III. Polypodiaceae.
Reading edition
Sori zelden randstandig, meest op de onderzijde van het blad op den rug, aan het einde of aan de zijde van een nerf; soms ook tusschen de nerf staande; naakt of bedekt door een verschillend gevormd indusium dat soms bestaat uit de omgeslagen bladrand. Sporangiën meestal langgesteeld; ring vertikaal staand, onderbroken. Bladeren zeer verschillend van vorm en textuur.
1a. Indusium aanwezig, soms bij rijpe sporangiën afgevallen, maar dan bij jonge sporangiën steeds te vinden 2
1b. Indusium steeds ontbrekend 5
2a. Indusium rond, niervormig of langwerpig, in het midden of (bij de niervormige indusiën) aan den rand vastgehecht, doch steeds met de randen vrij van het blad en rondom openspringend 9
2b. Indusium langwerpig of lijnvormig, zelden rond, steeds aan één zijde open, aan de andere zijde dicht 3
3a. Indusium randstandig, uit den omgeslagen bladrand, of een deel van den bladrand gevormd en naar binnen opengaand 17
3b. Indusium niet randstandig of randstandig, in het laatste geval naar buiten opengaand en het indusium dus niet uit de bladrand gevormd 4
4a. Sori òf rond en alleenstaand op het eind van de aderen, òf langwerpig tot lijnvormig en de toppen van twee of meer aderen verbindend. Indusium naar buiten opengaand 15
4b. Sori lijnvormig, evenwijdig loopend met de hoofdnerf van de segmenten van de laatste orde. Indusiën naar binnen opengaand. Bladeren enkelvoudig, of éénmaal of tweemaal gevind, in het laatste geval de bladsteelen klimmend Blechnum.
4c. Sori en indusiën langwerpig of lijnvormig, langs de aderen loopend en scheef gericht ten opzichte van de hoofdnerf van het segment van de laatste orde 16
5a. Sori in onbepaald aantal dicht op elkaar zittend en daardoor de geheele bladonderzijde of een aaneengesloten deel ervan dicht bedekkend 26
5b. Sori in een bepaald aantal, soms (Ceropteris); schijnbaar onregelmatig, maar nooit zoo dicht op elkaar dat er niet een deel van het blad zichtbaar blijft 6
6a. Bladeren met het rhizoom geleed, d. w. z. de bladsteel bevat een duidelijk gewricht op de plaats, waar het blad later afbreekt 25
6b. Bladeren niet met het rhizoom geleed 7
7a. Sori niet meer dan tweemaal zoo lang als breed 29
7b. Sori vele malen meer lang dan breed (Zie ook Notolaena) 8
8a. Sori zeer lang, evenwijdig met de hoofdnerf van het blad of met de bladrand. Bladeren lang en smal 20
8b. Sori langs de aderen, meer of minder duidelijk netvormig verbonden 21
9a. Bladeren min of meer leerachtig, enkelvoudig, met het rhizoom geleed. Rhizoom bovenaardsch, dicht met schubben bezet, met alleenstaande bladeren of kransen van bladeren. Bladeren met een dikke hoofdnerf en talrijke dichte zijnerven. Sori in één tot 3 rijen evenwijdig met de hoofdnerf; op de rugzijde van de zijnerven. Indusium niervormig Oleandra.
9b. Bladeren meest gevind. Bladsteelen niet geleed 10
10a. Sori aan het eind van de aderen 11
10b. Sori op de rugzijde van de aderen 12
11a. Bladeren dubbel gevind: segmenten van de laatste orde zittend kort en breed, scheef met 4–6 groote, langwerpige sori. Rhizoom opgericht, forsch; de bladsteelen dicht bij elkaar gezeten Didymochlaena.
11b. Bladeren eenmaal gevind met smalle en lange zittende segmenten. Sori met een niervormig indusium in één rij evenwijdig met de rand van het segment. Rhizoom opgericht, de bladeren dicht gedrongen Nephrolepis.
12a. Aderen alle vrij, of alleen de onderste zijaderen van de hoofdnerf van elk laatste segment met elkaar verbonden 13
12b. Aderen alle netvormig verbonden; in de velden, die door de aderen omringd worden eindigen vrije zijtakken der aderen 14
13a. Bladeren éénmaal gevind, leerachtig met een schildvormig indusium. Segmenten aan den voet versmald; vinlobbig tot vindeelig Polystichum.
13b. Bladeren één- tot meermalen gevind, dun en vliezig. Indusium meest niervormig of hartvormig. Aderen soms vrij Dryopteris (Nephrodium).
14a. Bladeren aan dezelfde plant in twee vormen, de steriele enkel gevind met breede zwak gegolfde segmenten; de sporangiëndragende bladeren met veel smallere segmenten met dieper gegolfde rand. Zijnerven van de eerste orde met 6–8 paren zijnerven van de 2de orde, die paarsgewijs met elkaar versmelten, zoodat er regelmatige velden gevormd worden, waarin één vrije ader te zien is Cyclodium.
14b. Bladeren alle gelijk van vorm, enkelvoudig of 3-lobbig of diep vindeelig en dan de segmenten ten deele met een breede basis aan de bladsteel vastgegroeid. Velden onregelmatig Aspidium.
15a. Sori duidelijk alleenstaand, rond. Bladeren tweemaal gevind of (onderaan) driemaal gevind, de segmenten van de laatste orde met een duidelijken nerf in het midden. Rhizoom kruipend Saccoloma.
15b. Sori langwerpig of door samenvloeiing van meerdere lijnvormig. Bladeren enkel- of dubbelgevind, de segmenten van de laatste orde alleen voor de bovenste helft ontwikkeld, en daar de sori dragend; de middennerf van het segment loopt langs den onderrand Lindsaya.
16a. Aan een deel der aderen twee sori, elk met zijn eigen indusium, die naar verschillende kanten opengaan. Bladeren enkelvoudig, of gevind of dubbelgevind Diplazium.
16b. Sori steeds alleen aan de aderen met één indusium. Bladeren enkelvoudig of gevind, zelden dubbel- of 3 maal gevind Asplenium.
17a. Bladeren handvormig samengesteld; de segmenten van de eerste orde gevind, die van de 2^[de] orde klein, de naar den top van het blad gekeerde helft sterker ontwikkeld dan de naar de basis gerichte. Bladrand om de sori omgeslagen. Bladsteel glimmend zwart Adiantopsis.
17b. Bladeren eenmaal tot meermalen gevind, de segmenten nooit handvormig samengesteld 18
18a. Bladsteelen zwart, meest glimmend, soms behaard. Bladeren meest dubbel-, zelden enkelgevind, in het eerste geval slechts weinig segmenten van de eerste orde en vele van de tweede orde. Sori op het einde der aderen binnen de omgeslagen bladrand zittend, vaak in elkaar vloeiend en dan zeer lang Adiantum.
18b. Bladsteelen niet zwart; sori geheel randstandig 19
19a. Indusium alleen uit de omgeslagen bladrand gevormd. Bladeren enkelgevind of dubbelgevind, de segmenten van de laatste orde diep vindeelig Pteris.
19b. Behalve de omgeslagen bladrand is er ook nog een naar buiten opengaand indusium aanwezig. Bladeren meervoudig gevind of meervoudig vindeelig Pteridium.
20a. Bladeren zeer lang en smal, sorus geheel randstandig door de bladrand overdekt, soms is er nog een indusium aan de binnenzijde van de sorus aanwezig Vittaria.
20b. Sorus aan weerszijden tegen de middennerf liggend, zonder indusium. Planten zeer klein, bladeren smal, slechts enkele centimeters lang Monogramma.
21a. Bladeren enkelvoudig, gelobd tot gedeeld of gaafrandig 22
21b. Bladeren gevind, éénmaal of meermalen 24
22a. Bladeren handlobbig, evenals de bladsteel behaard; aderen netvormig, geheel bedekt met de netvormige sori, de steriele bladeren kleiner Hemionitis.
22b. Bladeren driehoekig, zeer klein, ongesteeld, aan de basis toegespitst, naar boven geleidelijk verbreed aan den bovenrand met scherpe insnijdingen. Aderen niet netvormig verbonden maar naar boven waaiervormig uitgespreid. Sori bijna de geheele lengte der aderen innemend Hecistopteris.
22c. Bladeren langwerpig tot lancetvormig, bijna gaafrandig, aan top en basis versmald; nerven netvormig 23
23a. Sori alleen langs de nerven, dus netvormig Anthrophyum.
23b. Sori zeer klein, verspreid over de geheele onderzijde van het blad Anetium.
24a. Bladeren eenmaal gevind of dubbel gevind, evenals de bladsteelen behaard. Sori langs de aderen loopend van de steel naar den rand dicht opeenzittend en weinig vertakt Gymnopteris (Neurogramme).
24b. Bladeren dubbelgevind met een lang glimmend zwarte steel, aan de onderzijde tusschen de sori met een witte was bekleed. Segmenten van de laatste orde klein; de sori samensmeltend en daardoor onregelmatig over de onderkant verspreid Ceropteris (Neurogramme).
25a. Sori zeer lang, dicht bij den bladrand liggend en ermee evenwijdig loopend. Bladeren herhaaldelijk gaffelvormig vertakt, smal en dun. Eschatogramme (Dicranoglossum).
25b. Sori rond of langwerpig niet evenwijdig met de bladrand. Bladeren nooit gaffelvormig vertakt maar enkelvoudig of op verschillende wijze gevind Polypodium (Lepicystis).
26a. Bladeren enkelvoudig niet ingesneden; meest lang-elliptisch. Sori de geheele onderzijde van het blad bedekkend Elaphoglossum.
26b. Bladeren vindeelig of gevind 27
27a. Alleen de bovenste segmenten van het harde, leerachtige, gevinde of vindeelige blad met sporangiën op de onderkant. Groote planten. Aderen met elkaar verbonden Acrostichum.
27b. Bladeren geheel aan de onderzijde met sporangiën bedekt. Aderen niet met elkaar verbonden. Fertiele bladeren veel grooter en breeder dan de steriele 28
28a. Bladeren eenmaal gevind. Zijaderen van af de hoofdnerf van het segment dicht naast elkaar naar den rand loopend, geheel onvertakt of slechts eenmaal vertakt Stenochlaena.
28b. Bladeren dubbel tot meermalen gevind; aderen meermalen vertakt, maar niet met elkaar verbonden Polybotrya.
29a. Sori aan het eind van de aderen dicht bij de bladrand gezeten, in het begin vrij van elkaar, later min of meer met elkaar samenvloeiend en dan in een lijn langs de bladrand loopend. Bladeren dubbelvindeelig, van onderen met schubben bezet Notolaena. (Notochlaena).
29b. Sori niet randstandig, rond of langwerpig. Bladeren enkel- of meermalen gevind Dryopteris (Nephrodium).