Dertiende Hoofdstuk.
Reading edition
Hoe ik mijne betrekking als organist vervulde en wat Bob in den toren vond. Hoe in het eene huis vreugde en in het andere droefheid kon heerschen om eenzelfde gebeurtenis.
’t Werd Zondagmorgen. Ik was al vroeg wakker, want de enkele malen, dat ik voor den meester het orgel moest bespelen als er dienst was, sliep ik nooit bijzonder rustig. De wetenschap, dat ik als organist moest optreden, stemde mij altoos min of meer zenuwachtig en deed mij ook nu vroeg ontwaken.
Spijt behoefde ik daar echter niet over te gevoelen, want het was bijzonder prachtig weêr. De dauw lag als een luchtig gaas over het veld en deed blad en twijg schitteren in de gulden ochtendstralen van de zon. Een heerlijke geur vervulde de lucht en ik vond het verrukkelijk, langzaam rond te wandelen door onzen tuin, waar de glinsterende dauwdroppels wel diamanten schenen. De vogels sjilpten zoo vroolijk op het dak, de hanen kraaiden elkander zoo gezellig hun morgengroet toe, het zonnetje scheen zoo heerlijk. ’t Was een genot, buiten te zijn.
’t Werd langzamerhand drukker en levendiger om mij heen. De huizen werden meer en meer geopend, als om te bewijzen, dat de bewoners waren opgestaan, en hier en daar klonk uit de mij omringende tuinen een lied of een vroolijke lach. De hanen werden kalmer, het zonnetje rees langzaam hooger en verdreef met hare stralenbundels den dauw, die niet dan onwillig scheen op te trekken, de vogels fladderden van boom tot boom, en de bijtjes bewogen zich al gonzende van de eene bloem naar de andere.
Hoor, daar was de melkboer reeds. Van huis tot huis kon ik hem volgen, want overal opende hij de achterdeur en riep: »Mel-lek!» En de laatste lettergreep rekte hij wel tweemaal zoo lang uit als noodig was.
Nu waren ook mijne broertjes en zusjes ontwaakt. Ik hoorde hun gesnap en gebabbel zelfs in den tuin, dien zij weldra onder vroolijk gejuich binnenstormden.
»Je moet komen ontbijten, Dorus!» klonk het mij toe. »Moe heeft het gezegd.»
Nu, dat bericht behoefde niet herhaald te worden, want eene flinke boterham was mij nooit onwelkom. En toen het ontbijt afgeloopen was, ging ik weer in den tuin om het eerste gelui af te wachten. Bij ons werd er altoos tweemaal geluid, den eersten keer om halfnegen, en den tweeden keer een uur later, als de kerk aanging.
Hoe meer het uur van aanvang naderde, des te minder begon ik mij op mijn gemak te gevoelen. Niet, omdat ik bang was, dat ik het er niet goed zou afbrengen, o neen, in het geheel niet, want ik speelde toen de psalmen en de gezangen al vrij vast. Ik weet zelf niet, waarom ik er altoos zoo tegen opzag; ik denk, dat het gevoel van verantwoordelijkheid mij drukte.
Eindelijk drongen de klokketonen tot mij door. Dat gelui stemde mij altoos, zoo jong als ik was, min of meer ernstig, en wanneer het de doodsklok was, die geluid werd, huiverde ik zelfs dikwijls.
Een kwartiertje later nam ik mijne muziekboeken uit het kastje en zei tegen Pa en Moe, dat ik vast vooruitging, om alles in gereedheid te brengen.
»Hoor eens, Dorus,» zei Pa, »geen grappen maken daarboven, hoor, en geen jongens meênemen. Zorg er voor, dat niemand merkt, dat de meester er niet is. Laat alles ordelijk en naar behooren gaan.»
»Ja Pa!» was mijn antwoord, en toen ging ik.
»Zorg, dat ik mij niet over je behoef te schamen!» riep Pa mij nog na.
Onderweg kwam ik Bob tegen.
»Zoo Dorus,» zei hij, »ga je naar de kerk?»
»Ja, ik ga naar de kerk.»
Dat ik dien morgen als organist moest optreden, verzweeg ik hem, want dan wist ik zeker, dat hij ook boven zou komen. Maar Bobje wist het al. Hij vervolgde:
»Ik kom ook, Dorus. De meester is er immers niet?»
Ik had veel lust om te zeggen, dat de meester er wèl zou zijn, maar van liegen en veinzen had ik een onoverwinnelijken afkeer, dus zeide ik het niet.
»Ik ben van morgen organist, Bob,» zei ik op beslisten toon, »en de meester komt niet! Ik heb eerst den meester en nu nog mijn Pa moeten beloven, dat ik geen jongens zou meênemen, en ik doe het niet ook. Als je komt, zal ik den koster verzoeken, je te verwijderen.»
»Erg vriendelijk van je, Dorus,» zei Bob knorrig, »erg vriendschappelijk, dat moet ik zeggen.»
»Waarom ga je niet beneden zitten? Daar heb je immers eene plaats?»
»Ja, maar ik zit veel liever boven. Daar kan ik nog eens heen en weer loopen, weet je, en dat kan ik in de kerk niet doen. Dus mag ik niet?»
»Neen, je moogt niet. Ik heb het beloofd en die belofte zal ik houden. Je doet ook altijd zulke dwaze dingen. Maar nu moet ik gaan, of ik ben niet op tijd gereed. Tot van middag!»
Bob scheen echter boos, want hij ging zonder groeten verder. Nu, dat hinderde niet. Hij was wel eens meer boos, maar dat ging vanzelf weer over. Hij zou mijne weigering ook nu wel spoedig vergeten zijn.
Ik had nu de kerk bereikt en ging naar boven, waar de koster de sleutels van het orgel al had neergelegd. Eenige minuten later kwam hij mij het orgelbriefje brengen, waarop te lezen stond, welke liederen er dien morgen gezongen zouden worden.
Uit dat briefje bleek mij, dat alles zou zijn, zooals gewoonlijk. Er stond althans niets bijzonders op vermeld, en er zou ook nu, volgens den gewonen gang van zaken, viermaal gezongen worden. Dat de melodiën niet bijzonder moeilijk waren, zag ik al met een enkelen oogopslag, want het waren alle bekende gezangen, die dikwijls opgegeven werden.
Toen alles gereed stond, kwam Potman, de orgeltrapper boven. Potman was een oude sukkel, die door de diakonie onderhouden werd en er nog een duitje bijverdiende met orgeltrappen.
»Zoo Dorus,» zei hij, »moet jij van morgen spelen? Komt de meester niet?»
»De meester is uit,» zei ik, »en nu moet ik spelen.»
»Zoo, zoo, nu, dat is je toevertrouwd. Er zal wel veel volk ter kerk komen, denk ik, want het is prachtig weêr. Kom, ik zal maar gaan zitten.»
Potman ging naar de andere zijde van het orgel, waar zijn stoel stond, en nauwelijks was hij weggegaan, of Jan van der Vliet kwam binnen. Die had eene vaste plaats bij ons, en als de meester zeide, dat er geen jongens boven mochten komen, was Jan daarvan stilzwijgend uitgezonderd. Trouwens, Jan zou ook geen dwaze dingen gaan doen, zooals Bob. Als deze boven zat, wierp hij altoos propjes papier naar beneden, die dan op de hoofden der menschen terecht kwamen, of hij maakte grappen tegen de jongens, die op de galerijen zaten, want gij moet weten, dat het eene groote kerk was met twee galerijen, die op dezelfde hoogte van het orgel waren aangebracht. Wanneer de collectanten van de eene galerij naar de andere moesten gaan, kwamen zij altoos onze afdeeling over en namen dan meteen onze giften in ontvangst.
»Morgen Dorus!» zei Jan.
»Morgen Jan!» was mijn antwoord, en ik zag, dat zijn gelaat droevig stond. Hij schoof de gordijntjes een weinig ter zijde, zoodat hij in de kerk kon zien, en staarde op de bank, waar ’s Zondags altoos zijne ouders zaten, want zij waren trouwe kerkgangers. Hunne plaatsen bleven nu evenwel ledig, en toen ik Jan aanzag, ontdekte ik tranen in zijne oogen. Onze blikken ontmoetten elkander, en wij schenen daarin elkanders gedachten te kunnen lezen.
»Ze durven niet. Ze schamen zich!» fluisterde hij mij toe, en zijn mond plooide zich zenuwachtig. Ik zag, dat hij moeite deed, om niet te schreien.
Ik antwoordde niets, want ik wist niet, wat ik zeggen moest. Hoe kon ik den armen jongen troosten, nu morgen de rechtbank wellicht het schuldig over hen zou uitspreken? Hoe kon ik hem troosten, nu binnen korten tijd de gevangenisdeur wellicht achter hen zou worden gesloten en Jan alleen met zijn zusje in de armelijke woning achterbleef?
Neen, ik kon hem niet troosten, want iedereen zeide, dat zij wel veroordeeld zouden worden.
»En dan toch onschuldig?» dacht ik, terwijl ik Jan vol medelijden aanzag. »Maar — dat zou verschrikkelijk zijn.»
Op dit oogenblik begon de koster voor de tweede maal te luiden, en werd het drukker in de kerk.
Daar kwam dokter Doreman binnen, die bijna nooit verzuimde, maar ook bijna nooit tot aan het einde van den dienst bleef, omdat hij gewoonlijk midden onder de preek bij een patient geroepen werd, want hij had een verbazend drukke praktijk.
En daar kwam notaris de Wild binnen, met zijne vrouw. Of Bob ook meegekomen was? Hoe ik ook keek, ik ontdekte hem nergens. Misschien was hij nog boos op me?
De drukte beneden werd nog grooter, want het was nu half tien. En de meeste menschen komen precies op tijd of te laat.
Nu kwam ook de voorzanger in de kerk. Ik zag hem weldra plaats nemen voor zijn lessenaar en opzoeken, wat er gezongen moest worden. Het luiden hield op, de voorzanger kuchte, trok zijn das recht, hoewel deze volstrekt niet scheef zat, en daar begon hij, zacht en onduidelijk:
»De gemeente gelieve te zingen —» maar nu verhief zijne stem zich, zooals de man dat gewoon was te doen, plotseling wel eene quinte hooger, en klonk het helder en duidelijk, zoodat iedereen hem kon verstaan: »van den twee en veertigsten psalm, het eerste veers.» Hij zei altoos veers en nooit vers; waarom hij dat deed, weet ik niet.
»Ik herzeg: van den twee en veertigsten psalm, het eerste veers.» En nu begon hij op een galmenden toon, dien niemand mooi vond, het opgegeven vers voor te lezen. Ik zat gereed om te gaan spelen, dat spreekt vanzelf, en de orgeltrapper was evenzoo op zijne post. Jan stond achter mij, om te zien wat ik deed. Zoodra de voorzanger geëindigd had, speelde ik mijn preludium, wat heel goed ging, trok daarna eenige registers uit en speelde het koraal, waarmede de gemeente instemde. Jan, die anders altoos uit volle borst meêzong, scheen nu geen zingenslust te hebben, althans hij deed niet mede, en het scheen mij toe, dat hij zuchtte.
Eerst beefde ik wel een beetje, toen ik begon te spelen, maar dat bedaarde spoedig en ik gevoelde mij verder goed op mijn gemak. Het ging dan ook tot het einde toe zeer goed.
Nu las de voorzanger een gedeelte uit den bijbel voor, en toen nam de dominee, die onder het zingen den kansel beklommen had, het woord.
Spoedig werd het tweede gezang opgegeven. Ik speelde het zoo goed, dat ik er niet aan twijfelde, of er zouden maar weinig menschen zijn, die opmerkten, dat de gewone organist niet tegenwoordig was. Dat stemde mij recht prettig.
Midden onder het gezang evenwel verdween plotseling al mijne vreugde, want de deur werd geopend, en zonder eenig gedruisch te maken trad Bob binnen. Dat vond ik flauw van hem. Hij wist, dat zijne tegenwoordigheid bij het orgel in het geheel niet gewenscht, ja, zelfs verboden was, en nu kwam hij toch. Wat moest nu de meester wel van mij denken, als hij het hoorde? En wat zou Pa zeggen, als ik thuis kwam? Want deze zou het ongetwijfeld wel te weten komen. En bovendien, welke dwaze dingen zou Bob misschien weer gaan uithalen, — want dat deed hij immers altijd?
Toch kon ik er niets aan veranderen. Hij was er nu eenmaal, en hoe moest ik hem tot heengaan bewegen? O ja, ik kon naar beneden gaan en den koster waarschuwen, maar dan zagen alle menschen mij; wat zou dat dus eene opschudding veroorzaken. Neen, ik kon er niets aan doen, en dat wist Bob wel. Juist daarom had hij zoo lang gewacht.
Hij kwam doodbedaard achter mij staan en keek naar mijn spel. Maar plotseling stak hij de hand uit, om ook een of twee toetsen neer te drukken, wat afschuwelijk geklonken zou hebben. Ik schrikte er van.
»Niet doen! — Niet doen!» riep ik hem haastig toe, en gelukkig was Bob zoo vriendelijk, dezen keer mijn zin eens te doen. Lachend trok hij zijne hand terug. Maar nu begon hij met zijn voet op het pedaal te drukken, wat mij duidelijk werd, daar de bas plotseling door eene onbekende oorzaak vreeselijk valsch begon te klinken. Ik onderzocht dadelijk, of ik mij ook vergist en een verkeerden toets neergedrukt kon hebben, maar dat was niet zoo. Mijn spel was goed. Toen ontdekte ik, dat Bob het deed, en weer fluisterde ik hem toe:
»Laat het dan toch, Bob. Je maakt me in de war!»
Wat was ik blij, toen ook het tweede gezang ten einde was. Ik maakte alles gereed voor het derde en wendde mij daarna tot Bob, die doodbedaard op een stoel was gaan zitten.
»Zoo,» zei ik zacht, maar daarom niet minder boos, »ben je daar toch?»
»Zooals je ziet,» zei Bob. »En ik ga niet weg ook, al kijk je me nog zoo nijdig aan.»
»Ik vind het leelijk van je, Bob — erg leelijk!» zei ik weer. »Als ik den koster roep, word je dadelijk weggestuurd.»
»Ja, dat weet ik wel, maar je haalt hem niet, Dorus. Doch wees nu maar bedaard, — ik beloof je, dat ik in het geheel geen kwaad zal doen en stil zal blijven zitten. Is het nu goed?»
Hij lachte mij vriendelijk toe, terwijl hij dat zeide. De oolijkerd wist wel, dat hij gelijk had. Ik draaide mij boos van hem af en ging voor mijne muziek zitten, om die nog eens door te zien.
Inderdaad hield Bob zich eenigen tijd zeer bedaard, zoodat ik volstrekt geen reden had, om ontevreden over hem te wezen. Toch deed ik nog net, of ik erg boos op hem was en bleef met mijn rug naar hem toezitten. Want ik wilde mij volstrekt niet met hem bemoeien, daar ik wist, dat hij direct de geheele hand zou nemen, als ik hem maar een vinger toestak. Ik wilde hem in het geheel niet aanmoedigen.
Na een klein kwartier echter begon de stoel, waarop hij plaats genomen had, verdachte geluiden voort te brengen en telkens geducht te kraken, wat mij het duidelijke bewijs was, dat Bob onmogelijk langer stil kon zitten.
»Nu zal het lieve leventje beginnen,» dacht ik, doch ik bleef op mijne muziek turen en verwaardigde hem met geen blik.
Het gekraak werd evenwel telkens erger, zoodat ik wel omkijken moest, en nu zag ik Bobje boven op de leuning zitten met zijne voeten op de zitting, en hij maakte allerlei leelijke grimassen tegen den ouden Potman, die hem heel boos zat aan te kijken.
»Bob, wees toch stil!» gebood ik, want ik twijfelde niet, of men zou beneden in de kerk het leven kunnen hooren, dat hij maakte.
»Houd je kalm, Dorus,» zei Bob. »Kijk dien ouden Potman eens boos wezen! Ik geloof, dat hij me wel zou willen opeten.»
En weer begon hij grimassen te maken en op de leuning heen en weer te schommelen, zoodat de stoel er van kraakte.
»Bob, houd nu op en ga heen. Toe, asjeblief, Bob!»
Nu mijn dreigen niet hielp, begon ik hem te smeeken, want ik twijfelde niet langer, of hij zou me in groote ongelegenheid brengen. »Aanstonds breekt de stoel nog,» zei ik er waarschuwend bij. En nauwelijks had ik die woorden uitgesproken, of krak, krak! daar brak de leuning middendoor en viel Bob met een slag op den grond. Het bloed steeg mij naar het hoofd van den schrik en ik keek snel naar beneden, of de menschen in de kerk het hadden gehoord. Ja, een enkele zag even naar boven, maar daar het orgel boven de groote vestibule stond, had men er daar minder van gehoord, dan ik vreesde.
Toch had het gebeurde een gevolg, waarover ik mij zeer verheugde, want Bob had in allerijl het hazenpad gekozen; zeker vreesde hij, dat de koster naar boven zou komen.
Nu werd het zoo rustig boven als ik maar wenschen kon, want Jan van der Vliet zat doodbedaard op een stoel achter mij te luisteren naar de preek van den dominee, hetgeen ik nu ook ging doen. Want tot nog toe had mijn vriend Bob mijne aandacht daar totaal van afgeleid. En de oude Potman ging, als gewoonlijk, zijn slaapje doen. Bob was nog geen drie minuten weg, of de oude man zat al te knikkebollen.
Het duurde echter maar kort, of ik hoorde iemand met groot gedruisch de trap afklimmen, die naar den toren voerde. Dat moest Bob wezen, het kon niet anders. Zeker was hij weer naar het uilennest wezen kijken. Maar hoe kwam hij er nu toch toe, om zoo hard naar beneden te komen stormen? Hij wist toch, dat er kerk was? Of wilde hij mij met voordacht in ongelegenheid brengen? Dat vond ik slecht van hem.
Daar werd de deur driftig opengeworpen en kwam Bob met niet weinig gedruisch binnenstappen. Zijn gelaat was hoogrood gekleurd en hij maakte ontzaglijk veel leven. Blijkbaar was hij zoowel den dominee als alle kerkgangers vergeten.
»Ssst! Ssst!» fluisterde ik hem toe, met mijn vingers tegen den mond.
»Jan, ga mee! Dorus, jij ook!» zei hij gejaagd. »Ik heb het geld gevonden van den diefstal, — al het geld!»
In een oogwenk stonden wij naast hem, en Jan werd doodsbleek.
»Het geld! — Van den diefstal?» stamelde hij. »Spot er niet mede, Bob, want dat zou laag en laf wezen.»
»Ik spot niet! Gerust niet! Gaat maar mede. ’t Ligt boven in den toren, onder het uilennest, je weet wel, dat nest, dat we onlangs hebben gevonden. Komt, dan zal ik het je wijzen!»
Bob ging ons voor, en zonder meer aan het orgel te denken volgde ik hem. Dat ook Jan naar boven ging, behoeft niet te worden gezegd.
Halverwege de trap dacht ik echter aan het derde gezang, dat nu volgen moest, maar naar mijne berekening was het daarvoor nog te vroeg. Ik zou toch spoedig weer naar beneden komen, maar eerst moest ik dat geld eens zien.
Vlug klommen wij de trap op. Wij gingen de klok voorbij, die regelmatig tikte, en hadden weldra het nest bereikt.
»Kijk, — hier onder!» zei Bob. »Zie je wel, dat de eieren er nog precies zoo liggen als toen? De vogels zijn ongetwijfeld gestoord door den dief, want zie maar, hier ligt het geld!»
Bob lichtte nu het nest op, en waarlijk, — daar lag het gestolene; een briefje van zestig gulden, een van veertig, en zeven gouden tientjes. Alleen de drie gouden tientjes, die bij Van der Vliet onder de deur door geschoven waren, ontbraken er aan. En bovendien lagen daar nog eenige honderden postzegels van verschillende waarde, zoodat wij niet behoefden te twijfelen, of dit het geld van den diefstal was.
Jan schreide en lachte tegelijk. De goede jongen was geheel in de war.
»Daar is het! Daar is het!» juichte hij. »Nu zal de onschuld van mijne ouders aan het licht komen. O Bob, dat heb ik aan jou te danken!»
»Maar wat moeten we nu doen?» vroeg Bob.
»Alles precies laten liggen, zooals het ligt, en dadelijk den burgemeester gaan waarschuwen,» zei ik. »En spreek er tegen niemand......»
Maar eensklaps bestierven de woorden mij op de lippen, want — daar klonk mij plotseling gezang in de ooren. Eerst begreep ik niet, wat er gebeurde, maar weldra ging mij een licht op. ’t Was kerkgezang — en dat nog wel zonder orgelbegeleiding. Door de verrassing van het gebeurde, had ik het orgel vergeten, en nu — was het te laat!
Van schrik kon ik niet spreken, en met open mond staarde ik mijne beide vrienden aan.
»Mooi zoo, Dorus!» zei Bob. »Dat ziet er pleizierig voor je uit. ’t Is zeker het derde gezang?»
Ik knikte toestemmend en kreeg de tranen in de oogen, tranen van spijt en berouw. Zonder een oogenblik langer te dralen ijlde ik naar beneden, naar het orgel, — maar wat kon ik er doen? De menschen zongen reeds onder leiding van den voorzanger, en ik kon onmogelijk zoo maar invallen. Potman keek mij aan en schudde bedenkelijk met het hoofd. Hij vond mij zeker erg slecht.
En ik — schreide tranen van verdriet.
Nu werd de deur geopend en trad Pa binnen. Hij had de kerk onder het zingen verlaten, en kwam kijken, wat er gebeurd was.
Zijn gelaat stond zeer ernstig.
»Waarom speel-je niet, Dorus?» vroeg hij.
Vol schaamte hield ik mijne oogen op den grond gericht, maar ik antwoordde niet.
»Waarom speel je niet, Dorus?» herhaalde Pa zacht, maar dringend.
»Ik was er niet, Pa.»
Ik zag, dat mijn antwoord Pa bedroefde.
»Dat spijt me van je, Dorus!» zei hij zacht. »Dat spijt me meer, dan je wellicht vermoedt. Ik vertrouwde je zoo geheel, Dorus.»
Ach, wat speet het mij, Pa zoo teleurgesteld te hebben.
»Waar was je dan?» vroeg hij even later.
»Pa, ik was in den toren. Bob......»
»Bob? Ik had je immers verboden, jongens mede te nemen? Dorus, — Dorus! Wat val je me tegen.»
»Ik heb hem niet meegenomen, Pa!» zei ik schreiende. »Hij is zelfs gekomen ondanks mijn verbod. En ik kon hem niet weg krijgen.»
»En wat moest je in den toren doen? Het was je plicht hier te blijven. ’t Is niet alleen stout van je geweest, maar ook dom, erg dom, Dorus.»
»Ach Pa, u weet alles niet. Bob was in den toren gegaan, en daar heeft hij al het geld gevonden en de postzegels, die bij mijnheer Valk gestolen zijn. En toen hij ons dat kwam zeggen, zijn Jan en ik met hem naar boven geklommen, om het te zien. En Pa, toen — toen was ik het derde gezang vergeten, — ik dacht er in het geheel niet meer aan, totdat ik opeens hoorde zingen.»
»Het geld gevonden en de postzegels?» zei Pa, die een en al verbazing was. »Dat zeg je immers?»
»Ja, Pa.»
»En waar zijn die jongens nu?»
»Nog in den toren, Pa. Toe, ga er als het u belieft dadelijk heen, want zij weten niet, wat zij er mede moeten doen.»
Ik deed de deur voor Pa open en meende hem voor te gaan. Maar Pa zeide:
»Jij blijft hier op je post, — begrepen, Dorus?»
»Ja, Pa.»
Beschaamd keerde ik naar mijn klavier terug, dat ik zoo schandelijk verlaten had. Het gezang was nu geëindigd, en ik zocht de muziek gereed voor het laatste zingen. De dominee begon aan het tweede gedeelte van zijne predikatie.
Wat had ik een flater begaan! En wat zou ook de meester boos op mij zijn. Eerst moest ik daar onophoudelijk over denken, doch al spoedig gingen mijne gedachten zich bezig houden met hetgeen in den toren gevonden was, en ik bedacht, hoe heerlijk dat moest zijn voor Van der Vliet en zijne vrouw, wier onschuld nu zoo duidelijk aan het licht gekomen was. Want het was niet aan te nemen, dat zij dat geld daar zouden hebben verstopt. Zij kwamen immers nooit in den toren?
Maar wie kon dan de dader geweest zijn? Vruchteloos spande ik mij in, om het antwoord op die vraag te vinden. Tot mij opeens in de gedachten schoot, dat dit niemand anders kon zijn dan Arie de Zwaan, de neef van den koster, bij wien al eenmaal huiszoeking was gedaan.
Ik hoorde, hoe iemand de trap afkwam. De deur ging open en Bobs gelaat verscheen om den hoek.
»Wees maar niet bang, Dorus, ’t zal best voor je afloopen, hoor. Nu dat geld hier gevonden is, zullen de menschen over het orgel bijna niet denken. En je Pa is niets boos. Dag! Ik ga den burgemeester halen. Je Pa heeft het mij bevolen.»
En weg was hij. Ja, hij had gelijk. Nu dat geld ontdekt was, zou mijne domme daad spoedig op den achtergrond gedrongen zijn. Maar dat nam niet weg, dat ik toch het vertrouwen van mijne ouders en den onderwijzer ernstig moest hebben geschokt, en dat deed mij veel verdriet. Van de preek hoorde ik dien morgen weinig of niets, want mijne gedachten kon ik er onmogelijk bijhouden. Ik hoorde bijna niet eens, dat de dominee amen zeide.
Eindelijk werd de slotzang opgegeven.
Ik speelde dien zoo goed ik kon, om mijne fout zooveel mogelijk te herstellen, en terwijl de menschen de kerk verlieten, gaf ik mijn mooiste stuk ten beste.
Juist op dat oogenblik kwam Bob terug in gezelschap van den burgemeester en van Tip, die heel gewichtig keken en met groote schreden door eene zijdeur de kerk binnenstapten. O, wat waren de kerkgangers nieuwsgierig naar hetgeen zij daar gingen doen, maar niemand werd daarbinnen toegelaten. Dat ik naar boven in plaats van naar huis gegaan was, spreekt vanzelf.
Zoodra de burgemeester bij het uilennest aangekomen was, moest Bob alles vertellen, wat er gebeurd was. En hij was tot mijne vreugde zoo eerlijk, om zelfs te zeggen, dat hij tegen mijn zin bij het orgel gekomen was en daar een stoel had gebroken; dat hij daarna de vlucht had genomen, uit vrees, dat de koster komen zou om hem weg te jagen, en naar boven geklommen was, om nog eens naar het uilennest te kijken, dat wij daar voor eenigen tijd ontdekt hadden.
»Is dat alles waar?» vroeg de burgemeester.
»Ja mijnheer, volkomen waar!» stemden wij toe.
Pa gaf mij stilzwijgend eene hand, ten bewijze, dat hij mijne fout vergaf.
Maar Bob zag het, en hij zeide tegen Pa:
»Ja mijnheer, Dorus heeft in het geheel geen schuld, want hij had mij verboden te komen. Maar toen ik zag,» aldus vervolgde hij tot den burgemeester, »dat de vogels weggegaan waren, zeker omdat zij door iemand waren opgejaagd, kreeg ik lust, om het nest eens van onderen te bekijken en daar ontdekte ik dat geld en de zegels. Arie de Zwaan heeft dat alles daar zeker verstopt.»
»Stil jongen,» zei de burgemeester. »Ik vraag je geen namen, want daar weet je immers niets van?»
Maar ik zag, dat hij knipoogde tegen Pa, en dat die beide heeren een bijna onzichtbaar glimlachje niet bedwingen konden.
»Hoe wist je, dat de vogels gestoord waren in het broeien?» vroeg de burgemeester.
»Omdat ik voelde, dat de eieren koud waren, mijnheer,» antwoordde Bob. »Arie de Zwaan — o, ik bedoel, de dief is hier zeker dikwijls geweest, want anders zouden de uilen niet zoo bang geworden zijn, dat zij de eieren in den steek lieten.»
»Zoo, — hm, ja, dat kan wel zijn. Nu, ik heb alles hier gezien en zal er proces-verbaal van opmaken. Jelui moet van middag om één uur bij me op het raadhuis komen, alle drie, goed begrepen?»
»Ja burgemeester.»
»Je kunt nu gaan, maar vergeet het niet, hoor: om één uur. Het gevondene zal ik meênemen.»
Wij verlieten den toren en gingen in druk gesprek huiswaarts. Toen wij voorbij de kosterswoning kwamen, zagen wij, hoe Arie de Zwaan, die zeker den burgemeester en den veldwachter voorbij en in den toren had zien gaan, onrustig voor het huis heen en weer liep. Zoodra hij ons zag, vroeg hij:
»Wat is er in den toren te doen, jongens?»
»Daar heb je den dief, geloof dat gerust,» fluisterde Bob ons toe. »Wat ziet hij bleek!»
En luid antwoordde hij:
»In den toren? Op dit oogenblik niets.»
Dat was volkomen waar, want wij zagen den burgemeester, Pa en Tip juist naar buiten komen.
De burgemeester gaf Pa de hand en begaf zich, door den veldwachter gevolgd, regelrecht naar de kosterswoning, waar Arie hen in zenuwachtige spanning afwachtte. Dat hij zenuwachtig was, konden wij best aan zijne gejaagde bewegingen zien.
De koster en diens vrouw kwamen juist uit hun huis, toen de burgemeester Arie genaderd was. Wij zagen, hoe hij hem de hand op den schouder legde, en wij hoorden hem zeggen: »In naam der wet, Arie de Zwaan, neem ik u gevangen.»
Verschrikkelijk, wat vonden wij dat pijnlijk. Wij zagen hoe Arie’s tante haar gelaat met de handen bedekte en in tranen uitbarstte.
»Komt, jongens,» zei Pa zacht, want die was ons nu genaderd, »komt, laten we naar huis gaan. Dat is een treurig schouwspel, niet waar?»
Zonder spreken vervolgden wij onzen weg. Maar Jan ijlde ons vooruit, om zijne ouders de blijde boodschap te brengen. Wat zal in de eenvoudige woning groote vreugde hebben geheerscht!