← Table of contents
Bavo en Lieveken

XII

Reading edition

Op eenen Zondag, bij het vallen van den avond, verlieten eene reeds bejaarde vrouw en een jong meisje de enge stege, waar de Damhouts vroeger hadden gewoond. Hunne slechte kleederen, hun onzekere stap en hunne zichtbare schuchterheid, alles in hen getuigde niet alleen van groote ellende, maar tevens van eene diepe moedeloosheid. Zij gingen traag, zwijgend en met gebogen hoofde nevens de huizen, als nedergedrukt onder een gevoel van schaamte of van geheime verschriktheid.

Er was echter tusschen beider opzicht een merkelijk verschil. Terwijl de vrouw als iemand, die sedert lang aan de armoede is gewend, om zoo te zeggen met lompen was behangen, had het meisje wel klaarblijkend alle moeite ingespannen om de uiterlijke teekens der ellende zooveel mogelijk te verbergen. Hare kleederen, alhoewel zeer versleten, waren van eene uiterste reinheid; en hare muts, ofschoon geschift en genaaid, was sneeuwwit.

Inderdaad, het arme meisje was zeer schoon; in hare blauwe oogen, alhoewel nu door de smart verduisterd, glom eene vonk van gevoel en verstand; hare wangen waren zuiver en haar voorhoofd lelieblank. Daarenboven, er was in de snede harer kleederen, in de rijzigheid harer leden, in de ingetogenheid van haren gang iets onderscheidens, dat niet twijfelen liet of de jonge maagd moest eene goede opvoeding hebben genoten.

Welk pijnlijk voorval had toch deze ongelukkige van eenen hoogeren stand in zulke diepe ellende nedergerukt, dat men ze nu met hare oude gezellin moest aanzien als schamele menschen, die waarschijnlijk op weg waren om hier of daar eene aalmoes te gaan afbedelen?

Zonder een woord met elkander te wisselen, hadden zij de Nederschelde bereikt, en naderden nu tot de Wijngaardbrug. Daar zeide de vrouw met bedwongene stem:

"Heb moed, mijn kind. Gij gaat zoo langzaam. Zijt gij vervaard?"

"Ja, moeder, ik weet niet, mijn hart klopt zoo angstig!" zuchtte het meisje.

"O, hemel! vreest gij nu, dat de Damhouts ons gebed zouden kunnen verstooten? Doe mij niet beven. Eilaas, wat zou er dan van ons geworden?"

"Vrouw Damhout zal ons helpen, moeder, daaraan twijfel ik niet," was het stille antwoord. "Een hart als het hare kan nie

"Zeker, en vermits zij nog rijker zijn dan men ons te Rijssel had gezegd? Ach, Godelieve, wat wij nu gaan beproeven, is eene pijnlijke poging, voor u bovenal, ik weet het; maar de nood is een onmeedoogende dwingeland."

"De Damhouts zijn rijk, zeer rijk!" morde het meisje op eenen hollen toon, waarvan de zonderlinge siddering de vrouw verraste.

"Maar des te beter, Godelieve," zeide zij. "God zij gezegend, dat Hij hun de middelen schonk om ons te helpen."

"Eene aalmoes gaan vragen, moeder! Aan ... aan de Damhouts! Ik, het kleine Lieveken, die zij zoo teeder hebben bemind, die met hen dorst droomen van toekomst en van geluk! O, mijne schoone kindsheid, hoe tergend ontstaat gij voor mijne oogen! Bedelaresse? Lieveken eene bedelaresse!"

"Neen, kind, wees niet zoo wreed voor u zelve. Wij komen hulp vragen, ja, maar bedelaressen zijn wij toch niet."

Zij stapten voorbij de kerk van Sint-Baafs; het meisje scheen door eenen geheimen invloed naar de zijdeur des tempels gedreven en had, zonder het te weten misschien, zich half omgekeerd.

De vrouw weerhield haar en zeide:

"Maar, Godelieve, wat doet gij nu? Rechtdoor moeten wij gaan; ginder is de Kruisstraat."

"De schaamte, de schrik, moeder; mijne ziel wil bidden, sterkte vragen; want nu wij de plaats naderen, waar ik de smeekende hand tot

"De avond valt, Godelieve; wij mogen niet wachten totdat het gansch donker is. Kom, mijn kind, het is een smartelijk oogenblik, inderdaad; maar het zal haast doorgestreden zijn. Wij zullen hier, bij het Heilig Graf, God voor zijne barmhartigheid komen danken of ... of tranen van wanhoop storten op diezelfde knielbank, waar wij zoo dikwijls hebben gebeden. Kom nu, het zal niet lang duren."

Beiden vervorderden hunnen weg tot in de Kruisstraat, waar zij begonnen rond te kijken, om het huis te herkennen, dat men hun in de stege had aangeduid en beschreven. Dewijl het reeds half duister was, hadden zij eenige moeite om in hunne opzoeking te gelukken. Eensklaps zeide de vrouw:

"Dáár is het, Godelieve. Die schoone ronde deur, dat balkon. Welk prachtig huis! Wat moeten de Damhouts gelukkig zijn! Zij verdienen het ook wel, niet waar? Ach, mochten zij onze bede verhooren! Er is reeds licht in de benedenkamer. Godelieve, schep moed, mijn kind. Werp u aan de voeten van vrouw Damhout, bezweer haar bij hare vorige goedheid voor u. Zij zal ons redden, wees er zeker van."

"Ja, moeder, de strijd is ten einde; ik gevoel mij weder eenige sterkte," murmelde de bange maagd.

Toen zij het huis gingen naderen, bemerkte Godelieve door de vensterruiten, dat een man, een heer, in de verlichte kamer stond. Alhoewel hij den rug naar de straat hield gekeerd, sloeg dit gezicht haar met eenen onzeglijken schrik; maar op hetzelfde oogenblik deed de heer eene beweging en wendde zich naar het venster, op zulke wijze, dat het meisje zijn gelaat kon herkennen.

Een versmachte angstschreeuw ontsnapte haar; zij begon op hare beenen te wankelen en leunde tegen den muur om niet neder te storten.

Daar zag zij, dat hare moeder de hand naar de bel uitstak om te klinken. Zij sprong vooruit, trok de verbaasde vrouw van de deur weg, leidde haar met eene soort van koortsig geweld naar den donkeren kant der straat en verborg weenend haar hoofd op den boezem der vrouw, terwijl zij uitriep:

"Moeder, moeder, hij is daar!"

"Wie?"

"Bavo!"

"Welnu, God zij er om gedankt; hij zal zijne moeder tot barmhartigheid voor ons aansporen. Kom, overwin uwe schaamte...."

"Onmogelijk, moeder!" snikte het meisje "O! spaar mij dat lijden, die vernedering, die wanhoop! Eene aalmoes vragen in zijne tegenwoordigheid ... aan hem? Eilaas, mijn hart breekt, ik zou bezwijmen voor zijne voeten, misschien zou ik sterven...."

"Wilt gij dan, dat ik alleen ga?"

"Ik zal u zegenen, u dankbaar blijven mijn gansche leven, moeder lief! Mijne ziel is verschrikt; het denkbeeld alleen van de hand tot hem uit te steken, vervult mij met eenen doodelijken angst."

"Maar zij beminnen u meer dan mij; en indien zij mijn gebed verwerpen, omdat gij niet met mij zijt?"

"Dan," kreet de maagd met overmatige ontsteltenis, "dan zal ik alle schaamte, alle gevoel in mijn hart versmachten. Ik zal tot hem, tot hem gaan, mij nederstorten voor zijne voeten, zijne knieën omhelzen, kruipen door mijne tranen. Ho, hij zal ons meer geven, dan wij noodig

"Welnu, ik ben harder tegen de schaamte dan gij; ik zal het beproeven."

Godelieve voegde de handen te zamen en zeide smeekend:

"O, moeder, heb medelijden met mij! Noem mijnen naam niet in zijne tegenwoordigheid; verberg hem, dat ik met u ben gekomen; spreek hem niet, in 't geheel niet, van mij. Ik ga knielen voor het Heilig Graf in Sint-Baafskerk. Hoe vurig zal ik bidden! God zal u beschermen! In zijne eindelooze genade zal Hij mij misschien de noodlottige opoffering mijner menschelijke waardigheid sparen, dat eenige goed, waarvan het behoud mij sterkte gaf en mij worstelen liet tegen de akelige bitterheid mijns levens! Ga, moeder; ik zal wachten, angstig wachten voor het Heilig Graf. Noem mij niet, noem mij niet!"

En deze laatste woorden stamelende, verwijderde zij zich met haast in de richting der Sint-Baafskerk.

De vrouw zag haar een oogenblik achterna, schudde het hoofd en mompelde in zich zelve terwijl zij de straat overstapte:

"Ik heb het gevreesd. Arme Godelieve. Zij is dubbel ongelukkig. Ik begrijp, dat haar het hart wreedelijk bloedt ... anders zou zij mij toch niet alleen laten gaan, zij, die uit liefde, uit goedheid haar leven zou opofferen om de smart eener vernedering van mij af te keeren. Welaan, ik zal moed hebben voor ons beiden. Oneer, schande, redding, blijdschap, wat wacht mij daarbinnen, o hemel!"

Zij trok aan de bel en zeide tot de meid

De meid, die waarschijnlijk in de halve duisternis hare slechte kleederen niet bemerkte, opende de deur der kamer aan de straat, en bracht haar in de tegenwoordigheid van eenen jongen heer, die voor eene tafel was gezeten en in een boek scheen te lezen.

Hij hief het hoofd op en beschouwde met zekere onaangename verrassing deze slechtgekleede vrouw. Zonder op te staan, zeide hij:

"Komt gij om werk op de fabriek, vrouw? Bied u morgen op het bureel aan; ik zal zien of er plaats is voor u. Nu kan ik u dit niet verzekeren."

"Ik wenschte M. Damhout te spreken," stamelde de vrouw.

"M. Damhout? Die ben ikzelf."

"Neen, uwen vader of uwe moeder, mijnheer."

"Zij zijn den avond gaan doorbrengen bij vrienden, aan het ander einde der stad; heden zult gij ze niet kunnen zien. Keer morgen in den voormiddag weder."

"Eilaas," zuchtte de vrouw, "ik, die uit Frankrijk kom en morgen vroeg moet vertrekken!"

"Uit Frankrijk? Gij komt uit Frankrijk?" mompelde Bavo, terwijl hij met eene klimmende ontsteltenis de vrouw in het aangezicht schouwde.

"Gij herkent mij niet, mijnheer? Inderdaad, gij waart nog jong, en de lange tegenspoed veroudert den mensch vóór zijnen tijd."

"Bazin Wildenslag? Gij zoudt de moeder zijn van ... de vrouw van Jan ... Line Wildenslag? Onmogelijk!... Gij zijt dus ziek geweest?"

"Ziek en ong

De jongeling had moeite om zich te bedwingen, hij was rechtgesprongen en had eene beweging gedaan als om haar de hand te grijpen; maar een nieuwe blik op hare ellendige kleeding, de herinnering aan het woest en onbetamelijk leven der Wildenslags misschien, weerhielden hem en hij liet zich weder op zijnen stoel zakken.

"Gij zult tot morgen moeten wachten.... tenzij gij mij wildet toevertrouwen wat gij hun te zeggen hebt," sprak hij.

"Ik kwam hen te voet vallen en hunne hulp afsmeeken, mijnheer. Wij verkeeren in een schrikkelijken nood; geene andere toevlucht blijft ons over dan de edelmoedigheid uwer ouders. Zeker, in onze ellende hebben wij het recht niet om de vorige vriendschap te herinneren, die zij ons onverdiend hebben gegund, maar zij zullen het aan diep ongelukkige menschen vergeven, dat zij nog in de liefdadigheid uwer goede moeder durven hopen."

"Eene almoes!" mompelde Bavo als verschrikt.

"Meer dan eene aalmoes, mijnheer; redding uit de schande, verlossing uit de eeuwige oneer!"

"Ik begrijp u niet," zeide hij met mistrouwen. "Waar zijn dan uwe zonen, uwe dochter, uw man? Zij wonnen veel geld?"

"Mijn man is dood, mijnheer; van mijne zonen is er één soldaat in Afrika, één woont te Rouaan, één andere te Mulhausen. Zij hebben kinderen en denken niet meer aan hunne arme moeder. Een eenige, de jongste, is met ons ... met mij te Rijssel. Het is voor hem, mijnheer, dat ik de hulp uwer ouders kom afsmeeken. Hij had werk bekomen in het

De meester der fabriek beweert, dat mijn zoon het pak heeft gestolen en verkocht. Hij wil hem door de gendarmes uit het huis doen halen en hem als dief doen veroordeelen tot vijf jaar galei, zegt hij. O, mijnheer, wij hebben misschien onze ellende verdiend door een zorgeloos en verkwistend leven. Het ongeluk zegt het mij nu; maar toch leven wij eerlijk, en mijn arme zoon is aan niets anders plichtig dan aan eene laakbare nalatigheid. Hij is in den grond een goede jongen; hij heeft een gevoelig hart; hij eerbiedigt zijne moeder. Dat de armoede ons lot blijve, ik zal het verduldig verdragen als eene rechtvaardige straf; maar de oneer eener veroordeeling! Mijn zoon op de galei! Ik ben moeder en zou dien slag niet overleven, en mijne.... O, mijnheer, gij kunt ons redden, met zoo weinig, weinig ten minste voor u, die rijk zijt! De meester van de fabriek wil alles vergeven en vergeten en onze verontschuldiging aanvaarden, indien wij hem vóór morgenmiddag den prijs van het pak teruggeven. Honderd franken. Voor u is het schier niets, voor ons is het meer dan het leven. Laten mijne tranen u verbidden, heb deernis met menschen, die, ondanks verwijdering en tegenspoed, geenen enkelen dag opgehouden hebben met dankbaarheid aan u en aan uwe ouders te denken!"

Zij viel geknield te midden der kamer neder en stak de handen bevend tot den jongeling op.

Deze kon zijne ontroering niet meer meester blijven, wat geweld hij ook deed;

"Bedaar, vrouw; ik begrijp uwen angst en uw ongeluk. Honderd franken kunnen u redden, zegt gij? Troost u, ik zal ze u geven. Zet u neder op den stoel. Ik heb u iets te vragen. Gij spraakt van uwe zonen ... maar uwe dochters?"

"Mijne dochters?" stamelde bazin Wildenslag in verlegenheid.

"Ja, uwe dochters, wat is er van hen geworden?"

"Mijnheer, zij ... zij wonen diep in Frankrijk, zij zijn getrouwd...."

"Getrouwd!" gromde Bavo met eene grijns op de lippen en eenen diepen angst in de oogen.

Hij beschouwde eene wijl met zichtbare gramschap de verschrikte vrouw, die het hoofd op de borst hield gebogen en sprakeloos bleef.

"Ja, ik zal u helpen, vrees niet," kreet hij met onderdrukte kracht, "maar hadde mijn medelijden met uwe moedersmart mij niet overwonnen, ik ware gevoelloos voor uwe smeekingen gebleven. Veel meer, ik hadde mij op u gewroken en u onmeedoogend ter deur gewezen; want gij, vrouw, gij hebt, zonder het te weten, mijn leven vergiftigd en mij in het geluk ongelukkig gemaakt."

"Ik, mijnheer? O, hemel, gij bedriegt u voorzeker!"

"Neen, ik bedrieg mij niet. Mijne moeder had in het hart uwer Godelieve de kiemen van deugd en plichtbesef nedergelegd; ik, onnoozel kind nog, ik had haren geest de eerste begrippen der geleerdheid medegedeeld, de geleerdheid, welke haar moest behoeden voor zedelijke verlaging en bederf des harten. Gij, hare moeder, wat hebt gij met uw

"Mijnheer, mijnheer, het is niet waar!" kreet bazin Wildenslag sidderende.

Maar Bavo, als buiten zich zelven van ontsteltenis, onderbrak haar en hernam:

"Laat mij spreken tot het einde; het is de laatste maal dat haar naam mijnen mond ontvalt. Ik herhaal het met verontwaardiging: wat hebt gij gedaan met het arme Lieveken? Ha, onnoodig mij te antwoorden, vermits men na twee jaar haar in eene stege te Douai verrast met den klomp in de hand, vechtende, scheldende en woorden sprekende, die zelfs eenen ruwen fabriekwerker van walg deden terugdeinzen. Ziedaar wat gij gemaakt hebt van uwe Godelieve. Nu is zij zelfzuchtig, ongevoelig, en er blijft in haar niets meer over van de fijnheid des gemoeds? Nu haat zij waarschijnlijk de moeder, die de zuivere ziel van haar kind verkocht voor wat geld?"

"O, neen, neen, mijnheer, heb medelijden met mij! Godelieve is het eenige mijner kinderen, dat mij nog oprecht bemint, mijn eenige steun in het ongeluk!"

"Het zij zoo, vrouw; misschien is er nog een goed gevoel in haar overgebleven, misschien heeft zij u het kwaad vergeven, dat gij haar hebt gedaan; maar ik toch vergeef het u niet, ik kan het u niet vergeven.... Ziehier de honderd franken, welke gij vraagt. Ga nu, en moge God u niet langer straffen voor uwe noodlottige dwaling ten opzichte van uw kin

Onder het uitspreken dezer woorden had hij de hand in eene lade van den schrijflessenaar gebracht, en legde nu vijf goudstukken voor de vrouw op de tafel. Deze beschouwde het geld met starende oogen en bevende lippen, deinsde terug en riep:

"O, God, kon ik die hulp weigeren!... Maar neen, de eer mijns zoons, de eer mijner arme Godelieve! Ik moet bedaren, bukken als eene slavin onder zulke schreeuwende onrechtvaardigheid; mijn engelachtig kind hooren beschuldigen van laagheid, van bederf des harten! Ik bezwijk er onder; mijn moed breekt...."

Zij liet zich op een stoel vallen en begon bitter te weenen.

"Eene schreeuwende onrechtvaardigheid?" vroeg Bavo over hare uitroeping verwonderd. "Zijn mijne verwijten, hoe wreed ook, niet gegrond?"

"Valsch, geheel valsch, mijnheer," kreet bazin Wildenslag onder hare tranen. "Wie was er laf genoeg, om u te komen zeggen, dat hij Godelieve heeft zien vechten en haar onbetamelijk heeft hooren schelden?"

"Het is Steven Geerts, die haar in eene stege te Douai met den klomp in de hand heeft zien slaan."

"Ach, ik herinner mij de droeve zaak; het was Godelieve niet, het was hare zuster Theresia, die inderdaad, voor het aangezicht ten minste, op haar gelijkt. Godelieve, mijnheer? Er is nooit een hard woord van hare lippen gevallen; zij is schoolmeesteresse geweest; zij heeft verstand, zij is goed als een engel, en haar hart is nog even zuiver als toen gij haar leerdet lezen."

"Hemel, wat zegt gij daar altemaal?" stamelde Bavo, door den twijfel aangegrepen. "En zij is getrouwd?"

"En zij heeft nooit toegelaten, mijnheer, dat een man haar zonder eerbied bezage, en zij is niet getrouwd."

"Maar verklaar u, gij doet mij vergaan van ongeduld. Zeg mij, ik smeek u, welk was dan het lot van het arme Lieveken gedurende die acht lange jaren?"

"Welaan, ik zal mijn verdriet bedwingen," zeide bazin Wildenslag, het hoofd oprichtende. "Om mijn edel kind, mijne goede Godelieve, te verdedigen, zal ik moed en sterkte vinden. Luister, mijnheer, gij zult vernemen wat ons en haar lot was sedert gij ons buiten de stadspoort een treurig vaarwel zeidet. Wij gingen naar Wazemmes, bij Rijssel, en vonden er veel en goed werk. Dewijl ik in mijne pogingen om Godelieve op eenen winkel van kleedermaaksters aanvaard te zien, niet kon gelukken, deed haar vader haar naar de fabriek gaan. Het arme kind kon het daar niet gewend worden en viel ziek van verdriet. Het duurde lang eer zij weder eenige krachten terugvond; dan, om toch iets te winnen, begon zij in ons huis eene kleine school te houden, om den kinderen onzer Vlaamsche geburen te leeren lezen."

"En onze brieven, waarom liet gij die zonder antwoord?"

"Uwe brieven? Wij hebben er slechts eenen ontvangen, en Godelieve heeft er op geantwoord."

"Wij schreven er nog drie andere."

"Daarvan weet ik niets, mijnheer."

"Uw man ontving ze op de fabriek. Heeft hij ze misschien achtergehouden of vernietigd?"

"Het is wel mogelijk, mijnheer; hij meende, dat het voor Godelieve beter was geene betrekking meer te hebben met menschen, die te verre boven onzen stand waren; want wij wisten door eenen kameraad van Gent, dat gij klerk geworden waart bij M. Raemdonck, en Godelieve zeide altijd, dat gij onfeilbaar rijk zoudt worden."

"En waarom schreef Godelieve dan niet eens om tijding van ons te hebben?"

De vrouw wachtte een oogenblik en zuchtte dan:

"Wij arme, gemeene fabriekwerkers? En toch, ik heb dikwijls Godelieve aangeraden u te schrijven; maar het verschrikte haar; er was te veel verschil tusschen uwe ouders en ons; zij dorst niet schrijven."

"Ga voort, vrouw, ik zal u niet meer onderbreken," zeide de jongeling.

"Ach, onze geschiedenis is kort, mijnheer," hernam bazin Wildenslag. "Mijn man en mijne zonen leidden een zorgeloos leven. Zij bleven dikwijls halve weken zonder te willen werken, zoodat zij zich den toegang tot vele fabrieken zagen weigeren. Wij vertrokken altezamen naar Rouaan. Daar hield Godelieve weder school in ons huis, en leerde er de kinderen der Fransche werklieden; want door altijd Fransch te hooren spreken, had zij in die taal spoedige vorderingen gemaakt. Zij had veel te lijden van hare woeste broeders en afgunstige zusters, omdat zij altijd zindelijk was gekleed en door iedereen, als een voorbeeld van zedigheid en beleefdheid, werd geprezen en geacht. Eene dame der stad bezorgde haar eindelijk eene goede plaats als leermeesteresse in eene groote kostschool van jong

Zij smolt in tranen weg en liet het hoofd op de borst vallen.

De jongeling had dit verhaal met eene klimmende ontroering aangehoord; de uitdrukking zijns gelaats was een zonderling mengsel van medelijden en geheime fierheid, van smart en van blijdschap. Op het einde echter had de deernis met het bitter lot der Wildenslags hem overwonnen; sedert eene wijl leekten er stille tranen op zijne wangen.

Hij stond op, ging tot de vrouw, greep haar de hand en zeide:

"Arme bazin Wildenslag, wat hebt gij geleden! Ik beschuldigde u zoo

"Wees gezegend, mijnheer," murmelde de vrouw nog snikkend, "uwe eindelooze goedheid ontrukt mij nieuwe tranen. Ha, gij hebt het hart uwer moeder ... een hart, mild en edel als het hart mijner Godelieve!"

Bavo deed eenen stap naar zijnen schrijflessenaar en nam er eenig geld uit.

"Met de honderd franken, die dáár liggen," zeide hij, "kunt gij den prijs van het verloren pak betalen. Deze droeve zaak mag u dus niet meer bekommeren. Hier hebt gij nog honderd franken meer, om in uwe eerste behoefte te voorzien, ik zal met mijne moeder de middelen overwegen om u een min bitter lot te verzekeren. Indien wij uwe Godelieve eene plaats van leermeesteresse te Gent konden bezorgen? Voor uwen zoon heb ik voordeelig werk. Vermits hij een gevoelig gemoed heeft, zal ik hem in den goeden weg terugbrengen.—Daar, neem het geld, vrouw; gij hebt mij heden verlost van eene lange treurnis, van eene diepe smart, die mij sedert jaren aan het harte knaagt. Ja, vrouw, het is zoo. De gedachte, dat het goede, zoete Lieveken, de vriendin mijner kindsheid, de gedienstige engel, die bij het ziekbed mijns vaders heeft gewaakt, in de wereld was verloren geloopen, deze gedachte was mij pijnlijk, en mijn medelijden werd allengs eene onverwinlijke smart. Nu ben ik daarover gerust,

Bazin Wildenslag had het geld van de tafel genomen. Zij vouwde de handen te zamen voor den jongeling en zuchtte met de oogen vol tranen:

"O, mijnheer, uwe barmhartigheid, uwe goedheid maakt mij stom; ik weet niet, hoe u mijne erkentenis uit te drukken. Morgen vroeg, vóór ons vertrek, zullen wij hier terugkomen. Godelieve zal op de knieën u zegenen voor uwe milde weldaad...."

"Godelieve? Morgen?" kreet de jongeling verbaasd. "Waar is dan Godelieve?"

"Ik durf u niet langer bedriegen, mijnheer; zij is in de Sint-Baafskerk en bidt er voor het Heilige Graf...."

"En waarom kwam zij niet met u?"

"Het arme meisje is vervaard, mijnheer."

"Vervaard? Van mij?"

"Beschaamd, mijnheer; om onze reis naar Gent te kunnen betalen, hebben wij de eenige kleederen, die nog waarde konden hebben, moeten verkoopen. Godelieve schrikte van zich voor u te vertoonen...."

"En nochtans, ik zou haar willen zien!" riep Bavo met ontsteltenis. "Na acht jaar afwezigheid! Wat doen de kleederen? Zij getuigen immers van hare opoffering, van hare liefde voor hare ouders? Ach, mocht ik eene belooning eischen, het ware, dat het mij toegelaten wierd haar te troosten en haar moed te geven!"

"Ik zal ze halen, mijnheer. Mij ook beschaamde de poging, welke ik bij u moest beproeven; maar de weldaad van edelmoedige menschen als gij zijt, vernedert niet, integendeel! Ik zal het Godelieve doen

Bazin Wildenslag ging ter deur uit.

Als bezwijkend onder eene geweldige ontsteltenis, liet Bavo zich op een stoel zakken en legde het hoofd in de handen. De afwisseling zijner uitdrukking getuigde dat hij worstelde tegen gepeinzen, die tegen zijnen wil hem bestormden. Evenwel na eenige oogenblikken scheen hij over deze geheime opwellingen van een vorig gevoel te hebben gezegepraald; want hij hief het hoofd op en zeide met eenen lichten spotlach tot zich zelven:

"Het zijn droomen, die vergaan voor de wezenlijkheid. Geene onmogelijke gepeinzen! Ja, het is ons plicht, te erkennen en te beloonen wat het goede Lieveken eertijds voor mijnen zieken vader heeft gedaan. Lieten wij haar ongelukkig zijn, het ware eene wreede ondankbaarheid, misschien eene zedelijke misdaad. Onze plicht is zeer eenvoudig te vervullen. Wij zullen hen bijstaan en beschermen, totdat Godelieve eene voordeelige plaats in een onderwijsgesticht heeft gevonden; totdat zij weder de middelen hebben bekomen om stil en tevreden te leven. Wij zullen over hen waken, om voortaan het ongeluk van hen af te keeren. Anders kunnen wij toch niets...."

Weder boog hij het hoofd en staarde ten gronde; na eene wijl beweegloos te zijn gebleven, murmelde hij met eenen diepen zucht:

"Het is zonderling! De mensch schijnt een dubbel wezen in zich te besluiten ... maar ne

Vrouw Wildenslag trad in de kamer, gevolgd door hare dochter.

Het benauwde meisje hield het hoofd gebogen als eene veroordeelde, en dorst den blik niet opheffen; zij beefde zichtbaar, en slechts toen hare moeder haar bij den arm greep, kwam zij vooruit tot in het midden der kamer.

Een versmachte kreet was Bavos boezem ontsnapt, en hij had eenen stap gedaan om tot het meisje te naderen en haar de hand te grijpen; maar hij wederhield zich zelven en zeide:

"Godelieve, vergeef het mij: ik wenschte zoo vurig u te zien. Wees niet beschaamd; ik weet, dat gij hebt geleden en wat gij voor uwe ouders hebt gedaan. Die slechte kleederen verheffen u in mijne oogen, en de eenige indruk, dien zij op mij uitoefenen, is mij een gevoel van eindeloozen eerbied in te boezemen voor het edel hart, dat zij bedekken."

Het meisje hief het hoofd op en sprak zeer bedaard, doch met eenen plechtigen nadruk:

"Mijnheer, ik dank u uit den grond mijner ontroerde ziel, meer nog voor uwe goede woorden, dan voor uwe milde weldaad. Niet alleen verlost gij ons van de akelige vrees; maar gij redt ons uit de ellende. Wees gezegend; in al mijne gebeden zal

Bavo scheen verstomd; er lichtte een vreemde glans in zijnen blik; hij rustte met de bevende hand op de tafel, als hadde hij eenen steun noodig gehad. Die groote blauwe oogen, zoo kwijnend en zoo vol dankbaarheid op hem gevestigd; dat fijn gelaat, dat zuiver voorhoofd, waarop nu de rozeverf der kuischheid en der schaamte wolkte! O! zij was schooner nog dan het engelachtig Lieveken zijner droomen. Wat geweldigen strijd voerde hij tegen zijn hart! Maar hij moest zijne dwalende zinnen bedwingen: de eerbied voor de ongelukkige Godelieve gebood het hem.

Een holle zucht welde op uit zijnen beklemden boezem; hij liet zich op eenen stoel zakken en zeide met schijnbare kalmte:

"U weder te zien na acht jaar afwezigheid, Godelieve, is mij eene groote blijdschap. Het ontstelt mij. Natuurlijk, niet waar? Die herinneringen der kindsheid, hoe blijven zij, immer met nieuwe kracht opgewekt, in het menschelijk harte leven!... Ach, ik laat u daar staan, te midden der kamer. Verontschuldig mij; zet u neder."

Godelieve hief de handen smeekend op.

"Mijnheer," stamelde zij, "heb medelijden met een ongelukkig meisje! Uwe goedheid is zoo eindeloos. Ik ben ontsteld, ik gevoel mij ziek, mijne krachten begeven mij. Vergun mij als eene genade, voor heden dit huis te verlaten. Morgen vroeg zal ik bedaard zijn, ik zal, beter dan nu, madam uwe moeder mijne grenzenlooze dankbaarheid kunnen uitdrukken...."

"Gij wilt vertrekken, Godelieve?" kreet de jongeling met verdriet. "O, neen, ik bid u, nog een oogenblik!"

Door hare moeder aangedreven om aan dien wensch te voldoen, zette het meisje zich neder en boog weder het hoofd. Men zou gezegd hebben, dat de oogslag van Bavo haar schrik inboezemde; en inderdaad, zij had bij elken zijner blikken gesidderd.

"Zeg mij, Godelieve, hebt gij in uw smartelijk leven nog dikwijls aan onze gelukkige kindsheid gedacht?" vroeg Bavo.

"Mijn eenige troost op de wereld," zuchtte het meisje, "was de dankbare herinnering uwer goedheid voor het arme zieke kind."

"En voor mij, Godelieve, was het de eenige, maar bittere smart mijns levens, te moeten denken, dat de zoete gezellinne mijner kinderjaren, ongelukkig en verloren, in de wereld dwaalde."

Er heerschte eene korte stilte.

"Godelieve," vroeg de jongeling eensklaps, als gedreven door eene geweldige ontroering, "Godelieve, ik gaf u een aandenken, eene gedachtenis. Hebt gij ze bewaard?"

Hij bekwam geen antwoord.

"Het beeld van Bavo en Lieveken met hun boek in de hand," zeide hij, "onnoozel en gebrekkig werk, dat aan den kleinen Bavo schier eene maand arbeid kostte. Gij hebt mij beloofd, dat gij het zoudt bewaren."

"Maar, Godelieve toch, hoe kunt gij M. Damhout dus zonder antwoord laten?" kreet moeder Wildenslag. "Ja, ja, mijnheer, zij heeft het

"Ach, dank, dank om uwe trouwe herinnering!" riep Bavo.

"Waarom verwondert u dit, mijnheer?" zeide het meisje met eene vonk van waardigheid in de oogen. "Indien ik mijn gansche leven wilde bidden voor het geluk van hem, die mij leerde lezen, kon ik iets beter doen dan zijn beeld te hangen op de plaats, waar ik elken avond nederknielde om mijne ziel tot God te verheffen?"

Bavo liep tot haar, greep haar de beide handen en zeide diep ontroerd:

"Altijd dezelfde engel! Kom, Godelieve, troost u en schep moed; gij zult niet ongelukkig meer zijn. Wij zullen u beschermen. Wij zullen eene goede, zeer goede plaats van leermeesteresse te Gent zoeken; mijne moeder zal u weder liefhebben en u helpen. Ik zal uw vriend zijn, evenals toen wij nog onnoozele kinderen waren.... Het is te zeggen ... ik weet niet, de ontsteltenis maakt mij duizelig, mijne zinnen zijn verward...."

Het verschrikte meisje ontwrong hem hare handen met zulk koortsig geweld, dat hij zich in zijn hart over deze beweging gekwetst gevoelde en met spijtige verbaasdheid eenen stap terugdeinsde.

Godelieve hief langzaam het hoofd op; alhoewel er tranen in hare oogen glinsterden, was er zooveel maagdelijke fierheid in haren blik, zooveel edelheid in de uitdrukking van haar schoon gelaat, dat Bavo haar met ontzag aanschouwde.

Aan mij de vriendin mijner kindsheid!

Aan mij de vriendin mijner kindsheid!
Aan mij de vriendin mijner kindsheid!

"Ik smeek u, mijnheer, heb toch medelijden met mij!" zeide zij. "Vergeten wat gij voor mij als kind hebt gedaan, vergeten wie ons nu uit den afgrond der smart zoo grootmoedig opheft,—de dood zelf kan mij daartoe niet bekwaam maken; want in Gods schoot zelven zal mijne ziel zich nog uwer goedheid herinneren. Maar zoek geene plaats voor mij te Gent. Na den dag van morgen zal ik den grond mijner geboortestad niet meer betreden. Ik ken de edelheid uws harten; gij begrijpt mij, ik ben er zeker van."

"Maar neen, ik begrijp u niet!" morde Bavo.

"Gij begrijpt den onverbiddelijken plicht niet, mijnheer, die mij dwingt in Frankrijk een bestaan te zoeken?" hervatte Godelieve. "Ach, bestonden er tusschen u en mij geene diepe, geene onverdelgbare herinneringen, ik zou uit erkentenis de dienstmeid uwer moeder, en, ware het mogelijk, uwe slavin willen worden. Nu mag geen andere band tusschen ons bestaan dan de weldaad van den eenen kant en de eeuwige dankbaarheid van den anderen. Ik heb veel geleden, zonder dat mijn moed er onder is gebroken. Moest ik een oogenblik uwe achting derven, mijnheer, ik stierve eenen pijnlijken dood. Ja, ja, Bavo, de ziel der arme Godelieve heeft honger naar uwen eerbied, en zij zal dien behouden met hare dankbaarheid tot aan het graf. Vaarwel, mijnheer, tot morgen!"

En opstaande greep zij den arm harer moeder en trok haar naar de deur.

De jongeling stak de handen uit, als om haar te wederhouden; maar de plechtige woorden der maagd hadden hem zoo gew

Dan hief hij, stom en met verbaasden blik, de armen in de hoogte, allerlei onduidelijke woorden in zich zelven murmelende. Zijne zinnen waren ontsteld en zijne gedachten verward.

Eindelijk, na een oogenblik rust, zeide hij in zich zelven:

"Wat is zij schoon, wat is zij schoon! Onder die slechte kleederen scheen zij mij fier en indrukwekkend als eene koningin. Hoe heeft zij de zuiverheid, de fijnheid des harten kunnen behouden in zulke wereld, tusschen grove, onwetende menschen, dwars door nood, honger en ellende? Ha! het onderwijs! Ik ben het, die deze ziel het licht en de sterkte heb gegeven om aan de verleiding, aan de zedelijke verlaging te wederstaan; mijne moeder is het, die haar de liefde tot deugd en plichtsbetrachting heeft ingeboezemd. Roos onder de doornen, lelie bloeiend op een mesthoop! En de lelie is zuiver gebleven, en de roos heeft hare geuren uitgewasemd als eenen balsem over het lijden dergenen, die haar omringden! Edel moet zij zijn boven de edelsten, om onder zulke beproeving niet te zijn bezweken. Dank, dank, o, mijn God, dat Gij de kiemen, door een ander kind in haren geest en in haar hart gestort, niet onvruchtbaar liet zijn!"

Hij wreef zich het voorhoofd en stapte in de kamer rond, als wilde hij zijne stormende gepeinzen ontvluchten. Eensklaps staan blijvende, riep hij uit:

"Onmogelijk, onmogelijk! De we

Hij stortte neder op eenen stoel, sloeg zich de handen voor de oogen en morde met wanhoop:

"Eilaas, eilaas, het kan niet zijn! Zij heeft gelijk; ik mag haar niet meer zien na den dag van morgen. Ik insgelijks wil het aandenken mijner kindsheid eerbiedigen en het zuiver bewaren tot aan het graf. Zij heeft het gezegd; er is voortaan geen andere band tusschen ons mogelijk dan de herinnering aan het verledene, de weldaad en de dankbaarheid!"

Na een oogenblik stilte sprong hij weder recht.

"Ik zou haar verliezen voor altijd?" kreet hij. "Die edele ziel, dat beminnend harte zou gaan verkwijnen in vreemde streken?... Er is een andere band, een heilige band, een eeuwige band; er is een geneesmiddel voor haar verdriet en voor mijne treurnis.... Ho, ik kan het niet meer uitstaan; ik moet mijne moeder, mijnen vader, mijnen meester spreken! Veroordeele mij de gansche wereld, het geluk mijns levens staat op dien prijs! Aan mij, aan mij de vriendin mijner kindsheid! aan mij het zuivere, zoete Lieveken!"

En onder het uitspreken dezer woorden liep hij als een dwaze ter deur uit.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings