesters hadden hun genoegen in zijn
Daar zijne ouders hem voor den stiel van mekaniekmaker of van timmerman bestemden, woonde hij sedert anderhalfjaar de lessen der teeken-academie bij, en alles liet vermoeden, dat hij ook in dit nieuwe vak behendig worden zou.
Met al deze bezigheden, en alhoewel hij nu slechts te acht uren des avonds naar huis kwam, vond hij nog tijds genoeg om spelenderwijze Lieveken voort te helpen in hare eerste studie der Fransche taal, welke zij op hare school nu insgelijks had begonnen te leeren.
Een gansch jaar verliep er dus, zonder dat eenige tegenspoed het stille geluk van bazin Damhout en van beide kinderen kwam storen. Een enkel voorval—indien men het voorval mag heeten—was van aard om aangeteekent te worden in hunne herinnering.
Bavo had sedert eenigen tijd eene zonderlinge strekking tot eenzaamheid getoond. Reeds tweemaal, wanneer zijne ouders des Zondags volgens gewoonte hem mede wilden nemen op de wandeling, was hij alleen te huis gebleven, onder voorwendsel dat hij veel schoolwerk had af te maken. Zijne moeder had hem eens verrast, terwijl hij met angstige haast iets voor haar verborg.
Wat mocht hem dus bezighouden? Hij wilde het niet zeggen; hij ontweek alle uitleggingen daarover, en bazin Damhout was niet zonder kommer, alhoewel zij niet juist wist wat zij vreesde.
Op zekeren avond kwam Bavo te huis van de school; hij scheen uitermate blijde, liep van den
"Is Lieveken nog niet gekomen? Waar blijft toch Lieveken? Indien zij eens dezen avond niet kwame!"
En als bazin Damhout hem vroeg, wat hem zoo aanjaagde, antwoordde hij lachende:
"Gij zult het straks zien, moeder lief, en dan zult gij weten, wat ik voor u hield verborgen."
"Ha, ha, daar is Lieveken!" riep hij uit.
Het meisje aanschouwde hem verbaasd en keek rond om te raden, wat hem zoo vroolijk maakte.
"Welken dag van het jaar zijn wij?" vroeg hij haar.
"Ik weet het niet," stamelde zij. "In de maand Juli...."
"Welnu, zie eens in dezen almanak, daar op den zesden der maand, welke heilige staat daar?"
"Sinte-Godelieve!" zeide het meisje met verwondering.
"Ja, Godelieve, het is uw dag," juichte hij. "Ik ga u besteken; ik heb een geschenk voor u. Eene maand lang heb ik in het geheim er aan gewerkt. Gij moogt er niet mede lachen en moeder ook niet. Ik heb gedaan wat ik kon."
Hij opende een groot schrijfboek, trok er een blad papier uit, legde dit op de tafel en riep:
"Zie, Lieveken, zie, moeder, daar is mijn geschenk!"
Op het blad papier stonden de beelden van twee kinderen, met waterverf gekleurd, een jongen en een meisje, hand aan hand, en houdende elk in de hand, die hun vrij bleef, een open boek. Er was een breede, driekleurige band rondgeschilderd, en deze bonte
Verrast en schier droef, omdat het kleine meisje beweegloos bleef en niet juichte, zeide hij beschaamd:
"Ja, Godelieve, het is niet goed, ik weet het wel. Ik heb het gemaakt om te lachen; het is eene gedenkenis van dat wij te zamen hebben leeren lezen."
Godelieve boog het hoofd en begon in stilte te weenen; de tranen rolden als parelen uit hare oogen.
"Wat is dit?" murmelde de verbaasde jongen. "Waarom weent gij nu?"
"Ik weet het niet," was het antwoord, "omdat gij zoo goed voor mij zijt."
"Kom, kom, het is maar spel," riep Bavo. "Hadde ik geweten, dat het beeldeken u moest bedroeven, ik hadde het aan stukken gescheurd."
"Ho, aan stukken scheuren!" gilde Lieveken met schrik. "Doe dit niet! Geef het mij, als 't u belieft!"
"Wel, het is voor u, Lieveken, dat ik het heb gemaakt."
"Wees gedankt, Bavo; ik zal de gedenkenis uwer vriendschap zoo zorgvuldig bewaren!"
Zij greep het blad papier van de tafel en, als verschrikte haar de gedachte, dat het schoon geschilderd beeld haar nog kon worden ontnomen, liep zij er mede de deur uit, roepende dat zij het hare moeder wilde toonen.
Eindelijk was de tijd gekomen, dat Bavo de gemeenteschool zou verlaten, om als leerjongen op een werkhuis van mekaniekmakers te gaan. Hij was meer dan veertien jaar, en zijne opvoeding was voltrokken.
Toen de onderwijzer van dit besluit kennis gegeven was, kwam hij zelf in de woning van Damhout, om den ouders van zijnen leerling te verzoeken en aan te raden, hunnen zoon nog op de school te laten, ten minste tot de aanstaande prijsuitdeeling. Hij twijfelde niet, of Bavo zou al de eerste prijzen der hoogste afdeeling behalen. Dus zijne opvoeding sluiten als primus der school, zou hem een groote eer zijn, en het kon hem een gewichtige titel op latere bescherming worden. De hoofdonderwijzer had Bavo lief om zijn goed hart en zijnen wakkeren geest, en hij verborg den ouders niet, dat hij er aan hield, zijnen beminden leerling de eer en blijdschap van de zegepraal te zien genieten.
Er werd dienvolgens beslist, dat Bavo nog ter schole zou blijven tot de prijsuitdeeling.
Sedert eene maand was Lieveken door hare leermeesteressen bij eene goede kleermaakster geplaatst
Dit klein loon was oorzaak, dat Wildenslag nog dikwijls zijne vrouw van dwaasheid beschuldigde, en haar poogde over te halen om Lieveken naar de fabriek te doen gaan. Daar moeten de kinderen geene lange leerjaren onderstaan, en zij winnen er onmiddellijk veel meer geld dan met welk ander ambacht. Evenwel, hoe onophoudend hij ook daarover zijne ingewortelde meening uitdrukte, zijne vrouw wilde van zulk iets niet hooren.
Des avonds, na de arbeidsuren, kwam Lieveken bij bazin Damhout. Zij had toch te veel van hare woeste broeders en zusters te lijden; en hare moeder zelve spoorde haar aan om bij hare brave buren den vrede en het stil vermaak te zoeken, welke zij in haar huis niet vinden kon.
Uit gewoonte en uit neiging nam zij nog deel in de lessen van Bavo, of juichte op voorhand met hem over de eer en het geluk, die hem zouden te beurt vallen bij de aanstaande prijsuitdeeling der gemeenteschool.
Onverwachts ontstonden er gebeurtenissen, die de Gentsche nijverheid, en dus ook de werklieden, aan harde beproevingen gingen onderwerpen. Vele vraagpunten, door de omwentelingen van Frankrijk en van België in 1830 geweldiglijk opgeworpen, waren nog onbeslist gebleven. De onderhandelingen, tusschen de mogendheden machteloos zijnde om tot vereffening te leiden, dreigden eenige der belanghebbende landen, door de wapenen hun recht te doen gelden. Alle volkeren, door de vrees van eenen Europeeschen oorlog aangedaan, riepen hunne krijgs
Twintigduizend menschen geraakten in Gent alleen zonder werk. Dewijl de arbeider, zelfs wanneer hij veel geld wint en geene kinderen heeft, gewoonlijk aan den dag van morgen niet denkt, vielen al deze lieden van een betrekkelijk welzijn eensklaps in de diepste armoede. In het eerst vonden zij nog iets of wat bij de winkeliers en bakkers te borgen; maar na vijftien dagen was deze hulpbron geheel opgedroogd, en dan kwamen de honger en de ware ellende deze duizenden menschen met vrouw en kinderen wreedelijk aangrijpen. Men zag ze in talrijke groepen op de markten staan of door straten dwalen, met verbleekt gelaat en ontvlamden blik, morrend en dreigend en in schijn gereed om door gewelddadigheid zich uit den bitteren nood te redden.
Door medelijden aangedreven en hopende, dat deze erge toestand niet zou voortduren, boden eenige fabrikanten hunnen werklieden aan met zekere vermindering van loon te werken; en op dien grond werden er inderdaad meer dan de helft der nijverheidsgestichten geopend.
Maar een groot getal spinners en wevers verstieten de aangebodene voorwaarden met gramschap, en
Deze tooneelen van woest geweld boezemden den fabrikanten eenen grooten schrik of eene diepe spijt in. Dan werden de fabrieken voor goed gesloten en de duizenden werkmanshuisgezinnen in eene eindelooze ellende gedompeld.
Het was bovenal in de woning van Wildenslag, dat er nood en derving heerschte; want daar waren de kinderen talrijk, en men was er gewoon zonder vooruitzicht en zonder zorg op voorhand alles te verteren, wat er werd gewonnen. Moeder Wildenslag had een wreed en bitter leven; al het verdriet en al de onwil van man en kinderen vielen op haar, en zij hoorde den ganschen dag niets dan scheldwoorden en verwijtingen, als ware zij inderdaad de slavin, die in het huishouden het natuurlijke doel moest zijn van de ontevredenheid der anderen. Lieveken, die ook deel had in de kwade bejegeningen harer broeders en zusters, was de eenige troost, die bazin Wildenslag overbleef; want dit kind ten minste beminde en eerbiedigde haar, en het weende tranen van liefde
In de woning der Damhouts deed de ellende zich zoo spoedig niet gevoelen. De winkeliers hadden in hen meer vertrouwen, omdat zij bekend stonden als spaarzame lieden, en gaven hun ook langer op borg. Daarenboven arbeidde moeder Damhout, wie geen naaiwerk ontbrak, nu van het krieken van den dag tot elf uren des avonds zonder ophouden. Misschien wel had de zorgende vrouw eenen kleinen spaarpot? Hare vlijt, hare zucht om te beletten, dat haar man zich ooit over het onderwijs zijner kinderen beklaagde, laat toe te vooronderstellen, dat zij iets had bewaard tegen eenen onvoorzienen nood.
In het eerst ten minste ontbrak er niets in haar huishouden. Zij verzocht zelfs dikwijls de arme Godelieve, die honger leed ongetwijfeld, met hen het avondmaal te nemen; maar het meisje werd telkens rood bij zulke aanbieding en weigerde, zichtbaar sidderend, alsof het gepeins van in dit huis eene aalmoes te ontvangen haar met schrik en schaamte sloeg.
Nog altijd dwaalden de werklieden in de straten van Gent verhongerd en lijdend rond. Van kindsbeen af aan eene enkele soort van arbeid, aan eene eenvormige en beperkte beweging gewend, waren zij onbekwaam om tot eenig ander werk hunne toevlucht te nemen. De gedachte daarvan kwam zelfs niet in hen op, en zij zouden veeleer zich met gansch hun huisgezin van honger hebben laten sterven, dan in eenige andere bezigheid ten minste eenen tijdelijken onderstand te zoeken.
Door den langen duur der werkstaking werd de
Aangespoord door den ijver zijner vrouw, die, zooals hij zelf zeide, zich de vingeren van de handen werkte, poogde Damhout in de stad werk te vinden om iets te winnen. Het gelukte hem in de eerste week niet; want schrik voor den oorlog had meer dan eene nijverheid verlamd, en er liepen honderden menschen rond om werk en om brood.
Eindelijk toch, en hoezeer het hem, als spinner van ambacht, tegenstak, nam hij aan met eenige anderen eene slijkige gracht en eenen vijver uit te delven en te verdiepen.
Het bedroefde bazin Damhout uitermate, dat hij zulken arbeid had aanvaard, en zij poogde hem te overtuigen, dat hij hem moest verlaten; er zou wel een middel zijn om voort te sukkelen, totdat hij wat beters hadde gevonden, maar de man, die wanhopig was over de werkeloosheid en niet langer al den last van het huishouden op zijne vrouw wilde laten drukken, weerstond haar en begon des anderen daags den voor hem zoo ongewonen arbeid.
Gedurende de eerste week hield hij het vol; hij was wel treurig in zijn hart en tot bezwijkens toe vermoeid in al zijne leden, maar hij toonde er niets van en veinsde voor zijne vrouw en kinderen eene stille welgemoedheid.
Op eenen namiddag evenwel kwam hij naar huis,
Maar de toestand van Adriaan Damhout verergerde alle oogenblikken; hij had groote pijn in het hoofd, hoestte met dor keelgeluid en klaagde over eene hevige steekte in de zijde.
De bekommerde vrouw wist niet wat te doen; zij dorst haren zieken man niet alleen laten, en evenwel moest er iemand in allerhaast naar den dokter loopen. In het over en wedergaan zeide zij in stilte aan haar kleinste meisje, dat zij bazin Wildenslag moest gaan verzoeken onmiddellijk te komen. Toen zij kort daarop de deur hoorde openen, daalde zij de trappen af, vertelde aan hare buurvrouw hoe Damhout met eene dreigende ziekte was naar huis gekomen, en verzocht haar bij zijn bed te waken, totdat zij den dokter zou hebben kunnen gaan verwittigen.
Bij geluk vond vrouw Damhout den dokter te huis en gereed om uit te gaan. Hare gebeden waren er niet noodig om hem tot een spoedig bezoek aan te sporen. Uit hare verklarigen oordeelde hij, dat hij hier waarschijnlijk met eene geweldige pleuris zo
Zijn voorgevoel was gegrond; bij het bed van den zieke erkende hij eene borstvliesontsteking, en gevolglijk was het eerste wat hij deed, den zieke de ader te openen en hem zoolang bloed af te trekken, totdat hij in bezwijming viel.
Bij het gezicht van het bloed haars echtgenoots kon vrouw Damhout hare smart niet meer bedwingen; zij borst in eenen tranenvloed los en bleef met de handen voor de oogen weenen, terwijl bazin Wildenslag den dokter in zijn werk behulpzaam was.
Toen de geneesheer bemerkte dat de zieke tot zich zelven kwam, schreef hij een briefje voor een fleschje en zeide:
"Men hale dit bij den apotheker, en geve er den lijder elk uur eenen koffielepel van. Gij moogt zoo niet wanhopen, vrouw; de kwaal is wel erg, wanneer men er niet intijds bij is, maar gij hebt wel gedaan mij seffens te komen roepen. Nu ben ik schier zeker, dat ik uwen man geheel zal genezen; maar het kan nog weken duren, vooraleer hij geheel hersteld zij. Hij zal nu waarschijnlijk lust hebben om te slapen; stoor hem niet en spreek hem niet aan; hij heeft rust noodig. Gaat beiden beneden; gij zult wel hooren wanneer hij iets verlangt. Bovenal, dat men hem geen het minste voedsel geve of late nemen. Het zou hem doodelijk kunnen worden."
En met de vrouwen beneden gekomen, zeide hij nog, terwijl hij het huis uitstapte:
"Hebt goeden moed; dezen avond zal ik wederkeeren om te zien, hoe het met onzen zieke gaat."
Bazin Damhout liet zich op eenen stoel vallen en
Hare buurvrouw poogde haar te troosten en moed te geven. Of zij daarin gelukte en of de bewustheid van haren plicht als echtgenoote en moeder de arme bazin Damhout eenige kracht terugschonk, althans de tranen dezer laatste hielden op van vlieten.
"Ja, Lina," zeide zij, "gij hebt gelijk: ik moet het hoofd recht houden, alhoewel ik verga van droefheid en van angst. Ik ben alleen voor alles. Ach, mijn arme Bavo! hoe zal ik hem zeggen, dat men zijnen vader al zijn bloed heeft afgetapt? Maar ik mag zoo niet spreken. Ik zal pogen het hem te verbergen. Daar is het briefje, Lina; ik kan mijnen zieken man niet verlaten. Zoudt gij de goedheid hebben, eens om het fleschje te gaan?"
"Welke vraag?" antwoordde vrouw Wildenslag. "Zeker, men gromt en scheldt reeds ten mijnent, omdat ik weg ben; maar om u dienst te bewijzen, zou ik al wel ergere dingen willen uitstaan. Zoo alleen kunt gij niet blijven; ik zal u iemand zenden, die u misschien eene betere hulp zal zijn dan eene betaalde dienstmeid."
Bazin Damhout, nu alleen zijnde, stilde haar klein meisje door troostende woorden, luisterde met kloppend hart aan de trap en klom zelfs eens naar boven om haren angst bevrediging te geven. Zij hoorde haren man ademhalen, zij maakte met inzicht eenig gerucht; maar de zieke verroerde niet en scheen te slapen.
Dit gaf haar eenigen moed; zij daalde weder in de
Daar trad Godelieve met het fleschje van den apotheker in de kamer. Zij zette het op de tafel, naderde tot vrouw Damhout, omhelsde haar teederlijk en begon in stilte op hare borst te weenen.
Het liefderijk medelijden van het meisje ontrukte vrouw Damhout nieuwe tranen; maar nadat zij met Godelieve het ongeval van haren man gedurende eenigen tijd had beklaagd, werd zij zich zelve meester en vroeg op treurigen toon:
"Lieveken, waart gij dan niet op uwen winkel, dat gij om het fleschken zijt gegaan?"
"Mijne moeder is om het fleschken geweest," was het antwoord. "Zij is op onzen winkel gekomen en heeft met de juffrouw gesproken. Ik mag te huis blijven zoolang ik wil, al ware het gedurende vele dagen."
"Waarom te huis blijven?" murmelde vrouw Damhout, die de waarheid begon te vermoeden.
"Gij zijt zoo alleen! Om u te helpen baas Damhout op te passen en om uwe boodschappen te doen."
"Neen, neen, kind, dit is te veel goedheid van uwe moeder en van u. Ik zal Bavo van de school doen blijven. Gij moogt uwen leertijd zoo niet onderbreken, het zou u groote schade kunnen zijn."
Het meisje voegde de beide handen smeekend te zamen en zeide:
"Gij waart altijd zoo goed en zoo vriendelijk voor mij; gij zijt de oorzaak, dat ik heb mogen leeren. O, ik bid u, weiger mijnen kleinen dienst niet! Ik heb
En zonder een antwoord af te wachten, schikte zij de stoelen, die in wanorde geraakt waren, en greep eenen bezem om de kamer te keeren.
Vrouw Damhout aanschouwde haar eene wijl met kloppend hart, ging tot haar, omhelsde haar en murmelde:
"Welnu, mijn goed Lieveken, ik aanvaard uwe hulp voor een paar dagen, totdat mijn man een beetje zij bekomen. Daarvoor zal God u zegenen, dat gij zoo dienstwillig zijt!"
Des avonds, als Bavo en zijne zuster Amelia te huis kwamen, zeide men hun, dat vader de koorts had, en men zijne rust niet mocht storen. De jongen zag wel aan de treurigheid zijner moeder en aan het droeve zwijgen van Lieveken, dat de ziekte zijns vaders ernstig was. Hij vergoot stille tranen, totdat de dokter, die nu was gekomen om den kranke nog eens te bezoeken, van de trap daalde en op blijden toon zeide:
"Wees gerust, vrouw, de ziekte zal geene erge gevolgen hebben; maar voor alsnu nog geen het minste voedsel en de volledigste rust. Ween niet, mijn brave jongen, uw vader zal genezen, twijfel daar niet aan."
Deze stellige verzekering gaf hun allen moed en hoop; en van dan af waren hun verdriet en angst veel verminderd.
Bavo en zijne kleine zuster gingen naar de school,
In dien zin bovenal was de tegenwoordigheid van Lieveken eene weldaad voor de Damhouts; want ondanks het naailoon, was er veel te kort, en worstelde de arme Christina tegen eenen klimmenden nood. De ziekte van haren man dwong haar tot vele buitengewone uitgaven; zij had zelfs in 't geheim reeds hare oorringen en andere kleine juweelen verpand. Wat ware het dan niet geweest, indien de tijd tot werken haar volstrekt hadde ontbroken?
Godelieve gevoelde wel, hoe zij zich het nuttigst maken kon. Zij ijverde met eene wonderbare aanhoudendheid om vrouw Damhout allen huisarbeid te sparen, en wanneer zij zelve niets meer te doen wist, greep zij naald en garen en naaide mede aan het grofste lijnwaad.
Op eenige dagen tijds was Adriaan Damhout zichtbaar aan het beteren; maar zijne herstelling vorderde zeer langzaam. Inderdaad, de dokter had hem na den eersten dag nog tweemaal bloed afgetrokken. Daarbij had hij hem het gebruik van alle voedsel verboden. Geen wonder dus, dat de arme man welhaast zoo mager was als een geraamte, en ofschoon gezond van harte misschien, zoo zwak, dat hij nauwelijks kon spreken. Mogelijk ook dat zijne
Zoohaast zijne beternis toeliet, dat men hem gezelschap hield, gingen vrouw Damhout en Lieveken bij zijn bed zitten naaien, en dan gaven zij hem moed en troostten hem door allerlei zoete woorden. Het was insgelijks bij het bed zijns vaders dat Bavo een gedeelte van den avond doorbracht.
Er geschiedde iets zonderlings in den jongen. Hij was somber en zwaarmoedig; de anderen, bij de zekerheid dat de zieke zou genezen, toonden vreugde en lachten betere tijden tegen, maar Bavo's lippen bewogen nooit meer tot den minsten glimlach. Het was, als drukte er iets op zijn hart.
Deze duistere gemoedsstemming werd inniger en vermeerderde tot eene soort van geheime spijtigheid, wanneer zijne moeder, in stede van te gaan slapen, alleen bleef zitten werken tot half in den nacht.
Zij zeide hem somwijlen, dat het niet anders kon zijn; dat, dewijl vader niet arbeiden kon, zij moest pogen iets te verdienen om den bitteren tijd door te worstelen.
De jongen antwoordde daar niet op, maar ging ontevreden en morrend naar zijn bed.
Eenige dagen later had Bavo eensklaps zijne blijmoedigheid teruggevonden. Hij was het nu die den anderen moed gaf en zich opgeruimd toonde. Vermits hij sedert eenige dagen veel vroeger dan gewoonlijk zich naar de school begaf om er werkzaam te zijn, vooronderstelde men, dat hij in de prijskampen op zijne school was gelukt, en hij ontkende zulks niet. Ieder juichte dus met hem over zijne waarschijnlijke zegepraal.
Groot was de verlegenheid en het verdriet van bazin Damhout. Zij was reeds twee weken huishuur ten achter; haar laatste weekloon had zij den bakker geheel gegeven, om nog wat brood op borg te bekomen. Niets was er in huis, dat waarde genoeg had om tot pand tegen geld te worden aanvaard. Nu moest er vleesch zijn: goed ossenvleesch om haren zieken man een beetje te versterken. Hoe zou zij dit vleesch bekomen zonder geld? Zij dacht aan het bureel van weldadigheid, zij droomde van de menschlievendheid van den eenen of anderen rijke in te roepen; maar deze middelen boezemden haar schrik in; het gepeins alleen van eene aalmoes te gaan vragen, deed haar beven.
Onder hare angstige bewegingen opende zij werktuigelijk de kleine lade der kas, waar zij haar geld in legde, wanneer zij geld had. Een schreeuw van verrassing ontsnapte haar. De lade was ledig sedert meer dan vijftien dagen ... en daar blonk haar nu eensklaps een glinsterend vijffrankstuk in de oogen!
Hoe kwam dat muntstuk daar? Was het God zelf, die medelijden had gehad met haren nood? Maar neen, hier kon geen wonderwerk in het spel zijn.—Lieveken? Maar Lieveken had geen geld, en hare ouders vergingen schier van gebrek. Men kon het
Van waar kon toch dit vijffrankstuk komen?
Die onoplosbare vraag maakte het hoofd der verbaasde vrouw duizelig, en zij bleef de onverwachte hulp lang bestaren. Dan eindelijk zeide zij in zich zelve:
"Wie ook onze onbekende beschermer zij, dat God hem zegene! Ho, welke sterke, goede soep zal ik gaan maken! En kan iets mijnen armen man genezen, dan zal het zeker de weldaad zijn, die ons zoo geheimzinnig en zoo edelmoedig wordt bewezen!"
Eenigen tijd daarna stond de soep op de kachel te koken; het gansche huis was vervuld met eenen verkwikkenden geur, en de verhongerde zieke lag in zijn bed te juichen over het beloofde voedsel, dat hem zoo bekorend werd aangekondigd.
Vrouw Damhout verborg noch voor haren man noch voor Lieveken, dat zij, als ware het uit den hemel gedaald, in hare kas een vijffrankstuk had gevonden, hetwelk er wel zeker nooit in gelegen had. Zij was immer vervolgd door het tergend raadsel, van waar dit geld mocht komen, en sprak er den ganschen avond van; niemand wist haar iets te zeggen, dat haar tot de ontdekking van den geheimen beschermer
In den loop dezer week waren er geruststellende tijdingen aangaande de Europeesche staatsaangelegenheden gekomen; men zeide, dat de vrede niet zou gestoord worden, en men kondigde aan, dat sommige fabrieken ten minste gedeeltelijk zouden beginnen te werken.
Den volgenden Zondag, zeer vroeg, terwijl Bavo naar de eerste mis was gegaan, meende Bazin Damhout eenige centen uit de kas te nemen om koffie te halen. Daar zag zij, nevens een geplaatst en als ten toon gespreid, vier enkele franken in een hoekje liggen.
Nu was hare verbazing zonder palen; zij bleef eene wijl verblijd het geld bezien, sloot de kas en stapte langzaam en het hoofd schuddend, ter deur uit.
In den winkel, terwijl men haar de koffie geriefde, zeide haar de vrouw:
"Erge tijden, niet waar, bazin Damhout? Hopen wij, mensch lief, dat het haast zal beteren. Men zegt, dat er goed nieuws is van Parijs en dat het geen oorlog zal worden. Uw man is toch aan de betere hand; God zij geloofd, hij zal genezen zijn tegen dat er weder werk is. Ik beklaag u echter voor één ding; het is, dat de nood u verplicht heeft uwen Bavo van de school te trekken vóór de prijsuitdeeling. Het is spijt: de jongen hadde groote eer behaald."
"Gij bedriegt u, onze Bavo gaat nog altijd naar de school," was het antwoord.
"In het geheel niet: hij heeft sedert meer dan twee weken de school verlaten."
"
"Hoe? Blijft hij van de school zonder uwe kennis!" zeide de winkelierster. "Ik weet het van eenen ondermeester, die gisteren bij mijnen broeder, den kleermaker, op den winkel was. Sedert vijftien dagen heeft men uwen Bavo op zijne school met geene oogen meer gezien. Die jongens, die jongens, al deed men ze eenen toom aan, ze zouden nog uit het goede spoor loopen!"
Vrouw Damhout verliet den winkel; haar hart was verbrijzeld, en zij moest geweld doen om de tranen te bedwingen, die opweiden uit haren verkropten boezem. Bavo had sedert zoolang zijne school verlaten, zonder dat zijne ouders het wisten! Was de arme jongen in slecht gezelschap geraakt? Bewandelde hij eenen doolweg, die hem tot kwaad en ondeugd zou leiden? Maar het scheen haar onmogelijk. Welk geheim lag er dan onder het onuitlegbaar gedrag van haar kind verborgen? Zou een tweede ongeluk haar treffen? Zou het onderwijs in hem zulke slechte vruchten hebben voortgebracht? Welke onttoovering! Welke zware verantwoordelijkheid voor haar jegens haren man!
Terwijl zij dus onder den pijnlijken twijfel morde en zuchtte, kwam Lieveken binnen.
De moeder gevoelde, dat zij haren zoon niet in tegenwoordigheid van dit meisje mocht beschuldigen; zij wilde insgelijks haren man niet verontrusten, vooraleer door Bavo zelf de verklaring van zijn gedrag te hebben bekomen.
Lieveken bemerkte wel, dat bazin Damhout ontsteld en treurig was; toen zij echter vernam, dat het
Hetzelfde gebeurde met Bavo, die, uit de kerk te huis komende, iets vreemds in den blik zijner moeder vond en van haar wilde weten, wat haar bedroefde of ontroerde.
De bekommerde en angstvolle vrouw gaf niets dan ontwijkende antwoorden, totdat Lieveken het huis had verlaten om op hare beurt ter kerke te gaan. Dan greep zij met plechtigen en strengen oogopslag de hand haars zoons, leidde hem tot in eenen hoek der kamer, verre van de trap, en vroeg hem met bevende stem:
"Bavo, is het waar, dat gij sedert veertien dagen niet meer naar school zijt geweest?"
De jongen werd rood tot achter de ooren en boog het hoofd.
"Spreek, Bavo, laat mij niet in den pijnlijken twijfel. Is het waar?"
"Het is waar, moeder lief," was het antwoord.
"Ongelukkige jongen!" kreet de vrouw. "gij hebt sedert twee weken uwe school verlaten? Ik beef, ik durf u niet vragen in welk gezelschap gij dien tijd hebt doorgebracht. Ach, Bavo, ik, die geloofde, dat gij uwe arme moeder bemindet! Mijn God, ik moet het toch weten, hoe schrikkelijk het zij. Zeg, zeg, mijn zoon, wat hebt gij gedaan gedurende al dien tijd?"
Bavo zag haar diep in de oogen en antwoordde met eene soort van stille fierheid:
"Moeder, ik werk op eene fabriek."
"Gij werkt op eene fabriek!"
"Op eene fabriek van bougies, sedert vijftien dagen."
"Dat geld, dat vijffrankstuk, die vier franken?"
"Het is mijn weekloon, moeder lief," stamelde hij.
Met eenen schreeuw van koortsige blijdschap sloeg Christina de armen om den hals haars zoons, sloot hem op haar hart en bevochtigde zijn hoofd met hare tranen.
De jongen poogde haar te doen begrijpen, dat hij dien hoogen lof niet verdiende en niets gedaan had dan zijnen plicht. Wat hij betreurde, was alleenlijk, dat hij geen middel had weten te vinden om meer te winnen en zijne arme moeder het nachtelijk werken te sparen.
Toen de ontsteltenis der vrouw een weinig was bedaard, trok zij haren zoon op eenen stoel nevens zich en vroeg hem de nadere uitlegging van zijn gedrag.
"Ik zag u en Godelieve altijd, altijd arbeiden," antwoordde hij. "Wanneer ik, na tot middernacht met u gewaakt te hebben, slapen ging, bleeft gij nog zitten met het naaiwerk op den schoot. Mijn vader was ziek; er was nood in huis. Ik alleen deed niets om u te helpen. Mijn geweten knaagde, mijn hart verweet mij mijne laffe werkeloosheid. Na eenige dagen van schaamte en wanhoop ging ik tot den hoofdonderwijzer, mijnen meester, en zeide hem, zonder iets te verzwijgen, wat er in ons huis geschiedde, en hoe ik besloten had de school te verlaten om eenig werk te zoeken en zóó ten minste mijnen zieken vader en mijne goede moeder in hunne ellende bij te bougies noemt. Daar had ik niets anders te doen dan de kaarsen in pakjes te binden en in houten kassen te schikken; en eindelijk eenige letters en nummers op de kassen te schilderen. Ik won zestig centiemen daags en kreeg op 't einde der week nog eenig drinkgeld, omdat men tevreden was over mijn werk. O, moeder, het vijffrankstuk, eerste vrucht van mijnen arbeid, heeft mij zoo gelukkig gemaakt! Het moest u helpen en u troosten in uwen nood. Ha, gij hebt het niet bemerkt, maar toen ik mijnen armen vader de sterke soep lachend zag genieten en hem hoorde zeggen, dat hij daardoor onfeilbaar zou genezen, dan ben ik beneden gegaan, en ik ben mij op 't einde der steeg achter den blinden muur gaan verbergen, om daar door eenen tranenvloed mijn hart van de overmatige blijdschap te ontlasten. Het eerste geld, dat ik met werken had gewonnen, zou mijnen vader de gezondheid helpen teruggeven! Ik bezweek schier van geluk bij die gedachte.... Prijs mij dus niet, moeder lief, ik ben genoeg beloond geworden...."
Met eenen gil van bewondering sprong de ontstelde
Niet lang daarna klonk de stem van den zieken Damhout met groote kracht tot beneden de trap:
"Bavo, Bavo!" kreet hij. "Kom, kom!"
De jongen kon den roep zijns vaders niet wederstaan; hij klom aarzelend naar boven, en dewijl hij daar twee bevende armen tot zich uitgestrekt zag, omhelsde hij zijnen zieken vader met blijde uitstortingen des harten.
Damhout dankte en loofde zijnen zoon voor zijne schoone en moedige daad; uit zijne woorden bleek, dat zijne grootste vreugde daarin bestond, dat Bavo uit eigene beweging werkman was geworden. Hij drukte eindelijk toch eenige spijt uit, omdat zijn zoon op eene fabriek van bougies arbeidde; hem scheen het, dat dit niet juist het beste vak was.
Op deze bemerking antwoordde de jongen, dat hij door tusschenkomst van den hoofdonderwijzer werk had gekregen op de katoenspinnerij van M. Verbeeck. Hij zou daar gedurende eenigen tijd katoen uitpluizen en in soorten schikken, dan aan den eersten duivel staan, en zoo voorts in het vak zich oefenen en allengs vervorderen. De fabriek van M. Verbeeck ging binnen vijf dagen geopend worden.
Dit vervulde vader Damhout met nieuwe en groote blijdschap; want dit was inderdaad de baan, langs waar men met verstand en vlijt het verste op eene katoenfabriek kon geraken. Bavo zou eens meesterknecht worden, daaraan twijfelde de gelukkige vader niet meer.
Toen men genoeg bedaard was geworden om over
In den namiddag, toen Bavo beneden bezig was met Lieveken in een boek iets te wijzen of te leeren, ging vrouw Damhout naar boven, zette zich nevens het bed van haren man en vroeg hem op zegevierenden toon:
"Welnu, Damhout, gelooft gij nog, dat het onderwijs een werkmanskind tot hoogmoed en luiaardij verleidt? Welke kinderen, in geheel onze stege, zijn zoo beminnend, zoo verstandig en zoo deugdzaam als Bavo en Lieveken? Het is alleenlijk, omdat zij geleerd zijn en weten wat goed en wat kwaad is."
Onder den slag eener bijzondere ontroering bevochtigden zich de oogen des werkmans; hij greep de hand zijner vrouw en zeide:
"Neen, neen, Christina, dit alleen is de oorzaak hunner schoone inborst niet. Het is uw hart, uw goed en edel hart, dat klopt in hunnen boezem. Eene moeder als gij is de zegen Gods in een huishouden!..."
Met het begin der volgende week werden er inderdaad een zeker getal fabrieken geopend; maar, in afwachting van stellige tijdingen aangaande den Europeeschen vrede, lieten zij slechts een beperkt getal werklieden toe.
Bavo arbeidde op de spinnerij van M. Verbeeck. Hij droeg nu zijne slechte kleederen, en, dewijl hij door den aard van zijn werk altijd met vlokken katoen als met een spinneweb was overdekt, zag hij er op verre na zoo zindelijk niet meer uit als te voren. Dit gaf Godelieve, als zij des avonds van haren winkel kwam, dikwijls stof tot lachen, en zij noemde den jongen schertsend de katoenvogel; maar hij, in stede van daarover spijtig te worden, was altijd ten uiterste blijmoedig en scheen trotsch door de overtuiging, dat hij nu tot iets nuttig geworden was en zijne ouders mocht behulpzaam zijn.
Ondanks den nood en de trage herstelling van vader Damhout, was elkeen in dit huishouden gelukkig. Bovenal was het hart der moeder met een gevoel van hoogmoed en van zaligheid vervuld. Soms kon zij des avonds uren lang in stilte haren zoon bestaren,
Vader Wildenslag en zijne zonen, alhoewel zij, door den honger aangejaagd, van de eene fabriek naar de andere liepen om arbeid te vinden, waren tot dan in hunne pogingen niet gelukt. Zij hadden zich bij de laatste volksonlusten door hunne hevigheid en hunne woestheid doen opmerken; en dewijl de fabrikanten nu slechts de beste werklieden uitkozen, wilde geen hunner de gekende belhamels van den oploop tegen de fabrieken in zijn gesticht toelaten.
Het schijnt, dat in Frankrijk de nijverheid spoediger en met meer kracht had hernomen; want er kwamen alsdan te Gent eenige afgezondene personen, om goede fabriekwerkers aan te werven voor de steden in het Noorderdepartement.
Wildenslag en zijne zonen aanvaardden met blijdschap deze gunstige gelegenheid om zich uit den onverdraaglijken nood te redden, en namen gereedelijk de voorwaarden der wervers aan. Men zou hunne reiskosten betalen en zij zouden in Frankrijk een veel hooger dagloon dan in België winnen.
Zeker, in andere omstandigheden zou de gedachte van hare geboortestad te verlaten, vrouw Wildenslag verschrikt en bedroefd hebben; maar nu verblijdde haar deze reis als een onverwacht geluk. Inderdaad, het was de verlossing uit den afgrond der bitterste ellende. Daarenboven, zoohaast er weder overvloed van werk te Gent zou zijn, zouden zij
Vrouw Wildenslag ging juichend en met groote blijdschap haar vertrek naar Frankrijk in de gansche buurt aankondigen.
Toen zij in de woning der Damhouts kwam, was zij vergezeld door haren man, die nu zijne luidruchtige welgemoedheid geheel had teruggevonden en roemde op het hooge dagloon, dat men in Frankrijk genoot. Dáár, zeide hij, eet een werkman tweemaal vleesch elken dag en drinkt er bier en somtijds wijn, evenals een rijk mensch. Dat zou een pleizierig leven en een eeuwig smeerken zijn!
Bazin Damhout ontving deze tijding met treurnis. Het gepeins, dat Lieveken, hare ouders zou volgen en zij het goede kind dus in langen tijd niet meer zou zien, bedroefde haar; maar dewijl zij het vertrek der Wildenslags niet anders kon beschouwen dan als eene zeer natuurlijke zaak en als een gelukkig middel voor hen, om uit de lange ellende te worden verlost, deed zij geene de minste tegenwerping. Alleenlijk beklaagde zij het, dat Godelieve nu den winkel zou moeten verlaten, waar zij zoo wel was en op spoedige vervordering mocht hopen.
Moeder Wildenslag betreurde dit insgelijks; maar zij meende, dat het niet onmogelijk zou zijn, in Frankrijk eenen anderen goeden winkel voor Lieveken te vinden.
Hierop antwoordde Wildenslag:
"Ba, ba! met uwen winkel! Godelieve is nu sterk genoeg geworden. Als zij zal zien, hoe hare broeders en zusters geld in overhoop winnen, zal zij van zelve op eene fabriek willen werken."
Hare treurnis overwinnende, zeide zij zich zelve, dat moeder Wildenslag waarschijnlijk wel zou zorgen, dat hare Godelieve in Frankrijk het ambacht van kleermaakster voortleerde; de afwezigheid hunner buren zou niet langdurig zijn; dewijl alles voorspelde, dat het werk in Gent ook spoedig zou hernemen. Daarenboven, er was niets aan te doen. De Wildenslags hadden gelijk, het redmiddel, dat hun aangeboden werd, met blijdschap te aanvaarden.
Toen Bavo des avonds te huis kwam, zeide zijne moeder hem, dat de Wildenslags besloten hadden overmorgen, met het krieken van den dag, naar Frankrijk te vertrekken. Zij zouden dus onmiddellijk uit hunne bittere armoede gered zijn; want men had hun een buitengewoon hoog dagloon verzekerd. Lieveken zou natuurlijk hare ouders volgen; maar zoohaast er weder veel werk in Gent was, zouden zij terugkomen.
Deze tijding trof Bavo op eene zonderlinge wijze; hij boog het hoofd, zag sprakeloos ten gronde en antwoordde zelfs niet, toen zijne moeder hem vroeg waarom iets, dat zeker een geluk was voor de ouders van Lieveken, hem scheen te bedroeven. Eindelijk, als ware er nu eerst een duidelijk besef der zaak in
"Inderdaad, moeder, zij zullen dan toch uit den pijnlijken nood verlost zijn. Ik was zoo gewend, Lieveken des avonds hier te vinden. Nu zal ik alleen, altijd alleen met u zijn; maar ik ben geen kind meer.... Als Lieveken slechts welvaart en gelukkig is in Frankrijk, zal ik mij over hare afwezigheid niet te veel bedroeven. Gij hebt gelijk, moeder, de mensch moet zich sterk houden tegen het lot. Daarenboven, wie weet of onze geburen niet reeds binnen eenige maanden wederkeeren?"
De moed en de verduldigheid, waarmede haar zoon deze tijding had ontvangen, verwonderden en verblijdden vrouw Damhout. Zij begreep niet, dat hare moeite om hem de tijding onder een gunstig daglicht te doen aanschouwen, voor een oogenblik zijn gevoel en zijne rede had in twijfel gebracht.
Maar zij moest weldra erkennen, dat zij zich had bedrogen; want Bavo liet zich bij de tafel op eenen stoel zakken, bleef lang met starende oogen in diepe overweging verzonken, en slaakte van tijd tot tijd eenen hollen zucht, als beklemde een zwaar gewicht zijne borst.
Het was reeds laat, toen Lieveken met het voorschoot voor de oogen in de kamer verscheen, en onder luide snikken over haar vertrek naar Frankrijk begon te kermen.
Bavo, alhoewel hij zelf geweld deed om niet onder zijn verdriet te bezwijken, poogde het bedrukte meisje te troosten. Vrouw Damhout en haar man voegden hunne woorden bij de zijne; maar Godelieve scheen ontroostbaar in hare diepe smart.
Het meisje had zulke gevoelige, zulke zoete, teedere woorden; de liefde haars harten voor hare weldoeners stortte zich zoo onbewimpeld en zoo vurig uit, dat zij iedereen tot in de ziel ontroerde.
Vrouw Damhout sloot het dankbare kind tegen hare borst, en deed geweld om door bewijzen van innige dankbaarheid haar te troosten.
Bavo lag met het hoofd op de tafel en weende; zijne droefheid was stom; geene klacht ontsnapte zijnen boezem; want hij wist wel, dat hier niet tegen de wreede uitspraak van het lot kon geworsteld worden.
Zoo bleven dien avond in de woning van Damhout bittere, hopelooze tranen vlieten, totdat moeder Wildenslag hare Godelieve kwam roepen en ze mede naar huis nam.
Grepen elkander de handen.

Den volgenden dag ging het wat beter. Uitgeput van weenen, getroost en versterkt door de vriendelijke woorden van vrouw Damhout en van Bavo, had
Toen de Wildenslags, ouders en kinderen, elk met een pak aan de hand, vóór den dageraad de stege verlieten, om de reis naar Frankrijk te beginnen, waren zij door Bavo vergezeld.
De jongen stapte nevens Lieveken en droeg haar pak. Zij weenden niet en spraken weinig. Hunne harten waren beklemd. Wat zij zeiden, waren woorden van wederzijdsche vertroosting; want zij hadden beiden het gevoel, dat deze scheiding, hoe kort ook, hun pijnlijk zou zijn; en zij maanden in hunne eenvoudigheid elkander aan, om niet te veel te denken aan al het zoet vermaak en aan het stil geluk, dat zij gedurende hunne schoone kindsheid te zamen hadden genoten.
Zoo kwam men buiten de poort, en dewijl het tijd was voor Bavo om naar zijne fabriek te gaan, kon hij onmogelijk de Wildenslags langer vergezellen.
Bavo en Lieveken, als door eene zelfde beweging gedreven, grepen elkander de handen, wisselden eenen diepen blik, waarvan zij zelven de beteekenis niet begrepen en murmelden met versmachte stemme:
"Vaarwel, Bavo! Vaarwel, Lieveken. Tot wederziens!"
Tranen ontsprongen hunnen oogen; maar het meisje, zich voelende bezwijken, slaakte eenen grievenden kreet en liep tot hare ouders, die reeds in de baan vooruit waren.
Dan werd het hem, als hadde men met geweld iets uit zijn hart gerukt. Hem verbaasde de akelige ledigheid, die eensklaps in hem en rondom hem was ontstaan, en hij schudde twijfelend het hoofd, als vroege hij zich zelven het raadselwoord der duizeligheid zijner zinnen.
Dubbend, morrend en diep bedrukt, keerde hij stedewaarts en begaf zich naar zijne fabriek. Het beeld van Lieveken vervolgde hem overal; in het katoen, dat hij uitpluizen en schikken moest, vormde zich de gedaante der betreurde speelgenoote, nu met den onbegrijpelijken blik in de oogen, dan met hangend hoofd de droeve rust beginnende. Het woord "vaarwel!" klonk hem van alle kanten uit de geruchten der fabriek in de ooren. Maar de arbeid is een machtige trooster des harten, en hij leent den mensch eene wonderbare sterkte tegen de denkbeelden, die hem overheerschen. Vóór het einde van den eersten dag was de smart van Bavo reeds veel verminderd, en alhoewel hij nog altijd aan Lieveken en aan haar vertrek bleef mijmeren, kwam er meer verduldigheid en rust in zijn hart.
Des avonds, als hij te huis kwam van zijne fabriek, nam hij als te voren zijne boeken, maar dan geviel het dikwijls, dat hij, zonder het te weten, eensklaps het hoofd verhief en rondkeek, als zocht hij iemand met de oogen; somtijds stond hij op en ging naar de
Ook sprak zij weinig met hem over Godelieve; en wanneer hij haar dwong over de afwezige vriendin te kouten, brak zij de samenspraak zoo kort mogelijk af. Hare moederlijke liefde zeide haar, dat de diepe treurnis haars zoons geen voedsel mocht geven, alhoewel zij even veel aan Lieveken dacht als hij zelf.
Er verliepen op deze wijze een paar weken. Bavo scheen zich in de afwezigheid van Godelieve te hebben getroost, en, sprak hij nu nog van haar, het was met bedaardheid en met rede.
Vader Damhout was schier geheel genezen. Hij had zich reeds naar de fabriek van zijnen ouden meester, M. Raemdonck, begeven, om er te worden aangenomen. Nog eene week en hij zou zijnen arbeid als spinner hernemen.
Op eenen middag kwam een onderwijzer der gemeenteschool in hun huis, om hen allen in naam van den bestierder uit te noodigen tot de prijsuitdeeling, die op den komenden Maandag was vastgesteld. Wel was het waar, dat Bavo, omdat hij de school voor het einde der wedstrijden had verlaten, geen recht kon hebben op de gewone prijzen, maar de onderwijzers hadden besloten, dat zijne vlijt, zijne vorderingen en bovenal zijn schoon gedrag eene openbare belooning verdienden. Bavo zou dienvolgens eenen buitengewonen prijs krijgen. Hij zelf en zijne ouders mochten niet nalaten de plechtigheid der prijsuitdeeling bij te wonen. Zij zouden ongetwijfeld altezamen verheugd en fier naar huis keeren.
De zaal, waar de prijsuitdeeling der gemeenteschool ging geschieden, was opgevuld met volk, meest vaders en moeders van leerlingen, en dus zeer geringe burgers of werklieden. Evenwel, vooraan bemerkte men ook wel eenige deftige dames en heeren, die, door een edel gevoel ingesproken, de prijsuitdeeling der kostelooze gemeenteschool door hunne tegenwoordigheid kwamen verheffen en opluisteren.
Adriaan Damhout met zijne vrouw Christina zat op de vijfde of zesde bank, te midden van het publiek; hun zoon Bavo bevond zich tusschen de schoolkinderen op de plaats, hem door de onderwijzers aangeduid.
Alles was gereed en de klokken der kerken hadden reeds sedert eene wijl het bepaalde uur verkondigd, toen eensklaps de deur der zaal met eenig gerucht werd geopend. De burgemeester van Gent, vergezeld door eenige schepenen en gemeenteraadsheeren, trad binnen en stapte tot bij het tooneel, waar groote leunstoelen voor de overheden waren geschikt.
Met blijde verrassing in de stem murmelde Adriaan Damhout aan het oor zijner vrouw:
"Hebt gij niet gezien, Christina, dat mijnheer
"M. Raemdonck, de meester van uwe fabriek?"
"Ja, kijk, daar voor ons, op den tweeden zetel, naast den burgemeester, aan zijne linkerzijde. Het is M. Raemdonck zelf."
"Het is te begrijpen, Adriaan, vermits mijnheer Raemdonck sedert een jaar in den raad van de stad zit."
"Ja, en hij moet daar nog al veel bezigheden hebben; want nu bemoeit hij zich zooveel niet meer met de fabriek; het is de oude meester-klerk, die schier alles bestiert. Ha, ik weet niet, Christina, maar het verblijdt mij grootelijks, dat M. Raemdonck hier tegenwoordig is."
"En mij verheugt het insgelijks, Adriaan. Nu zal uw meester kunnen zien, dat gij een goed vader zijt en uwe kinderen hebt laten leeren...."
Hunne stille samenspraak werd onderbroken door den klank der bel, die het begin der plechtigheid aankondigde.
Een der raadsheeren had de trede der verhevenheid beklommen en hield eene openingsrede. Hij sprak over de noodzakelijkheid van het onderwijs voor alle standen der samenleving, en spoorde bovenal de werklieden aan om hunne kinderen niet in de onmacht en de slavernij der onwetendheid te laten. Zijne bondige rede eindigende, zeide hij:
"Luistert, mijne vrienden, hoe een werkman als gij, een werkman van Brussel[1], tot zijne medegezellen spreekt.—Het onderwijs, zegt hij, is heden
Deze redevoering, met kracht en overtuiging uitgesproken, had eenen diepen indruk op het gemoed der aanhoorders gedaan. Eerst na een oogenblik der volledigste stilte braken de toejuichingen los. Onder degenen, die met koortsige geestdrift in de handen klapten en bravo riepen, kon men bovenal vrouw Damhout onderscheiden. De opgetogene Christina had hare eigene denkwijze zoo welsprekend hooren bevestigen; en zij gevoelde, dat de woorden van den raadsheer eene lange lofrede van haar gedrag als moeder waren geweest.
"Welnu, Adriaan," vroeg zij zegevierend, "had ik gelijk of niet? Die heer weet er meer van dan Jan Wildenslag, niet waar? En gij hoort wel, dat er verstandige werklieden zijn, die denken als ik over het onderwijs der kinderen?"
Damhout knikte met het hoofd ten teeken van toestemming; maar hij had den tijd niet om haar te antwoorden, want de oefeningen der schoolkinderen
Men droeg eenige verzenstukjes en fabelen voor, en men vertoonde zelfs een geestig blijspel, het alles onder het twintigmaal herhaalde handgeklap der aanschouwers, die verbaasd waren en zich trotsch gevoelden over de kunde en de geleerdheid hunner kinderen.
Eindelijk ging men over tot de prijsuitreiking. Een groot getal jongens van allen ouderdom, de kleinste eerst, werden beurtelings opgeroepen en kregen één of meer boeken.
Velen moeders ontvielen tranen van geluk en hoogmoed; eenigen drukten in vol publiek hunne kinderen op hun hart en deden door deze eenvoudige uitstorting van liefde en blijdschap de toejuichingen der ontroerde aanschouwers verdubbelen.
Toen men aan de leerlingen der hoogste klasse was gekomen, en Bavo de schoone, groote boeken één voor één van de tafel zag verdwijnen, werd het hem eenigszins bang om het hart. Ware hij op de school gebleven, dan hadde hij wel zeker het grootste getal dier prijzen behaald. Al de eer, welke zijnen ouden gezellen nu werd aangedaan, ware hem te beurt gevallen. Hoe hadde die openbare zegepraal, in tegenwoordigheid des burgemeesters en der andere heeren, zijne moeder en zijnen ziekelijken vader gelukkig gemaakt! Nu zou hij slechts eenen prijs krijgen, eenen kleinen prijs, want er lagen geene groote boeken meer op de tafel.
Nog treuriger werd Bavo, toen hij ook den laatsten prijs zag weggaan; maar hij werd uit zijne droeve overweging opgewekt door de verschijning van den
De redenaar was een man met grijze haren; er lag in zijn schoon en indrukwekkend gelaat een toon van ernst en goedheid, van overtuiging en liefde, die liet vermoeden, dat deze grijsaard het onderwijs der kinderen beschouwde als eene soort van priesterschap.
Op stillen, doch diepgevoelden toon begon hij zijne aanspraak. Van zijne eerste woorden af verwonderde hij elkeen, en boeide de aandacht gansch bijzonderlijk; want hij verhaalde een vertelsel van werklieden, eenen vader en eene moeder, die ten koste van vele opofferingen hunnen zoon hadden laten leeren, en die zelfs te midden van nood, van ziekte en ellende, liever honger hadden geleden dan hun kind van de school te trekken. Hij prees deze ouders zeer hoog, noemde ze edele, waardige menschen, en stelde ze ten voorbeeld van allen, die hem aanhoorden.
Dewijl hij geene namen noemde, meende men, dat hij een uitgevonden verhaal voordroeg; maar de moed en de opoffering dezer ingebeelde ouders rukten evenwel tranen van bewondering uit de oogen van alle lieden.
Christina Damhout hield het hoofd gebogen en verborg hare ontroering. Haar hart klopte fel, en zij was als beschaamd.
"God heeft die goede ouders beloond," ging de grijze redenaar voort, "en in het feit dat ik u verhalen ga, zult gij het bewijs vinden, dat het onderwijs, gepaard met de zedelijke opvoeding, het hart van den mensch veredelt en hem, met het besef zijner plichten, ook den moed en de kracht geeft om ze te