← Table of contents
Waarheid en droomen

NEDERLANDSCHE TYPEN.

Reading edition

[

Inhoud

]

I.

De Zeeuwsche arbeider.

Alle menschen moeten arbeiden. Ongelukkig zij, die in den grooten bijenkorf, welken wij wereld noemen, niets uitvoeren, dan als luie hommels op den honig te teren, die door de nijvere werkbijen wordt zaamgebragt. De billijkheid vordert echter te erkennen, dat in den aard van dit arbeiden eenig verschil is. Om een voorbeeld bij te brengen, hebt gij, geëerde lezer, die met deze eerste schets uit de beeldengalerij der door mij u voor te stellen landgenooten in de hand mijn opstel zit te lezen, het op dit oogenblik veel gemakkelijker dan ik, toen ik dit opstel schreef; en wederom had ik toen heel wat lichter taak dan hij, wiens persoonsbeschrijving ik het genoegen heb u aan te bieden. Hij toch behoort tot die klasse van wezens, die men gewoon is, in onderscheiding van andere arbeidzame menschen, bij uitnemendheid met den naam van Arbeider te noemen. Een schoone eretitel, dien ik u uitnoodig wat hooger te plaatsen, dan hij gewoonlijk op onze ranglijst voorkomt, waar hij al te verre achter de honoraire kamerheeren, de staatsraden in buitengewone dienst, de professoren titulair-honorair, en de aspirant-surnumerair-ambtenaars staat. Het is zoo, het voorkomen van onzen klant is niet van de schitterendste. De ronde hoed met breeden achteropgetoomden rand op de ongekamde en ongescheiden haren, zet aan het onbeduidend gezicht niet veel uitdrukking bij. Het openhangend blaauwlakensch wambuis met liggende kraag en kort lijf, valt vrij slordig om de ongefatsoeneerde leest. De wijde korte broek van manchester, met een bevallige onachtzaamheid aan de knie losgelaten, zou een vreemdeling nieuwe stof geven tot de spotternijen, waaraan wij arme dutchmen op het punt van dit kleedingstuk ten prijs staan. En ofschoon de beenen, met gladde kousen bekleed en in gestreepte slopkousen gestoken, het zwierigste gedeelte van zijne uitrusting uitmaken, leeft de man op zulk een grooten voet en is op zulk een lompe leest geschoeid, dat ook zijn voetstuk in de veroordeeling van het geheele standbeeld moet deelen. Maar welk is ook het opschrift, dat op dat voetstuk te lezen staat? Het drukt in groote letters het woord: Arbeider! uit. Arbeider! dat spreekt uit het geheele voorkomen en de houding van dezen plompen kinkel; dat spreekt uit dat sterkgespierd gelaat met de forsche jukbeenderen, hetwelk in zijn stompheid ijver en volharding uitdrukt; dat spreekt uit die vierkante schouders, die zelfs in dezen ingetrokken stand stierenkracht verraden; dat spreekt uit die geheele stroeve gestalte, die uit hout schijnt gehouwen te zijn. De klant staat nu in rust te kijken: maar als hij eens die handen uit de zakken haalt en aan ’t werk slaat, ha, hoe het er over zal gaan! Dan zal datzelfde lichaam, dat nu niets dan een logge klomp schijnt te wezen, een veerkracht en buigzaamheid ontwikkelen, waarvan wij met al onze gymnastische oefeningen geen denkbeeld hebben. Men moet geen eend op het land, en geen arbeider op de wandeling zien.

Ik bespreek evenwel voor den borst uwe achting niet alleen op zijn titel als Arbeider, schoon hij er meê zou kunnen volstaan. Ik eisch die vooral op grond van zijn karakter en zeden. Het blijkt wel, dat arbeiden onze bestemming is, daar het den mensch zoowel naar lichaam als naar ziel zoo gezond maakt. Zie dezen man; hij mist vijf en zeventig van de honderd ondeugden, waaraan wij schuldig staan. Op dat ronde gelaat staan eerlijkheid en trouw te lezen. Onder dat lomp stuk vilt broeit geen vonk van eerzucht. Schoon het woord Arbeider den zin heeft van Arbeider voor een ander, op eens anders land en voor eens anders voordeel! weet hij niet wat het is, iemand te benijden. Zijn wenschen strekken juist zoo ver als zijne stulp, dertig voet in ’t vierkant. Achter dat grove wambuis klopt een grof bewerktuigd, maar gezond hart met warm bloed en gelijke rustige slagen. Schoon de weggestoken vuist een geducht wapen is, is het een eerlijk wapen, dat nooit dan in een billijken strijd getrokken wordt. Die groote lompe voeten zullen geen worm vertreden, als zij het mijden kunnen. Het geheele ronde voorkomen van den flinkert is een verpersoonlijking van het spreekwoord van zijn land; goed rond, goed Zeeuwsch.

Welnu, wat dunkt u? Zou onze held, indien hij slechts eenigzins aan de gegeven karakterschets gelijkt,—en tot bevestiging daarvan, durf ik mij op ieder, die den nijveren Zeeuwschen en den geheelen vaderlandschen arbeidersstand eenigzins van nabij kent, beroepen—zou hij dan niet verdienen, een sport of wat hooger in onze schatting te staan, dan de ladder der maatschappelijke inrichting hem aanwijst? Laat het zijn, dat hij tot de voeten van het maatschappelijk lichaam behoort, het zijn toch de voeten, die het lichaam dragen. Hebben wij, beschaafden, de eer van daarin de plaats der fijnere zenuwen te vervullen, vergeten wij niet, dat de spieren het in beweging brengen. Zijn wij er trotsch op, dat wij als kleurige klaprozen en gesternde korenbloemen tusschen het graan in staan, houden wij onder het oog, dat het de eenvoudige eenkleurige halm is, die het gezegend voedsel onzes dagelijkschen onderhouds bevat. Er is meer! In den nederigen boeren- en arbeidersstand, van de besmetting van vreemde zeden vrijgebleven, wordt het degelijk oud-vaderlandsch karakter nog bewaard. Daar worden de voorouderlijke zeden nog in stand gehouden. Daar prijkt vader Cats noch naast den eerwaardigen huisbijbel. Daarheen moeten wij onze toevlucht nemen, om de plaatselijke eigenaardigheden van ons taaleigen op te sporen. En dat ook de aloude dapperheid, die aan de De Ruiters, Evertsens en Bankerts, als vlootvoogden uit deze zelfde streken, mannen leverde om hunne groote daden mede uit te voeren, nog niet onder hen is uitgestorven; bleek het niet treffend in den laatsten veldtocht, toen onze plattelandsschutterijen, door hunne kloeke onversaagdheid, den vijand zulk eenen schrik wisten in te boezemen, dat onze vreedzame Zeeuwsche en Friesche boeren voor krijgshaftige Pruissen werden uitgemaakt? Indedaad indien men den meer en meer afslijtenden stempel van ons volkskarakter naar de oude munt vernieuwen wilde, zou men, even als tot gaafbewaarde legpenningen, tot den nederigen boeren- en arbeidersstand zijne toevlucht moeten nemen.

[

Inhoud

]

II.

De Rotterdamsche sleper.

Al wie te Rotterdam bekend is, weet dat er geen nijverder, arbeidzamer en onvermoeider menschen te vinden zijn, dan die tot de klasse van het sjouwersvolk aldaar behooren. Te Rotterdam is alles met een geest van bezigheid en drokte bezield; de geheele stad is een nest van nijvere mieren, een korf van rustelooze werkbijen; het is of de pols van die stad eenige slagen sneller klopt, dan die van alle andere Hollandsche steden. Maar van al wat, om met vader Vondel te spreken, daar

Zorgt en waakt en slaaft en ploegt en zwoegt en zweet,

is zeker de sleper de eigenaardigste uitdrukking.

De Rotterdamsche sleper is van den voerman der Amsterdamsche sleepkoetsjes hemelsbreed onderscheiden. Zijn slede bestaat uit niets anders dan uit twee balken met ijzeren beugels aan elkaar verbonden: een voertuig, dat door zijn eenvoudigheid van samenstelling aan de gouden eeuw zou doen denken, als sleper en paard niet zoo duidelijk in de ijzeren t’huis hoorden. Zijn passagiers zijn dan ook alles behalve stijve neepjesmutsen en jichtige bloemkoolpruiken, maar vaten tabak, balen katoen, kisten thee en dergelijke, die tegen een stootje kunnen. Zoo verschilt ook bij beide het middel om de baan voor de slede glibberig te maken, want daarin komen zij overeen, dat ze, in een onfiguurlijken zin, graag een gladde baan voor zich hebben. In plaats van den onoogelijken vetlap van den Amsterdamschen sledevoerder, heeft de Rotterdamsche sleper vóór op zijn slede een gevuld watervaatje, dat uit de daarin geboorde gaatjes, even als een dolfijn uit zijn neusgaten, onophoudelijk water opspuit. Jammer maar, dat die springende waterwerken aardiger zijn om te zien, dan aangenaam in de gevolgen die zij nalaten. Doch daarnaar ziet de sleper niet om. Want zijn leus is de spreuk der voormalige Unie-orde: Doe wel en—zie niet om.

Zie hem, daar hij met slede en paard door het dichtst gewoel heendringt; men zou hem bijna voor een automaat houden, met zulk een afgemeten kalmte vervolgt hij, door alles heen en onder alles door, zijn weg. Zijn oog wordt door niets van zijn last en lastdier afgetrokken: zijn voet wordt door niets opgehouden: zijn hand laat den teugel geen oogenblik glippen. Komt hem een rijtuig tegen, hij wijkt met een zwaai ter zijde: staat hem een voetganger in den weg, hij schuift hem zonder op- of omzien aan een kant: scherp en op een haar mijdt hij al de hinderpalen, die hij op zijn weg ontmoet: het spoor van het watervat op zijn slede vormt een reusachtige slang, die zich in allerlei bochten door het dichtst gedrang slingert zonder vertrapt te worden. Als gij op het gezicht af meenen zoudt, dat het onmogelijk ware door de volksmassa heen te breken, en in zijn plaats moedeloos zoudt blijven staan, waagt hij zich met kalmen moed, even als een held op het slagveld, in het dichtst van het gewoel. Langzaam maar zeker gaat hij voort, tot dat hij de plaats van zijn bestemming bereikt heeft. Een leerzaam beeld! Ik noodig u uit, er eens op na te denken.

De stille, werkzame gang nu, dien gij den sleper langs de straat ziet gaan, kenmerkt den geheelen man in zijn gang op den weg des levens. IJver, eerlijkheid en trouw maken de grondtrekken van zijn karakter uit. In den vroegen morgen, als in de hoogte alles nog rust, rijst hij van zijn strooleger en haalt zijn Rosinant van stal. Zeker is het geen fraaie vertooning, als beide tot hun morgenrid uittrekken. Het arme dier is oud en mager: zijn hals is naar de aarde gekromd: zijn manen en staart zijn door baldadige handen deerlijk geplunderd: zijn beenen zijn vol spatten en gallen: zijn borst ligt aan beide zijden open. Niet veel aanzienlijker is het voorkomen van zijn meester. Ook zijn rug is door den zwaren arbeid kromgebogen: zijn sterk geteekende gelaatstrekken zijn met diepe voren van zorg en kommer doorgroefd: zijn kleed draagt de sporen van schamelheid: en al is zijn linnen voorschoot wit en helder, het gebrek kijkt door zijn gelapten elleboog. Aldus uitgerust, begeven zij zich samen aan hun dagwerk. Dat werk is eerlijk tusschen beide verdeeld. Terwijl de meester het vat uit het schip op de slede laadt, of van de slede in het pakhuis sjouwt, rust Rosinant: terwijl Rosinant de vracht trekt, heeft de meester de lichter taak van de teugels te houden. Er heerscht dan ook tusschen hen een vertrouwelijke gemeenzaamheid, als zelden tusschen mensch en dier plaats heeft. Meen niet, dat het aan die vriendschap kwaad doet, dat gij den meester onophoudelijk de zweep gebruiken ziet. Want zonder dat zou Rosinant niet begrijpen, dat hij voort moest: hij is op dit punt even als een doove, voor wien schreeuwen praten is: slaag te krijgen is hem even zoo gewoon en natuurlijk, als geleid en gestuurd te worden. Indien een lid van de Londensche Maatschappij tegen het mishandelen van dieren er zich uit barmhartigheid meê moeien wilde, zou hij in staat zijn, even als de vrouw in het verhaal, koel te vragen: „Waar moeit gij u mede? Als ik nu geslagen wil zijn?”—De hand, die de zweep voert, heeft dan ook met het hart van den sleper niets gemeens. Want dat klopt van vriendschap voor den deelgenoot zijner ellende, voor den bezorger van nooddruft, voor zijn eenigen vriend en weldoener op de wereld. Hij deelt met hem het stroo, waar hij op slaapt, het brood dat hij eet: hij deelt met hem zelfs zijn vermaken en uitspanningen. Daarvan is mij eens een klucht verteld, die ik geef, zoo als ze mij is meêgedeeld.

Een sleper had eens een buitengewoon voordeelige week gehad, zoodat hij dacht voor deze maal ’s zondags een kleine uitspanning te mogen nemen. Hij besloot dus met zijn vrouw en kinderen aan de Zwet een kruik bier te gaan drinken.

„Maar dan gaan we met rijtuig,” zei de vrouw, „en huren een knappen wagen met een paard.”

„Een wagen,” hervatte de sleper, „dat kan gaan: maar geen paard; niemand zal ons trekken dan bruintje! Of denkt gij dat ik ondankbaar genoeg zou zijn om hem, die alles verdiend heeft, bij het verteren der verdienste, t’huis te laten?”

In goeden ernst, een sleper en zijn paard zijn twee natuurlijke vrienden, door den sterksten band, dien der gewoonte en behoefte, aan elkander verbonden. Die band wordt dan ook alleen door den dood geslaakt. Of het paard valt voor de slede neêr, of de sleper wordt achter de slede weggerukt. Dan vinden beide rust onder de aarde, waarop zij zoo lang gezwoegd hebben. Dan hebben zij den zwaarsten van alle lasten, den last des levens, t’huis gebracht!

[

Inhoud

]

III.

De Straatjongen.

Geen woord is er in de taal, dat den persoon, dien het moet aanduiden, beter schildert dan het woord: straatjongen. Want indedaad is dit soort van wezens één met de straat, waarnaar zij heeten, en, indien ik het gelooven mocht, gaarne zou ik mij laten wijs maken, dat zij, even als de menschen van Deucalion en Pyrrha, uit de steenen zelve geboren zijn. Dit is zeker: plaveit een straat, terstond groeien er de straatjongens van zelf op. Waar zij van daan komen, is onverklaarbaar. Van ’s morgens vroeg, dat de klapperluî naar huis gaan, en de bakkers hun deur openen, tot ’s avonds laat, als de taptoe slaat en de herbergen sluiten, belegeren zij de straten, als vliegen de boterton. Zelfs zou ik in verzoeking kunnen komen te denken, dat zij, even als de straathonden, van de opbrengst der straat leven, zoo getrouw vindt men ze op alle uren van den dag op hun post zonder ze ooit te missen. Een andere geheimzinnige hoedanigheid bezitten zij in een soort van halve alwetendheid omtrent al wat er in de stad gebeurt. Het is wonderlijk. Op het ééne oogenblik zijn de straten en de straatjongens in rust; even als een geordend leger schijnen zij hun benden evenredig door de stad verdeeld en alle posten behoorlijk bezet te hebben; maar ziet! daar komt een oploop, een kleine nietsbeduidende oploop, aan den uitersten uithoek der stad, en, eer gij omziet, is er een gansch heir van straatjongens bijeen; de policie is er gauw bij, heel gauw: maar de straatjongens altijd nog veel gauwer. Zij schijnen onder elkander een soort van electrische telegraaf te hebben, waarmede ze malkaâr op de hoogte houden van al wat er omgaat. Nu moet ik erkennen, dat dan ook hunne voorzorgen met het grootste beleid genomen zijn. Op alle belangrijke punten hebben zij hunne gecommitteerden. Buiten de poorten der stad, aan alle schuitenveren staan er op de wacht: in de poorten zelve wedijveren zij met de kommiezen in nieuwsgierigheid en beleefdheid: binnen de poorten is er geen bureau van diligences, of zij staan er naast de verversch-paarden de aankomst van den nieuwen wagen te verbeiden. Voor het stadhuis, voor de hoofdwacht, voor het gevangenhuis, voor de komedie, voor alle publieke gebouwen in één woord worden zij vertegenwoordigd. Zij spreiden zich over de stad uit als een groot spinneweb, waaraan geen vlieg ontkomen kan. Hierbij komt nog, dat zij in hun weetgierige onderzoekingen door een groote vrijmoedigheid geholpen worden. Zien zij iets dat hun aandacht trekt, of hetwelk zij vermoeden dat belangrijk worden kan, terstond nemen zij de vrijheid er zich bij te voegen en den draad te volgen tot aan het kluwen. Achter ieder rijtuig, dat in de stad komt, kiezen zij zich een plaatsje: elken vreemdeling, waaraan zij iets bijzonders zien, geven zij zich de moeite van te volgen: ja, met alle reizigers beginnen zij een praatje: „heeft mijnheer wat te dragen? wil ik mijnheer den weg wijzen? waar moet mijnheer wezen?”—Maar van daar dan ook, dat zij van al wat er gebeurt honderdmaal beter onderricht zijn dan de openbare nieuwsbladen en de geheime policie: van daar dat er niets in de stad plaats kan hebben, of zij nemen er deel aan. Bij alle parades inspecteeren zij mede: met alle wachten trekken zij op: alle taptoe’s accompagneeren zij met hun klompen: bij alle plechtige receptiën gaan zij met de boden vóór het stadsbestuur uit: alle volksoploopen vereeren zij met hunne tegenwoordigheid: iederen dief die opgebracht wordt strekken zij tot eerewacht: ja, zelfs de dooden bewijzen zij de laatste eere en vertiendubbelen als ongenoodigden den stoet der noodigers en genoodigden ter begrafenis. Iedere Janklaassen-kast, iedere paillas, iedere goochelaar, iedere koordedanser, iedere kunstenmaker, kortom alles wat, naar den trant der ouden, zijn vertooningen in de open lucht geeft kan op hun bijzijn en belangstelling rekenen: op het hooren van een enkel trompetgetoet, van een enkelen trommelslag, snellen zij als een eenig man aan en verhoogen door hun gewoel en gejoel de algemeene levendigheid en vreugde.

Vraag mij niet, hoe de straatjongen gekleed is. Vraag mij liever, hoe hij niet gekleed is. Alle stoffaadjes, alle kostumen, alle modes treft gij bij hem aan. Van het afgedragen ronde buisje van den jongenheer van den burgemeester tot den versleten kuitendekker van den president van ’t oudenmannenhuis, van het fijne kasimiren vest tot den ongeschoren duffel, van de engelsch-leêren pantalon tot den pikbroek vindt gij om zijn lijf hangen. Hij heeft slechts één zwak, niets van het geen hij aan heeft moet heel zijn. Een echte straatjongen moet even zoo als de straat, waarop hij leeft, vol gaten wezen. Ja, het schijnt, of hij zelfs naijverig is om de kleur van de straat te dragen; want een vuil grijs in zijn geliefkoosd verfje. Voor al wat tot versiering dient, heeft hij weinig over; maar zoo hij voor iets gevoelig is, het is voor het een of andere militair onderscheidingsteeken, vooral is hij dol op een oude politiemuts, of een koperen uniformknoop met het nommer van de afdeeling. Zijn klompen, die hem in geval van nood tot knods, of ook wel tot werptuig dienen, laten gewoonlijk onder het loopen zijn naakten voetzool zien, tot dat zij, geheel uit elkander vallende, in een schuitje hervormd worden.

Doch waren de straatjongens maar enkel slordig, als ze er ook niet ondeugend bij waren! Doch ondeugendheid behoort tot het karakter van een straatjongen, gelijk moed tot het karakter van een soldaat. Zij zijn de kaboutermannetjes en kwelduivels van de openbare wegen. Alles wekt hun spotzucht op: alles verleidt hen tot kwaaddoen: zij kunnen kip noch kraai met rust laten. De meiden trekken zij de muts af: de kinderen loopen zij omver: de kreupelen en mismaakten apen zij na: de honden trekken zij bij de ooren: de paarden dunnen zij de staart: het slachtvee verbitteren zij hun jongste oogenblik: zij steken hun vingers in de emmers der melkmeiden: zij likken met hun tong aan de suikervaten der kruideniers: en, als de appelenvrouw omziet, halen zij haar den mooisten belle-fleur van den hoop weg en loopen er mede heen. Nog erger maken zij het in den winter. Veel vroeger bij de hand dan de mannen van de zandschop, haasten zij zich aan alle bruggen en sluizen een sullebaantje klaar te hebben, eer hun die pret belet wordt, en hebben vervolgens een ondeugend genoegen, als zij daarover groot en klein, jeugd en ouderdom, bedaard en driftig, deugd en ondeugd zien vallen. Of ze leveren elkander een sneeuwballengevecht, maar dat alleen voor de leus dient om, als bij ongeluk, de vreedzame voorbijgangers te bepoeieren. Zoo zijn de straatjongens in waarheid straatplagen.

En toch is met dit alles de straatjongen niet wezenlijk kwaadaardig. Er is bij hem, even als bij kleine honden met wie hij het rijk deelt, in zijn keffen en bijten meer dartelheid, dan boos opzet. Nooit ziet men een straatjongen zakkenrollen, of stelen, of met steenen werpen, of zich aan dergelijke laagheden schuldig maken. Integendeel kenmerkt hij zich onder zijn kameraden, bij geschillen als anderzins, door een geest van dapperheid en edelmoedigheid. Het woord portuur is van zijn maaksel. Menige knaap, die zijn straatjongenstijd behoorlijk heeft uitgediend, wordt naderhand een knap burger. Ja, laat het ons bekennen. Wij allen zijn min of meer straatjongens geweest. Er is iets van den straatjongen in iederen knaap, die een „Hollandsche jongen” is. Houden wij dat in gedachten, dan voelen wij meer medelijden dan onwil bij het zien van den straatjongen.

[

Inhoud

]

IV.

Het Melkmeisje.

Meestal, wanneer gij des morgens vóór dag en vóór dauw de stad verlaat en naar buiten gaat, zult gij op uwen weg iemand ontmoeten, die u met een vriendelijke stem: Goeden morgen! wenscht.

Die iemand is een meisje, en dat meisje is een melkmeisje.

Onwillekeurig blijft uw oog op het lieve kind rusten. Ja, zoo gij niet al te grootsch of al te stijf zijt, knoopt gij een praatje met haar aan, tot aan het hek van de wei, waar zij wezen moet.

Gedurende dien tijd hebt ge overvloedige gelegenheid haar op te nemen.

Wat ziet zij er frisch uit, niet waar? Als melk en bloed, een rechte Galathea, zoo als de Ouden haars gelijken schilderachtig noemden. Dat komt omdat de tocht, dien zij doet, haar zoo ongewoon niet is als u. Zoo vroeg als gij nu, is zij elken morgen op de been en in de lucht, en dankt aan de rozen van den dageraad het blosje, dat op hare wangen bloeit. Het is waar, Aurora heeft wel eens op fijner paneel geschilderd: haar huid is zoo eêl niet als die van uwe lelies uit de stad; maar het zou haar ook niet lijken, zulk een wassen pop te wezen. Eilieve, til eens even aan haar juk! Wat dunkt u? Tien tegen één, dat gij ’t haar zoo vlug niet nadraagt. Het zou haar dus slecht te pas komen, zoo zij niet wat grover en sterker dan uw steedsch kraakporselein ware. Zoo moet gij er u ook niet aan ergeren, al zijn haar handen wat ruw of rood van kleur. Kijk liever eens naar de koperen emmers. Of ze blinken, niet waar? Welnu; dat hebben die handen zoo blank geschuurd. Erger u dan nog, dat ze niet witter zien! Maar wat bij het melkmeisje zoo blank is, als bij de blankste van haar geslacht, het is het gemoed, dat in dat grove omkleedsel schuilt. Dat is zoo blank als de zuivel, waarnaar zij heet. Zie haar aan! onschuld en reinheid blinken uit de heldere duivenoogen. Schoon verre van de idealische herderin van Theocritus of Geszner te zijn, heeft zij echter op het land en onder hare kudden iets van den eenvoud en de onnoozelheid der gouden herderseeuw behouden.

Zonder begrip of vermoeden te hebben van hetgeen wij over haar spreken, is de deern intusschen aan de bestemde weide gekomen. Dat hebt gij reeds kunnen merken aan het geblaat van haar koetjes, die haar met vollen uier staan te verbeiden, om hoe eer hoe beter van haar last bevrijd te worden. Zij komen haar te gemoeten vrijen om de eerste te zijn. Maar neen! zij heeft haar lieveling.—ja waarlijk, Mejufvrouw!—zij heeft haar lieveling onder die groote, leelijke beesten; haar uitverkorene, haar zwart- of wit- bont, haar Brunon of Nera; deze komt dus eerst aan de beurt, en krijgt misschien nog een kleine versnapering, een lekker stukje lijnkoek of een nap vol warme melk toe.

Doch wij hebben geen tijd te blijven staan totdat zij geheel afgemelkt heeft.

Maar let op! terwijl gij eenige uren later door de stad gaat, daar ziet gij haar op eens weêr. Zij is nu bezig de melk rond te brengen, die gij haar in den vroegen morgen hebt zien inzamelen. Met denzelfden vluggen, luchtigen tred stapt zij door de drokke straten. Gij kunt aan haar houding niet eens merken, of haar emmers vol of ledig zijn. Zelfs heeft zij een bijzonderen slag om met haar breed juk door de menigte te glippen, zonder met de slingerende emmers iemand te raken.

Zoo stapt zij de eene stoep af, de andere op. Het ongelukkigste voor haar is, dat zij onder het harde verband ligt om overal aan de huizen twee, drie en viermaal te schellen, dat is met andere woorden aan de meiden te zeggen: „het is de melkmeid maar! gij kunt dus twee, drie, of viermaal zoo lang wachten als anders! dat is: zeer lang.” Maar dat oponthoud schijnt haar zoo boos niet te maken als het u en mij zou doen. Want, zie! als de meid eindelijk komt, heeft zij een lachje voor haar gereed, waarmede zij bij ’t overnemen van de kan vraagt:

„Hoeveel, vrijster?”

Daarop duikelt haar nap eenige malen in het blanke nat, waartegen de roode hand helder afsteekt, waarmede zij vervolgens de kan, netjes afgewischt, met een handigen zwaai weder overgeeft.

Na die beweging raakt die hand van zelf in de zijde, en nu? Ja, nu moet er een oogenblikje—een kort oogenblikje maar—voor een praatje af.

Het zou onbescheiden zijn, dat praatje te beluisteren. Maar dit verzeker ik u, dat ik voor u en voor mij wilde, dat er nooit onstichtelijker praatjes aan onze deuren gehouden werden.

Een twee, drie! met gelijkmatige tempo’s, even als een soldaat zijn geweer, heeft intusschen het melkmeisje haar emmer dicht geslagen, het hengsel aangehaakt, en haar juk weder opgepakt, en vervolgt met een vroolijk gezicht en een luchtigen tred haren weg. Dat gezicht behoudt zij onder alle weêr en wind. De zon, al schijnt zij wat fel, hindert haar niet: de koude, al blaast zij wat scherp, is niet in staat het lachje om haar mond te bevriezen: de regen—maar foei! zij zeggen, dat ze juist daarvan het meest houden zou, en er met opzet het deksel van haar emmers voor openzetten! Doch dat wil ik niet gelooven. Zoo gaat dan het lieve kind onder zoo veel woelens en zorgens onbezorgd en onbekommerd daar heen. Ja, haar rust zou geheel ongestoord blijven, zonder den overlast van de jonge honden, die van haar melk snoepen, van de jonge knapen, die de vingers in haar emmer steken, en de jonge heeren, die haar in ’t voorbijgaan onder de kin strijken.

Meen evenwel niet, dat haar leven, hoe rustig ook, altijd even eentoonig is. Dat kunt gij nu en dan op den zondag eens anders zien. Dan ziet gij haar weder in de stad, maar nu zoo mooi, zoo mooi en zwierig gekleed, dat gij haar bijkans niet herkennen zoudt. Onder het eigenaardige boerinnenhoedje blinkt het gouden ijzer om de glimmende wangen: het roode jak valt laag over een blauw damasten rok, van voren bedekt door een zwartzijden boezelaar: de voet, met sneeuwwitte kousjes bekleed, steekt in fluweelen schoenen. Om den hals spant een snoer van monsterachtige bloedkralen, waarmede de groote boot in den gouden vingerring spreekt. Maar het mooiste van alles heeft zij aan haar zijde—in een vrijer, een helderen, frisschen boerenknaap, insgelijks op zijn zondags opgedirkt, met kort lakensch wambuis, fluweelen broek en groote zilveren schoengespen. Deze is de Thirsis, die het hart van deze Galathea heeft weten te vermurwen. Met paschen zal het tot een huwelijk komen. Dan koopt Teunis een knappe boerderij: Maartje, nu vrouw geworden, verlaat het juk voor de karn, en houdt op haar beurt melkmeisjes.

[

Inhoud

]

V.

De Haringkooper.

Heden is de eerste haringjager aangekomen, aan boord hebbende zóó- of zóóveel vaten haring.

Wanneer deze advertentie in de couranten gelezen wordt, is het feest in het vaderland van Willem Beukelszoon. Dan heft men daar het haringlied van een vaderlandsch Dichter aan:

Triomf! de vreugde stijg’ ten top!

Hijsch, Holland, vlag en wimpel op,

En laat den jubelkreet nu daav’ren langs het strand.

Daar komt de kiel met goud belaân;

Zij brengt ons d’ eersten haring aan;

’t Is feest in Nederland.

Daar haalt men braveerend het oude spreekwoord uit den hoek:

Haring in ’t land,

Zieken aan kant.

Dan smakken in het zelfde oogenblik honderdduizend smulgrage lippen als visschen naar ’t water.

Maar nergens is het grooter feest, dan in het huis van den haringkooper zelven. Voor hem begint een nieuw leven. Hoe doodsch was het sedert maanden in zijn winkel. Het haringvat stond achteloos en vergeten in een hoek. Er was bijna geen vraag naar. De voorgrond werd door citroenen en chinaasappelen ingenomen. De gerookte riviervorst bezette den troon der gezouten zeekoninkjes. Met wat verlangen zag dus de haringkooper naar de aankomst van zijn handelsartikelen uit. Hij is de uitgezeilde haringvloot met zijne gedachten gevolgd, als een koning het uitgezonden oorlogs-eskader: hij heeft naar weêr en wind uitgezien en alle kansen berekend: hij heeft het bericht van elke vangst in een memorieboekje aangeteekend: hij heeft zich de aankomst van den jager door eene estafette laten berichten. Eindelijk komt de verwachte schat! Neen, de haringkooper kan de vreugde, die hem vervult, niet in zijn huis besluiten: de geheele stad moet getuige van zijn blijdschap zijn. Daar wordt de kroon, die reeds lang te voren klaar gemaakt, met frisch groen en goud bekranst, en van binnen met een nieuw opgeschilderde houten haring versierd was, naar buiten gebracht en opgehangen. Zie, hoe zij in de zon glimt en blinkt. Hoor, hoe zij door den wind bewogen, ratelt en klatert. Het is of zij ons met al die gouden tongetjes toeroept: Nieuwe haring! Nieuwe haring!

Wat heerscht er nu bij den haringkooper een beweging en drokte! Op de advertentie in de couranten geplaatst: „Nieuwe groene haring te bekomen bij Van der Zout,” komen van alle kanten brieven en boodschappen aan. Hij weet nauwelijks hoe al de liefhebbers te helpen. De eerstelingen worden, half in het geheim, aan de beste vrienden (klanten) toegestoken. Voor de kleinigheid van een daalder hebben zij ’t genot van ’t eerste vischje. Maar welhaast stroomt de haringvloed met onbekrompen ruimte. Dan gelijkt de winkel van Van der Zout op een pakhuis. Het versche zeebanket wordt, in dozijnen en halve dozijnen verdeeld, in grooter en kleiner vaatjes gekuipt. Onder die bezigheid komt de eene smulpaap voor, de andere na, eens hooren. „wat hij kost,” om naar gelang daarvan bestellingen te doen. De nieuwe haringtijd is het Sinterklaasfeest der groote menschen. Hij is ook daarin aan het kinderfeest gelijk, dat hij de tijd van allerlei verrassingen is. Papa, die weet, dat moeder veel van een versch haringje houdt, loopt, van de societeit naar huis gaande, even bij Van der Zout aan en fluistert hem iets in het oor, waarop hij lachende ja! knikt. Een oogenblik later komt een jonge klerk binnen, en geeft den naam van zijn patroon op, met verzoek om aan dat adres een half dozijntje te bezorgen. Intusschen staat eene dame met ongeduld te wachten en roept, zoodra zij aan de beurt komt, met een vleiend stemmetje: „Van der Zout! zes aan de kostschool, je weet wel.” En terwijl zij de deur uitgaat, wordt zij tegen het lijf geloopen door een langen jongen heer, die gewichtige geheimen met Van der Zout schijnt te hebben, daar hij, na eenigen tijd zacht met hem gesproken te hebben, met een blos op het gezicht heengaat, nog wel twee, driemalen herhalende: „je weet niet van wien ze komen, hoor!” waarop deze met een goedhartigen lach antwoordt: „neen, mijnheer! ik weet niets!”—Zie, zoo wordt dit zoute vischje in de hand der vriendschap, der dankbaarheid en der liefde een zoet geschenk, dat voor menigeen zijn hoogsten smaak ontleent van het gevoel, dat het schonk. En indien Van der Zout in den nieuwen haringtijd klappen mocht, zou het ons blijken, dat de menschen, nog zoo gierig, liefdeloos en ondankbaar niet zijn, als sommige zoute haringen onder de menschen ons wel zouden willen wijs maken.

Kon ik nu ook zeggen, dat zij ongelijk hebben, die beweren, dat met den achteruitgang der haringvisscherij ook eene der mildste bronnen van ’s lands welvaart is opgedroogd. Maar, helaas! dat kan ik niet. De dagen zijn voorbij, toen het gebed „voor de groote visscherij,” een openbaar nationaal volksgebed was. Laten wij ons troosten met andere bronnen van voorspoed, die, als ter vergoeding, zooveel rijker vlieten. Vangt men minder haringen in de Noordzee, de zilveren vischjes in de Indische zee gevangen, zijn nog welkomer. Gods zegen is aan geen tak van handel of nijverheid gebonden!

Intusschen verloopt ook met het naderen van den herfst het tij van den haringkooper. De haring verhuist van den disch der rijken naar de tafel der armen. Rondventers, die het nu niet meer versch banket in de schamele buurten rondbrengen, zijn zijne voornaamste klanten. De kroon wordt weder in huis gehaald en naar den zolder gebracht. De zalm komt weêr op den troon. Van der zout verkoopt weer zure citroenen en zoete chinaasappelen. Zoo gaat het in de wereld. Gelukkig wie den vloed zoo wèl heeft waargenomen, dat hij de ebbe kan afwachten.

Men kan dezen regel echter overdrijven. Het spijt mij te moeten zeggen, dat sommige haringkoopers dat ook schijnen te weten. Ik heb mij eens laten influisteren, dat tot de geheimen van het vak een zeker kunstje behoort om oude haringen van het vorige jaar als nieuw op te maken. En had ik het nog maar alleen van hooren zeggen! Maar ik ben zeker, dat de haringlievende lezer mijne treurige ervaring wel eens gedeeld heeft. Ik althans heb mij meermalen aan een mootje haring verslikt, dat mij voor nieuw werd aangeboden, maar dat even weinig wist, wat er in het laatste jaar in de diepte der Noordzee gebeurd was, als ik. Zeker is het een verleidelijk kunstje. Bij de komst van den nieuwen haring loopen de aanvragen over de hand: de voorraad raakt op: de nood dringt: een greep in het vat: een kleine handigheid—en de verjongingskuur is geschied. Maar mijn maag komt in den naam van alle kiesche magen tegen zulk eene industrie op. Ik weet niet of er in het strafwetboek tegen voorzien is, zoo als tegen het zemelbrood en dergelijke. Maar dit weet ik, dat zulke bedriegerijen zich zelve straffen. Eerlijk duurt het langst, is een spreuk uit den tijd toen de haringhandel in zijn fleur was. En die spreuk zal wel waar blijven, zoolang de baren der zee zout zijn en alle jaren haar nieuwe schatting leveren aan den eerlijken haringkooper!

[

Inhoud

]

VI.

De Schaatsenrijder.

Hoe een duimbreed ijzer iemand veranderen kan!

Geen volk ter wereld is ongevoeliger voor den zedelijken invloed van het schoeisel op den geheelen mensch, dan de Nederlander. Trek den Nederlander dansschoenen aan; gesp hem sporen aan de hielen; rust hem uit met jachtstevels; schoei hem met de treurspellaars of den blijspelmuil; gij verandert daarmede de man niet. Hij wordt daarom nog geen ware danser, ruiter, jager of komediant. Hij blijft een Nederlander, die danst, rijdt, jaagt of komedie speelt. Maar geef den Nederlander een paar schaatsen onder de voeten—en hij is geen Nederlander meer. Hij is schaatsenrijder, zoo geheel schaatsenrijder, als ooit een Spanjaard danser, een Engelschman ruiter, of een Franschman komediant was. Hij is een man-schaats—un homme patin, zouden de Franschen zeggen—geworden. De laarzen van zevenmijlen, die van klein Duimpje een Gerrit Langbeen maakten, veranderden den houthakkersknaap niet meer, dan de schaats den Nederlander, die haar aandoet. Het schijnt eene betoovering, eene spokerij, eene gedaanteverwisseling, als uit de metamorfosen van Ovidius.

Nauwelijks raakt de geheele natuur in rust, nauwelijks trekt de aarde zich het wollen sneeuwdek over neus en ooren, nauwelijks legt de stroom zich in zijn bed te slapen, of de Nederlander wordt wakker, de Nederlander ontdooit, de Nederlander verandert in de omgekeerde orde van temperament. Hij brandt en kookt, als de Hekla onder de sneeuw. Eindelijk is het tijd! Het is waar, het ijs is nog zwak en nauwelijks twee guldens dik: men spreekt zelfs van gevaar. Maar daar vraagt de schaatsenrijder niet naar. Anders is de Nederlander de voorzichtigste der menschen: hij zal zich tienmaal bedenken, eer hij op een schommel, vijftigmaal eer hij in een bootje, honderdmaal eer hij in een stoomrijtuig stapt. Maar op het ijs is hij een waaghals. Daar ontwikkelt hij een moed en vermetelheid, die een gemzenjager zouden doen beven. Daar lijkt hij „de logge eend” een meeuw, die met haar vleugelen langs het water scheert.

Mij dunkt, men kan het een schaatsenrijder aanzien, waar hij heengaat. Niet alleen aan zijne uitrusting, aan den toegeknoopten duffel, aan de roode bouffante om den hals, aan het groen geschilderde haakje op den schouder, aan de gladgewreven schaatsen in de hand: maar aan zijn geheele voorkomen, aan den blos op zijn gezicht, aan den glans van zijne oogen, aan zijn luchtigen gang, aan het vuur en ongeduld, die uit zijne geheele houding spreken. Zoo komt hij aan de baan. Met van koude en drift bevende vingers worden de schaatsen aangebonden. Hij is klaar. Een—twee! drie—vier! vijf—zes! Daar drijft hij heen, als een vogel op zijn wieken. Even vlug, even licht, even vroolijk. Hij heeft al het gemakkelijke van gedragen te worden, met al het aangename van zich zelven te dragen. Zijn gevoel is eene benijdenswaardige mengeling van bewustheid van kracht en genot van beweging. Zoo lang hij de schaatsen onder de voeten heeft, is een schaatsenrijder de gelukkigste der menschen.

Maar het is den mensch niet genoeg, gelukkig te wezen. Ook op het ijs niet. De schaatsenrijder haakt ook naar bewondering. Van daar dat hij spoedig niet meer alleen rijdt om te rijden. Hij wil ook kunstig rijden. Hij moet leeren beentje-over te slaan. Hij moet ten minste, als een arend, aan beide zijden drie ellen vlucht hebben. Hij moet zijn meisjes naam in ’t ijs kunnen snijden. Na eenigen tijd in die school geoefend te zijn, en niet zonder van tijd tot tijd duur leergeld betaald te hebben, is hij eindelijk de bol van de baan. Welk een weelde! Niemand die hem kan bijhouden. Niemand vooral, die in zwierigheid van rijden met hem kan wedijveren. Hij beschrijft met zijn schaatsen de golvende lijn der schoonheid. Even als een danseres in het cirque, geeft hij zich beurtelings schilderachtig aan beide zijden over, en beweegt zich met de bevallige krommingen der zwaan. Ieder bewondert hem. De heeren benijden hem. De dames zien hem met welgevallen na. Overal waar hij komt, gaat er een gemompel van toejuiching rondom hem op.

Maar niet ieder begeert die toejuiching. Sommigen kiezen stiller genoegens. De liefde op het ijs is een liedje van Tollens, maar het is te gelijk een Hollandsch spreekwoord. Nergens is de vrijerij bij ons meer t’huis dan op ’t ijs. Wat wonder? Nergens elders geeft de gelegenheid meer recht tot onschuldige vrijheden. De minnaar en het meisje vormen een paar: zij rijden hand aan hand: misschien draaien zij hier of daar een eenzame vliet in en bevinden zich alleen. Als men even rusten zal, moet hij haar met zijn arm tegenhouden: als zij valt, vangt hij haar aan zijn borst op: hij moet de schaatsen aan het kleine voetje aan- en afbinden. Op het ijs is alles zonder erg. De luchtigheid der beweging schijnt zich aan de harten mede te deelen. Men vraagt en vergunt, wat men op het land niet zou durven nemen of geven. Wat elders de jeugd op het dansperk onder de groene boomen vindt, vindt de jeugd hier op het ijs. Bij ons is het ijs, als Hooft zou zeggen, de sullebaan der liefde.

Anderen evenwel doen aan het ijs weder andere eischen. Zij maken het tot een strijdperk. De kastelein kondigt eene hardrijderij aan Hardrijderijen zijn voor ons, wat de hardrennerijen te Epsom voor Engeland zijn. De meesters bieden zich tot den kamp aan. De overigen komen als toeschouwers. De baan wordt gemeten en afgepaald. De strijd begint. Vogelvlug ijlen de wedijverende paren langs de baan. Met ingehouden adem volgen hen duizend hoofden. Hoe lang de kamp duurt, hoe hard de koude nijpt, hoe fel de honger prangt, de deelneming verflauwt niet. Eindelijk is de laatste rid gedaan, het vaantje waait, de vlag klappert, de muziek klinkt, het hoera gaat op, en de geheele menigte stroomt toe om den prijs te zien uitreiken. Somtijds nemen ook Atalante’s deel aan dezen strijd, waarin zij gouden appelen rapen, in plaats van ze te strooien. Misschien is het om dit verschil, dat die vrouwenkamp mij niet bevallen wil. Wie zou het afkeuren, dat een meisje op net ijs mede een zedig schaatsje slaat? Maar in de renbaan, om het hardst, om het wildst … dit gaat al te ver buiten ons volkskarakter.

Zeker zou ik nu in staat zijn, tegenover dit tafereel een akelig tegenstuk van de nadeelen en gevaren van het ijsvermaak op te hangen. Gij verstaat mij. Reeds ziet gij in uwe verbeelding gebroken armen, bloedige neuzen, blauwe oogen, natte pakken en ontvelde voeten dooreen wemelen: misschien ook wel in het verschiet een bleeke gedaante; koud als het ijs, waaruit zij werd opgetogen—een bevrozen bloem!… Maar ik wil de moeders, die dit lezen geen angst aanjagen, en de jongens, die er bij staan, geen ondienst doen. Ik voor mij hoop, dat er in Nederland schaatsenrijders zijn mogen, zoo lang er in Nederland ijs zijn zal. Het is een gezonde, eigenaardige en nationale uitspanning. En wanneer dan de vreemdelingen schimpen, dat wij niet weten wat een fiksche beweging is, brengen wij hen op het ijs en laten hen staroogen op onze schaatsenrijders.

[

Inhoud

]

VII.

De Schoorsteenveger.

Indien gij uw kort begrip van de aardrijkskunde opslaat, dan vindt gij in ’t hoofdstuk Italië, onder het opschrift Voortbrengselen:

Granen, rijst, wijn, honing, olie, zijde, citroenen, amandelen, oranjeappelen en—schoorsteenvegers.

Arme schoorsteenveger! Hoe ongelukkig staat zijn verachte naam onder al die heerlijkheden;—zijn zwarte gestalte tusschen die sneeuwwitte bloesems en die goudgele zijde;—zijn rookerig pak tusschen die welriekende bloemen en geurige vruchten;—zijn nikkersgedaante tusschen die schatten van het paradijs der aarde.

Arme schoorsteenveger! Onder Savoye’s heerlijken hemel stond zijn wieg. Italië’s zon ontstak het vuur in de zwarte kolen, die onder zijn voorhoofd glinsteren, en de frissche blos, dien het roet niet geheel kan doen verdwijnen, is door de stralen van den zuiderhemel op zijn gelaat geschilderd. Geuren waren de eerste lucht, welke hij als kind inademde, bloemen het bed, waarop hij sluimerde, abrikozen en perziken, vijgen en druiven het eerste voedsel, dat hij smaakte. Hij wist niet, dat er een Noorden bestond; hij vermoedde nauwelijks, wat koude, wat vuur, wat rook was.

Arme schoorsteenveger! De armoede van den vader stiet den twaalfjarigen Leonard ter deur uit. Men hing hem een oude mandoline om den hals, zette er een marmot op, gaf hem een stuk brood in den zak, en wees hem den weg naar het Noorden. Schreiende ging het jongske op weg. Men moest hem van zijne ouders losscheuren; men moest hem met geweld voortdrijven; het was als voorzag hij, wat hem te wachten stond.—Nooit had Leonard gedacht, dat er landen waren, zoo karig door de natuur bedeeld, als het vlakke moerassige landje, waar hij eindelijk van zijn lange reis uitrustte. Met iederen dag was hij treuriger geworden. Want met iederen dag dat hij verder trok, vond hij het minder schoon dan in zijn vaderland, en iederen dag werd tevens het verlangen naar dat vaderland sterker. Als hij zijn marmotje niet gehad had, zou hij van heimwee gestorven zijn.—Zijn vader had hem een brief aan een ouden vriend medegegeven, die in Holland het bedrijf van schoorsteenveger uitoefende. Op zekeren avond stond hij voor huis waar een bordje uitstak, met het opschrift: Gebroeders Leoni, Italiaansche schoorsteenvegers en rookverdrijvers. Voor de deur lagen eenige zwarte garden, wier onaangenaame reuk Leonard het hoofd onwillekeurig deed afwenden. De deur werd geopend. De jongste der Leoni’s ontving hem vriendelijk. Hij werd in huis opgenomen. Onder het avondeten werd er in het Italiaansch over Italië gesproken. Men sprak in zijn moedertaal over zijn vaderland. Leonard was bijna weder gelukkig. ’s Nachts droomde hij van Italië en het ouderlijke huis.

Arme schoorsteenveger! Den anderen morgen werden hem zijn lompen uitgetrokken, en hij in een grof linnen kleed gestoken met een lossen kap over ’t hoofd. Toen hij zich in den spiegel bezag, had hij in zijn eigen oogen veel van een monnik uit zijn vaderland. Ook zag hij er in het nieuwe pak alleraardigst uit: en een ieder die hem op straat, aan de zijde van den oudsten Leoni, op zijn eerste proef zag uitgaan, kon de oogen nauwelijks van hem afhouden. Al de meisjes knikten tegen den jongen helderen schoorsteenveger.—Maar die vreugd duurde kort. Weinige oogenblikken daarna stond hij met zijn meester onder een schoorsteen, waarin hij bijna niet zien kon zonder duizelig te worden, zoo hoog was de donkere nauwe koker, waardoor ter nauwernood een flauwe straal licht viel, even als een omgekeerde diepe put. Lang duurde het, eer hij zijn meester begreep. Hij moest met zijn nieuwe pakje den vuilen schoorsteen in. Had hij daarvoor leeren klimmen als een eekhorentje? Maar de meester was onverbiddelijk. Toen hij beneden kwam, was hij even vuil als de schoorsteen zelf. Bij het naar huis gaan zag niemand hem meer aan. Nog erger! De jongens bespotteden hem en riepen hem een gekscherend: boe! boe! na; de meisjes gingen, zooveel zij konden, voor hem uit den weg, en de kinderen begonnen te huilen, als zij hem zagen. Hij had ook wel willen huilen.—Het is waar, ’s middags kreeg hij goed eten, beter dan hij in langen tijd gehad had: maar het smaakte hem bijna niet van de rooklucht, die hij nog altijd in den neus had. Alles, wat hij in den mond stak, smaakte naar roet. En dit verwonderde hem niet meer, toen hij bemerkte, dat hij zeker in den schoorsteen zijn kapje had laten afvallen, want zijn mooi zwart haar zat vol van een dik en vetachtig roet, zoodat hij het half moest afsnijden. Het was jammer van de mooie lokken, waar ieder zoo’n zin in gehad had.

Arme schoorsteenveger! Wel gewende hij langzamerhand aan de guurheid van het land, even als aan de lasten zijner betrekking. Maar toch kon hij zijn vaderland niet vergeten. Dikwijls, wanneer hij zijn dagwerk had afgedaan, kroop hij naar de vliering, kreeg daar zijn mandoline en marmot, die zijn meester hem vergund had te behouden, en speelde nog eens een Savoyaardsch deuntje. En dan werd het hem zoo wonderlijk wèl en wee om het hart, dat de kop van zijn diertje nat werd van tranen. Ook hield hij van niemand in het geheele land half zooveel als van zijn marmot. Hij spaarde voor haar de lekkerste beetjes uit zijn mond. Het was nu voor hem zijn geheele gezin, zijn vaderland, zijn wereld!—Als het maar altijd winter gebleven ware! Doch daar werd het lente. Een Noordsche lente. Maar toch, de ontwakende natuur en zijn eigen gestel zeide hem, dat het lente werd, lente in zijn vaderland. Dan bruiste hem het Italiaansche bloed heftig door de aderen. Dan werd het hem in Holland te eng, als een gevangen vogel, die, tegen den verhuistijd van zijn geslacht, met den kop tegen de tralies stoot. Dan droomde hij elken nacht van Savoye, en voelde de lauwe zuiderzon, en zag de bloeiende amandeltakken, en dronk den geur der oranjebloesems, en hoorde het gegons der bijen, en ontwaakte op het gezang van den nachtegaal.… Maar neen! het was de nachtegaal niet, het was de meester, die hem kwam roepen om op te staan: want het was voorjaar! er was veel werk aan den winkel. Er moesten met het schoonmaken veel schoorsteenen geveegd worden. Daarom moest hij vroeg aan den gang. „De lente was de beste tijd voor schoorsteenvegers!” zeide zijn meester.

Arme schoorsteenveger! Zoo duurt het met hem reeds jaren achtereen. Maar toch heeft het dus ’t langste met hem geduurd. Hij heeft door oppassendheid en spaarzaamheid een klein sommetje bijeengegaard. Nog drie jaren, dan is de som rond. Dan verlaat hij Holland en keert naar Savoye terug. Dan koopt hij daar een kleinen wijnberg en een huisje. En als buurmans Jansje dan nog zoo mooi en lief is als toen hij wegging, dan maakt hij haar zijn vrouw. En in hare armen vergeet hij voor altoos het leed van den armen schoorsteenveger!

[

Inhoud

]

VIII.

De Hofjes-Jufvrouw.

Onder de echt-Hollandsche figuren behoort zeker ook die, welke wij hierboven hebben zoeken aan te duiden onder den naam van Hofjesjufvrouw. Wij bedoelen daarmede eene bewoonster van de vele gestichten van dien aard, in ons land aanwezig, welke van de waarachtige weldadigheid onzer natie zulk een treffend getuigenis afleggen, waaraan men de benaming van hof of hofje geeft. Zulke gestichten zijn een soort van kloosters; met dit onderscheid, dat de personen die er in wonen niet in activo, maar in passivo zusters van barmhartigheid, en geene uitdeelsters, maar voorwerpen van weldadigheid zijn. Ook zij ontvluchten overigens achter de hooge muren de wereld, welke zij moede zijn geworden. Veelal zijn het gewezen keukenprinsessen, die met de medaille van vijftigjarige dienst, (gedurende welke zij bijna altijd in ’t vuur geweest zijn,) gepasporteerd en met een plaatsje in zulk een vrouwelijk invalidenhuis begiftigd worden. Daar ziet zich nu de Hofjesjufvrouw op een oogenblik uit het drukste gewoel der wereld in een kloosterachtige afzondering overgebracht. Geheele dagen, ja, weken achtereen, ziet zij door de reet van haar gordijntje niets anders, dan de cellen van hare buurvrouwen en de leeuwrikkenzode, met een kransje van palm omgeven en met goudsbloemen en citroenkruid beplant, die zij met fierheid haar tuin heet. Ook hoort zij van de wereld niet veel meer, dan zij er van ziet. De ongewoonte van menschen te zien maakt haar gaandeweg menschenschuw, zoodat zij gedurig zeldzamer haar steenen kooi verlaat. Het moge zoo zijn, dat zij bij het lezen van de Haarlemmer Courant—die een maand na den tijd het hofje met dreigende nieuwstijdingen beroert, die al lang in wind of water vergaan zijn—bij het doorloopen der advertentiën, onder uitroepen als deze: „Wel, wel, is die ook al dood? Jongens, jongens, wat krijgt die vrouw een kinderen! Kijk, kijk, dat bruidje heb ik nog als kind op mijn armen gedragen!” het moge zoo zijn, dat zij alsdan soms den lust in zich voelt opkomen, om de menschen in kwestie te bezoeken: maar even zeker is het, dat zij even weinig naar het sterfhuis, naar de kraamvrouw of naar het bruidje gaat, als ware zij inderdaad door kloostermuren van haar gescheiden geweest.

Maar wat Eldorado, wat tooverpaleis is het dan, dat haar de geheele wereld vergeten en verachten doet? Laat ons het eens opnemen.

Het huisje van de hofjesjufvrouw,—dat het bewijs oplevert dat atomen kunnen verdeeld worden,—is in twee vertrekjes gescheiden, in een van welke zij slaapt, terwijl het andere haar woonvertrek uitmaakt. Een beschot, tusschen dat vertrekje en de deur geplaatst, vormt een nauw gangetje, dat met eenzijdige voorkeur voor pijpenstelen en dunne menschen is aangelegd. Daar zit ze op een houten vlonder, (de ramen zijn doorgaans hoog en de bewoonster nieuwsgierig,) en beheerscht van die hoogte het geheele hofjesplein met hare blikken. Fijne matjes, zoo glad geboend dat men er op loopen moet als op een stijfgespannen koord, dekken de verhevenheid, waarop zij woont. Op de tafel, waaraan zij zit, vindt men onder anderen in den regel: een zwart segrijnen bijbel met zilveren sloten, en met een zilveren bril tusschen de bladeren ingestoken, (de knijpbril staat op den neus); een melkkannetje met hyacinten, seringen, of ook ’s winters zevenjaarsbloempjes, en bij ontstentenis daarvan, gele of witte papierbloemen; een snuifdoos; een trommeltje met kokinjes; een breikous van zwart sajet enz. Aan het schot, tegenover de bewoonster, hangen eenige schilderijen, vooral Dominees met krulpruiken, tooneelen uit de H. S. als een verloren zoon in modern kostuum en anderen; soms ook een mislukt heeren- of damesportret, dat haar als een erfstuk, ter gedachtenis aan haar ouden meester of meesteres, geschonken is, wier beeld haar dankbaar geheugen in het monster, dat voor haar oogen hangt, best herkent. Achter de hofjesjufvrouw staat een kastje van mahonyhout met glazen deuren. Op de planken van dit prachtmeubel, dat voor haar een etagère vervangt, staat menig artikel, dat de fraaiste nieuwmodische etagère versieren zou, als daar zijn: lange lijzen, koppen met de zes merken, roode Lilliput-potjes, gezwegen nog van de borden van den spinnekop en de schalen van de krab. Naast dit kastje staat een ijzeren pot, waarop zij elken middag haar sober maal kookt, en waaraan zij zich ’s winters verwarmt totdat er aan haar koud bloed geen ontdooien meer is. Op deze wijze leeft de hofjesjufvrouw het gansche jaar in dezelfde afzondering en stilte voort, die slechts eenmaal ’s jaars door een dag van drukte en gewoel wordt afgebroken: het is de dag, als zij de kinderen uit het huis van haar vorige dienst ten eten genood heeft. Dan worden de geplooide gordijntjes opengeschoven; dan wordt de dikke poes naar de vliering verbannen; dan ruimt de bijbel zijn plaats op tafel voor dobbelsteenen, pachtpenningen en lottospel; dan brandt in huis het vuur en sist de pan; dan knarst buiten de pomp en klinken de schellen op het gansche hofje; dan wordt de palm rondom de tuintjes vertreden en de balsaminen in de bedden geknakt; dan wordt tegen alle ruiten getikt en over alle onderdeuren geknord; alles tot dat de avond valt en de kleine hoop, met een komfoor en poffertjespan, om een grooten pot met melkbeslag vergaderd wordt om poffertjes te bakken, bij welk feest de arme gastvrouw een droevig slachtoffer van de speelschheid harer gasten is, terwijl de naweeën eerst recht beginnen, als de knapen naar huis zijn en alle buren hare klachten komen inbrengen tegen de stoute bengels, die zij op ’t hof gehaald heeft.

En toch schijnt ze nog te leven voor dien eenen dag; en toch spaart ze daar alles voor, en heeft er alles voor ten goede; en toch zal zij dien blijven vieren, tot dat zij de steenen trappen afgedragen wordt.

Zoo hebben dan deze hofjes-jufvrouwen, ondanks haar weinig bekoorlijk en veelzins belachelijk voorkomen, toch hare eigenaardige deugden, die haar iets belangrijks, en zelfs bij wijlen iets verhevens geven. Het hofje is een doos met oude ongangbare potstukken, maar van echt gehalte. In deze gebroken vaten ligt een schat van verknochtheid en trouw aan hen, wie ze vroeger hebben toebehoord, helaas! die gedurig zeldzamer wordt. Misschien is het een zwartgallige inval, maar ik vrees, dat onze dienstboden niet meer zoo vele hofjes met oude trouwe zielen zullen kunnen vullen als ik gekend heb. O tijden! o zeden! moet dan het bederf uwer nieuwigheden zelfs de hofjes, die wijkplaatsen des ouderdoms, aantasten? Doch ik wil mij aan die treurige denkbeelden niet overgeven. Voor als nog zijn er op deze musea van antiquiteiten een menigte van zulke gebroken standbeelden der godin Fides. Daarheen neem ik mijn toevlucht, wanneer de wuftheid en ondankbaarheid der jonge wereld mij bedroeft, en verkwik mij aan die levende toonbeelden eener trouw, als die—de hofdames vergeven mij de vergelijking—van den ouden Fidel, die van zijn hartstocht voor hazen- en patrijzenbouten, als laatste en eenige liefde, de verkleefdheid aan zijn meester heeft overgehouden. Ik denk, dat op dit oogenblik menigeen met verteedering aan de liefde denkt, hem als kind door zulke oude getrouwen om zijner ouderen wil bewezen, en tevens met schaamte om de jongensachtige ruwheid, waarmede hij die liefde heeft betaald. Nu, de goede oudjes hebben het ons vergeven, en zijn met goede wenschen en beden voor ons op de lippen ter ruste gegaan naar dat andere hof, waar de trouw van hen, die er hun intrek nemen, nog betere belooning vindt.

[

Inhoud

]

IX.

De Vischvrouw.

Als wij de legende gelooven zullen, waren er oudtijds zeemeerminnen. Hooren wij daarentegen de natuuronderzoekers, dan is haar geheele bestaan een fabel. Maar nu komen de wijsgeeren tusschen beide, en vragen: waar komt die fabel dan van daan? want, en dat moet ik hun toegeven, men noemt geen vrouw meermin, of daar is een staartje aan. Ik waag het allerzedigst een oplossing van dit belangrijk vraagstuk te beproeven. Zou de geheele verdichting der zeewijven ook uit een bijgeloovige vereering van de Vischvrouw kunnen ontstaan zijn?

Lach zoo spotachtig niet, Mevrouw! Wees liever zoo goed mij te volgen. Wij willen de vischvrouw een bezoek geven.

Zie, ginds tegen het duin aan, als een schelpvisch tegen de rots, hangt haar woning. Het schijnt ook zelve bijna een schelp, die daar door den vloed is neêrgeworpen om door de ebbe weêr meêgenomen te worden; zoo nietig komen die stulpen op het breede strand voor. Evenwel in die schelp woont een mensch; wat zeg ik, eene geheele verzameling van menschen. Laat ons binnengaan!—Men zal ter vischvangst uitgaan. De netten zijn gereed, de knapzak is voorzien, de visschers zullen vertrekken. Vader met zijn oudsten zoon als knecht en den derde van de acht, die zoo lang gesmeekt heeft, tot dat moeder hem vergund heeft meê te gaan. Verwondert gij u over de teederheid van het afscheid van deze „lompe” menschen? Verwonder u liever over hun blijmoedigheid!—Want, mag ik u verzoeken? Zie eens even naar buiten. Ziet gij die pink dáár, gereed om zee te bouwen? Een ijzig gezicht, niet waar? Van hier beschouwd, lijkt zij betrekkelijk niet grooter dan de notendop, dien wij als kinderen in de theekom lieten varen. Welnu, die dop zal haar drie kostbaarste schatten laden. Nog eenige oogenblikken en hij dobbert met hen op den diepen oceaan, waarvan een enkele golf tien zulke scheepjes vult. Verbeeld u, Mevrouw, dat Mijnheer uw gemaal en de jonge Heer de student en.… foei! ik doe u schrikken. Wees gerust! het geldt deze vischvrouw maar! Doch beken echter, dat er achter dit grove jak een hart moet kloppen, waaruit men tien harten van uw romanheldinnen kneeden zou?

Eenige uren later. Hebt ge moed? Het is zeker noodweêr. Het stormt een orkaan. De bliksem zwaait onophoudelijk zijn blauwen fakkel over de zwarte golven. De donder buldert tegen den wind in met hortende slagen, alsof zijn stem telkens door den storm gesmoord werd. Onder dezen strijd der elementen kookt en schuimt de zee als een ziedende ketel op een onderaardsch vuur, en spat haar water tot in de hut. Die hut zelve is een tooneel van verwarring en angst. De zes kinderen, die t’huis gebleven zijn, loopen half naakt en schreiend door elkander. De oudsten slaan bevend de lucht gade en staren dan weêr op de zee, als om bij het licht van den bliksem iets te onderscheiden. De jongsten schuilen aan moeders schoot en gillen om vader. Door dit rumoer heen klinken de noodschoten van een strandend schip, en de kreten van het zeevolk, dat bezig is een boot ter redding uit te zetten.—Gij beeft, Mevrouw! Mag ik u wat eau de cologne geven? Verman u een weinig. Zie onze visschersvrouw! zij heeft drie beminde panden op zee. Zij weet, dat de boot te zwak is om zulk een orkaan te weerstaan. En toch blijft zij bedaard en kalm. Zij schijnt den storm, die buiten woedt, niet te bespeuren, en heeft alleen oogen voor de onrust, die binnen heerscht. Merk op, met hoe veel zielkracht zij haar oudste kinderen zoekt te bemoedigen, haar jongste te sussen. Het gelukt haar eindelijk. Maar waar gaat zij heen? Wat doet zij in gindschen hoek? Zie, zij bidt!—Daar komt zij weder. Welk een stille berusting op haar gelaat. Zij slaat een schichtigen blik naar buiten, maar heft hem terstond weder naar boven, en begint zingende haar jongste lieveling in slaap te wiegen. Welk een treffend gezicht! Is het niet als een standbeeld van de Rust in het hol van den Storm?

Den volgenden morgen. Het ergst is gebeurd. De boot is aan strand gekomen,—maar ledig. Alleen haar oudste zoon heeft zich met zwemmen gered. Willen wij de vischvrouw een rouwbezoek gaan brengen?—Zij is niet te huis. Daar is niemand dan haar kinderen, die om brood schreien. Zij zal op het strand zijn. Ja, daar is zij, bij den afslag. Daar koopt zij haar mand vol visch, dien haar man had moeten t’huis brengen. Met dien mand op den rug draaft zij naar den stad. Zie eens, hoe bleek zij ziet en hoe rood haar oogen zijn. Maar haar opgericht hoofd draagt de ben, en haar naakte voeten loopen in denzelfden draf als altoos. Moederliefde overwint den storm in haar binnenste, even als gister den storm buiten. Zoo draaft zij, halfdood van vermoeidheid en uitputting, de stad op en neder. Huis aan huis biedt zij haar visch te koop. Niet noodig! is het refrein, hier en daar afgewisseld met een snauw: hoe veel geld? Het is te veel. Dan wordt er gedongen en beknibbeld, en somtijds zelfs de arme met hardheid weggezonden, opdat Mijnheer en Mevrouw hun eerst gerecht toch zoo goedkoop mogelijk op tafel zullen hebben, terwijl haar zes kinderen van honger versmachten. En toch is zij te fier om te klagen of te bedelen. Die schande zal zij haren man in het graf nooit aandoen. Zij zal liever werken totdat zij er bij neêrvalt, eer zij de hand tot een aalmoes uitstrekt.

Eindelijk is haar vracht verkocht, en keert zij naar het dorp terug. Nu verzorgt en voedt zij de ongelukkige weezen. Terwijl de kinderen eten, gaat zij met haar oudsten jongen naar het strand, om met hem over de herstelling van de gestrande boot te spreken. Want hij moet hoe eer hoe beter er weder op uit. Zij heeft nog geen schrik van het element, dat haar pas een man en een kind kost. Zij heeft ook nog geen afkeer van het leven, dat haar zoo zwaar valt. In een romance zou men haar laten verlangen om bij haar lievelingen in den schoot der blauwe baren te rusten. Maar daaraan denkt zij niet. Zij voelt den last des levens op haar drukken als een taak. Wat dus anderen werkeloos zou doen nederzitten, spant en prikkelt hare werkzaamheid. Ware het mogelijk, zij zou er zelve op uitgaan. Maar daar dit niet kan, moet haar zoon de plaats van zijn vader vervullen. Zij zal hem den tweede tot hulp medegeven. Wacht hen hetzelfde lot.… het zij zoo! het staat in hooger hand! zij zal hen zien vertrekken, zonder een traan te laten. Mij dunkt, gij ziet haar met bewondering aan. Gij hebt van zoo iets heldhaftigs geen denkbeeld. Gij vindt het boven het vrouwelijke, ja, boven ’t menschelijke.… Pas op, Mevrouw! anders maakt gij er nog een zeewijf van.

Ik weet niet of ik u overtuigd heb. Het is altoos slechts een gissing, die ik voor beter geef. Maar indien ik niet eenige meerdere ingenomenheid met de Vischvrouw bij u heb opgewekt, dan eer gij dit opstel in handen naamt, dan heb ik tijd en inkt verloren.

[

Inhoud

]

X.

De Rotterdamsche Zakkendrager.

Lezer! Indien gij slechts half zooveel eerbied hebt voor nijvere arbeidzaamheid als de schrijver van deze schets, dan verzoek ik een oogenblik uwe belangstelling.

Inderdaad! in de geheele menschelijke maatschappij ken ik geen stand, die zoo sprekend het denkbeeld van noeste vlijt uitdrukt en als het ware verpersoonlijkt als die, waartoe de Rotterdamsche Zakkendrager behoort. In de dierenwereld zijn het de mieren, die bovenal den roem der arbeidzaamheid wegdragen. De zakkendragers nu zijn de mieren der maatschappij.—Wie heeft ze nooit gadegeslagen, die nijvere diertjes, hoe zij op de plaats waar zich hun nest bevindt een grimmelend leger vormen, dat onophoudelijk heen en weder trekt en door elkander zwiert, zonder elkander te belemmeren, terwijl zij de zwaarste lasten torsen? Welnu, hetzelfde schouwspel, in het menschelijke overgebracht, leveren dagelijks de Rotterdamsche straten in de werkzaamheid der zakkendragers.

Het hoofdkwartier van dit nijvere leger is het zoogenaamd zakkendragershuisje. Daar is het getal en de zwaarte der lasten bekend, die elken dag moeten worden getorst. De verdeeling geschiedt bij het lot. Een eerlijk soort van dobbelspel. Terwijl elders de aanzienlijke speler aan een roekeloozen worp het vermogen van vrouw en kinderen waagt, dobbelen deze kerels om den last, waarmede zij hun brood verdienen. Schieten er manschappen over, dan worden de hoogste nommers ontslagen, over welke teleurstelling zij zich gewoonlijk in de kroeg zoeken te troosten.

Nadat het groote leger in kompagniën en sectiën verdeeld is, begeven zich de onderscheidene koppels ieder naar de hun aangewezene plaats. Daar gekomen wordt het werk nader onder hen verdeeld. Ondersteld, zij zullen turf opdragen. Dan krijgt ieder zijn post. Sommigen staan bij de schuit en stapelen de manden. Anderen dragen ze aan. Anderen winden ze op, of brengen ze naar boven. Anderen eindelijk schikken de turven op den zolder. Bij dit alles nu heerscht een regelmatigheid die mij dit werk dikwijls met verbazing heeft doen gadeslaan. De acht, tien of twaalf menschen zijn niet meer zoovele menschen. Het zijn onderscheidene leden van één lichaam. Het zijn raderen van ééne machine. Nauwelijks is het sein gegeven, of het levend werktuig raakt in beweging. Geen raderen, door stoom bewogen, draaien geregelder in denzelfden kring rond en grijpen juister in elkander, dan de dragers elkander de hand leenen. Op den weg, dien zij hebben af te leggen, doen zij nooit een pas meer of minder, komen zij nooit een sekonde te vroeg of te laat. Bij het overgeven en overnemen van de vracht wisselen zij geen woord, geen wenk, geen blik zelfs. Ook is hun geheele denkkracht in hun werk als verzwolgen. Geen automaten kunnen werktuigelijker arbeiden. Maar daarom bezit ook hun arbeid den regelmatigen en zekeren gang van een uurwerk. O, dacht ik wel eens bij dit gezicht, wanneer wij menschen in de wereld even goed onze plaats wisten te kiezen en te bewaren, en elkander even gedienstig en trouw de hand reikten, welk een schoon werktuig zou het nu dikwijls verward zamenstel der maatschappij zijn, en hoe schoon en heerlijk vooral het werk, dat daardoor zou worden tot stand gebracht.

Het werk is volbracht. Het rad is afgeloopen. Het werktuig staat stil. Op eens komt er weêr leven in deze houten automaten. Het gelaat, waarvan het zweet met den arm wordt afgeveegd, ontspant en ontrimpelt zich en glimt van de voldoening van wel volbrachten arbeid. Men schertst met de meid, wier zolder men van turf heeft voorzien, die met een milden teug schiedammer de dorstige harten komt laven. Het verdiend loon wordt ontvangen en verdeeld. Men gaat uiteen.

Meen echter niet, dat dit werktuigelijke den zakkendragers ook buiten hun werk bijblijft. Gij zoudt hun grootelijks te kort doen. Boerenkinkels mogen ook buiten het veld iets van het dommekrachtige behouden, dat hun op het veld eigen is, bij de wakkere Zakkendragers is dit anders. Nauwelijks is de arbeid van hun schouders, of zij zijn zulke vroolijke en flinke kerels als gezonde arbeid ooit gemaakt heeft. En geen wonder. Zij hebben eene ruime en eerlijke broodwinning. Zij behooren zeker slechts tot de klasse der sjouwerlieden, maar zijn echter boven deze verheven. Zij behoeven niet op werk te wachten of er om te bedelen, gelijk deze, maar vinden iederen morgen hun taak en last gereed. Daarbij vormen zij onderling een gesloten college, een soort van gild. Nu zijn de patenten, en de algemeene vrijheid, gelijkheid en broederschap, waarvan deze het uitvloeisel zijn, wel eene heerlijke uitvinding: maar niemand zal mij echter tegenspreken, dat daardoor het eigenaardige, het afgeronde en gemunte, in één woord het typische van de verschillende standen in ons vaderland wel iets geleden heeft. O bakkers met uw witte slaapmutsen! O slagers met uw lange messen! O timmerbazen met uw gele voorschoten! Waar zijt gij gebleven? Neen, wij hebben geen rechte bakkers, slagers of timmerbazen meer. Wij hebben lieden, die bakken, slachten, en timmeren: maar het bakkersvoorkomen, de bakkersgeest, het bakkershart, dit alles is met de witte slaapmuts verdwenen. Eere daarom den Zakkendragers, die nog iets van het genootschappelijke en federative hebben behouden, dat vroeger den grondslag van onze staats- en maatschappelijke huishouding uitmaakte. Zij vormen een soort van broederschap, die hen met een zweem van esprit de corps bezielt, dien zij ook door het dragen van een ordeteeken zoeken aan den dag te leggen. Men heeft hen alleen te zien loopen, gelijk zij naar werk gaan of daarvan terugkeeren, met den linnen zak bevallig over het hoofd geslagen, om in hen den Zakkendrager te herkennen. Wat hun echter noch meer wichtigheid bijzet, is het gevoel, dat zij min of meer tot de stadsambtenaars behooren, en dus als verre planeten in de zonnebaan der burgemeesters-kamer wentelen. Zij zijn dan ook het college, dat bij hooge gelegenheden de lagere standen vertegenwoordigt; zij hebben het privilege om de paarden van ’s Konings koets te spannen en den kostelijksten aller lasten te trekken. Het gebeurt hun dan ook niet zelden, dat het koninklijk oog, met voorbijgang van anderen, die zich verbeelden hooger te staan, op hen afdaalt. Zoo wierp het feest, op den laatsten oudenjaarsavond door Z. M. aan de Haagsche turf- en zakkendragers gegeven, op al hun ambtgenooten een weerschijn van eer en aanzien, dat hen den zak nog fierder dan anders over het hoofd doet dragen. Men zegt dan ook, dat op dien avond menig Zakkendrager zoolang op Willem II heeft geklonken, totdat het actief van zijn naam in passief was overgegaan.

Doch laat ik niet lasteren. Wel is waar zijn de Zakkendragers vooralsnog geen leden van het Matigheidsgenootschap, en ik vrees of zij het ooit zullen worden. Maar even weinig plegen zij dronkaards te wezen. Zij zijn te bang om den zak, waaruit zij leven, te verliezen. Overigens zijn zij, als meest allen, die zwaren arbeid verrichten, kloek van voorkomen, trouw van hart en braaf van inborst. Het gaat hun als veeltijds: hoe zwaarder last op de schouders, des te lichter last op het hart!

[

Inhoud

]

XI.

De Groenvrouw van Rotterdam.

Koopsteden zijn paradijzen, wat de kunst, maar woestijnen, wat de natuur betreft. De menschengroei, die er plaats heeft, schijnt er den plantengroei te verstikken. Kom bij voorbeeld te Rotterdam. Hoe dor, hoe bar, hoe winterachtig ziet alles er uit. Zelfs midden in den zomer! Alles hout en steen, steen en hout. Men zou denken, dat de menschen er, even als de oude toovenaars, steenen aten. Maar neen, zie ginds! Daar meen ik toch iets groens te ontdekken. Inderdaad, het is zoo. Daar is de groenmarkt. Dat is eene oase in de woestijn. Met welk een wellust rust het oog, van het flikkeren der zonnige straatsteenen vermoeid, op dezen groenen grond uit! Laat ons er een oogenblik van genieten.

Wij treden nader. Daar prijkt in haar groentenkraam, even als eene afbeelding van Ceres of Pomona in eene medaillon harer attributen, de groenvrouw.

Wij vinden haar bezig met het opmaken van haar loofhut. Dat werk is belangrijker dan het schijnt. Laat de groenvrouw geene schilderes van stillevens zijn, zij moet toch iets van de kunst van ordonnantie verstaan. Wacht u vooral te denken, dat deze bevallige schikking de vrucht van een blind of linksch toeval is. Integendeel. Mejufvrouw uwe dochter besteedt niet meer kunst om de bloemen in uwe vazen te schakeeren, dan de groenvrouw om haar kraam op te maken. Het is dus wel degelijk met opzet, dat die blanke bloemenkoolen zoo sprekend op dien rooden grond van peen (Rotterdamsche stijl) uitkomen, dat die harde komkommers zoo smakelijk tegen de malsche kroppen afsteken, en dat het geurige boonenkruid zoo verlokkend over de zilveren boonen ligt uitgespreid.

Is de kraam klaar, dan zit de groenvrouw, even groen en frisch als haar waar, tusschen haar schepping neder. Een helder gezicht lacht, even als de witte bloem tusschen de koolblaren, uit haar groenteprieel al de voorbijgangers tegen. Maar gij moet haar zien als er klanten komen. Dan is zij geheel beweging en drukte. Zij weet juist wat de „jufvrouw”, de „vrijster,” of het „vrouwtje” hebben moet. Gister heeft men van deze, eergisteren van die groente gehad: nu moet men hiervan nemen. Even rad als haar tong, gaan hare handen. In een oogenblik zijn de wortelen gekortwiekt, de koolen uitgekleed, de spinazie opgetast, de radijzen geschoren. Over den prijs wordt nauwelijks gesproken. Er is geen vreedzamer beurs dan die der tuinvruchten. De lieve natuur is zoo mild met haar gaven, dat men voor een betrekkelijk kleinen prijs een geheele moeskraam ledig koopt. Daarenboven regelt de vruchtbaarheid of onvruchtbaarheid van het weder den marktprijs van den dag. Intusschen moet het niet ontkend worden, dat de groenvrouw wel eene schrale lente mag. Als de groenten te gauw aankomen, zit er te weinig winst op. Ach ja! tot tusschen de groene aardvruchten,—die treffende herinneringen aan de gouden eeuw, waarin men niets anders at,—is het egoïsmus doorgedrongen.

Indien ge voldaan zijt, zullen we verder gaan. Want er zijn nog andere species van het genus groenvrouw. Ziet gij gindsche deern, met dat juk op den schouder, waaraan twee groote manden slingeren? Dat is ook een groenvrouw. Die brengt haar waar aan de huizen. Want de markt is voor den burgerstand. De rijken laten de markt bij zich aan huis komen. In die manden vindt gij dus de bloem van den moeshof. Zoo veel mogelijk is ook de eigenares eene bloem onder de groenvrouwen. Want daar zij in de groote wereld verkeert, heeft zij meer wereldkennis en wereldtoon noodig, dan op de burgerlijke markt te pas komt. Niet altoos evenwel is haar taak even teeder en zwaar. Soms heeft zij alleen met de jonge juffers te doen, die „de week” hebben, of in de proefschool zijn om te leeren huishouden. Dan is zij spoedig klaar. Want wat weten die van groenten? Dalen evenwel de mama’s met haar twintig- en dertigjarige ondervinding en haar sedert aangeleerde huishoudelijkheid naar beneden, dan moet er heel wat gevleid en gelogen worden, eer de gevraagde prijs verkregen is. Niets beter dan met keukenmeiden van de kennis of van de familie te doen te hebben. Die hebben zoo veel te vertellen en te vragen, dat er geen tijd voor loven of dingen overblijft.

Willen wij de groenvrouw nog verder nagaan, dan moeten wij ze naar hare woning volgen. Daar komen we eerst bij de groenvrouw primera suerte. Daar vindt ge een waar luilekkerland, met dit kleine onderscheid, dat de lekkernijen er u alles behalve van zelve in den mond vliegen. Daar vindt ge in den winter versche kroppen onder stolpen; daar doen u in het voorjaar de eerste bakvruchten, snijboontjes, worteltjes en porselein watertanden; daar vindt men den geheelen zomer, wat de moeshof edelst en keurigst oplevert. Waar nu al die schatten van daan komen, is een geheim. Sommigen denken, dat de groenvrouw ze, even als in Riket met de kuif, uit den grond laat opkomen. Anderen spreken van eene geheime betrekking met zekere tuinlieden van buitenplaatsen, die de groenten, welke zij overhebben, voor een prijsje aan haar overdoen. Er zijn zelfs, die mompelen, dat mijnheer zelf vennoot in die anonyme compagnieschap zijn zou. Wie zal het uitmaken? Men weet niet, dat een groenvrouw ooit geklapt heeft.

Om de woningen der mindere groenvrouwen te vinden, moeten wij naar de achterbuurten. Daar is evenwel het groenste van de groenvrouw af. Want daar liggen in een bedompt winkeltje de groenten, die niet verkocht zijn, te verleppen en te vergaan. Zijn ze geheel en al verdroogd, dan zinken ze nog een stap lager in den pot, en eindelijk in de magen van de groenvrouw en hare familie: want wacht u voor de dwaling, dat een groenvrouw ooit iets eet, dat naar versche groente lijkt. Zij leeft als een konijn, geheel van afval.

Zal er echter aan de teekening van de groenvrouw niets ontbreken, dan moet moet ik u haar ook in den ruitijd toonen! O, dat de groenvrouw, als de witte beer, den geheele winter mocht doorslapen! Dan alleen zou zij de smart ontgaan van de beken van haar bestaan gedurende verscheidene maanden uitgedroogd te zien. Wat toch blijft haar in den winter over? Aardappelen, aardappelen, niets dan aardappelen. Komen er nog aardakers bij, dan is het mooi. Zij blijft dus in haar hokje verscholen. Geen groenvrouwen op de groenmarkt, geen groenmeisjes op de straat.—Maar wacht! daar beginnen de boomen te knoppen; de nachtegalen komen terug; de narcissen gaan bloeien. Nu breken ook de groenvrouwen weder uit den knop, en versieren de Rotterdamsche straten.

[

Inhoud

]

XII.

De Dorpsschoolmeester.

Wie heeft hem nimmer ontmoet, den man, dien ge nog niet ontwijfelbaar herkennen zoudt aan den versleten zwarten rok, den vuilen witten das, de zilveren ringetjes in de ooren, de lange pijp in den mond en de nagelkerven op den linkerduim, maar dien ge dadelijk weet t’huis te brengen, zoodra gij hem maar twee woorden hebt hooren spreken.

„Heeft MIJNheer mensCHen? Dan zal er mogelIJK voor MIJ verhinderING weZEN!”

„Wat mij betreft, niet, meester!” hebt gij geantwoord, eer gij er om denkt.

Gij hebt het geraden. Er zijn plus minus drie millioen menschen, die Hollandsen spreken: maar DAT Hollandsch is het schibboleth van den dorpsschoolmeester. Daaraan herkent gij hem even zeker, als de mannen van Gilead die van Efraim aan de uitspraak van de schin. O, het zou hem niet van het hart kunnen, de taal te verminken, te mishandelen en te villen, gelijk gij en ik doen: iedere letter heeft rechten op zijn hart en tong: hij moet ze u allemaal voorspellen: men spelt immers niet om te spreken, maar spreekt om te spellen!

Deze verbazende juistheid van uitspraak is echter niet de eenige eigenaardigheid, waaraan ge den dorpsschoolmeester uit zijn wijze van spreken herkent. Hij is niet minder nauwkeurig en uitgezocht in de keuze zijner woorden, die allen op het woordenlijstje van Siegenbeek moeten voorkomen, hetwelk hem voor een soort van index dient. Want van onduitsche uitdrukkingen heeft hij een walg, en waar ze hem onvermijdelijk in den weg komen, neemt hij de vrijheid ze in der haast een hollandsch pak aan te trekken, waarin gij ze echter dikwijls niet herkent. Voeg hierbij een toon van spreken, die door de afgepastheid en deftigheid het midden houdt tusschen cijferen en preken, en gij zult u niet verwonderen, dat de man zich zoo spoedig aan u verried: het is de dorpsschoolmeester!

In het heilige klaverblad, dat over ieder dorp zijn beschermende schaduw uitbreidt, van Burgemeester, Dominé en Schoolmeester, staat de laatste in het midden en dus—althans in zijn eigen oogen—bovenaan. Hij heeft dan ook verre weg het deftigste voorkomen van de drie. Men zegt van de beroemde tragédienne Clairon, dat zij in haar huis dezelfde koninklijke houding aannam, die zij op het tooneel had, om er de hebbelijkheid niet van te verliezen. Zoo schijnt ook de meester, uit vrees van den toon van gezag, die hem in de school past, kwijt te raken, dien buiten de school aan te houden. In zijn mouw verscholen, draagt hij de plak uit de school overal met zich. Zijn geheele gesprek is onderwijzend. Hij is de Morning-herald van de boeren, en deelt hun het nieuws mede, dat hij dagelijks uit de Staats-Courant put, welke hij van den Burgemeester te lezen krijgt. In die mededeeling vlecht hij op eene ongemaakte wijze eenige geographische en historische bijzonderheden, die op het gezicht zijner toehoorders een stillen glimlach van verbazing en bewondering wekken. Bij de gesprekken over weêr en wind hangt hij den natuurkundige uit, voor zoover het handboek der volksnatuurkunde hem in staat stelt. Somtijds stijgt hij een toon hooger en waagt zich aan bespiegelen van de wonderen der schepping—volgens den katechismus van Martinet. Zijn politiek bewaart hij voor den Burgemeester, met wien hij over de gebeurtenissen van Europa handelt—alles naar aanleiding van de Staats-Courant. Dit dagblad drukt zoowel den geest als den vorm zijner denkbeelden uit. Hij is zoo oranjegezind als de koninklijke vlag, en is door eene zonderlinge, maar gewone tegenspraak, tegelijk de vinnigste aanhanger van Wagenaar, dien men zien kan. Hij heeft dus een afkeer, neen, dit is te zacht—een afschuw van Bilderdijk, die voor hem met zijn politische, literarische en godsdienstige gevoelens een driehoofdige Cerberus is. Zonder ooit iets van hem gelezen te hebben, bestrijdt hij hem waar hij kan en mag, met alle wapenen. Nauwelijks had hij vernomen, dat hij de stoutheid had den „moord” van Oldenbarneveld voor te spreken, of hij hield in ’t Nut een verhandeling over den Palamedes van Vondel, die de zaak op eens en voor altoos heeft uitgemaakt. Met den Dominé handelt hij over het onderwijs. Hij vergoodt de wet van 1806, waarnaar volgens zijn zeggen eenmaal het onderwijs in de geheele wereld zal zijn ingericht. Siegenbeek, Prinsen en Anslijn zijn zijne afgoden, wier naam onophoudelijk op zijn eerbiedige lippen zweeft, vooral de eerste! Zijne spelling houdt hij voor een meesterstuk van menschelijke vinding en voor de schepping van een nieuwe taal. Wee hem als Dominé het waagt de Bilderdijksche spelling met een enkel woord te verdedigen: dan zou hij bijna vloeken. Over het algemeen houdt hij het er voor, dat Dominé hem niet al te gunstig is. Dat schrijft hij aan zijn opleiding op de kweekschool toe, waardoor hij Dominé te knap geworden is. Was het niet eens gebeurd, dat Dominé niet recht wist, of Neustadt, waarop het gesprek viel bij gelegenheid van een nieuwen aankoop van koning Willem Frederik, in Saksen-Weimar, Saksen-Gotha, Saksen-Meiningen, Saksen-Coburg of Saksen-Hildburghausen lag? Hij had er hem opzettelijk eens op getoetst, maar hij had zich voor den man moeten schamen. Voor het oog der menschen evenwel is hij Dominé’s andere Ik, en zendt hem bij elke feestelijke gelegenheid een vers, waarin hij al de dichterlijke vrijheden in één regel neemt: wat al te liberaal voor zoo’n conservatief man! Want—dit spreekt van zelf—hij doet een weinig „aan de dichtkunde.” Zelfs geeft hij daarin zijn zoon volgens vaste regelen en met behulp van Witsen Geijsbeek’s Rijmwoordenboek les. Hij treedt dan ook van tijd tot tijd in de vergadering van ’t Nut met een dichterlijke bijdrage op. Hij volgt echter geen bepaalde dichtschool. Vóór het jaar dertig werkte hij meestal in den trant van Tollens; na dertig nam hij de manier van Helmers aan, en nu helt hij weder meer over naar Feith. Heeft hij geen tijd om zelfs iets te maken, dan werkt hij het een of ander uitgegeven stuk naar de behoefte van zijn gehoor om. Zoo behandelde hij onlangs de geschiedenis van een klein schandaal in het dorp in de Bedrogen maagd, dat hij naar het Gevallen meisje van Tollens gefatsoeneerd had. Nergens echter schittert zijn talent met meer glans, dan in de kerk. In het voorlezen steekt hij Dominé naar de kroon. Niemand is vlugger dan hij in het verkleeden van de oude vertaling: zonder haperen heeft hij al de haer’s en hun’s in dezelve’s en denzelven’s veranderd. Want dezelve is na dewelke zijn lievelingswoord, Hij heeft dan ook van die taak een groot denkbeeld. Hij spreekt altijd van de groote opkomst, het groot gehoor, dat wij hebben. Eens, ja.. eens heeft hij de eer gehad om voor Van der Palm voor te lezen. Dat was een werk! Hij heeft er nooit zoo in gezeten. Hij dacht niet, dat hij het volbracht zou hebben, schoon ieder hem een kompliment maakte, toen hij uit de kerk kwam. Hem dacht echter, dat de Professor in het Hollandsch zoo zuiver niet was, als hij meende. Eens onder anderen meende hij hem op de uitspraak van menSCHEN als menSEN betrapt te hebben: maar de man begon toen ook al oud te worden.…

Maar foei, de kleine ruimte aanziende, die mij nog overschiet, bemerk ik, dat het meer dan tijd is, om den waardigen man van een anderen kant te teekenen. Want hoe vreemd het luide, onder die belachelijke vormen verbergt hij het beste hart van de wereld. Hij is in zijn vak een knap man, en zelfs in het wijsgeerige gedeelte er van geen vreemdeling. Hij heeft een goede leermethode, waardoor hij bekwame discipelen vormt. Hij is even bemind bij de kinderen, als geacht bij de ouders. Hij is een voorbeeldig huisvader, die nacht en dag zwoegt om zijn talrijk gezin te onderhouden. Zelf een man van zedelijke en godsdienstige beginselen, zoekt hij die ook aan de jeugd in te prenten. Hij heeft dus geen enkele groote ondeugd, al heeft hij al de gebreken van zijn stand. Nieuwenhuizen en de Wet van 1806 hebben hem innerlijk geheel ontbolsterd. Nu moet er nog slechts een andere Nieuwenhuizen opstaan, om hem ook uitwendig den zotskap van het hoofd te nemen. Wie weet, als hij deze schets leest.…

[

Inhoud

]

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings