← Table of contents
Wilde Bob

Twaalfde Hoofdstuk.

Reading edition

Het vertrek van Pieter, en hoe wij hem met ons drieën een cadeautje en een gedicht stuurden. Hoe Mevrouw van Koorde en haar dienstmeisje op de vlucht werden gejaagd en Pieter het verloren terrein heroverde.

Den volgenden morgen al vroeg kwam Pieter bij ons, om afscheid te nemen. Bob vergezelde hem en vertelde mij, dat Pieters Mama wel zeer ongerust was geweest, maar dat zij toch geen straf hadden ontvangen.

Ik ging met hen mede terug, want het werd spoedig schooltijd en dan dienden Bob en ik present te zijn. Bij het afscheid nemen zei Pieter:

»Dus je denkt er om, Bob, mij eenige meikevers te zenden? Je zult me daar een groot genoegen mede doen.»

»Je kunt er vast op rekenen.»

Wij gingen nog even naar binnen, om ook Mevrouw van Koorde goede reis te wenschen.

»Dag Robert,» zei ze, hem op de beide wangen kussende. »Kom je nu ook eens bij ons in Amsterdam logeeren? Maar daar zijn geen bosschen en losloopende beren, hoor neefje.»

Bob lachte eens.

»Ik wil heel graag, Tante,» zeide hij. »Mag ik dan komen als het vacantie is? Ik stel me daar heel wat jool van voor.»

»Jool?» herhaalde Tante. »Pret moet je zeggen, Robert, dat is veel fatsoenlijker. Dag Dorus, adieu!»

Bob en ik begaven ons nu regelrecht naar school, want het werd hoog tijd. Maar wij kwamen toch nog vroeg genoeg. Op het schoolplein spraken wij nog even met Jan van der Vliet, die er zeer treurig uitzag.

»Is er slecht nieuws?» vroegen wij hem.

»Zeer slecht, — ’t kon niet slechter,» zei Jan met een diepen zucht. »We hebben vanmorgen een brief ontvangen, waarin Vader en Moeder beiden gedagvaard worden, om voor de rechtbank te verschijnen. ’t Is verschrikkelijk!»

»Dat is het,» zei Bob, »maar Jan, zij kunnen toch immers nog vrijgesproken worden?»

»Kunnen, ja, dat is waar, — maar dat zal niet gebeuren, jongens. Zij hebben den schijn tegen zich, en uit de dagvaarding blijkt, dat de Officier van Justitie hen voor schuldig houdt. De kans op vrijspraak is zeer gering.»

Op dit oogenblik ging de schoolbel en moesten wij naar binnen. Maar wij zagen al spoedig, dat er iets bijzonders aan de hand was, want de hoofdonderwijzer was nog niet aanwezig en meester de Jong, die altijd in een ander lokaal les gaf, stond voor onze klasse. Nu gebeurde het hoogst zelden, dat de hoofdonderwijzer afwezig was, maar die enkele keeren waren voor ons feestdagen. Meester de Jong zal het echter wel geen prettige dagen gevonden hebben, want wij konden hem dan geducht plagen.

Wij hadden nog maar pas op onze banken plaats genomen, of de hoofdonderwijzer trad binnen. Het was echter duidelijk aan zijne kleeding te zien, dat hij uitging. Hij was zelfs geheel in het zwart gekleed, alsof hij naar eene begrafenis moest.

»Dorus, kom eens even hier,» riep hij me toe.

Hij nam mij mede naar een hoek van het lokaal en zeide: »Dorus, ik moet voor enkele dagen op reis. Er is eene zuster van mij overleden. Wil jij nu Zondag het orgel voor mij bespelen in de kerk.»

»Zeker, meester, met genoegen.»

»Dank je, Dorus. En kan ik er op aan, dat er niets onbehoorlijks zal geschieden.»

»Ja meester, daar kan u op aan.»

»En dat je geen jongens meê zult nemen naar het orgel?»

»Ik beloof het u, meester.»

»Uitstekend. Ik twijfel niet, of het zal wel goed gaan. Je speelt maar bedaard en rustig, hoor Dorus, en laat je niet in de war brengen. Trek ook vooral niet te veel registers uit.»

Even later vertrok de meester, na den onderwijzer de hand te hebben gegeven en een groet tot ons allen te hebben gericht. En nog geen kwartier later moest Bob al schoolblijven.

Het ligt evenwel niet in mijne bedoeling, te vertellen hoe wij dien schooldag passeerden. Genoeg zij het te weten, dat Bob zoowel ’s morgens als om vier uur na moest blijven, en geen klein poosje, dat beloof ik je. Ik ben er zeker van, dat meester de Jong blij was, toen de schooluren voorbij waren, en ik moet zeggen, dat dit voor ons geen groote eer was. Want meester de Jong was een doodgoed man, die ons veel te zacht behandelde. Als hij wat strenger voor ons geweest was, zouden wij het hem lang zoo lastig niet gemaakt hebben.

»Wat zullen we gaan doen?» vroeg Karel Holm, toen Bob, hij en ik ’s avonds bij elkander waren.

»Meikevers voor Pieter-neef vangen?» vroeg Bob.

»Dat is goed. Er vliegen er nog in overvloed. Hoeveel moet hij er hebben?»

»Een twintig is genoeg,» zei Bob, »maar ik zou het leuk vinden, als wij er hem een paar honderd konden sturen. O, o, wat zou ik er graag bij willen zijn, als hij die ontvangt.»

»Doen?» vroeg Karel Holm, en zelf het antwoord gevende, liet hij er op volgen: »Ja, — doen.»

Wij gingen met eene leege sigarenkist naar den tuin van den notaris, wapenden ons met ragebollen en dergelijke werktuigen en begonnen onze jachtpartij, wat we in het geheel niet onaardig vonden. En hoe meer kevertjes we vingen, hoe grooter onze lust werd.

Eindelijk was onze kist vol; er zaten niet minder dan driehonderd gevangenen in.

»Morgen gaat de looper,» zei Bob. »Dan zullen we Pieter zijn cadeautje sturen.»

»Maar hoe?» zei Bob. »In dat kistje gaan ze spoedig dood.»

»Dat is waar. Weet je wat, in een mandje dan. Wij hebben wel een mandje, dat daarvoor heel geschikt is, in het schuurtje staan. Dan kunnen ze onmogelijk doodgaan door gebrek aan lucht. En zeg, jongens, nu moesten we er een gedichtje bij kunnen doen. Wat zou dat leuk wezen.»

»Dat kan wel,» zei Karel. »We kunnen toch met ons drieën wel een versje maken. Zoo bijzonder mooi behoeft het ook niet te wezen.»

»Goed! Afgesproken! Eerst zullen we de kevers in de mand doen, en dan het gedicht fabriceeren. Laten we gaan.»

Ha, wat gonsden en bromden die beestjes, toen we ze uit de kist in de mand deden. ’t Was goed, dat er geen jongejuffrouw bij ons was, want zij zou het zeker buitengewoon griezelig gevonden hebben, al die torren!

Nu namen we een dichten doek en bonden dien er zorgvuldig omheen, zoodat er geen enkele ontsnappen kon.

»Mooi zoo,» zei Bob met een tevreden knikje, »dat zaakje is in orde. Nu ons gedicht nog, en dan brengen wij ze naar den looper. Kom maar meê, dan gaan we naar de speelkamer.»

Zoo gezegd, zoo gedaan.

Bob nam een vel papier en een potlood en ging tusschen ons aan de tafel zitten.

»Begin nu maar, jongens,» zei hij. »Ik ben klaar.»

»Begin nu maar?» herhaalde Karel lachend. »Alsof dat zoo gemakkelijk is? Ik weet geen begin.»

»Ik ook niet!» zei ik.

»Dat is flauw,» zei Bob. »Eerst zeg je, dat je het best kunt doen, en nu het er op aankomt, trek je je terug.»

»Nu, hier heb ik al vast één regel,» zei Karel. »Schrijf maar op, Bobbertje, en mopper niet zoo.»

„Zie Pieter, wat ik zenden zal!”

»Dat is een beste regel!» riep Bob opgetogen uit. »Zie je wel; dat je het wel kunt? ’t Kon niet beter. Nu den tweeden regel; toe Dorus, jou beurt.»

„Driehonderd roovers in getal!”

zei ik. »Dat rijmt immers?»

»Prachtig, Dorus, prachtig! Driehonderd roovers in getal, dat komt er uitstekend bij. ’t Zijn ook echte roovers.»

»Nu jij een regel, Bob! Ieder op de beurt.»

»Ja,» zei Bob, »je kunt ze niet uit je mouw schudden. Ik weet geen regel.»

»’t Is anders gemakkelijk genoeg, want jij behoeft nergens op te rijmen,» zei ik.

»Daar heb je gelijk aan; nu, dan weet ik er wel een. Luister maar:

„’t Geschenk is wel niet heel veel waard.”

»Is die goed?»

»Heel goed,» zei Karel peinzende om een rijmwoord op »waard» te vinden.

»Waard — wat rijmt daar zoo al op?» vroeg hij. »O ja, waard, paard, staart, taart, haard, baard, aard, gaard, er zijn rijmwoorden genoeg. Ha, ik weet er al een:

„’t Is een geschenk uit onzen gaard.”

Dat rijmt goed, hè?»

»Heel goed,» zei Bob schrijvende. »Gaat maar door, jongens, ’t gaat best. Jou beurt, Dorus.»

»Ik ben klaar,» zei ik. »Luister maar:

„Zij vliegen vroolijk in het rond.”

»Dat is waar,» zei Karel. »En dan kan dus volgen:

„Of kruipen langzaam op den grond,”

want dat doen ze ook dikwijls.»

„En brommen haast den heelen nacht,”

vervolgde Karel, die het weer gemakkelijk had, daar hij geen rijmwoord behoefde te zoeken.

„Zeg Pieter, had je dat gedacht?”

zei ik, want deze regel schoot mij opeens te binnen.

»Dat zijn nu al twee coupletten, en alle goede dingen bestaan in drieën, dus nu het laatste nog. ’t Is mijne beurt, niet waar?» zei Bob.

»Ja, jou beurt,» zei Karel.

»Wist ik nu nog maar wat,» vervolgde Bob. »Wacht, laat mij eens even bedenken. Misschien komt het wel.»

En na een oogenblik toevens vervolgde hij:

»Ha, ik ben klaar. Luister:

„Wel neefje, ben je nu tevreê?”

»Goed gedaan, Bob. Nu moet ik weer. Wat rijmt er zoo al op vreê? Wacht: wee, meê, zee, thee, dat zijn er wel al genoeg. In orde, hoor.

„En valt het aantal je niet meê?”

»Goed zoo!» zei Bob, die elken regel opschreef. »Nu nog twee regeltjes en we zijn klaar. Jou beurt, Dorus.»

»Ja wel, je hebt goed praten. Ik weet heusch niet meer op ’t oogenblik. Jelui moet me helpen denken. Wacht, ik weet er al een:

„Me dunkt, je hebt nu overvloed.”

»Nu jij weer, Bobbertje, den laatsten regel.»

»Ja, dat komt mooi uit, Dorus, met dat woord overvloed, want dat rijmt op gegroet. De laatste regel kan dus zijn:

„Ontvang ten slotte onzen groet.”

Is dat niet een prachtig slot? Wacht, nu zal ik het in het net overschrijven en het jelui eens voorlezen.»

Bob deed het, en las:

Waarde Pieter! „Zie Pieter, wat ik zenden zal: Driehonderd roovers in getal. ’t Geschenk is wel niet heel veel waard, ’t Is een cadeau uit onzen gaard. Zij vliegen vroolijk in het rond, Of kruipen langzaam op den grond, En brommen haast den heelen nacht. Zeg Pieter, had-je dat gedacht? Wel neefje, ben je nu tevreê? En valt het aantal je niet meê? Me dunkt, je hebt nu overvloed. Ontvang ten slotte onzen groet.” Karel Holm. Dorus Volmaar. Bob de Wild.

»Wat is dat best gegaan, hé?» vervolgde Bob, die het vers in eene enveloppe deed en deze dichtplakte. »Dichten schijnt me toch niet erg moeilijk toe. Me dunkt, als we het wat meer deden, zouden we het spoedig tot eene groote hoogte brengen. Ik vind dit gedicht althans uitmuntend geslaagd. En jelui?»

Nu, wij waren dat volkomen met hem eens. Wij bonden de enveloppe, met de proeve onzer kunst, met een touwtje aan de beide ooren van de mand vast, zoodat het adres netjes bovenop kwam te liggen, en brachten ons geschenk gezamenlijk naar den looper. Deze bekeek het adres, en las overluid:

»Jongeheer Pieter van Koorde, Keizersgracht No. 234 Amsterdam.»

»In orde Bob,» zei hij. »Dat adres is mij bekend; ik heb er voor je Pa al meer dan eens wat moeten bestellen. Is het franco?»

»De geadresseerde zal de vracht betalen,» zei Bob deftig, en na gegroet te hebben gingen wij het dorp in.

Weinig konden wij op dat oogenblik vermoeden, dat diezelfde meikevertjes in Amsterdam zooveel moeite en ontsteltenis zouden veroorzaken, zooals wij later hoorden, dat zij gedaan hadden.

Want toen de looper het mandje met zijn levenden inhoud in de beste orde aan het opgegeven adres had afgeleverd, was Pieter-neef niet thuis, omdat het onder schooltijd was. De meid bracht het dus bij Mevrouw Van Koorde, die de boven-voorkamer als woonkamer gebruikte.

»Binnen,» zei Mevrouw, toen Mientje had aangetikt.

»Mevrouw, hier is een mandje van den looper. ’t Kost een dubbeltje vracht, Mevrouw.»

»O, — ziehier het geld. Zet het mandje maar hier op de tafel.»

Mientje gehoorzaamde.

»Zeker van mijn broeder,» zei Mevrouw. »Wat kan hij mij te sturen hebben? Maar neen, — ik ben abuis. ’t Is voor Pieter, zie ik. Daar staat duidelijk: Jongeheer Pieter van Koorde. Jammer, dat hij naar school is. Wat kan daar toch inzitten?»

Mevrouw tilde het mandje eens op en vond, dat het erg licht was.

»En een brief in de enveloppe,» zeide ze, na deze met de vingers betast te hebben. »Ik ben nieuwsgierig, wat hem gezonden kan worden. Weet je wat? Ik kon best het mandje openen en eens zien, wat het bevat. Den brief moet Pieter zelf maar openmaken. Dat is wèl zoo aardig voor hem. Wel, ik moet zeggen, dat de mand goed dichtgemaakt is, — heel zorgvuldig zelfs. Ik zal het touwtje maar losknippen.»

Zij ging naar hare werkmand en kwam met de schaar terug.

»Knip-knip!» ging het en het touwtje viel aan stukken op de tafel. Mevrouw nam den doek en lichtte dien op.

Genadige hemel! Wie beschrijft haar schrik bij het zien van die honderden wriemelende, gonzende en brommende meikevers! Van ontsteltenis gaf zij een hevigen gil en vlug ijlde zij naar het schelkoord, waaraan zij zenuwachtig begon te rukken. Zonder ophouden, met den blik stijf op de noodlottige mand gericht, bleef zij doorschellen.

De beestjes, die nu de vrijheid zoo onverwacht terug gekregen hadden, begonnen daar dadelijk gebruik van te maken, door tegen de mand op te klauteren en over den rand te gaan loopen. Zij spreidden af en toe de vleugeltjes uit met het vaste voornemen, straks het luchtruim in te snellen. Sommige begonnen zelfs al te vliegen, en het was een gegons en gebrom, dat Mevrouw Van Koorde het bijna op hare zenuwen kreeg van angst. Zij durfde geen voet naderbij komen en deed niets dan schellen.

Nu ging de deur open en trad Mientje, ook al verschrikt door het bellen, haastig binnen.

»O, Mevrouw, wat is er?» vroeg zij angstig. »Is er brand, Mevrouw?»

»Neen, neen, nog erger! Toe Mientje, spoedig, neem die mand en breng haar dadelijk weg — naar buiten. Dadelijk, asjeblief.»

Nu was Mientje gewoon, de bevelen harer meesteres stipt uit te voeren; zij liep dus naar het mandje, op welks ongewonen inhoud zij in het geheel niet verdacht was, en greep het bij de ooren. Maar op hetzelfde oogenblik begonnen een paar meikevers tegen hare bloote armen op te kruipen, zoodat zij thans de beestjes wel moest opmerken. Doodsbleek van schrik uitte zij een hevigen angstkreet en liet plotseling de mand met alles, wat daarin was, op den grond vallen. Zelf vluchtte zij tot in den versten hoek van de kamer, waar zij in stomme verbazing de gevolgen van hare daad stond aan te staren.

.... en liet plotseling de mand met alles, wat daarin was, op den grond vallen. (pag. 213).

.... en liet plotseling de mand met alles, wat daarin was, op den grond vallen. (pag. 213).
.... en liet plotseling de mand met alles, wat daarin was, op den grond vallen. (pag. 213).

De meikevers, door den schok verschrikt, spreidden thans de vleugels uit en begonnen, gonzende en brommende, door de kamer te vliegen, tot ontzetting van de beide vrouwen, die het niet durfden wagen, hunne hoeken te verlaten.

Wat maakten die diertjes, die vruchteloos zochten naar een groen blaadje, want zij hadden gedurende de reis geduchten honger gekregen, eene ongewone drukte in die deftige kamer! Er was weldra geen plaatsje meer, waar geen kever te vinden was.

»O mevrouw, die afschuwelijke torren!» riep Mientje, die beefde als een espenblad.

Mevrouw stond met beide armen te zwaaien, om zich de ongenoode gasten van het lijf te houden, want zelfs op de linten van hare muts schenen zij het gemunt te hebben. Wel drie hadden zich daar een plaatsje weten te veroveren, en zaten er gezellig de vleugeltjes uit te spreiden en weer dicht te slaan. Eén liep er haar op den schouder en vier kropen tegen haar boezelaar op.

»Domme meid! — Ga weg, afschuwelijk dier! — Hoe kon je nu zoo dom — koest, beest, koest, — zijn, om die mand, — sss — sss; — te laten vallen!»

»O mevrouw, — ga weg — ga weg, — bah, wat afschuwelijke dieren! — kijk eens, ze kruipen tegen den spiegel op — o foei, hu, er zit er een in mijn hals, — en tegen de lamp — en o, mevrouw, de gordijnen — ksss, ksss — zitten vol! ’t Is afschuwelijk.»

»Mientje, hier houd ik het niet langer uit — o foei, ze zitten me op mijn hoofd, en ah bah, daar kruipt er een in mijn mouw. Mientje, hu, hu, haal dat beest er uit! — Haal het er uit, zeg ik!»

»Ik durf niet, — dat durf ik niet!»

En op een draf, met haar boezelaar over het hoofd, nam Mientje, schreiende van schrik, de vlucht, de kamer uit en naar beneden.

Een oogenblik daarna werd zij gevolgd door Mevrouw, die echter zoo verstandig was, de deur achter zich dicht te trekken.

Daar stonden ze, bleek van ontsteltenis, zonder te weten, wat zij moesten doen, om van deze meikeverplaag verlost te worden.

Maar ook hier waren zij niet vrij, want in de vlucht hadden zij er enkele medegenomen, die op hare kleeren zaten.

»O Mientje, — wat voel ik daar in mijn hals?» riep Mevrouw huiverend uit, nu zij daar een eigenaardig gekriewel opmerkte, — »wat voel ik daar, Mientje!»

»O Mevrouw, dat is er weer een! Maar ik haal er hem niet af, Mevrouw, — voor duizend gulden niet! — Hu, wat een akelige beesten!»

Met eene weergaloos vlugge beweging streek Mevrouw nu zelf met hare hand langs den hals, en in hetzelfde oogenblik verhief zich het kevertje vroolijk gonzend omhoog, regelrecht op Mientje af. Deze wist niet waar ze zich bergen zou, en liep wel twintigmaal om de tafel heen.

»Mientje, ga den kruier halen! Hij moet al die beesten vangen. Hoe komt die nare Robert er toe, om die torren naar ons te zenden? Maar wacht, ik zal hem een brief schrijven, die hem niet bevallen zal, dien stouten bengel. Mientje, spoedig, zeg dat de kruier direct moet komen!»

Maar dat was niet noodig, want op dit oogenblik werd er gescheld.

»Ha, dat zal Pieter zijn,» riep Mevrouw verheugd uit. »Hij zal ons misschien wel van die beesten kunnen verlossen.»

Inderdaad, zij had goed geraden; het was Pieter, en deze was niet weinig uit zijn humeur toen hij hoorde, wat er gebeurd was.

»Maar Mama,» riep hij teleurgesteld uit, »dat zijn geen torren, het zijn meikevers, die Bob mij gestuurd heeft, omdat ik hem dat verzocht had. En nu zijn ze alle weg!»

»Weg?» herhaalde zijne Mama. »Weg? De hemel gave, dat het waar was. Weg? De voorkamer boven zit vol; er is geen plaatsje te zoeken, waar niet van die beesten zitten. Ik zag er zelfs een in de melkkan vallen.»

»En in den suikerpot, Mevrouw,» zei Mientje, »daar zaten er ook in! Hu, ik ga niet meê, hoor jongeheer, voor geen geld! Ik moet er niets, niemendal van hebben.»

»Dat is ook niet noodig!» bromde Pieter. »Geef mij den langen stoffer maar, dan zal ik ze wel vangen. En Mama, heeft u geen kistje voor me? Een sigarenkistje, of zoo iets?»

»Waarvoor?» vroeg Mevrouw. »Toch niet, hoop ik, om er die akelige beesten in te doen? Ik wil het volstrekt niet hebben, Pieter, volstrekt niet, heb je mij goed verstaan? Schuif de ramen open en jaag ze naar buiten. Ik wil die beesten onder mijne oogen niet meer hebben.»

»Maar Mama, Bob heeft ze toch voor mij gestuurd?»

»Zeker, dat heeft hij en ze hebben mij nog een dubbeltje aan den looper gekost ook. Doch dat verandert aan de zaak niets, Pieter. Gooi die beesten het raam uit! En nu geen woord meer, asjeblief!»

Pieter begreep, dat het zijne mama ernst was, en met tranen in de oogen ging hij, gewapend met een langen stoffer, naar boven, om de ontsnapte diertjes te vangen.

Toch moest hij lachen, toen hij zag, hoe de geheele kamer als het ware met meikevers bevolkt was. Geen plekje zag hij, of er was een meikever. ’t Was zulk een bespottelijk gezicht, dat hij het uitschaterde van het lachen. De deur had hij achter zich gesloten en hij hoorde, hoe zijne Mama en Mientje daar achter stonden te wachten op het oogenblik, dat de kamer weer vrij zou zijn.

Eerst las Pieter op zijn gemak het gedicht van zijne drie vrienden, stak het na de lezing in zijn zak, en ging daarna op de jacht. De ramen had hij open geschoven, en weldra zag hij, hoe de gejaagde kevers bij drommen naar buiten vlogen. Het was nog lang geen gemakkelijk werkje, om ze naar buiten te krijgen, want telkens, als hij dacht, dat hij nu eindelijk den laatsten had gehad, kwamen er uit de plooien van de gordijnen weer andere te voorschijn. Ja, zelfs vele dagen daarna werd Mevrouw telkens nog opgeschrikt door de onverwachte verschijning van een meikever, die haar onmiddellijk de vlucht deed nemen naar Mientje, maar deze was niet te bewegen, om hem te vangen.

Nog jaren daarna kon Mevrouw haar neef Bob niet ontmoeten, of zij begon telkens weer over die meikevers te spreken en dan kon zij geen woorden genoeg vinden, om haar schrik en ontsteltenis te beschrijven.

Maar Pieter was, tot zijne innige spijt, slecht van zijne meikevers afgekomen.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings