← Table of contents
Bavo en Lieveken

III (continued 2)

Reading edition

Hij haalde van achter een gordijn een groot kwartoboek en een lauwerkroon te voorschijn. Het boek was in rood leder gebonden en verguld op snede. De onderwijzer opende het en toonde, dat het vol was van schoone, ontplooibare platen. Op den titel stond te lezen: Werktuigkunde, toegepast op de Nijverheid. Al de aanschouwers waren rechtgesprongen en keken zich de oogen uit het hoofd, om te raden, wien dit prachtig boek mocht bestemd zijn.

De hoofdonderwijzer keerde zich naar den kant der schoolkinderen, en zeide met diepe aandoening:

"Kom, Bavo Damhout, kom, mijn vriend, ontvang dit bewijs van de achting uwer leermeesters; het blijve u een kostbaar aandenken en een spoorslag om op den weg der deugd en der plichtsbetrachting voort te gaan. Gij zijt werkman; maar in die nuttige loopbaan staat de toekomst voor u open. Wees uwen gezellen een voorbeeld en toon hun gedurende uw leven, in uw gedrag en in uw welgelukken, de onschatbare vruchten van het volksonderwijs!"

Bavo was bleek en beefde; hij scheen de macht niet te hebben om de trede te beklimmen, zoodanig ontstelde hem deze onverwachte eerbewijzing in tegenwoordigheid zijner ouders. Een der onderwijzers vatte hem bij den arm en leidde hem op het tooneel. Zijn grijze meester omhelsde hem, zette hem de lauwerkroon op het hoofd en legde hem het groote boek op de handen.

De gansche zaal daverde onder een donderend bravo; velen der aanschouwers leekten tranen van ontroering op de wangen; de vrouwen brachten zich den neusdoek aan de oogen.

Voor de trede stonden de burgemeester en de andere heeren recht, gereed om den bekroonden jongen geluk te wenschen; maar Bavo, zonder daar acht op te geven, zoohaast hij zich in bezit van zijnen prijs zag, keerde zich om, hief het boek en kroon met beide handen in de hoogte en riep in verrukking uit:

"Moeder, moeder, moeder!"

"Gij hebt gewerkt en geleden om mij te laten leeren. Vader, vader, ik zal voor u werken. O, dat God mij bescherme! Gij zult het zien, gij zult het zien!"

Deze eenvoudige lieden, in hun geluk, in hunne ontsteltenis, hadden de geheele wereld vergeten en schenen niet te weten, dat eene menigte menschen, met tranen in de oogen en woorden van bewondering op de lippen, hen omringden en op de uitstorting hunner blijdschap staarden.

Damhout richtte zich eerst op en zeide tot zijne vrouw:

"Kom, Christina, kom; men bekijkt ons zoo vreemd. Het is gedaan; de burgemeester is al weg; laat ons naar huis gaan."

Men hadde op de schijnbare koelheid zijner woorden kunnen vooronderstellen, dat vader Damhout min gevoelig was aan de zegepraal zijns zoons; maar men hadde zich daarover geheel misgrepen. Zijn hart was vervuld met hoogmoed; want toen hij van tusschen de banken was geraakt, spande hij zichtbaar alle pogingen in om nevens Bavo te blijven, opdat elkeen mochte zien, dat hij de vader van dien jongen was.

Bavo scheen sedert eenige oogenblikken door een gevoel van beschaamdheid aangegrepen; hij hield

Toen zij de deur der zaal gingen bereiken, zeide Christina tot haren zoon:

"Bavo lief, gij moogt niet beschaamd zijn: integendeel, hef het hoofd op; de menschen zouden zoo gaarne u in het aangezicht zien; het is uit vriendschap...."

De jongen, als uit eenen slaap opschietende, slaakte eenen zucht en murmelde met zonderlinge ontroering aan het oor zijner moeder:

"Ach, hadde Lieveken dit eens kunnen zien!"

Zij werden door den vloed des volks ter deur uitgestuwd, en bevonden zich op de straat.

"Christina," zeide vader Damhout, "ginder staat M. Raemdonck; hij beziet ons en schijnt mij te willen spreken."

"Inderdaad, Adriaan, het is natuurlijk, hij zal u gelukwenschen. Welke eer, niet waar? Uw eigen meester. Wie hadde zich toch aan zooveel geluk verwacht. Die goede, lieve Bavo!"

M. Raemdonck wenkte Damhout met den vinger tot zich.

Terwijl Bavo en zijne moeder te midden der straat tusschen een hoop nieuwsgierige lieden bleven staan, ging Adriaan met ontdekten hoofde tot zijnen meester. Deze drukte hem minzaam de hand en zeide hem:

"Ik wensch u geluk, Damhout. Zet uwe klak weder op, ik bid u. Dat gij een goed en vlijtig werkman zijt, dit wist ik sedert vele jaren; maar dat gij, als een verlicht en verstandig vader, uwen zoon hebt laten leeren, totdat hij al de klassen van het lager

"Ach, het is mijne vrouw, mijnheer," antwoordde de ontroerde werkman.

"Uwe vrouw?"

"Ja, mijnheer, daarvoor moet ik God dankbaar zijn, dat Hij mij de braafste en verstandigste vrouw heeft gegeven, die er op de wereld te vinden is."

"Het zij zoo, mijn vriend, gij hebt er evenwel voor moeten werken. Ik heb aan den burgemeester beloofd, dat ik, indien het mogelijk is, iets zal doen om u te beloonen. Zeg mij eens, wat stelt gij u voor van uwen zoon te maken?"

"Hij is op de fabriek van M. Verbeeck."

"Wat doet hij daar?"

"Hij zal de naaste week aan den eersten duivel staan, mijnheer."

"Ja, dit is niet slecht: hij zal mettertijd meesterknecht kunnen worden. Wilt gij mij een vermaak doen, Damhout? Zend mij uwen zoon; ik wil hem ook eenen prijs, een geschenk geven. Ga naar huis met uwen zoon, en zoohaast hij zijn boek en zijne kroon heeft nedergelegd en wat heeft uitgerust, doe hem dan ten mijnent komen; ik zal hem verwachten."

Damhout keerde terug tot zijne vrouw en vertelde haar met blijde verbaasdheid, wat zijn meester hem had gezegd. Hij had hem de hand zoo vriendelijk gedrukt en zulke minzame woorden tot hem gesproken!

Door iedereen nagekeken, geroemd en geprezen, kwamen de Damhouts eindelijk in hunne kleine stege. Voor het huisje, waar de Wildenslags hadden gewoond, scheen Bavo te willen blijven staan, en hij

Hier herhaalden zij nog eens de blijde omhelzing, en dan haastte Bavo zich ter stege uit, om naar M. Raemdonck te gaan en daar een nieuw geschenk te ontvangen. Wat zou het zijn, dat zijns vaders meester hem wilde geven? Misschien insgelijks een schoon boek, misschien iets anders?

Bavo belde ten huize van M. Raemdonck; de meid leidde hem in het bureel. Hier kwam een reeds bejaarde man, de meester-klerk ongetwijfeld, hem te gemoet met eenen vriendelijken glimlach op het aangezicht, greep hem de hand en zeide:

"Ik wensch u geluk, mijn jongen; men heeft u eene welverdiende eer bewezen; ik was er tegenwoordig en heb mij diep ontroerd gevoeld. Het zal u geluk bijbrengen dat gij uwe ouders zoo bemint en dankbaar zijt."

Bavo murmelde den naam van M. Raemdonck.

"Ja, ik weet het," zeide de meester-klerk, "mijnheer heeft u doen komen, maar hij is met eenen koopman in de fabriek gegaan en heeft gezegd, dat gij hier een beetje zoudt wachten. Zit neder, mijn vriend. M. Raemdonck zou u goed willen doen, indien het mogelijk is. Hij zou gaarne weten wat gij kent en tot hoeverre gij geleerd zijt, en hij heeft mij gelast u op de proef te stellen, indien gij hierin toestemt."

"Ik ben hem wel dankbaar en zal alles doen wat u belieft, mijnheer," antwoordde de jongen.

"Welnu, zet u daar voor den lessenaar; ziehier de kopie van eenen brief. Schrijf dien eens in het net,

Er heerschte eene volledige stilte in het bureel, totdat Bavo, door het hoofd op te heffen en zich om te keeren, teeken gaf, dat de brief was afgeschreven.

De meester-klerk naderde, hield de oogen eene wijl op het papier gevestigd en zeide dan met verwondering:

"Ho, jongen, wat schoon geschrift, wat vaste hand ... en geene feilen! Bravo, dit had ik niet verwacht; het zal M. Raemdonck verblijden, want hij draagt u eene ware genegenheid toe, omdat gij de zoon zijt van eenen onzer oudste en beste werklieden. Kunt gij ook goed rekenen?"

"Daarin was ik de sterkste van de geheele school, mijnheer, ten minste volgens mijne meesters."

"Welnu, ziehier eene kolom cijfers; tel ze eerst op; vermenigvuldig dan de uitkomst met 365 en deel het geheel met 514."

In eenige minuten had Bavo de rekening gemaakt, en de meester-klerk bevond met innige tevredenheid, dat hij niet had gemist.

"Blijf nu een oogenblikje hier wachten, mijn vriend," zeide hij; "ik ga M. Raemdonck van uwe komst verwittigen."

Hij liet Bavo alleen in het bureel, opende eene deur en trad ten einde van eenen gang in eene zaal, waar de eigenaar der fabriek voor eene tafel zat en bezig was met eenige papieren te doorbladeren.

"Welnu, Pasmans, hoe staat het met de geleerd

"Het is een wonder, mijnheer," antwoordde de meester-klerk; "de jongen is nauwelijks vijftien jaar, en hij heeft een geschrift zoo vast en zoo fraai als van eenen ouden klerk; hij kan goed rekenen, heeft een fijn begrip en is bekwaam tot alles, ten minste voor hetgeen onder mijn toezicht op het bureel kan te doen zijn."

"Gij wilt toch niet zeggen, dat hij den klerk, dien gij eergisteren wegzondt, zou kunnen vervangen?"

"Neen, mijnheer, ik durf het niet zeggen, alhoewel ik overtuigd ben, dat ik uit dezen leerling der gemeenteschool meer nut zal trekken; maar hij is te jong, en men mag hem in den beginne niet door eene al te hooge jaarwedde bederven."

"Inderdaad, de andere klerk had duizend franken. Wat zou men den zoon van Damhout kunnen geven? Gij weet dat ik zijne ouders wil beloonen?"

"Het derde gedeelte, mijnheer; driehonderd franken, bij voorbeeld. Het ware genoeg om te beginnen. Ik zal den jongen helpen en leeren. Indien hij vlijtig en getrouw blijft, kunnen wij zijn loon opvolgend verhoogen."

"Het is wel, Pasmans, ik bedank u om uwe goedwilligheid. Zend mij den jongen, maar zeg hem niets."

Eenige oogenblikken daarna trad Bavo in de zaal en bleef met de klak in de hand voor M. Raemdonck staan.

Deze beschouwde hem eene wijl, met het hoofd knikkende, als schepte hij behagen in de regelmatige

"Het is een schoone dag voor u geweest, mijn vriend," zeide hij. "Gij hebt vele beschermers aangewonnen, en indien gij vlijtig en verstandig blijft, zult gij waarschijnlijk uwen weg in de wereld maken; maar wat u ook gebeure, vergeet nooit, dat uwe ouders, arme fabriekwerkers, zich hebben opgeofferd om u te laten leeren."

"Ik zal het niet vergeten, mijnheer," antwoordde Bavo zeer stil, maar op eenen ontroerden toon en met eenen glim van wilskracht, waarvan de innigheid den eigenaar der fabriek met verrassing sloeg.

"Ha, dit is wel," zeide hij, "dat gij goed doordrongen zijt van alles, wat uwe arme ouders voor u hebben gedaan; uw vader bovenal, niet waar?"

"Ja, mijnheer, mijn vader heeft voor mij gewerkt, mijn vader is voor mij doodelijk ziek geworden; mijne moeder heeft nachten zonder slapen doorgebracht om mij naar de school te laten gaan."

"En gij zult ze liefhebben en, is het u mogelijk, ze beloonen in hunnen ouden dag?"

"Ja, mijnheer, zoolang ik leef."

"Gij zijt nu op de fabriek van M. Verbeeck, en gij zult de naaste week eerst aan den duivel staan als helper. Het is een goed middel om tot iets te geraken; maar dit gaat wel langzaam, mijn jongen. Met uwe geleerdheid kan men misschien eenen korteren weg vinden."

"Ik zal meesterknecht worden, mijnheer!" antwoordde Bavo met bedwongene kracht.

"En dan?" morde M. Raemdonck.

"

"Gij zijt een brave jongen," sprak M. Raemdonck getroffen. "Wat wint gij nu? Vier of vijf franken in de week, niet waar? Dit is niet genoeg. Ik wil u helpen het edele doel bereiken, dat gij uw dankbaar hart aanwijst, door u eene loopbaan te openen, waarin men, met uwe geleerdheid en uwen goeden wil, veel spoediger kan vooruitgaan. Ik was voornemens u een boek te geven; maar al de boeken mijner bibliotheek zullen tot uwe beschikking staan. Een ander geschenk ga ik u doen. Wilt gij klerk worden op mijn bureel?—Blijft gij bij uwe goede gedachten en vlijtig, dan zal ik u voorthelpen met liefde, als waart gij mijn eigen zoon."

"O, mijnheer, zooveel goedheid!" kreet Bavo, de handen dankend opheffende. "Hoe blijde zal mijne moeder zijn!"

"Gij aanvaardt dus de plaats?"

"Ik kan schier niet spreken, mijnheer. Ach ja, ja, ik zal zoo mijn best doen!"

"Maar gij vraagt niet wat gij zult winnen. Indien gij u nuttig maakt en u vlijtig toont, zal ik uwe jaarwedde al spoedig verhoogen; het hangt van u af.

Voor alsnu en om te beginnen, zult gij ... zult gij vierhonderd franken trekken; het is ten minste tweemaal zooveel als uw tegenwoordig loon."

Bavo borst in tranen los en scheen in zijne ontroering te stikken; hij stamelde verwarde woorden, zegende zijnen weldoener en sprak van zijne moeder en van zijnen vader, doch was te zeer ontsteld om een verstaanbaar woord te uiten.

Eenen Godspenning wil ik u geven.

Eenen Godspenning wil ik u geven.
Eenen Godspenning wil ik u geven.

M. Raemdonck opende eene lade van zijnen

"Kom morgen op het groot bureel; de oude meester-klerk is een braaf man en een edelmoedig hart; hij zal u vriendelijk zijn en u voorthelpen. Eenen Godspenning wil ik u geven; het zal mijn geschenk zijn. Daar, neem dit, draag het uwen vader met de goede tijding, en poog mijner bescherming waardig te blijven; dan zult gij uw eigen geluk en het geluk uwer goede ouders verzekeren. Vaarwel, mijn jongen, tot morgen dus."

Het hoofd van Bavo draaide, het was hem duister voor de oogen; hij bevond zich in de straat zonder het te weten. Vierhonderd franken ging hij winnen! Welke rijkdom, en hoe zou zijne moeder verbaasd staan en gelukkig zijn bij dit wonderschoon nieuws! Hij kon het niet gelooven; hij droomde misschien? Neen, neen, het was waar. Klerk zou hij worden en vierhonderd franken winnen!

Dan eerst voelde hij iets in zijne hand en opende ze. Daar blonken hem twee goudstukken van twintig franken in de oogen!

Een luide schreeuw ontvloog hem, en, zonder op de voorbijgangers te letten, die hem verwonderd nakeken, sprong hij, met de hand in de hoogte, juichend vooruit en liep uit al zijne kracht, totdat hij zijne woning bereikte.

"Moeder, vader!" riep hij, "ik word klerk in het groot bureel van M. Raemdonck; ik win vierhonderd franken; ik zal spoedig meer winnen: daar, daar is mijn Godspenning! Vader, vader, wij zullen rijk zijn; gij zult leven zonder werken, gij hebt genoeg gedaan voor mij. Moeder zal des nachts niet

En van ontsteltenis afgemat, liet de opgewonden jongen zich lachend en juichend op eenen stoel vallen.

De ouders bestaarden met verwondering de twee goudstukken, welke hun zoon op de tafel had geworpen; zij insgelijks schenen buiten zich zelven van verbaasdheid.

Damhout sloeg eensklaps de armen om den hals zijner vrouw, drukte haar op zijn hart en stamelde met tranen in de oogen:

"O, Christina lief, dat God u zegene! Aan u, aan u alleen zijn wij al dit geluk verschuldigd. Gij zijt meer dan eene moeder voor uwe kinderen, meer dan eene vrouw voor mij; gij zijt onze goede engelbewaarder op aarde!"

Bavo stond eensklaps recht en kreet, terwijl hij naar de deur liep:

"O, Lieveken! Lieveken!"

Met eenen angstigen gil sprong zijne moeder hem achterna.

"Hemel, mijn arme zoon, wat geschiedt u?" gilde zij.

Maar Bavo wierp zich in hare armen en zeide met het schaamrood op de wangen:

"Het is niets moeder lief; ik droom, de blijdschap maakt mij zinneloos!"

Des anderen daags begaf Bavo zich naar zijn bureel; hij was zoo blijde en zoo vol geestdrift, dat hij geheel door zijnen nieuwen arbeid was verslonden en aan niets anders meer scheen te denken. Hij bracht des avonds schrijfwerk mede, bleef met de pen in de hand zitten, totdat zijne ouders hem herinnerden, dat het tijd was om slapen te gaan, en sprak zelfs niet meer van Lieveken, noch van zijne treurnis, omdat zij zijne schoone zegepraal niet had kunnen zien.

Evenwel na eenige dagen van groote overspanning, kwam er een beetje rust in zijn gemoed. Dan keerde de herinnering aan de afwezige vriendin even krachtig als te voren in hem weder, en hij spoorde zijne moeder aan om eenen brief aan Lieveken te schrijven. Het arme meisje zou zich in hun geluk verblijden, en het zou haar zeker een troost zijn in haar verdriet.

Een gansche avond werd aan het opstellen en afschrijven van den brief besteed; want alhoewel Bavo de pen voor zijne moeder hield, stortte hij er al de vreugde van zijn eigen hart in uit en schilderde breed en wijd de prijsuitreiking en het bezoek bij M. Raemdonck. Lieveken moest alles, alles weten,

De brief werd in de post gestoken, en van dan af wachtte Bavo met koortsig verlangen op het antwoord.

Er verliepen ééne week, twee weken, eene gansche maand. Elken middag en elken avond, als Bavo zijn bureel verliet, liep hij met groote haast naar huis, en zijn eerste woord was telkens:

"Welnu, welnu, moeder, is er niets gekomen?"

"Niets, nog niets, mijn zoon," antwoordde vrouw Damhout met eenen zucht.

Bavo werd allengs zeer treurig en moedeloos, en soms bleef hij des avonds uren lang met het hoofd in de hand zitten, of koutte met zijne moeder over de waarschijnlijke redenen dezer stilzwijgendheid van Lieveken. Was zij ziek misschien? Was haar een ongeluk overkomen? Had men zich in het opschrift van den brief misgrepen? Maar dit laatste was niet mogelijk, vermits Lieveken zelve vóór haar vertrek hun dit opschrift had gegeven.

Gelukkig dat Bavo in den arbeid eene afleiding voor zijne droeve gepeinzen vond. Het plichtgevoel was inderdaad zeer machtig in hem. Zoolang hij op

Zekeren avond toch zeide hem de oude meester-klerk met eene schier vaderlijke minzaamheid:

"Bavo, mijn jongen, gij moogt met zooveel inspanning niet werken. Gij zult u zelven ziek maken door uw overdreven ijver. Ik zie sedert eenige dagen, dat gij zwaarmoedig en treurig zijt. Vrees niet, gij doet meer en beter dan men van u kan verwachten. M. Raemdonck is zeer tevreden over u, gij weet het wel. Kom, kom, een mensch, die zijne plichten gevoelvol vervult, moet licht en vroolijk van harte zijn; anders wordt hem de arbeid zwaar en geestverdoovend."

De arme jongen ging zeer bedrukt naar huis; hij beschouwde deze vriendelijke opwekking als een zijdelingsch verwijt; want zij bewees, dat de meester-klerk zijne duistere gemoedsstemming had opgemerkt, en misschien had er iets aan zijn schrijfwerk ontbroken. Daarenboven, Lieveken antwoordde niet; reeds zes lange weken waren er verloopen. Zou hij ooit nog wel iets van haar vernemen? Was zij gevaarlijk ziek? Was zij dood misschien?—want aan hare dankbaarheid, aan hare trouwe herinnering dorst hij na zulke korte afwezigheid niet twijfelen.

Toen hij dus, dubbend en zuchtend, in de stege kwam, ontvloog hem eensklaps een schreeuw van verrassing en blijdschap. Hij zag van verre zijne moeder voor de deur van haar huisje staan met een papier in de hand, dat zij hem scheen te toonen.

"Een brief van Lieveken?"

"Ja, van Lieveken of van hare ouders; hij komt uit Frankrijk."

"En wat staat er in, moeder?"

"Gij weet, Bavo, dat ik geen geschrift kan lezen."

"Geef, geef, ik zal hem u voorlezen.... Hij is van Lieveken zelve. Luister, moeder. Ach, ik beef van ongeduld:

"Goede madam Damhout."

"Zie, waarom noemt zij mij nu madam?" kreet de verwonderde Christina.

"Wel, het is uit eerbied, moeder; daarenboven, in Frankijk noemt men iedere vrouw madam; maar laat mij lezen, onderbreek mij niet, ik bid u:

"Goede madam Damhout,

"Vergeef het mij, dat ik niet eerder op uwen brief heb kunnen antwoorden. Vader had hem op de fabriek ontvangen en hem in zijnen zak gestoken en vergeten. Toen moeder zijn vest wilde vermaken, heeft zij hem gevonden. Ik bedank u en Bavo en M. Damhout uit het diepste mijns harten voor de vriendschap, die gij de arme Godelieve blijft toedragen. Uw brief heeft ons zoo gelukkig gemaakt, dat mijne moeder

"Uwe ootmoedige dienstmeid,

"GODELIEVE WILDENSLAG."

Bavo liet den brief ter tafel vallen en begon te weenen: vrouw Damhout had insgelijks de tranen in de oogen. Zij poogde echter haren zoon te doen begrijpen, dat hij ten onrechte zich zoo diep bedroefde. Wat was er dan zoo ongelukkig in het lot van Lieveken? Zij treurde, omdat zij verre van hare geboortestad en hare vrienden moest leven. Dit was immers natuurlijk? Bavo moest daarenboven wel zeker zijn, dat Wildenslag naar Gent zou terugkeeren.

Maar dit was de reden der smart van den jongen niet. Wat hem verschrikte, was de tijding, dat Godelieve op eene fabriek werkte, te midden van ruwe, woeste menschen, en daarom was hij ontroostbaar. Hij drukte het angstig voorgevoel uit, dat Lieveken door de gedurige aanraking met de grove, onwetende lieden hare zedigheid en de zuiverheid haars harten zou kunnen verliezen. Dit ware volgens hem het grootste ongeluk, dat haar kon overkomen. Er lag misschien een gevoel van zelfzucht in zijne ontsteltenis; maar hij verborg het onder het medelijden voor de gezellinne zijner kindsheid en zuchtte herhaalde malen met diepen weemoed:

"Arm Lieveken! Arm Lieveken!"

Adriaan Damhout kwam te huis. Dan bedwong Bavo zijn verdriet; want in zijns vaders tegenwoordigheid dorst hij de ontroeringen zijns harten niet zoo vrij uitstorten.

Nadat men gedurende eenigen tijd over den treurigen brief van Godelieve had gekout, besloot men haar nog denzelfden avond te schrijven, om haar te troosten en haar moed te geven. Men zou

Eens dat deze beide brieven waren geschreven, werd Bavo een beetje beter te moede. Hij had nu een middel gevonden om met Godelieve te spreken; het was eenigszins, alsof zij nog tegenwoordig ware; de betuiging harer dankbaarheid, de zekerheid dat zij nog aan hunne zoete vriendschap dacht, deed hem zoo goed aan het hart. Met deze troostende overweging ging de jongen te bed, en alhoewel hij droomend Lieveken op de fabriek zag en ruwe, onbeschofte woorden rondom haar hoorde galmen, werd zijn slaap niet merkelijk gestoord.

Maanden lang wachtte hij op een tweede antwoord van Godelieve; er kwam geene tijding. Men schreef eenen anderen brief en zelfs eenen derden, maar even vruchteloos.

Bavo meende te moeten denken, dat vader Wildenslag de brieven vernietigde. Dewijl men ze naar de fabriek stuurde, aangezien men de bijzondere woonst der Wildenslags niet wist, ontving hij ze altijd op zijn werk. De brief, waarin Damhout aandrong om Godelieve het fabriekwerk te doen verlaten, zou hem waarschijnlijk hebben doen besluiten alle betrekking tusschen zijn huisgezin en de Damhouts af te breken. Misschien had het woeste gezelschap, waarin Godelieve veroordeeld was te leven, reeds eenen verderfelijken invloed op haar uitgeoefend? Misschien was haar geheugen verduisterd en had zij hare vorige vrienden vergeten? Maar dit kon niet zijn, zoo spoedig toch niet!

Op zekeren avond dat Bavo met zijne moeder koutte, ontvielen hem eenige droeve woorden, die vrouw Damhout schenen te verrassen en te verwonderen. Wat zij daarop antwoordde om hem te troosten, deed het schaamrood op Bavo's voorhoofd klimmen. Hij stamelde eenige verontschuldigingen en bleef dan zwijgend in zich zelven dubben en overwegen, of nam een boek en ontvluchtte zóó eene samenspraak, zoohaast hij bemerkte, dat zijne moeder hem met aandacht beschouwde.

Liefde? Zijn medelijden zou liefde zijn? Hij zou Godelieve beminnen ... beminnen, anders dan eene speelgenoote, dan eene zuster? Zijne moeder had het niet gezegd; maar waarom dan had zij gesproken van eene geheime neiging des harten, van een gevoel, dat hij moest pogen te beheerschen en te overwinnen?

Van dan af werd Bavo aangaande Godelieve achterhoudend met zijne moeder. Telkens dat zij zelve, en het gebeurde niet dikwijls meer, den naam van Lieveken noemde, keerde hij de samenspraak af.—Dit belette echter niet, dat zijne ziel treurde en nog snakte naar de afwezige vriendinne. Elke maal dat hij te huis kwam, hoopte hij, dat zijne moeder hem eenen brief zou toonen; maar de maanden verliepen zeer snel, en van Lieveken hoorde men niets meer.

Wel had vader Damhout eens eenen werkman ontmoet, die uit Frankrijk kwam en hem nieuws van de Wildenslags had gegeven; maar zijne woorden waren niet van aard om Bavo of zijne moeder te verblijden. Volgens zijn zeggen wonnen de Wildenslags veel geld, ja veel te v

Ondanks de durende beneveling van zijn gemoed kweet Bavo zijne plichten zoo wel op zijn bureel, dat hij meer en meer de gunst won van M. Raemdonck en van den meester-klerk. Men had zijne jaarwedde reeds tot zeshonderd franken verhoogd, en dewijl zijn vader bleef werken en zijne moeder nog immer voor haren winkel kielen naaide, kwam er zooveel welstand in huis, dat men besloot de stege te verlaten en in eene betere en min donkere straat te gaan wonen.

Veel eerder ware men verhuisd, hadde Bavo zelf niet altijd gepoogd deze beslissing te doen uitstellen. Hij verborg het niet, dat hij met smart zich zou verwijderen van deze plaats, waar zijne wieg had gestaan en waar hij zijne gelukkige kindsheid had gesleten. Zeide en herhaalde zij hem niet dagelijks, hoe zijne moeder hem had bemind en hem had aangemoedigd in zijne pogingen om te leeren? Waren niet al de herinneringen van zijn leven aan deze nederige kamer gehecht?

Eindelijk toch kon hij zijne moeder niet meer wederstaan. Er werd, een weinig verder aan de straat, een klein doch net huisje gehuurd, en men had reeds begonnen de meubelen over te dragen.

Men nam

Daar trad onverwachts een man in de kamer, naar buiten roepende:

"Ja, ja, ik kom! Eenige oogenblikken slechts! ga naar de Blauwe Geit, bij Pier de Knul; ik zal u daar wel vinden!"

En tot de tafel naderende, greep hij de hand van Damhout en zeide:

"Goeden dag, Adriaan, ik wilde toch niet in Gent geweest zijn, zonder u te hebben gezien. Gij hebt geluk, ik weet het en het verblijdt mij, want gij zijt een brave vent."

"Zie, het is Steven Geerts!" riep Damhout. "Wel vier jaar is het geleden, dat ik u voor de laatste maal heb gezien. Waar zijt gij gebleven?"

"Ik kom uit Frankrijk; daar is altijd veel werk."

"Uit Frankrijk?"

"Ja, van Wazemmes, bij Rijssel."

"Van Wazemmes!" riepen de ouders en Bavo met blijde verrassing.

"Waarom verwondert u dit?" murmelde Steven.

"En hoe gaat het met de Wildenslags? Die wonen ook te Wazemmes, niet waar?" vroeg vrouw Damhout.

"Dit is te zeggen," was het antwoord, "zij hebben er eenigen tijd gewoond, volgens dat ik van de vrienden heb vernomen; ma

"En de Wildenslags varen altijd wel?"

"Wel? Ja, veel te wel; het ware beter, dat zij wat armoede leden. Er zijn geene grootere rabauwen op de wereld dan de Wildenslags; gij moest ze nu zien, Adriaan! Ze doen niets dan zwieren en slempen, halve weken; en ze worden zelfs door de vrienden gevlucht; want ze zijn daarenboven zeer brutaal en groote ruziemakers."

Adriaan en zijne vrouw schudden treurig en zwijgend het hoofd. Ziende dat Steven de hand van haren man greep om hem vaarwel te wenschen, vroeg moeder Damhout:

"Zoudt ge ons niet kunnen zeggen, Geerts, hoe het met Godelieve Wildenslag gaat? Gij kent ze misschien niet?

"Is het geene teere, magere? Met blond haar en levendige blauwe oogen?"

"Ja."

"Ha, die ken ik goed; ik heb ze ten minste eens en maar al te wel gezien. Die is nog veel erger dan de anderen, vrouw Damhout. Al de Wildenslags zijn grove menschen."

"Wat wilt gij zeggen, o hemel!"

"Denk eens, ik kom in de stege, waar de Wildenslags wonen. Niet voor hen, maar voor eenen anderen vriend; want ik wilde met die

"Godelieve? Maar het is niet mogelijk!" zuchtte vrouw Damhout. "Hebt gij het waarlijk gezien?"

"Met mijne eigene oogen. Misschien was het meisje buiten zich zelve geraakt, omdat men hare moeder aanviel.... Nu, Adriaan, houd u wel, en gij insgelijks, bazin Damhout, totdat ik nog eens naar Gent kome."

De werkman verliet de kamer. Er heerschte eene wijl de volledigste stilte; de ouders bezagen elkander en hunnen zoon met treurige verbaasdheid. Bavo scheen vergramd; er fonkelde een somber vuur in zijne oogen, en zijne lippen schenen te beven.

Toen zijne moeder eindelijk eenige woorden meende te spreken, om hem te troosten en Godelieve te verontschuldigen, stond de jongen op en zeide met kracht:

"Moeder, vader, spreekt mij nooit meer van Godelieve! Ik wil haar vergeten, mijne kindsheid geheel vergeten, om nimmer nog aan haar te denken. Dat een onwetend mensch zoo laag dale en den eer

Hij meende te vertrekken; maar daar hij bemerkte, dat zijne moeder bekommerd was en hem wilde wederhouden, zeide hij met min ontsteltenis in de stem:

"Wees gerust, moeder; het is voor een oogenblik slechts. Morgen zal ik aan niets meer denken; het is gedaan; ik had verdriet, maar nu ben ik genezen, genezen voor altijd!"

En na onder het spreken dezer woorden de handen zijner moeder teederlijk te hebben gedrukt, ging hij het huis uit.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings