← Table of contents
Zijn Excellentie Eugène Rougon

I. (continued 2)

J. J. Schwencke translation

Rougon gaf heel kalm overal antwoord op, wist een verklaring voor de vertragingen te vinden, trad in de kleinste bijzonderheden. Toch gaf hij mevrouw Correur te verstaan dat zij nu veel minder op hem kon rekenen.

Toen werd ze wanhopig. Ze was zoo gelukkig iemand een dienst te kunnen bewijzen! Wat moest ze beginnen, met al die dames? En ze kwam van lieverlede op haar persoonlijke aangelegenheden, die Rougon heel goed kende. Ze vertelde voor de zooveelste maal, dat zij een Martineau was, van de Martineau’s uit Coulonges, een welgestelde familie uit de Vendée, waarin zeven notarissen elkander van vader op zoon waren opgevolgd. Hoe zij aan den naam Correur kwam, bleek uit haar verhalen nooit duidelijk. Op vier en twintig-jarigen leeftijd was ze met een slagersknecht ontvlucht, nadat ze een heelen zomer samenkomsten met hem in een schuur had gehad. Haar vader had een halfjaar onder dat schandaal gebukt gegaan, waarover de heele streek den mond vol had. Sinds dien tijd woonde ze in Parijs, als dood voor haar familie. Tienmaal had ze aan haar broer geschreven, die nu aan het hoofd van het notariskantoor stond, zonder antwoord van hem te krijgen; en ze gaf de schuld van dat zwijgen aan haar schoonzuster „een vrouw die zich met pastoors ophield en haar onnoozelen Martineau alles wijsmaakte,” zei ze. Een van haar liefste droomen was daarginds terug te keeren, evenals Du Poizat, om zich daar als een welgestelde, achtbare vrouw te vertoonen.

—Acht dagen geleden heb ik nog geschreven, mompelde zij, ik wed dat zij mijn brieven in het vuur gooit …. Maar als Martineau komt te sterven, moet ze haar deur toch wijd voor me openzetten. Zij hebben geen kind, dus ik zou voor mijn belangen opkomen …. Martineau is vijftien jaar ouder dan ik, en hij heeft last van jicht, heb ik gehoord.

Toen plotseling van toon veranderend hernam zij:

—Maar laten wij daar niet aan denken …. We moeten nu voor jou werken, nietwaar Eugène? En we zullen werken, dat zal je zien. Je moet wel alles zijn, als wij iets willen wezen. Weet je nog, in ’51?

Rougon glimlachte. En terwijl zij hem moederlijk de handen drukte, boog hij zich naar haar over en fluisterde haar in het oor:

—Als je Gilquin spreekt, zeg hem dan dat hij verstandig moet zijn. Verbeeld je, verleden week toen men hem naar het commissariaat heeft moeten brengen, heeft hij het in zijn hoofd gekregen om mijn naam te noemen, opdat ik hem zou terughalen!

Mevrouw Correur beloofde dat zij met Gilquin zou spreken. Gilquin was een van haar vroegere huurders, ten tijde dat Rougon ook bij haar inwoonde; een jongmensch dat soms heel bruikbaar was, maar meestal een zeer los leven leidde.

—Mijn rijtuig wacht, ik ga heen, zei zij hardop en ging glimlachend naar het midden van het vertrek.

Toch bleef ze nog een poosje, blijkbaar verlangend dat het gezelschap tegelijk met haar zou heengaan. Om dit doel te bevorderen bood zij zelfs een plaatsje in haar rijtuig aan. De kolonel nam het aanbod aan en men kwam overeen dat Auguste naast den koetsier zou zitten. Toen volgde er een algemeen handengedruk. Rougon was aan de geopende deur gaan staan. Bij het heengaan had ieder nog een laatste troostwoord. Mijnheer Kahn, Du Poizat en de kolonel rekten den hals uit en fluisterden hem iets in het oor, opdat hij hen niet zou vergeten. De Charbonnels waren al op de eerste trede van de trap en mevrouw Correur stond te praten met Merle, in de voorkamer, terwijl mevrouw Bouchard, een paar stappen verder opgewacht door haar man en mijnheer d’Escorailles, nog heel lief en bevallig voor Rougon stond en hem vroeg hoe laat zij hem eens heel alleen in de rue Marbeuf kon spreken, omdat zij zoo verlegen was als er zooveel bezoekers waren. Maar de kolonel, die haar dat hoorde vragen, kwam weer haastig binnenloopen; de anderen volgden hem, het heele gezelschap was weer bijeen.

—We komen u allemaal opzoeken, riep de kolonel.

—Ge moet u niet gaan begraven, zeiden verscheidene stemmen.

Mijnheer Kahn verzocht stilte met een gebaar. Toen sprak hij dat mooie woord:

—Ge behoort u zelf niet meer toe, ge behoort uw vrienden en Frankrijk toe.

Eindelijk vertrokken zij. Rougon kon de deur weer sluiten. Hij slaakte een diepen zucht van verlichting. Delestang, dien hij vergeten had, kwam toen van achter den stapel doozen te voorschijn, achter welke verschansing hij als een nauwgezet vriend de rangschikking van de dokumenten volbracht had. Hij was bedrijvig bezig, terwijl de anderen praatten. Hij nam dan ook met een waar genot de dankbetuigingen van den grooten man in ontvangst. Hij alleen was hem werkelijk van dienst geweest; hij had een ordelijke manier van werken, die hem ver zou brengen; en Rougon uitte nog meer vleiende gezegden, zonder dat men weten kon of hij in ernst of in kortswijl sprak. Toen, overal rondkijkende, riep hij uit:

—Ik geloof dat alles gedaan is, hè?…. Nu moet Merle die pakken daar nog bij me thuisbezorgen.

Hij riep den bode en wees hem op de papieren, die hem persoonlijk aangingen. Op alle bevelen antwoordde de bode:

—Jawel, mijnheer de president.

—Ezel, riep Rougon geprikkeld uit, noem me toch geen president, dat ben ik immers niet meer.

Merle boog, deed een stap naar de deur en bleef daar weifelend staan. Hij kwam terug met de boodschap:

—Er is beneden een dame te paard die naar mijnheer vraagt …. Ze zei lachend dat ze wel met haar paard boven zou komen, als de trap maar breed genoeg was …. ’t Is enkel om mijnheer de hand te drukken.

Rougon balde reeds de vuisten, hij dacht aan een grap. Maar Delestang die door een portaalvenster had gekeken, kwam opgewonden terug.

—Juffrouw Clorinde! mompelde hij.

Toen liet Rougon antwoorden, dat hij beneden zou komen. En terwijl Delestang en hij hun hoeden kregen, keek hij hem met gefronste wenkbrauwen aan, met een achterdochtigen blik naar zijn opgewonden gezicht.

—Neem je in acht voor de vrouwen! herhaalde hij.

En op den drempel keek hij nog eens voor het laatst naar zijn kamer. Door de drie vensters, die open waren gebleven, kwam het volle daglicht naar binnen en wierp een schel schijnsel op de leege kartonnen doozen, de verspreide laden, de samengebonden en opgestapelde pakken op het vloerkleed. De kamer scheen heel groot, heel triestig. In den haard lieten de verbrande papieren slechts een hoopje zwarte asch achter. Terwijl hij de deur sloot, doofde de kaars, die vergeten op een hoekje van de schrijftafel stond, uit en deed de kristallen bobèche bersten, in de stilte van de ledige kamer.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings