I.
Reading edition
Zamenspraak OVER DE VRAAG: Wat is de oorzaak van de Zaligheid des Menschen?
VOORREDE
Waarde Vrienden!
Nadat ik de volgende zamenspraak tot behulp van mijn geheugen had opgeteekend, en haar verscheidene malen had overgelezen, kon ik nog niet komen tot het antwoord op de vraag Wat is het dat eene ziel zalig maakt? Ik dacht het daarom goed, haar publiek te maken, hopende het in handen mogt vallen van iemand, die in staat mogt zijn de vraag te beantwoorden, en meer duidelijk en klaar in het licht te stellen, wat eene ziel zaligt, dan én de Methodisten Predikant én de Heer Easterman zulks gedaan hebben.—Indien dit gedaan wordt zal het met dankbaarheid ontvangen en behartigd worden door
Uwen zeer verpligten Dienaar
Een Kappersknecht.
ZAMENSPRAAK.
De Kappersknecht. Eens op een morgen ging mijn meester voor zijn beroep uit, en liet mij alleen in den winkel.—Spoedig daarop kwam de heer Easterman, een buurman, in; maar mijn meester niet ziende, scheen hij van mij geen notitie te nemen en ging in een hoek zitten om te wachten op mijns meesters terugkomst.—Even daarna kwam een Methodisten predikant binnen, die mij op zijne gewone raillerende wijze, aldus aansprak:
De Predikant. Goeden morgen vriend! Geheel alleen? Wat is de reden dat uw meester uit is? Mij dunkt gij ziet er vandaag wat ernstig en bedrukt uit!
De K. Goeden morgen mijnheer! Ik denk dat mijn meester dezen morgen eenige van zijne buiten-klanten bezoekt, en in mijne eenzaamheid had ik dus gelegenheid om over de godsdienst na te denken; dit is waarschijnlijk de reden, waarom ik naar uw oordeel wat bedrukt zie. Gij weet de godsdienst is een ernstig onderwerp en ik ben zeer verblijd gij zoo juist van pas komt, want ik had reeds van uwe komst in deze streken vernomen; ik heb veel over uw preeken gehoord en men zegt, dat gij zeer bekwaam zijt in het voorstellen en verklaren van gelijkenissen, om daardoor de dwalingen en verkeerde voorstellingen van anderen te wederleggen. Als zoodanig zou ik wel eenig onderwijs van u verlangen, daar wij nu bij afwezigheid van mijn meester geschikte gelegenheid toe hebben. Ik hoop mijnheer! gij er niet op tegen hebt, om mij eenig onderrigt te geven?
De Pred. Ik acht het tot mijn pligt om naar mijne bekwaamheid iedereen onderrigt te geven, die het noodig heeft of verlangt,—maar ik ben eenigsins verwonderd als ik u goed aanzie, dat gij zulk eene gunst verlangt, wanneer ik bedenk hoe menige gelegenheid gij gehad hebt om over meest alle onderwerpen der godsdienst te hooren handelen door zoovele klanten uws meesters, die op dit punt uitgestudeerd zijn en inzonderheid wanneer ik bedenk hoe menige pruik van wijze hoofden op u geweest is, terwijl zij door uwen meester in order gesteld werden. Daarom verwondert het mij dat de eene u niet zooveel onderwijs en de andere zooveel verstand medegedeeld hebben, dat gij wijs genoeg zijt, om van mij onderwijs te behoeven.
De K. Dat is waar, mijnheer! echter weet gij, dat groote mannen niet altijd wijze mannen zijn en dat de ouderdom geen verstand aanbrengt. Het oude spreekwoord blijft waar: „zoo lang wij leven moeten wij leeren”.
De Pred. Gij hebt gelijk;—ik hoop gij zult mij mijne opmerking niet ten kwade duiden, ik bedoelde er geen kwaad mede. Maar wat is het, dat gij in de zaak der godsdienst zoudt willen weten?
De K. Inderdaad vele zaken; maar in het bijzonder dit eene, om kort te zijn: Wat is het, dat een verloren zondaar van het eeuwige verderf bevrijdt?
De Pred. Inderdaad een belangrijke vraag! Zij verdient een naauwgezet onderzoek, daar het van een eeuwigdurend gewigt is. Maar het is niet ééne zaak, waardoor een zondaar verlost wordt, maar het zijn vele zaken, met elkander vereenigd.
De K. Ja, ik oordeel, dat het bestaat uit vele deelen en niet een of twee of meer afzonderlijk of zamengesteld, maar al de deelen vereenigd in één hoofdpunt, dat het gansche werk zamenvat. Mag ik zoo vrij zijn om uw oordeel te vragen over hetgeen ik beschouw de hoofddeelen te zijn.
De Pred. Vraag wat gij voor uzelf noodig acht en ik zal er rondborstig mijne gedachten over zeggen.
De K. Ik zeg u dank voor uw vriendelijk aanbod. Nu dan; stelt gij, dat de souvereine liefde van God tot den zondaar de eenige beweegreden is, van al de zegeningen der verlossing, en dat uit deze oorzaak God den mensch, door of in Christus Jezus, uitverkoor en voorbeschikte ten eeuwigen leven?
De Pred. Dat de liefde Gods de oorzaak der verlossing is, zijnde de bron van alles goeds, daar heb ik niets tegen, ook niets tegen uitverkiezing en voorbeschikking, indien ze wel verstaan worden.—Maar wij moeten de besluiten Gods niet als absoluut of onvoorwaardelijk beschouwen, maar als gegrond op voorwetenschap; want God voorziet alle dingen van den beginne, zoowel kwade als goede en handelt dien overeenkomstig; en schoon er geschreven staat: „als de kinderen nog niet geboren waren, noch iets goeds of kwaads gedaan hadden, opdat het voornemen Gods, dat naar de verkiezing is, vast bleve,” moet dat niet verstaan worden alsof God niet voorzag, wat zij in den tijd doen zouden en zonder dat, hen verkoos of verwierp. Hij ziet met één blik van eeuwigheid, wie onder het gansche geslacht van Adam de voorwaarden der zaligheid al of niet zal volbrengen en zoo verkiest en verordineert Hij al de gehoorzamen tot de zaligheid, en bestemt de ongehoorzamen tot de verdoemenis.—Dit noemen wij eeuwige verkiezing; en het is het gevoelen van al de groote hoofden der Methodisten zooals de heeren Wesley, Fletcher enz. wier wetenschap in de godsdienst in onze dagen weinig betwist wordt.—Ja zelfs worden hunne leerstellingen beschouwd den onloochenbaren standaard der waarheid te zijn.
De K. Goed, hierin versta ik u zeer wel.—Maar zijn er niet eenigen, die genade ontvangen tot vernieuwing des harten, den H. Geest deelachtig worden geloof en bekeering verkrijgen, enz. die in de liefde Gods zijn en toch weer afvallen en verloren gaan? En handelt God dan op een voorgezigt van den tweederlei staat van de zoodanigen? Hij zag hen de voorwaarden vervullen, zoover als zij genade verkregen.—Hij zag hen later de voorwaarden verwerpen.—Verordineerde Hij hen eerst ten leven en daarna ten verderve, heeft Hij hen te gelijk uitverkoren en verworpen?
De Pred. Ik sta gereedelijk toe, dat wij beide gelooven en prediken, dat er velen in de liefde en gunst Gods staan en den H. Geest deelachtig zijn, benevens al de genaden welke gij vermeldt, die nog alles verliezen en ten laatsten verloren gaan, en ik meen dat de heer Fletcher in zijn „opregt geloof” zegt: dat God de zoodanigen lief heeft, ziende hunne gehoorzaamheid waardoor zij zijne schapen worden, maar daar Hij ook voorziet dat zij weér veranderen zullen en bokken worden, haat Hij hen.—Zoo kan Hij dezelfde persoon verordineeren ten leven en ten doode, volgens zijn volbrengen en niet volbrengen, zoover ik althans zien kan.—Maar dit is niet alles wat tot zaligheid noodig is, daar is verlossing, wedergeboorte enz. vòor wij zalig kunnen gemaakt worden.
De K. Te regt, Mijnheer! Ik wilde juist uwe gedachten vragen, over de verlossing door Jezus Christus wat zegt gij dat het is?
De Pred. Verlossing is een werk door Christus volbragt in zijn leven op aarde, door zijn' dood en opstanding uit het graf en is daarbij de bevrijding des menschen van de zonde.
De K. En waarvan wordt de mensch verlost door Christus, in zijn leven, dood en opstanding?
De Pred. Van den vloek der wet, van zelfbedrog en van alle ongeregtigheid en daarbij wordt hij verlost uit de handen van den boozen, van den dood van alle vijanden, van het verderf en tot God gebragt. „Gij hebt ons Gode gekocht door uw bloed.” Dit is de taal der Schrift over het einde der verlossing.
De K. En inderdaad eene aangename taal; maar hoever strekt zich die verlossing uit? Tot allen of slechts tot een gedeelte van het menschdom?
De Pred. Tot allen en elk individu van het menschelijk geslacht. „Hij gaf zich zelven voor allen,” „was een rantsoen voor allen,” „stierf voor de zonden der geheele wereld,” „smaakte den dood voor alle menschen,” enz. zoo als de Schrift verklaart. Ik ben niet zoo enghartig om te stellen dat Christus alleen stierf voor een gedeelte van het menschelijk geslacht en de overigen liggen liet, maar ik geloof dat Hij voor allen te gelijk stierf.
De K. Ik dank u voor uwe opmerkingen en duidelijke verklaring. Mij dunkt ik kan nu tot de zaak komen, die ik wenschte te weten, en dat is: hoe een zondaar gezaligd wordt? Indien Christus voor allen stierf, hen van den vloek en alle ongerechtigheid verloste, en tot God wederbragt, dan is dit zeker de verlossing door Christus en regtens zullen alle menschen zalig worden.
De Pred. Wacht een weinig! Drijf uwe gevolgtrekkingen niet te ver. Gij schijnt de groote grondstelling van het Evangelie te vergeten, de voorwaarden die door den mensch moeten volbragt worden om de verlossing deelachtig te worden. Het is het werk van Christus en in zijne handen, en de mensch verkrijgt het door volbrenging van hetgeen God eischt. Degenen, die de voorwaarden volbrengen hebben de zaligheid door Christus, die het niet doen, bezitten de zaligheid niet. Vergeet toch vooral de voorwaarden niet, maar houdt ze in het oog en zij zullen u ten gids zijn.
De K. Mijnheer, ik zal er aan denken. Maar indien Christus aannam om de menschen zalig te maken, vooronderstel ik dat niemand zal ontkennen dat Hij voorzag wie de voorwaarden zouden volbrengen en wie niet. Hij mogt zich zijnen doodsangst en bloedig zweet, zijne folteringen aan het kruis en de smarten der hel, die over Hem kwamen, bespaard hebben, voor allen van wie Hij voorzag dat ze niet gehoorzaam zouden zijn, en alleen geleden hebben voor degenen, van wie Hij voorzag dat zij de voorwaarden volbrengen zouden. Ik kan niet zien, van wat nuttigheid het voor Hem kon zijn, te sterven voor hen, die er geen voordeel uit zouden trekken. Heeft Christus dan zoo ver niet te vergeefs geleden?
De Pred. Neen, Hij stierf niet te vergeefs, want indien Hij niet door hunne zaligheid moet worden verheerlijkt, zal Hij het worden, door hunne verdoemenis. Vreeselijk zal het zijn voor hen die besloten zijn, door het bloed van Christus naar de hel te waden, het zal hunne folteringen veelvoudig vermeerderen.
De K. Inderdaad vreeselijk om aan te denken, maar meer nog zulks te ondervinden. Ik heb eenige van mijns meesters klanten hooren zeggen, dat zij de gedachte niet konden verdragen, dat God eenigen zoude voorbijgaan, terwijl Hij anderen uitverkoor, de eersten als wetverbrekers latende lijden, en te gelijkertijd de laatsten zaligende als geheel onwaardigen: dit noemden zij de leer der verwerping van de Calvinisten en noemden het inderdaad zeer wreed. Maar gij moet mij niet ten kwade duiden, ik het nog veel wreeder noem, dat wanneer Christus voorzag dat Hij eenigen door zijn lijden niet kon redden, Hij zich toch zoude laten straffen, opdat de zoodanigen in de eeuwigheid dubbel zouden gestraft worden, waaruit ik zou moeten afleiden, dat indien Christus dood geene zaligheid kan teweeg brengen, hij dan verdoemenis voortbrengt.
De Pred. Ja! en dunkt u niet dat de zoodanigen die als zij de ligte voorwaarden der zaligheid hadden willen volbrengen, hadden kunnen zalig worden, het verdienen, degene namelijk die de roeping Gods niet hebben willen hooren?
De K. Ja, ik stem toe dat gehoorzamen beter is dan offerande, en gij herinnert mij hierdoor aan eene andere zaak, waarover ik gaarne uwe gedachte zou willen hooren en dat is: de roeping Gods.
De Pred. Gij meent de roeping Gods tot boete, geloof en bekeering.
De K. En waardoor roept Hij de menschen daartoe?
De Pred. Door zijn woord en Geest, die Hij aan iedereen op de een of andere wijze geeft om winst mede te doen.
De K. En is deze roeping van zoodanige kracht, dat het alle menschen in staat stelt om de geboden Gods te betrachten?
De Pred. Neen, eenigen wanneer zij het gehoorde ter harte hebben genomen, beginnen zich te bekeeren en in Christus te gelooven, worden gewillig en volbrengen de voorwaarden, door welke zij meer genade ontvangen en zich meer talenten van God verzekeren; andere geroepenen verharden zich en blijven in hunne zonden.
De K. En verkrijgen degenen die gelooven en zich bekeeren, ware genade om hunne zielen te behouden?
De Pred. Ja, zij krijgen een nieuw hart en eenen nieuwen geest, opregt geloof in Christus, bekeering tot God, verlossing en vergeving van alle hunne zonden, regtvaardigmaking door Zijn bloed en al de geestelijke zegeningen waarmede zij in Christus Jezus gezegend worden.
De K. Ik dank u, want dat is het, wat ik juist wenschte te weten, de wijze waarop een zondaar bij God wordt aangenomen.—En indien zij al deze groote dingen ontvangen hebben, zullen zij zalig worden. Deze zijn het waarnaar ik zoeken moet, want indien ik ze gelukkig vind, zal ik zalig worden.
De Pred. Gij hebt het juist uitgedrukt, deze dingen moet gij zoeken deelachtig te worden, daar het inderdaad groote zaken zijn, maar wat het andere deel uwer bemerking betreft, dat gij zalig zult worden indien gij ze hebt, daarin hebt gij ongelijk; want velen hebben ze, maar behouden ze niet, en nadat zij ze voor een tijd gehad hebben, keeren zij er hunne aangezigten en harten af, werpen al die zegeningen de deur uit, keeren weder tot de wereld en de zonde, en gaan ten laatsten verloren.
De K. Ik dank u mijnheer, voor uwe gedachte omtrent deze punten en twijfel niet of gij zijt beide eerlijk en opregt geweest; toch moet ik bekennen en het is zeker mijner domheids schuld, dat ik nog niet zien kan waarin, volgens uwe opgaaf, de wezenlijke oorzaak der zaligheid ligt, Mijnheer Easterman, gij zijt tot hiertoe stil geweest, ongetwijfeld hebt gij echter opgemerkt wat er verhandeld is. Wilt gij zoo goed zijn ons met uwe aanmerkingen te begunstigen?
De heer E. Ja, ik ben stil geweest, en heb wel acht gegeven op uw gesprek, maar kan niet vinden dat de zaligheid ligt in een van die zaken welke de predikant opgegeven en verklaard heeft, niet in de predestinatie of uitverkiezing, want hierin handelt God niet naar zijn eigen wil, maar is afhankelijk van den wil en de handelingen des menschen, want indien God voorziet dat de mensch in der tijd het goede wil en volbrengt, dan wil Hij zijne uitverkiezing ten leven, en als Hij ziet dat hij het goede niet zal volbrengen, dan verordineert Hij hem ten verderve, zoodat de wil des menschen de beweegoorzaak der uitverkiezing is.
De K. Ja, ik moet dat ook uit de gegevene verklaring afleiden, zóó zelfs, dat indien het niet geweest was, dat eenige menschen beter gezind waren dan anderen, God uit gemis van 's menschen gehoorzaamheid, niemand ten eeuwigen leven konde hebben uitverkoren.
De heer E. Neen, niemand uit het geheele menschelijke geslacht, en ik denk dat de zaligheid van zondaren evenmin ligt in de verlossing door Christus als in de uitverkiezing; want onze vriend zegt: dat alle menschen door Christus verlost zijn van zonde, van den satan, van den vloek der wet en van den dood; velen dus verlost, gaan toch eindelijk verloren, en indien de zaligheid des menschen niet in de verlossing ligt, moeten zij op eene andere wijze gezaligd worden, de mensch ontvangt toch naar zijn doen. Indien hij gehoorzaam is, heeft hij het, indien niet, hij mist het.
De K. Ja, dit schijnt onvermijdelijk. Doch dan ligt des zondaars zaligheid ook niet in de roeping des menschen door God, maar in de middelen, die Hij heeft voorgeschreven?
De heer E. Niet volgens de verklaring der leer van den predikant; want hij zegt, God roept alle menschen, en eenigen, wanneer zij hooren, gelooven, zich bekeeren, enz. verkrijgen daarop genade en zaligheid van God; anderen, die het tegendeel doen, ontvangen niets.
In beide gevallen is de roeping van God, dezelfde. Indien dit het geval is, kon het niet bestaan in de roeping, maar in de gewilligheid van hen die hooren en gehoorzamen.
De K. Goed, maar zij die hooren en gehoorzamen ontvangen wedergeboorte, geloof in Christus, bekeering tot God en hebben den Geest des Heeren, zijn verzoend, verlost en geregtvaardigd, in één woord: zijn ware Christenen. Dan zou ik hunne zaligheid zoeken in de kracht des Geestes, vereenigd met hun geloof en hunne bekeering, welke de vereischte voorwaarden zijn. Dit moet, naar ik oordeel, de ware oorzaak der zaligheid zijn.
De heer E. Neen, evenmin, want schoon zij de voorwaarden volbragt hebben en den Geest hebben en werkelijk in de liefde en gunst Gods staan, indien zij te eenigertijd ontaarden en afvallen, verwerpen zij den Geest, hun geloof en hunne bekeering, de gunst van God en al het goede dat zij bezaten en gaan eindelijk nog ten verderve. Het zijn dus deze dingen niet die hen kunnen zaligen, want eens bezaten zij ze. Zoo dat, al wat God de Vader gedaan heeft in hen, door de voorkennis van het goede dat Hij in hen zag, uit te verkiezen en te predestineren,—alles wat God de Zoon gedaan heeft in hen te verlossen,—al wat God de Geest gedaan heeft, in hunne harten te vernieuwen,—en de volbrenging der voorwaarden, alle deze dingen te zamen genomen hen niet kunnen zaligen, want deze afvalligen bezaten ze eenmaal, en indien zij het werk konden doen, hadden zij het moeten doen, zoodat gij ergens elders naar de zaligheid moet zoeken, want alle deze roepen ons toe: „Bij mij is het niet.”
De K. Inderdaad, mijnheer, gij drijft mij bijna tot wanhoop, want waar zal ik zoeken of verwachten de zaligheid te vinden, indien niet in eenige of alle deze dingen? Ik kan niet denken dat het bij de Engelen Gods te vinden is, schoon eenigen ook al eerbiedwaardig zijn gebleven; en gevallene engelen indien zij de magt hadden, zij hebben den wil niet, want zij haten beide God en den mensch. Tot wien zal ik dan gaan? Tot de heilige maagd? ik heb toch eenigen hooren zeggen, dat zij de moeder boven den Zoon achten?—Kan ik de zaligheid bij haar vinden of tot wien van de heiligen zal ik mij wenden?
De heer E. Neen, neen, volgens de bovenvermelde leer van uwen vriend, behoeft gij zooveel moeite niet te doen, gij kunt het digter bij huis vinden, in uzelven, in hetgeen men noemt vrije wil; doch hetgeen ik noem, de wil des vleesches, want wat bezit de mensch meer dan dit, terwijl hij dood is in zonden en misdaden? En immers wanneer God geneigd is om te verkiezen en te predestineren, doet hij het op de voorwetenschap van hetgeen de wil des vleesches zal doen. Christus verlost, maar het is de wil des vleesches die het zich moet verwerven of de mensch moet verloren gaan; God roept maar het berust in den wil des vleesches om de roeping te gehoorzamen of te verwerpen. En indien de wil des vleesches zoover hoort en vervult en de nieuwe geboorte verkrijgt, benevens al de voorvermelde zegeningen, toch blijft het nog de wil des vleesches om deze dingen te behouden of weer weg te werpen. Hier ziet gij de geheele kracht en het wezen der zaligheid en gij hebt op te zien tot deze aanbiddelijke en verhevene zaak, de wil des vleesches.
De Pred. Zijt niet te haastig, mijnheer! Gij hebt nooit iemand van ons noch op den kansel, noch in druk hooren zeggen, dat het de wil des vleesches is, die den zondaar zaligt. Neen, integendeel wij verklaren dat de mensch een dood zondaar is, en niets tot zijne zaligheid doen kan, dat gij zien kunt in eene preek door Mr. Charles Wesley in het licht gegeven. Dit zijn de woorden (Eph. 5: 14) waar hij zegt: „dat een dood zondaar niets tot zijne zaligheid doen kan, evenmin als een ligchamelijk doode kan opstaan en de werkzaamheden van een levend mensch verrigten.” En Mr. Fletcher bewijst uit Gods woord, in het eerste deel van zijn werk, dat de mensch niets doen kan, om zijne ziel te behouden, maar dat het is, het werk der genade Gods, Die aan iedereen een of twee talenten geeft, en indien hij er mede woekert door de middelen die God hem beschikt, zal hij daardoor meer genade ontvangen, en indien niet, zoo zal hij verdoemd worden; en dit is de beginnende genade Gods en de bekwaamheid des menschen en niet de wil des vleesches, zoo als gij zegt.
De Heer E. Het is waar, dat ik u nimmer hoorde zeggen, noch van den kansel, noch door de pers, dat het de wil des vleesches is, die verlost; maar het is te bejammeren dat gij het niet doet, want gij misleidt het volk, door leerstellingen te verkondigen die in den wil des vleesches zich vereenigen en den mensch leiden om daarop te rusten. Het moet zoo zijn volgens uwe stelling. Niet in den wil en het welbehagen Gods, want gij zegt; Hij zou hem verlossen indien de wil des menschen de voorwaarde wilde volbrengen; niet in de verlossing door Christus, want Hij heeft hen verlost, maar zij willen de verlossing niet hebben; niet in de roeping, want velen willen niet gehoorzamen; niet in die genade, die men zou kunnen verkrijgen, want de wil des menschen verwerpt den Geest Gods met alle zijne genade, en verandert zich zelven weer van genade in natuur, keert van vrede tot toorn, van liefde tot haat, van een schaap van Christus tot een bok des satans, van de zaligheid tot de verdoemenis.
En wat gij ter wederlegging voortbrengt dient slechts ter bevestiging, want gij zegt dat God aan iedereen een talent van genade geeft om winst mede te doen; naarmate hij er mede woekert, wint of verliest hij, is hij zalig of verloren. Hadt gij gezegd dat God een talent van genade gaf, om den mensch te bekeeren, zijn hart te veranderen en zijne ziel te redden, ik zou u gaarne geloofd hebben, die genade zou den mensch inderdaad zalig maken. Maar gij zegt met Mr. Fletcher, dat de mensch het talent moet doen toenemen, tot hij trapsgewijze genade ontvangt. Nu laat mij u of Mr. Fletcher vragen: wat is een mensch, of wat heeft hij vóór hij het talent ontvangt? Niets, niet met al, gelijk door u beide beleden is, slechts eene zondige gevallen natuur, de wil des vleesches, om met het talent te woekeren. Zoo komt het op hetzelfde punt neer en bevestigt het. Indien de wil des vleesches goed en vlijtig arbeidt, ontvangt hij; doch indien hij zich het talent onwaardig maakt en het verwaarloost en niet ijverig werken wil heeft hij geene zaligheid; en indien hij niet toonen kan, dat de mensch niet iets meer heeft dan den wil des vleesches vóór hij het talent ontvangt, moet immers dat het zijn, waar het op aankomt en waar zijne zaligheid van afhangt? Zou het niet veiliger voor u zijn te gelooven dat het talent zelf den mensch bekeert en verlost, dan dat de mensch het talent verbeteren, behouden en bewaren moet?
De Pred. Gij moogt zeggen wat ge wilt, maar wij gelooven, dat God de zaligheid heeft bestemd voor iedereen op zijne gehoorzaamheid, en ons zijne dienstknechten gezonden heeft om hem te roepen tot het volbrengen der voorwaarden, iedereen de genade Gods aan te bieden op de vervulling der conditiën en hen te verzekeren, dat God van zijne zijde alles gedaan heeft en indien zij het hunne willen doen, zij gezaligd zullen worden.
De heer E. Ja, ik sta gereedelijk toe, dat wat gij gezegd hebt, de wijze is van uwe bediening, waarover ik mij menigmaal verwonderd heb, en ik ben nooit in staat geweest om het eene deel van uwe predikatiën met het andere overeen te brengen. In uwe gebeden tot God, gaat gij heen en smeekt Hem, zijne genade aan zondaren te willen geven, dat het Hem behagen moge hunne harten daardoor te veranderen, hun genade te geven tot geloof en bekeering, genade om hen te verzoenen, te regtvaardigen, te heiligen en te verlossen. Dit alles vraagt gij aan God, hun te willen schenken en mededeelen; kort daarop gaat gij de genade en zaligheid voor het aangezigt Gods iedereen aanbieden. Wanneer ik dit alles hoor, moet ik mij verbazen, want in uw gebed schijnt gij vast te stellen, dat het te geven alleenlijk en uitsluitend het regt des Heeren is en een oogenblik daarna spreekt gij alsof gijlieden geroepen zijt om het iedereen aan te bieden, die gewillig is om het te ontvangen. Nu, schoon velen het niet begeeren toch denk ik dat er in elke gemeente eenigen zijn, die verlangen genade en zaligheid te ontvangen. Vooronderstel dat een dezer opstond en tot u zeide: Ik ben verlangend om te ontvangen en gij zijt gereed om te geven, wilt gij zoo goed zijn, mij de genade des geloofs en de genade tot verzoening, regtvaardigmaking, heiligmaking en verlossing te geven? Zoudt gij niet genoodzaakt zijn te antwoorden in de taal der wijze maagden tot de dwazen: „Niet alzoo, opdat er misschien voor ons en voor u niet genoeg zij,” want ik heb niet meer genade dan om mij zelven te behouden, indien maar zooveel! Zoudt gij niet verpligt zijn den armen vraager naar eene andere fontein te verwijzen om genade te erlangen? Zoudt gij hem niet op Christus moeten wijzen, in Wien het alleen is en uit wiens volheid het alleen kan ontvangen worden, en hem zeggen, dat hij zijne begeerte aan God moest bekend maken en aan zijnen troon wachten, tot het Hem behagen mogt te hooren en genade te geven? Zou de man niet grootelijks teleurgesteld zich van u af moeten wenden en zoudt gij niet gedwongen zijn, om overdekt met schaamte neder te zitten? En zou het wel overdreven zijn indien het publiek uitriep: „die man is een spotter, hij biedt genade en zaligheid aan en wanneer iemand het begeert, heeft hij niets om te geven.” Laat mij u raden, uwe spotternij te laten varen en het volk op God te wijzen in Wien genade is, en Die het alleen kan mededeelen; want Hij zal het u niet toevertrouwen, noch u de eer geven over iets te beschikken.—Neen; het is Zijne eigen regt en Zijne eigene heerlijkheid, barmhartig te zijn dien Hij wil en Zijne genade te geven aan wien en wanneer het Hem behaagt.
De Pred. Mij dunkt, ik begin te bemerken dat gij van gevoelen een Calvinist zijt, en het zou mij niet verwonderen een Antinomiaan tevens, die gelooft, dat wat ook in den tijd geschiedt, door God van eeuwigheid is besloten en vastgesteld, een leerstelling die ik haat met den grootsten afschuw, hoewel ik niet denk dat volgens deze leer gij of iemand anders het regt hebt ons te beschuldigen wegens hetgeen wij prediken of doen. Want indien alle dingen door God bepaald zijn en gebeuren moeten, dan is het ook besloten, dat wij zouden gelooven, prediken en handelen, gelijk wij doen, en wij zoowel als anderen vervullen slechts de besluiten Gods. Wij kunnen niet verkeerd handelen in zijnen raad te volvoeren. Zoodat, indien gij gelijk hebt, wij geen ongelijk kunnen hebben, dit mag ons eenigen troost verschaffen.
De Heer E. Indien gij meent dat ik een Calvinist ben, weet gij meer van mij dan ik van mijzelven, want ik heb nooit meer dan eene enkele pagina van de werken van dien grooten Hervormer gezien of gelezen, en ik ben verzekerd dat wij op dit punt door hem behandeld, zoover in gevoelen van elkander verschillen als twee personen kunnen doen, schoon wij in andere opzichten, zoover ik weet, mogen overeenstemmen. Maar het is niet de mensch, van welk gezag ook, noch Calvijn, Luther, Wesley noch Fletcher, dien ik in mijn geloof wensch te volgen, maar het zuivere Woord der Profectie, de Schriften der Waarheid.—Ik schaam mij niet te bekennen, dat ik geloof dat God alle dingen van eeuwigheid bepaalde, vaststelde en verordende: ja, dat gij en alle anderen de besluiten Gods zijt vervullende, en niettegenstaande, dat velen zullen gevonden worden verkeerd te zijn! Zoodat dit uw wachtwoord: „Indien zij het regt hebben, kunnen wij geen ongelijk hebben,” zoo algemeen in de monden der Methodisten, u zooveel troost niet zal laten, als gij u moogt voorstellen. Indien ik uwe meening wel versta, is het deze: dat indien God alle dingen, die de menschen doen, heeft besloten, zij niet schuldig kunnen zijn; zij vervullen zijnen raad, alzoo zijn zij regt, zij kunnen niet verkeerd zijn. Maar heeft God niet besloten toe te laten, dat engelen en menschen zijne heilige wet overtraden, en daar Hij toch de magt had het te verhinderen, is het zijnen wil geweest? God heeft den mensch en de Engelen regt gemaakt. Hij zag dat zij vele kwade vonden zouden uitvinden en ze evenzoo uitvoeren, indien Hij het niet verhinderde. Daar Hij het voorzag moest Hij in zijn eigen gemoed tot een besluit komen of Hij het zoude toelaten of verhinderen. Maar wij zijn genoodzaakt deze onloochenbare daadzaak te gelooven, dat, daar Hij het niet belette, Hij besloot om het toe te laten; en Hij laat het nog toe, daar Hij het ieder oogenblik konde verhinderen; en als de mensch gewillig zondigt, laat God hem de gelegenheid om alzoo te doen, door in Zijne Voorzienigheid zijn leven te onderhouden. Zal dan de mensch tot God zeggen; omdat Gij besloten hebt, mijn leven en mijne gezondheid te bewaren en mij uit eigen beweging te laten handelen enz., daarom kunnen wij niet verkeerd doen? Ik weet, de mensch zal, indien hij kan, zijne zonden op anderen schuiven en zelfs God beschuldigen, eerder dan eene zonde of bewezen schuld te bekennen. Adam was gereed te zeggen: „de vrouw, die Gij mij gegeven hebt die heeft mij van dien boom gegeven,” en de vrouw: „die slang heeft mij bedrogen” enz. Maar wij hooren geen van beiden zeggen: „Gij liet den satan toe ons te vinden en te verzoeken en tevens ons om te vallen; hetwelk alles Gij hadt kunnen beletten; maar daar Gij besloten hebt deze verzoeking toe te laten en ons, om er in te vallen, kunnen wij in de uitvoering niet verkeerd zijn.” Tot zulk eene diepte van schaamteloosheid waren zij niet gekomen. Simeï vloekte David; toen zeide Abisai tot David: „Laat mij toch overgaan en zijnen kop wegnemen.” „Neen,” zegt David, „de Heere heeft toch tot hem gezegd: vloek David.” Nu, had iemand Simeï verweten den gezalfde des Heeren gevloekt te hebben of gezegd dat hij schuldig was in zoo te doen, zoo mogt hij geantwoord hebben: „God besloot mij toe te laten om David te vloeken, ja, Hij heeft mij zulks bevolen en is het dan zonde wat God bepaald en mij bevolen heeft? Indien God in zijn besluit regt handelt, kan ik geen onregt doen in de uitvoering.” Doch wij lezen niet dat Simeï zoover gegaan is, in zijne goddeloosheid op Gods toelating te werpen. De Apostel Petrus, sprekende tot degenen die Christus gekruist hadden, zeide, dat Hij, dien zij hadden gevangen genomen, gekruist en gedood, naar den bepaalden raad en voorkennis Gods was overgegeven en dat Gods hand en raad te voren bepaald had, dat het geschieden zoude. Zeide Petrus hun, dat zij de besluiten Gods hadden volbragt in het vermoorden van den Heere der heerlijkheid? Dan hadden zij kunnen antwoorden: „Petrus, indien gij gelijk hebt dan kunnen wij geen ongelijk hebben, deze handen waren bestemd om het te doen, of het voornemen Gods kon niet uitgevoerd zijn.” Doch schoon wij lezen dat de Joden het Evangelie tegenspraken en lasterden, wanneer het door Paulus en anderen gepredikt werd, toch lezen wij niet, dat zij tot zulk een trap van Godslastering zijn gekomen om te zeggen: „Indien gij gelijk hebt, kunnen wij geen ongelijk hebben.” Wij lezen van een booze geest, die vrijheid van God ontving om een leugengeest te zijn in den mond van de valsche profeten, om Achab te misleiden en te overreden. Toch gelooven wij, dat de booze geest bevonden zal worden, ongelijk te hebben en dat zij, op wie hij invloed uitoefende, evenzoo zullen openbaar worden kwaad gedaan te hebben met naar zijne voorschriften te handelen. Wij lezen dat de Satan onder de toelating zich verandert in een engel des lichts om te misleiden, en dat zijne dienaars tot hetzelfde einde zich veranderen als waren zij dienaars der geregtigheid, toch twijfelen wij niet, of beiden, de satan en zijne dienaars, zullen eenmaal gevonden worden in het ongelijk te zijn, „van welke het einde zal zijn naar hunne werken!” Wij gelooven dat in de laatste dagen spotters zullen komen, die naar hunne eigene begeerlijkheden zullen wandelen; die verderfelijke ketterijen bedektelijk invoeren zullen en velen hunne wegen navolgen zullen, door welke de weg der waarheid zal gelasterd worden; dat de menschen zullen zijn liefhebbers van zichzelven, hoovaardigen enz. Nu, indien God niet bepaald had, dat alle deze dingen geschieden zouden, kon Hij het ons in zijn woord niet gezegd hebben; maar moest gewacht hebben, tot het geschiedde en terwijl hij achttien honderd jaren geleden, reeds verklaard heeft, dat het zoo zijn zou, zoo moet het alzoo geschieden of deze gedeelten van zijn woord moeten onvervuld ter aarde vallen, en dan, wie kan op eenig gedeelte daarvan staat maken? Maar het is het onfeilbare woord der waarheid en moet regt zijn, en al de bovenvermelde dingen zijn goddeloosheden, die wij weten dat eenmaal onregt zullen bevonden worden.
Ik beken, dat, indien ik een van de bovenvermelde karakters ben, ik zonder twijfel verkeerd zal zijn. Maar, indien gij anders denkt en het voor God kunt uithouden en het gerigte Gods denkt te trotseren, gij moet weten wat gij gelooft. Maar „o mensch! wie zijt gij, die tegen God antwoordt? Zal ook het maaksel tot dengenen die het gemaakt heeft, zeggen: waarom hebt Gij mij alzoo gemaakt?”
De Pred. Ik vrees waarlijk, mijnheer! dat gij gelijk het gros uwer broederen in een gemakkelijken stoel gezeten zijt, maar zorg dat gij niet zacht zit, tot de duivel u haalt en gij dan ziet, wat de besluiten Gods over u zijn; met zulk een geloof kunt gij alle werk laten varen, want dewijl gij gelooft dat God zoo velen door zijne souvereine genade zal behouden, zult gij zeggen: „Indien God mij hebben wil, zal Hij mij wel halen, indien niet, zoo zal Hij mij toch niet zalig maken, wat ik ook doe.” Zulk eene leer kan geene andere strekking hebben, dan om den mensch in de zonde te verharden. Geen wonder dat gij Calvinisten, zwarte harten hebt.
De heer E. Wat betreft te gelooven aan Gods besluiten en dat Hij alles werkt naar den raad zijns willens, hetwelk gij noemt gezeten zijn in een gemakkelijken stoel, ik erken dat ik daar gezeten ben en gaarne wensch af te wachten elk der dingen, die gij voorgebragt hebt om mijn geloof te wederleggen. Wat mij ook moge halen, zoo als gij zegt, weet ik niet, en dat God komen en mij trekken moet, indien ik ooit in den hemel zal komen, is eene waarheid. Ik ben zeker, dat Hij reeds menigeen van de aarde ten hemel getrokken heeft. Hij beloofde zijne discipelen, dat, wanneer Hij henen zou gegaan zijn,—Hij wederkomen zou en hen tot zich nemen, opdat waar Hij was, zij ook zijn mogten. En indien wij in den toestand zijn van hem, die onder de moordenaars viel, gewond en hulpeloos, en indien gij, werkdadige Priesters en Levieten, ons voorbij komt, ons ziet en geen bijstand aanbrengt, indien wij op uwe roeping niet in staat zijn ons zelven te helpen of op te staan, heb dan medelijden met ons, liever dan ons te bespotten en verwijtingen te doen! En indien de God van alle genade den goeden Samaritaan mogt zenden, en Hij naar zijne groote barmhartigheid den wijn en de olie der genade in onze wonden mogt gieten, dezelve verbinden, ons zet op zijn eigen beest, ons naar de herberg voert, de kosten betaalt, de waard last geeft ons te verzorgen en belooft voor alle kosten in te staan, mor dan niet tegen zijne vrije goedheid, wij kunnen zonder dat niet gelukkig zijn noch geholpen worden. Maar indien gij sterk en ongewond zijt, of indien gij uzelven kunt genezen of naar de herberg loopen, of indien gij, daar zijnde voor uzelven zorg kunt dragen of de kosten betalen, gij hebt de vrijheid, help u zoo goed gij kunt. Wij belijden dat wij niets doen kunnen, ja zelfs, overtuigd van onzen verloren staat, niet op de borst kunnen slaan en uitroepen: „O God, wees mij zondaar genadig!” of „Red ons Heere! wij vergaan!” Wat aangaat, dat deze onze leer de zonde aanmoedigt, het is een oude beschuldiging tegen Paulus en anderen in hunne dagen ingebragt, door hen die zeiden: „Laat ons het kwade doen, opdat het goede daaruit voortkome.” Wij verheugen ons gerangschikt te worden onder zulk een eerwaardig gezelschap als de Apostelen. Indien wij onze beginselen uit dezelfde fontein hebben, door denzelfden Heere zijn geroepen, onze oogen door dezelfde hand geopend zijn en onze harten door denzelfden magtigen arm zijn veranderd, moeten wij onvermijdelijk in zekere mate denzelfden laster en hetzelfde verwijt ondervinden, gelijk deze goede menschen ondervonden van de wereld en de tegenstanders van den Heere Jezus Christus, en wel omdat zij de eer van 's menschen zaligheid Hem alleen toekenden en zich niet vermeten de onreine vodden van onze geregtigheid te vereenigen, met dien grooten naam, wien toekomt eer en heerlijkheid tot in alle eeuwigheid. Indien wij in dezen staat zijn, hebben wij inderdaad reden ons te verblijden en zijn bovenmate verheugd, wanneer men ons voor zijne zaak met allerlei lasten bezwaart. Maar wij gelooven dat gij u moet schamen, geschaard te zijn aan den kant der lasteraars; en wat aangaat de zwartheid onzer harten, wij weten dat ze zoo zijn; ja, wij zijn snoode zondaars en niets meer, de boosheid is ons eigen, wij kunnen geene volmaking vinden noch in- noch uitwendig. Doch wij zullen niet wanhopen, wij weten dat zondaars kunnen gezaligd worden zonder de werken der wet. Het bloed van Christus en de Geest der waarheid zijn in staat ons van alle zonden te reinigen en op den dag zijner heirkracht zullen wij een zeer gewillig volk zijn, om God in den weg zijner eigene instellingen te gehoorzamen en te dienen. Tot onze zaligheid zien wij uit en zoeken naar Zijne geregtigheid alleen, want wij weten dat in ons vleesch niets geen goed woont.
De Pred. Gij zult dan maar bij uw eigen systeem moeten blijven wat ook de gevolgen mogen zijn. Al stoot men een dwaas in een mortier met eenen stamper, zijne dwaasheid zal niet van hem wijken. Mij dunkt mijne woorden hebben geenen invloed op den heer E. Maar wat denkt gij er van Kapper? Gij hebt mijn geloof gehoord en zijne aanmerkingen er op, naar welke zijde gevoelt gij uw gemoed overhellen?
De K. Wel, als ik spreken zal naar de geneigdheid van mijn gemoed, geloof ik dat de heer E. het beste op de hoogte der zaak is, dit is althans mijn oordeel, want hij heeft aangetoond, dat achtervolgens uwe stelling, de zaligheid niet in den wil en de werking van God ligt, want gij zegt dat Hij de zaligheid van alle menschen wil, maar het niet uitvoeren kan, omdat het schepsel ook niet wil. Gij zegt dat Christus alle menschen verlost heeft, maar dit behoudt hem niet, omdat zij de voorwaarden niet willen volbrengen om het deelachtig te worden. Gij gelooft dat God iedereen roept, maar velen niet zullen gehoorzamen. Gij zegt; Hij geeft aan iedereen een talent of talenten van genade, en eenigen zijnde gehoorzamer dan anderen, vermeerderen hunne talenten, gelooven en bekeeren zich, hebben hunne harten vernieuwd en worden met God verzoend, en toch zijn er die deze zegeningen weder wegwerpen, weder onder de verdoemenis komen en ten laatsten verloren gaan. Daarom kan onmogelijk iets van hetgeen door u opgenoemd is, de oorzaak zijn van des zondaars zaligheid, dat is te zeggen: ze kan niet in Gods wil liggen, want gij zegt dat hij het wil en toch worden zij er niet door behouden; niet in de verlossing door Christus, want gij zegt: Hij verloste alle menschen en toch gaan vele van deze eindelijk verloren; noch in de roeping van God of het gegeven talent, dit hebben zij ook, zooals gij zegt; noch in de wedergeboorte; noch in den Geest van God; noch in het geloof in Christus; noch in de bekeering tot God; noch in hun eenmaal verzoend en geregtvaardigd zijn; want gij beweert dat velen alle deze dingen bezeten hebben en toch door allen te zamen niet behouden worden. En wat bezit de mensch buiten deze dingen meer, dan de wil des vleesches? en gij schijnt onwillig toe te staan, dat ook deze hem zoude verlossen. Wilt gij zoo goed zijn, mij te verklaren wat het dan is dat dit groote werk veroorzaakt en werwaarts ik moet gaan om het te zoeken?
De Pred. Dat zou inderdaad geen zware taak zijn, maar ik verzoek u mij thans te willen verschoonen, daar mijn werk mij elders roept.