Welk belang heeft de maatschappij bij de invoering van vrouwenkiesrecht?
Reading edition
“Vrouwenkiesrecht strekt tot voordeel van Allen, niet tot dat der Vrouwen alleen.”
Dit motto—men zou het haast kunnen noemen het motto van de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht, omdat het op de meeste van hare gedrukte stukken staat—geeft reeds een stellig antwoord op de vraag welke dit hoofdstuk tot titel draagt. Wanneer men iets beweert, dient men het echter ook te bewijzen. Wij zullen dan thans trachten te bewijzen, dat bovenstaand motto zuivere waarheid bevat.
Waar precies het belang der vrouwen ophoudt, en het belang der gemeenschap begint, zal daarbij echter moeilijk zijn uit te maken, omdat deze twee zaken op zoovele punten in elkander grijpen. Hoe kan het ook anders, waar de maatschappij bestaat uit individuen, en dus noodwendig de meerdere of mindere gunstige toestand van den enkeling invloed moet oefenen op de gesteldheid van het geheel.
Evenwel zou het gemeenschapsbelang zeer onvolkomen worden gediend, wanneer men zich tevreden stelde met de levensvoorwaarden en de positie van elken persoon zoo gunstig mogelijk te maken. Er zijn wel degelijk ook absolute gemeenschapsbelangen; om deze naar eisch te dienen en te verzorgen, zal het zelfs menigmaal noodzakelijk zijn, dat de enkeling iets van eigen vrijheid, van eigen welbehagen, ja zelfs van eigen welvaart offert. Waar wij nu gaan bespreken het belang dat de maatschappij heeft bij de invoering van vrouwenkiesrecht, hebben wij zeer zeker deze absolute gemeenschapsbelangen op het oog.
Door vele tegenstanders van vrouwenkiesrecht wordt den vrouwen verweten, dat zij gelijk willen zijn aan den man. Hoevele woorden zijn er al niet gevallen, hoevele pennen zijn er niet in beweging gebracht, hoevele hartstochten niet opgewekt en aangeblazen door dit gelijkheidsprincipe! En toch—bij even nadenken—hoe dwaas klinkt het ons eigenlijk. Alsof het een eer ware precies gelijk te zijn aan een ander wezen, in stede het tot een eer te rekenen eigen aanleg en wezen en zielsgesteldheid te behouden en aan te kweeken!
De ernstige strijdsters voor vrouwenrechten zullen zich dan ook nimmer stellen op het standpunt van de gelijkheid der geslachten; tegenstanders, die dit beweren, bezondigen zich gewoonlijk aan een moedwillig niet willen begrijpen, of gaan af op de uitingen of gedragingen van enkele vrouwen die, den schijn nemende voor het wezen, tot buitensporigheden vervallen en de zaak, waarvoor zij heeten te strijden, meer kwaad dan goed doen. Doch wie zich aan dezulken stoort, doet dwaas; excessen komen in elke beweging voor, en men doet het best er geen aandacht aan te schenken.
Waar de vrouwen echter wel degelijk aanspraak op maken is dit, dat zij zullen worden beschouwd als volkomen gelijkwaardig aan den man. Man en vrouw, verschillend wat betreft lichamelijke kracht, sommige levensfuncties, geaardheid, karaktereigenschappen ook menigmaal, zijn bestemd om elkaar aan te vullen, en te zamen te vormen den meest volmaakten mensch. Doch in hoeveel opzichten ook verschillend, zoo hebben zij toch als deel van dien meest volkomen mensch gelijke waarde; als volkomen gelijkwaardigen behooren zij invloed te oefenen op de cultuur der volkeren, behooren zij haar stempel te drukken op de ontwikkeling en de welvaart van haar land, op het welzijn der komende geslachten.
Tot op heden is men in erkenning van de gelijkwaardigheid van man en vrouw veel te kort gekomen; op hunne ongelijkheid wat de sexen betreft baseeren de vrouwen echter juist haar eisch om volkomen erkend te worden als staatsburgeres, om met en naast de mannen invloed te oefenen op de maatschappelijke toestanden.
Het is zeer gemakkelijk om tot een goed begrip van deze zaken te komen, wanneer men het groote huisgezin van den Staat vergelijkt met het gewone gezin. Waar in een gewoon gezin de man of de vrouw ontbreekt, is er iets defect. In de allereerste plaats zullen de kinderen daarvan de nadeelige gevolgen ondervinden; zij missen òf den voor hun opvoeding zoo noodigen invloed van den vader, wanneer deze ontbreekt, òf—en dit is in vele gevallen nog erger—als er geen moeder meer is, lijden zij sterk onder het gemis van moederliefde en moederlijke zorg, en in de meeste gevallen zal heel hun volgend leven den stempel dragen van dit gemis aan den eenen of anderen kant.
Niet anders zal het gaan in het groote huisgezin dat men Staat noemt. Staat dit onder uitsluitend mannelijke leiding en mannelijken invloed, dan moeten noodwendig de wetten waaronder de burgers, dat zijn de leden van dat groote gezin, leven, eenzijdig zijn. In de vorige hoofdstukken hebben wij reeds gezien, hoe deze uitsluitend mannelijke invloed bij de wetgeving steeds werkt ten nadeele van de vrouw. Maar behalve dit, werkt hij ook ten nadeele van de gemeenschap. Hoe zou dit ook anders kunnen, wanneer men ten opzichte van deze aangelegenheid afwijkt van het algemeen erkend en op waarheid gegrond principe, dat een zaak er slechts bij kan winnen, wanneer zij van verschillend standpunt wordt bekeken, dat veelzijdigheid van behandeling is te beschouwen als een aanwinst.
Waar wij nu, bij erkenning van de volkomen gelijkwaardigheid van man en vrouw, weten dat een vrouw juist door haar vrouw-zijn een anderen kijk heeft op de dingen dan een man, spreekt het van zelf dat ook de wetten veelzijdiger zullen worden behandeld, dus aan waarde zullen winnen, wanneer zij worden gemaakt door mannen en vrouwen. En naarmate de Staat zich meer ontwikkelt in modernen geest, d.w.z. zijn bemoeiingen en zorg steeds verder uitstrekt, dieper ingrijpt in het particuliere leven ten behoeve van het algemeen welzijn, naar die zelfde mate zal het noodig zijn dat alle beschikbare krachten, alle verstand, alle gevoel van barmhartigheid en liefde, alle gevoel voor recht, worden te hulp geroepen, om de wetgeving zoo goed en zoo rechtvaardig te maken als mogelijk is.
Hieruit volgt reeds van zelf, dat het dan ook niet te verdedigen valt, indien eene regeering de hulp der vrouwen daarbij ongebruikt laat; een gedragslijn, die, zoo men daarbij bleef volharden, zooveel te sterker onze verbazing zou wekken, omdat men zich daardoor moedwillig berooven zou van tal van geschoolde krachten.
Of zou men niet met recht mogen verwachten dat de vrouw, die jaar in jaar uit in het huisgezin een praktische leerschool heeft doorloopen, die geleerd heeft met een afgepast huishoudgeld te woekeren, die gewoon is op alles acht te slaan en niets verwaarloost, deze eigenschappen ook met gunstig gevolg zou toepassen in de huishouding van den Staat?
Bij het beheer der gemeente- of Staatsgelden zou zij ongetwijfeld goed en practisch werk verrichten, vooral dáár, waar, door het in acht nemen van een gepaste zuinigheid, veel onnut gelduitgeven kan worden voorkomen. Denken wij daarbij in de eerste plaats eens aan het onderhoud van rijks- en gemeentegebouwen; zou daarbij onder uitsluitend mannenrégime niet wel eens onnoodig royaal worden huisgehouden?
Denken wij verder eens aan de voeding van de soldaten. Ondanks de vele pogingen die steeds worden gedaan om deze te verbeteren, weet iedereen, dat daaraan in werkelijkheid nog zeer veel ontbreekt. En toch wordt er geld genoeg aan ten koste gelegd. Maar er wordt niet gezorgd, zooals vrouwen dat plegen te doen.
Menigmaal laat de bereiding der spijzen te wenschen over; soms beantwoordt de kwaliteit van de grondstoffen niet aan de eischen die men met het oog op de betaalde prijzen mag stellen. In beide gevallen is het gevolg dat de soldaat slecht wordt gevoed en dat zelfs oorspronkelijk goed voedsel, omdat het door de slechte bereiding niet te eten is, terecht komt in wat men in de kazerne noemt de “kiebelton,” iets wat gelijk staat met onze vuilnisbak. Hoort men dan daarbij nog feiten vertellen, zooals er onlangs in een van onze garnizoensplaatsen eens voorviel, n.l. dat om een te kort in de voeding van zekeren dag aan te vullen, aan de manschappen elk een half ei! werd uitgereikt, dan begrijpt men dat practische vrouwen hier nog wel wat te doen zouden vinden.
Zoo zouden op dezelfde wijze onze opvoedingsgestichten er wèl bij varen, wanneer daar tengevolge van de medewerking der vrouwen, naast het veelal overheerschend militair régime ook wat moederzorg zijn intrede deed.
Doch daar zijn nog zooveel andere takken van dienst die in hooge mate de belangen der gemeenschap raken, waar het gebruik maken van de in de praktijk des levens geschoolde vrouwenkrachten zegenrijk zou werken. Wij zeiden het reeds: de hedendaagsche vrouw, die haar werkkracht niet in het gezin kan plaatsen, die niet om den broode behoeft te werken, wil toch haar aandeel hebben aan den maatschappelijken arbeid. Zij wijdt zich veelal aan filantropie of aan z.g. maatschappelijk werk, en ongetwijfeld vindt haar hand daar zeer veel te doen. Bij armenverzorging, drankbestrijding, zorg voor het verwaarloosde kind, woningtoezicht, volksgezondheid (daarbij niet te vergeten de bestrijding van volksziekten als tuberculose en lupus), bescherming van meisjes, verbetering der openbare zedelijkheid, enz. enz., zijn honderden vrouwen op particulier terrein werkzaam. Dat zij daar een schat van ervaring en practische kennis opdoen, zal wel iedereen erkennen die niet met blindheid is geslagen. Doch wanneer de Staat deze zaken ter hand neemt, doet hij dit tot op heden zonder de hulp van de vrouwen, of laat haar hoogstens zeer ondergeschikte functies vervullen, en berooft zich zelf daardoor moedwillig van de voorlichting van ervaren deskundigen.
Onnoodig te zeggen, dat vooral ook ten opzichte van onderwijs en opvoeding de medewerking van de vrouw aan de desbetreffende wetgeving noodwendig van goeden invloed moet zijn. Het is hierboven reeds gezegd, dat de Staat steeds meer ingrijpt in het gezinsleven, door de geestelijke en lichamelijke verzorging van het kind wettelijk te regelen, en aldus aan de moeders een deel ontneemt van het werk dat haar door alle eeuwen heen is toevertrouwd geworden. Mag aan den eenen kant de vrouw zich die aloude taak niet laten ontnemen, zoo zal aan den anderen kant de overheidszorg slechts de goede uitwerking kunnen hebben die men bedoelt, wanneer aan de vrouwen gelegenheid wordt gegeven haar moederlijke zorg verder uit te strekken dan tot eigen gezin, en daardoor ten goede te doen komen aan de gemeenschap.
Golden alle tot hiertoe aangehaalde voorbeelden van het belang, dat de maatschappij er bij heeft als de vrouw kan deelnemen aan den wetgevenden arbeid, slechts den directen invloed die daarbij van haar zal uitgaan, nog grooter zal in den loop der tijden de indirecte werking zijn van de erkenning der vrouw als volledig staatsburgeres.
Hierbij moeten wij in de eerste plaats denken aan de opvoedende kracht van het stembiljet.
Men verwijt de vrouwen zoo menigmaal bekrompenheid, een zich vastklampen aan conventioneele begrippen, een weinig ruimen blik. Kan het anders, waar haar sedert eeuwen minder vrijheid was toegestaan dan aan den man; waar men zich tot voor korten tijd weinig bekommerde om hare ontwikkeling; waar men haar zorgvuldig hield buiten de bespreking van de groote vraagstukken van den dag, omdat deze, zooals men meende, buiten haar gezichtskring vielen, omdat “vrouwen daar toch geen verstand van hadden”? Doch als de vrouw het stembiljet in handen krijgt, zullen al deze dingen veranderen. Men zal er dan van verschillende zijden belang bij hebben, de vrouwen de noodige kennis bij te brengen. De kiesvereenigingen, de pers, politieke personen, die allen zullen van de vrouwen belangstelling vragen voor zaken waar men haar vroeger liefst buiten hield, en haar kennis trachten bij te brengen omtrent allerlei gebeurtenissen van den dag op verschillend gebied. Natuurlijk zal dit van grooten invloed zijn op de ontwikkeling van de vrouw in het algemeen, het zal haar denken een andere richting geven; de belangstelling, die eerst moest worden afgedwongen, zal langzamerhand in haar zelf gaan wortelen en zij zal weldra uit eigen beweging kennis gaan nemen van allerlei, wat haar vroeger koud liet, en waarvan zij meende dat het uitsluitend mannenzaken waren.
Het natuurlijk gevolg van dit alles zal zijn, dat de gezichtskring der vrouw zich aanmerkelijk uitbreidt. Bleef deze vroeger beperkt tot eigen gezin en familie, voor de vrouw die kennis neemt van wat daar omgaat in de groote menschenwereld, die de nooden en behoeften der maatschappij heeft leeren kennen en begrijpen, moet die gezichtskring zich verruimen. Zij zal meer en meer terugkomen van haar tot nu toe ingenomen egoïstisch standpunt en worden opgevoed tot meer altruïstische inzichten. Zij zal het verband leeren zien dat bestaat tusschen gezin en maatschappij, en gaan begrijpen dat elk individu zich voor een deel verantwoordelijk moet gevoelen voor de welvaart en het geluk van de menschheid in haar geheel. De alleenstaande vrouw zal gaan gevoelen, dat zij niet langer voor eigen genoegen en welzijn mag leven, maar dat ook de gemeenschap recht heeft op een deel van hare werkkracht.
Voor de moeder echter zal deze verruiming van inzicht nog veel verder strekkende gevolgen hebben, die van onberekenbaar nut zullen zijn voor de samenleving. Eerst wanneer de moeders beter begrip zullen hebben gekregen van maatschappelijke verhoudingen en toestanden, zullen zij tot het volle besef komen van de groote taak die op haar rust, om voor de opvoeding van het komend geslacht te zorgen. Zij zullen die taak meer en dieper gaan waardeeren naarmate zij er den omvang van gaan beseffen, doch tevens de verantwoordelijkheid sterker gaan gevoelen die op haar schouders is gelegd. Zij zullen gaan begrijpen, dat het niet voldoende is dat zij haar kinderen lichamelijk goed verzorgen en hen voor het kwade trachten te behoeden, maar dat zij hen hebben toe te rusten en krachtig te maken voor het maatschappelijk leven. Daarbij zullen zij leeren afstand doen van veel egoïsme en eigenwaan; het besef zal bij hen doordringen, dat de kinderen niet moeten worden opgevoed om ze te behouden voor gezin en familie in de enge beteekenis van het woord, maar dat ook de gemeenschap recht op hen heeft.
De moeders die zelf deelnemen aan het maatschappelijk leven in den uitgebreidsten zin, die de nooden en behoeften van haar tijd kennen, zullen inzien, dat zij op geen krachtiger wijze de evolutie der tijden in de goede richting kunnen helpen leiden, dan door aan de maatschappij af te leveren goed opgevoede, goed toegeruste, ernstig denkende en voelende jonge mannen en vrouwen, gezond en krachtig van lichaam en geest.
Men vreeze daardoor geen verslapping der familiebanden of vermindering van liefde in het gezin ten koste van het gemeenschapswerk. Integendeel. Onze tegenwoordige tijd van overgang schept menigmaal in de gezinnen toestanden van wrok en wantrouwen, van bandeloosheid en anarchie. Het is niet te veel beweerd, wanneer wij de schuld daarvan voor een groot deel schuiven op de moeders. Niet omdat de moeders van thans slechter zouden zijn, dan die uit vroeger tijden, maar omdat zij, althans wat de groote meerderheid betreft, in hare ontwikkeling, in haar denken en voelen niet zijn medegegaan met haar tijd. Het innerlijk wezen van deze tijden begrijpen zij niet, het gaat buiten haar om; daardoor nemen zij den schijn voor het wezen, zien alleen de oppervlakte der dingen en houden de uiterlijke verschijnselen van ons tegenwoordig maatschappelijk leven voor dat leven zelf.
De jeugd wil meer vrijheid; het verbeterd onderwijs maakt dat jongens en meisjes zich intellectueel spoedig boven hun moeder verheven wanen. Met de voortvarendheid, ook wel eens de verwaandheid aan de jeugd eigen, willen zij doorstormen; zij kunnen geen band verdragen, erkennen geen gezag. De moeders voelen zich de teugels ontglippen; zij willen die ongebreidelde zucht naar vrijheid bedwingen, aan den eenen kant omdat zij die niet begrijpen, aan den anderen kant omdat zij inzien en dikwijls nog meer gevoelen, hoe de jonge menschen er geen goed gebruik van maken, hoe zij te dwaas doorhollen. Doch door haar eigen onbekendheid met de groote maatschappelijke vraagstukken, door haar veelal blijven voortleven in de gedachtensfeer van een vroeger geslacht, missen zij de kracht en de kennis om in te grijpen als het noodig is, om leiding te geven aan die zucht naar een vrijer leven. Het gevolg is een botsing, of, zoo het niet zoover komt, een verkoeling tusschen moeder en kinderen. De moeder zucht over de moderne tijden, en meent dat zij nu alles maar moet laten gaan, omdat er toch geen houden aan is; òf zij wil met ijzeren hand de oude tucht handhaven, wat haar natuurlijk slechts gelukt tot de jeugd volwassen is geworden en zich met bitterheid in het hart van de moeder afkeert.
Zonder nu te willen beweren dat het toekennen van kiesrecht aan de vrouw in deze toestanden een plotselinge en algeheele verbetering zal brengen, zoo is het toch zeker, dat het stembiljet grooten invloed zal oefenen op de geestelijke en maatschappelijke ontwikkeling van de vrouw. Juist doordat zij van verschillende kanten zal gedwongen worden om kennis te maken met de vragen van den dag op economisch en politiek terrein, kàn zij niet langer onwetend blijven ten opzichte van de tijdsstroomingen en de eischen die het leven aan het opkomende geslacht stelt.
Het kan niet anders of deze breedere algemeene ontwikkeling zal haar kwaliteiten als opvoedster ten goede komen; de kinderen zullen er profijt van trekken, en door deze weer de geheele maatschappij.
Doch er is meer. De erkenning van de vrouw als staatsburgeres zal haar in maatschappij en huisgezin plaatsen naast den man; er zal in het publieke leven even goed met haar rekening worden gehouden als met hem. Deze openlijke erkenning van de vrouw als gelijkgerechtigd wezen moet ook van invloed zijn op hare verhouding tot haar volwassen kinderen. Niet natuurlijk in die gezinnen, waar ook zonder wettelijke bepalingen de vrouw reeds thans de gelijkwaardige is van den man en als zoodanig door hem en de kinderen wordt erkend. Gelukkig hebben er steeds zulke gezinnen bestaan, en daar is ook steeds van de moeder groote kracht en invloed uitgegaan. Maar in duizenden gezinnen, waar men de moeder wel liefhad als de goede verzorgster, maar vond dat zij zich niet had te mengen in de verder afgelegen zaken “omdat vrouwen daar toch geen verstand van hebben,” daar zal het moederlijke woord van verder strekking en langduriger invloed zijn, wanneer de volwassen kinderen haar alom erkend zien als iemand met wie rekening moet worden gehouden. En dan zal er niet zoo spoedig worden gelachen door de zoons om het ernstig vermanende woord van moeder, wanneer zij de wereld intrekken. Dan zal waarschijnlijk haar stem den jongen man langer in de ooren klinken, wanneer zij hem waarschuwt voor afdwalingen op zedelijk gebied en hem aanspoort alle valsche schaamte te laten varen, die hem menigmaal belet goed te blijven en weerstand te bieden aan de verleiding.
Dan zal ook het volwassen meisje meer vertrouwen hebben in haar moeder, waar deze haar dochter in het leven als een vriendin wil terzijde staan.
Men verwerpe toch deze meening niet als zou zij te idealistisch zijn. Al weet men dat geen enkel ideaal geheel en al verwezenlijkt kan worden, daarom mag men toch niet alle idealisme terzijde stellen. Een goed deel er van kan toch werkelijkheid worden, en hier is er alle kans dat dit deel zeer groot zal zijn, zoo niet in eens, dan toch op den langen duur.
Doch behalve ten opzichte van de opvoeding der kinderen, zal de gemeenschap er voordeel van trekken, wanneer aan de vrouw, door de toekenning van politieke rechten, wordt toegestaan mede te werken aan den opbouw der moderne samenleving, of wanneer zij, ofschoon daartoe nog niet den aandrang in zich zelf gevoelend, wordt gedwongen in die richting te gaan. Steeds meer toch dreigen—althans in de gegoede kringen der samenleving—vele vrouwen te vervallen tot een parasitisch bestaan. Door gebrek aan ernstig werk, aan arbeid die noodzakelijk door haar moet worden verricht, beginnen zij te verslappen, verliezen alle energie en loopen gevaar langzamerhand te worden non-valeurs voor de gemeenschap. Zelfs als voortbrengster van een nieuw geslacht verliezen dergelijke vrouwen haar waarde; want wat mag men verwachten van een nieuwe generatie die dergelijke moeders had?
Het is hoog tijd dat aan die vrouwen ander werk wordt gegeven, werk dat haar weer belangstelling geeft en opgewektheid, arbeid die in staat is de energie, die dreigde verloren te gaan, opnieuw aan te wakkeren, die haar weer idealen voorhoudt, waarvoor het de moeite waard is te leven en zich in te spannen.
Het stembiljet zonder meer zou niet bij machte zijn dat nieuwe, opgewekte leven te brengen. Maar wel datgene wat het kiesrecht noodzakelijk in zijn gevolgen moet medevoeren, en wat wij alom zien dat het telkenmale gebracht heeft aan die categorieën van mannen, die bij eene uitbreiding van het kiesrecht in het bezit kwamen van politieke rechten, en dat zich uit in een zich bewust worden van zijn rechten en plichten als staatsburger, in verhoogden gemeenschapszin, in meerdere geestelijke ontwikkeling en ten slotte in de behoefte om al deze nieuw verworven eigenschappen om te zetten in daden ten behoeve van het gemeenschappelijk belang. Onze tegenwoordige maatschappij gaat gebukt onder een te kort aan geestelijke werkkracht, zij lijdt aan een ontbreken van den noodigen gemeenschapszin, om haar zedelijk te verheffen en innerlijk gezonder en krachtiger te maken. Door aan de vrouwen het kiesrecht te verleenen en haar zoodoende meer in het gemeenschapswerk te betrekken, kan men voor een zeer groot deel in dit te kort voorzien.