Vrouwenkiesrecht in verschillende landen.
Reading edition
Wat zijn de gevolgen geweest van de invoering van vrouwenkiesrecht in die landen, waar men den moed heeft gehad te breken met oude gewoonten en de opbouwing en instandhouding van den Staat, evenals die van het gezin, aan mannen en vrouwen gezamenlijk durfde toe te vertrouwen? Heeft het daar de ellende gebracht, die tegenstanders er van verwacht hebben; is het gezinsleven er door ondermijnd; zijn de huishoudingen er door verwaarloosd; heeft het ongenoegen tusschen man en vrouw veroorzaakt; werd de parlementaire arbeid er door op een lager peil gebracht? Of wel, heeft het al de zegeningen gebracht die de vrouwen er van verwacht hebben?
Op deze en soortgelijke vragen kan nu een antwoord gegeven worden, omdat wij op dit oogenblik reeds kunnen nagaan hoe de invoering van vrouwenkiesrecht werkt in geheel Australië, in 9 Staten van Noord-Amerika en in Alaska, in Finland en Noorwegen, alwaar overal algemeen kiesrecht voor mannen en vrouwen bestaat voor alle wetgevende en wetuitvoerende lichamen, terwijl in tal van andere landen en staten de vrouwen thans kiesrecht en verkiesbaarheid bezitten voor een deel dezer lichamen. In rapporten, die alle twee jaar, door de vrouwen aller landen, op de congressen van den Wereldbond voor Vrouwenkiesrecht worden uitgebracht, in het boek “Vrouwenkiesrecht in de praktijk,” door den Wereldbond voor Vrouwenkiesrecht dit jaar uitgegeven, in de openbaar gemaakte uitingen van regeeringspersonen en mannen van naam en beteekenis uit de landen waar vrouwenkiesrecht bestaat en in de gepubliceerde feiten, vinden wij genoeg gegevens om de bovenstaande vragen te kunnen beantwoorden. Wij behoeven gelukkig niet meer te vreezen, dat met de invoering van vrouwenkiesrecht een sprong in het duister wordt gedaan, wij behoeven niet meer angstvallig te vragen “wat zal het vrouwenkiesrecht ons brengen,” wij kunnen nu nagaan “wat heeft het vrouwenkiesrecht gebracht in de landen waar het is ingevoerd.”
Wel is waar kunnen wij uit de tot stand gekomen wetten in de landen waar de vrouwen aan de wetgeving deelnemen, niet altijd besluiten, dat zij een gevolg zijn van den arbeid der vrouwen, omdat mannen en vrouwen beide aan de tot standkoming dier wetten hebben medegewerkt; maar bij vergelijking met wat in andere landen onder dezelfde omstandigheden tot wet werd verheven, uit de geuite wenschen der vrouwen omtrent wetswijziging en uit de punten, die zij op de politieke partijprogramma’s hebben gebracht, is toch de invloed op de wetgeving van de vrouwen, die over een stembiljet beschikken, duidelijk genoeg na te gaan.
Laat mij beginnen met datgene te vermelden, waardoor de mannen hunne meening omtrent de werking van vrouwenkiesrecht openlijk te kennen gaven in die landen, waar de vrouwen reeds verschillende jaren het kiesbiljet gebruiken. En dan moet bovenaan vermeld worden de daad door het Parlement van de Vereenigde Staten van Australië verricht.
Op 17 November 1910 diende Senator Rea de volgende motie in dat Parlement in: “Dat dit Parlement van meening is, dat het toekennen van kiesrecht voor parlement en gemeenteraden aan de vrouwen van Australië, de meest gunstige gevolgen heeft gehad. Dat het de rust en orde op verkiezingsdagen zeer heeft bevorderd; dat het aantal stemmen door vrouwen uitgebracht bij de laatst gehouden verkiezing voor leden van het parlement percentsgewijs hooger was dan dat der mannen.
“Dat het vrouwenkiesrecht de wetgeving ten behoeve van vrouwen en kinderen meer op den voorgrond heeft gebracht, doch dat daaruit niet de gevolgtrekking mag getrokken worden, dat de vrouwen alleen aandacht wijden aan deze zaken. Dat vrouwen in zaken, de landsverdediging en de imperialistische politiek betreffende, even ruim denken als de mannen.
“Dat deze hervorming het land niets dan goeds heeft gebracht, terwijl er zoovele slechte gevolgen van voorspeld waren en dat daarom bij alle andere natiën, die een constitutioneelen regeeringsvorm bezitten, er eerbiedig op wordt aangedrongen den vrouwen het stemrecht te verleenen.”
Verder werd er voorgesteld dat een afschrift van deze motie gezonden zou worden naar den Eersten Minister van Engeland, om zoodoende het Moederland in deze gewichtige zaak van advies te dienen.
In zijne toelichting zeide Senator Rea o. a. “dat nu de tijd voorbij is, dat een vooruitstrevende natie kan volhouden, dat de vrouwen minderwaardiger dan de mannen zijn.” Op het argument “dat het Australische parlement zich niet het recht mocht aanmatigen het Moederland raad te geven,” antwoordde hij “dat de Regeering van Australië niet geaarzeld had zijn oordeel uit te spreken over het Doggersbank-incident, over den Russisch-Japanschen oorlog, over Home-rule voor Ierland en dat z.i. het vrouwenkiesrecht een even gewichtig, zoo niet gewichtiger vraagstuk was, dan de genoemden. Door de invoering van vrouwenkiesrecht wordt de weg tot vele sociale en economische verbeteringen gebaand.”
De tegenstanders van de motie gaven toe, dat door de invoering van vrouwenkiesrecht veel goeds was tot stand gekomen, maar zij vonden dit geen reden om het Moederland van ongevraagd advies te dienen. De voorstanders waren evenwel van oordeel, dat in zulk een gewichtige zaak de verkregen ervaring wel degelijk het geven van raad gebiedend voorschreef. Ten slotte werd de motie met eene groote meerderheid van stemmen aangenomen, terwijl de enkele tegenstemmers er prijs op stelden, dat uitdrukkelijk werd vermeld, dat zij wel vóór de gunstige resultaten van vrouwenkiesrecht gestemd hadden, doch er alleen tegen waren, dat de gehouden bespreking aan de Engelsche regeering werd medegedeeld.
De geheele motie met uitgebreide toelichting, werd toen aan Minister Asquith getelegrapheerd, en door de pers openbaar gemaakt.
Een ander feit waarop wij kunnen wijzen, en dat niet minder getuigt van de gunstige werking van vrouwenkiesrecht is: “dat in de Vereenigde Staten van Amerika de Gouverneurs van die Staten, waar de vrouwen het kiesrecht hebben, zich hebben vereenigd om de Gouverneurs van andere Staten tot voorlichting te dienen, wanneer dit gewichtig vraagstuk ook bij hen om oplossing vraagt.” Van deze samenwerking der Gouverneurs hebben de vrouwen reeds veel goeds ondervonden. Sedert kan geen courant in Amerika meer onware berichten verspreiden omtrent de werking van vrouwenkiesrecht, omdat dan onmiddellijk de Gouverneur van dien Staat daarmede in kennis wordt gesteld en daardoor in staat is met ware gegevens de onware berichten te logenstraffen.
En getuigt het niet ook van de goede werking van het vrouwenkiesrecht in Noorwegen, dat de Regeering bij elk Congres, waarop dit vraagstuk ter sprake komt, een of twee Regeeringsafgevaardigden zendt, die op kosten van de regeering reizen en die komen met een opdracht van de regeering om de ingenomenheid met de resultaten van vrouwenkiesrecht aan de wereld kenbaar te maken? Maar sterker spreekt die ingenomenheid met de resultaten, nu de regeering van Noorwegen in eene vergadering in Juni l.l. met algemeene stemmen het besluit nam om de vrouwen, die tot dien tijd nog slechts een beperkt kiesrecht voor het Parlement bezaten, het volledig kiesrecht toe te kennen, toen een daartoe strekkend voorstel, uitgaande van leden uit alle politieke partijen, bij de regeering inkwam.
En in Finland? Meer dan boekdeelen vol theoretische beschouwingen over het nut van vrouwenkiesrecht, zeggen de uitspraken van de meest invloedrijke mannen uit Finland, die in de gelegenheid waren de werkzaamheden van de vrouwen in het Finsche parlement van nabij gade te slaan. Zij werden in brochurevorm op het Congres van den Wereldbond voor Vrouwenkiesrecht den afgevaardigden ter hand gesteld.
De voornaamsten zullen wij hier vertaald wedergeven.
Senator Mechelin, de man die in 1906 het vrouwenkiesrecht voor Finland invoerde, na het eerst tegenover den Czaar van Rusland verdedigd te hebben, werd in 1839 geboren. Van 1874 tot 1882 was hij Professor in het Staatsrecht en Finantiewezen aan de Hoogeschool te Helsingfors. Daarna ging hij in het politieke leven over en werd weldra de leider van zijne politieke partijgenooten. Als zoodanig is hij nog werkzaam. Hij schrijft: “Daar de vrouwelijke afgevaardigden in den Landdag geen afzonderlijke afdeeling vormen, maar in de verschillende afdeelingen met de mannen samenwerken, daarom kunnen wij over hen geen collectief oordeel uitspreken. De grootste arbeid wordt in onzen Landdag, even als in alle parlementen het geval is, in de commissies en afdeelingen verricht. In alle commissies, waar de vrouwen tot leden benoemd werden, hebben zij hare plaats op bevredigende wijze ingenomen. Vooral was dit het geval in de Commissies voor de financiën, de sociale hervormingen en voor de landbouwafdeeling. In de openbare vergaderingen hebben niet alle vrouwenleden het woord gevoerd, maar dit geldt toch ook voor vele mannen-leden, maar zij die aan de openbare beraadslagingen deelnamen, deden dat met niet minder welsprekendheid dan de mannen en toonden over dezelfde zaakkennis te beschikken als hunne mannelijke collega’s. Zoowel de uitingen der vrouwelijke afgevaardigden, als ook de wetsvoorstellen die op haar initiatief werden ingediend, bewijzen dat de vrouwen ten opzichte van het algemeene welzijn aan de Volksvertegenwoordiging nieuwe krachten hebben toegevoerd en dat zonder haar medewerking vele vraagstukken door de mannen niet naar behooren overwogen zouden zijn geworden.
Onder de hervormingen, die door de vrouwen in den Landdag tot stand zijn gekomen, moeten de volgende in de eerste plaats genoemd worden: “hervorming van het huwelijksgoederenrecht, verbetering van de rechtspositie van het onechtelijk geboren kind, moederschapsverzekering, invoering van vrouwelijke inspectrices van gezondheid, regeeringsbijstand aan vereenigingen die werken tot verbetering der zeden, uitbreiding van den arbeid der vrouw in staatsdienst etc.
De genoemde voorbeelden toonen aan, dat de vrouwen zich bij voorkeur bewegen in de sfeer, waarin de vrouw dieper inzicht heeft dan de man. Dat noem ik geen feminisme, want de voorgeslagen maatregelen waren steeds ten algemeenen nutte. In politieke vraagstukken, welke tot partij-strijd aanleiding geven, heeft zich nooit eene afzonderlijke vrouwenmeening doen gelden. In het partijleven staan de mannen en vrouwen bij ons solidair.
Wij in Finland hebben geen reden over de invoering van vrouwenkiesrecht te klagen. In de moeilijke tijden, waarin door het telkens ingrijpen der Russische regeering onze zelfstandigheid wordt bedreigd en het werk van den Landdag wordt verlamd is eene verheffing en versterking van het solidariteitsgevoel der geheele natie, waartoe de politieke gelijkstelling van man en vrouw heeft bijgedragen, niet hoog genoeg te waardeeren!”
w.g. L. Mechelin.
Helsingfors, 18 Jan. 1913.
Theodolf Rein, vroeger Professor in de Philosophie aan de Universiteit te Helsingfors, later lid van den Landdag en thans wethouder van de stad Helsingfors, schrijft: “Sedert de invoering van vrouwenkiesrecht in 1906 is er tijd genoeg verloopen om een op ervaring gegrond oordeel over de werking er van te kunnen uitspreken. Ik koester de overtuiging, die ook wel de gangbare in heel Finland is, dat deze hervorming, welke mondige medeburgers van beiderlei geslacht gelijke politieke rechten verleende, het land geen schade gebracht heeft, al is ook het positieve nut voor de geheele gemeenschap niet altijd duidelijk aantoonbaar. Dit laatste voor een deel het gevolg van de ongunstige politieke verhoudingen waarin wij leven. De vrees, dat de deelneming aan het politieke leven de vrouw minder geschikt zou maken voor haar werkkring als vrouw en moeder, is bij ons niet bewaarheid geworden. Inderdaad is het toch slechts een gering aantal dat een werkzaam aandeel neemt aan het politieke leven en van deze zijn de meesten ongehuwd of bezitten geen kinderen. De meeste vrouwen nemen aan het politieke leven slechts bij de verkiezingen deel, door eens in de drie jaar haar stembiljet in de bus te werpen. Daardoor wordt niet zooveel tijd in beslag genomen, dat er een of andere plicht door verzuimd moet worden. Het is toch ook niet aan te nemen dat deelneming aan de verkiezingen de belangstelling in eigen private aangelegenheden zou verzwakken. Dat vrouwen trachten zich de noodige kennis te verschaffen tot eene goede uitoefening van hare nieuwe rechten, kan toch niet anders dan gunstig werken. Daardoor is bij de vrouwen een grooter belangstelling gewekt voor het algemeene welzijn, is haar algemeene kennis verrijkt en grooter verantwoordelijkheidsgevoel ontstaan voor maatschappelijke toestanden. Vrouwen die kinderen op te voeden hebben, zijn daardoor beter in staat de opgroeiende jeugd liefde voor land en volk in te prenten en het plichtsgevoel als burgers bij te brengen. Doch ook voor de verhouding in het huwelijk is de vergrooting van den gezichtskring der vrouw een winst geweest.
Vrouwelijke afgevaardigden zijn nog niet talrijk, maar velen hebben zich reeds door verstand en zakenkennis een grooten naam gemaakt. Dooreen genomen hebben de vrouwen-afgevaardigden zich in den Landdag niet zooveel doen hooren als de mannelijke collega’s, doch hieruit mag niet geconcludeerd worden dat zij minder goed werk hebben geleverd. Sedert 1905 tot 1912 hebben de vrouwen, eensdeels gezamenlijk, anderdeels met mannen, moties en wetsvoorstellen ingediend, die van groote algemeene beteekenis zijn, ook al hebben zij de belangen der vrouwen in de eerste plaats op het oog gehad. Daaronder zijn: Verhooging van den verantwoordelijkheidsleeftijd der meisjes, veranderingen in het huwelijksgoederenrecht, afschaffing van de voogdij van den gehuwden man over zijne vrouw, moederschapsverzekering, verbetering van den rechtstoestand van het onechtelijk geboren kind, vergrooting van den werkkring der vrouw in staatsdienst, oprichting van staats-huishoudscholen, maatregelen tegen drankmisbruik, verbeteringen in het gevangeniswezen, invoering van vrouwelijke inspectrices voor het gezondheidswezen enz. Daarbij komen nog wetsontwerpen op het gebied van communaal recht, van algemeenen leerplicht, van uitbreiding van het spoorwegnet, van verbetering der rechtspositie der Joden enz. Een deel dezer wetsontwerpen zijn reeds aangenomen, een ander deel is nog in behandeling.
De deelneming der vrouwen aan het politieke leven heeft den politieken partijstrijd niet verscherpt, veeleer getemperd. De vrouwen hebben geen eigen politieke partij gevormd, doch zijn tot de bestaande politieke partijen toegetreden. Daardoor zijn de verhoudingen der verschillende partijen vrijwel gelijk gebleven en is in geen partij eene verandering ten goeden of ten kwaden ontstaan.
Ten slotte staat thans de vrouw ten opzichte van de groote levensvraag van ons land aan de zijde van den man met een helderder bewustzijn en vaster besluit om gezamenlijk met hem het goed recht van het land te verdedigen dan zij dat in haar vroeger rechtlooze positie heeft kunnen doen.”
w. g. Th. Rein 18/1, 1913.
Op nagenoeg dezelfde gronden verklaarden nog de volgende mannen van beteekenis in Finland zich ingenomen met het bestaande vrouwenkiesrecht in hun land en alleen daar, waar zij iets aan het voorgaande hebben toe te voegen, zal ik hen citeeren. 1º Rechter P. E. Svinhufvud, 2º Doctor en Lid van den Landdag A. Neovius, een bekend uitgever, die o. m. zegt: “dat het gemiddelde niveau van het intellect der vrouwen-kiezers nergens lager, veeleer hooger staat dan dat der mannen. En in den Landdag staan de vrouwen in bekwaamheid niet achter bij de mannen,” 3º Jonkheer V. A. von Born, groot-grondbezitter en politicus. 4º Ernst Estlander, professor in de geschiedenis van het Recht aan de Universiteit van Helsingfors en lid van den Landdag. Hij zegt o. a. “De medewerking der vrouwen aan het werk in den Landdag heeft nooit moeilijkheden opgeleverd, maar wel heeft het in de Volksvertegenwoordiging nieuwe ervaring en andere zaakkennis aan het licht gebracht op sociaal en humanitair gebied.” 5º Ook Professor Wrede spreekt zich ongeveer in den geest van den te voren genoemde uit. 6º Jonkheer Palmen, ook een professor en afgevaardigde in den Landdag schrijft o. a. “Voor het overige hangt toch de bekwaamheid van den persoon van den afgevaardigde af. Enkele vrouwelijke afgevaardigden hebben zich ontegenzeggelijk, hoe onervaren zij ook in het politieke leven traden, als zulke bekwame personen doen kennen, dat zij boven hunne mannelijke collega’s uitsteken, even als voor een halve eeuw de eerste vrouwelijke studenten aan onze Universiteiten zich wisten te verheffen boven het gemiddelde niveau hunner mannelijke medestudenten.” 7º Dr. Axel Lille, hoofdredacteur van het politieke Dagblad “Nya Pressen”. 8º Rector V. T. Rosenqvist, aan het hoofd van het Staatsgymnasium voor jongens. 9º Professor C. G. Swan, uitgever van een ander politiek blad. 10º Professor Ossian Asschan en anderen laten zich allen in ongeveer dezelfde termen uit. De laatste eindigt zijn lang artikel met de volgende ontboezemingen: “Onze moeders, vrouwen en zusters hebben op grond van ervaring het volle recht zich als rijp te beschouwen voor de uitoefening van politieke rechten. Dit geldt zoowel voor de vrouwen uit de hoogere standen als voor die uit het volk. Alle in het buitenland rondgestrooide geruchten, dat de politieke ontvoogding der vrouwen haar onbekwaam heeft gemaakt voor de uitoefening van hare huismoederlijke plichten, berust op slechte voorlichting of opzettelijk valsche voorstelling der feiten.”
Alvorens van Finland af te stappen is het goed ook nog even een der vrouwen van dit land, welke daar een invloedrijke positie inneemt en ook in ons land bekend is, aan het woord te laten. Het is Vera Hjelt, de bekende fabrieksinspectrice, die van den wetgevenden arbeid der vrouwen in Finland, gedurende de jaren 1907–1911, een uittreksel heeft gemaakt en dit werk, ten behoeve van de vrouwen in andere landen, gepubliceerd heeft. Zij geeft een volledige reeks van alle wetsvoorstellen door de vrouwen in die jaren ingediend, een reeks die meer dan dubbel zoo groot is dan die door de heeren Mechelin en Rein opgesomd. Ik zal er alleen van noemen die hier nog niet bij de namen der genoemde heeren voorkomen. Zij zijn: moeders en vaders gelijk recht te geven over hare kinderen; de oprichting van te-huizen voor verlaten moeders en kinderen; verhoogde strafbaarheid voor prostitutie en verminderde strafbaarheid voor kindermoord; uitbreiding van de wetten tot bescherming van kinderen; de verplichting van elken gemeenteraad te zorgen dat er in elk dorp goede vroedvrouwen zijn: een goede dienstbodenwet; hervorming van het gevangeniswezen, met de verplichting dat elke gevangene een vak moet leeren; tusschenkomst van de plaatselijke autoriteiten bij moeilijkheden tusschen werklieden en werkgevers; oprichting van bureaux voor sociale adviezen; leerplicht; verbod van verkoop van alkohol in het klein; staats-inrichtingen voor drankzuchtigen; wetten die het vereenigingsleven regelen; een voorstel om het Ministerie van Justitie om te zetten in een onafhankelijk Hoog Gerechtshof.
Vera Hjelt zegt, dat niettegenstaande zooveel ijver er toch nog weinig van al deze wetten is tot stand gebracht. Dit is echter een gevolg van den ongunstigen toestand waarin Finland verkeert. In die paar jaar tijds dwong Rusland het land vier keer tot ontbinding van den Landdag, omdat de daarin behandelde en aangenomen zaken niet in den smaak van Rusland vielen. Alle reeds behandelde en aangenomen wetten werden daarbij weder van onwaarde verklaard. De contrôle door het Russische gouvernement op den Landdag van Finland uitgeoefend, verlamt daar elken vruchtbaren arbeid.
Verder merkt ook Vera Hjelt op, dat door het vrouwenkiesrecht nergens ongenoegen in de gezinnen ontstond. Zij schrijft: “Om u te overtuigen hoe ongegrond deze vrees is, behoeft men slechts te zien hoe in verkiezingsdagen meestal man en vrouw te zamen, of man, vrouw en volwassen kinderen gezamenlijk naar de stembus gaan. Als regel behooren man en vrouw tot dezelfde politieke partij, maar er zijn toch ook uitzonderingen, en daar hoorde men nooit dat dit tot onaangenaamheden aanleiding geeft.”
Stappen wij thans van Finland af en gaan wij na wat Noorwegen ons in dezen te leeren geeft. Het Noorweegsche volk staat in ontwikkeling, in levenswijze en geaardheid zooveel dichter bij ons volk dan het Finsche, wij kunnen hen beter begrijpen en ons aan hen beter spiegelen. Laat ons ook voor Noorwegen eerst aan eenige invloedrijke mannen het woord geven. Het zijn de antwoorden die zij gaven aan de Nationale Vereeniging van Vrouwenkiesrecht in Engeland op een tot hen gericht verzoek om hun uitspraak te vernemen in zake de werking van vrouwenkiesrecht in den aanvang van 1913.
Gunnaar Kundsen, Ex-Eerste Minister en nu opnieuw in het Ministerie, schrijft: “De vrouwen in dit land bezitten het kiesrecht sedert de twee laatste algemeene verkiezingen en zij hebben met snel toenemend aantal aan de verkiezingen deelgenomen. Wij zijn zeer voldaan over de opgedane ondervinding, en alle politieke partijen zijn nu overtuigd van de rechtvaardigheid van deze hervorming, welke aanvankelijk zooveel tegenstand had te overwinnen van de conservatieve partijen.”
G. Hagerup Bull, President van het hooge Gerechtshof, lid van het Parlement en President van de conservatieve partij in de Storthing, schrijft: “Vrouwenkiesrecht, dat hier met den steun van alle politieke partijen werd ingevoerd, heeft nog niet lang genoeg bestaan om de direkte gevolgen duidelijk aan het licht te brengen. Van het eerste oogenblik af hebben de vrouwen echter in grooten getale van haar stembiljet gebruik gemaakt en in twee richtingen kan de invloed reeds aangetoond worden. Het kiesrecht heeft veel gedaan om den gezichtskring der vrouwen te vergrooten en heeft verder, alleen door het feit dat vrouwen het kiesrecht hebben, een goeden invloed gehad op de houding van het parlement bij verschillende voorkomende gelegenheden.”
Chr. H. Knudsen, Lid van het Parlement en leider van de Werkliedenpartij in het Parlement, schrijft: “Ik ben overtuigd dat vrouwenkiesrecht in Noorwegen een goeden invloed heeft gehad op de ontwikkeling van het gemeentelijk en parlementaire leven hier te lande; en ik ben overtuigd dat het zeer zal helpen om betere sociale toestanden en betere wetten tot stand te brengen.”
J. Gastberg, Ex-Minister van Justitie, lid van het Parlement en leider van de radicale groep der liberalen, schrijft: “Het is gebleken dat vrouwenkiesrecht een weldadigen invloed op het politieke leven heeft gehad en het zedelijk aanzien der partijen heeft verhoogd. Het heeft volstrekt niet het gevoelen van patriotisme, zooals door eenigen gevreesd werd, verzwakt. Er bestaat thans geen partij of onderdeel van een partij, die het vrouwenkiesrecht zou wenschen af te schaffen. Integendeel, alle politieke partijen,—conservatieven, liberalen en werklieden—wenschen allen, het beperkt vrouwenkiesrecht, zooals het nu bestaat, tot een algemeen kiesrecht uit te breiden en er is reeds een voorstel daartoe ingediend. In de naaste toekomst zal het wel zoodanig gewijzigd worden.” (Zooals wij hiervoren hebben opgemerkt, is in Juni 1913, reeds in het Noorweegsche Parlement het algemeen kiesrecht voor vrouwen aangenomen. Schr.)
Frederik Stang, Minister van Justitie, schrijft: “Vrouwenkiesrecht heeft in Noorwegen zeer goed gewerkt en krijgt steeds meer voorstanders. Door leden uit alle politieke partijen werd het ingevoerd.”
K. Thinn, President van het Hooge Gerechtshof, schrijft: “Ik beschouw de invoering van vrouwenkiesrecht een daad van rechtvaardigheid tegenover de vrouw en een weldaad voor het geheele land.”
W. Konow, vroeger lid van verschillende Ministeries, van 1907–1912 leider van de linker groep (de oppositie-partij), die thans aan het bewind is, schrijft: “Niets dan goeds kan gezegd worden van de wijze waarop de vrouwen van het stembiljet gebruik maken. In de politieke vergaderingen die ik bijwoonde, waren de vrouwen onder de aanwezigen de meest belangstellenden en intellectueelen en herhaaldelijk gaven zij de mannen een kranig voorbeeld door haar beschaafd en ingehouden gedrag. Eén vrouw, Fr. Rogstad, heeft alleen van 1910–1912 een zetel in het parlement ingenomen. Haar recht-door-zee-gaan en haar eenvoudig optreden, even als hare gaven om haar gevoelens onder woorden te brengen, heeft haar de sympathie en het respect van hare medeafgevaardigden bezorgd. Vele vrouwen zijn in Gemeenteraden en Provinciale raden gekozen, of hebben andere gemeentelijke functies waargenomen. Overal wordt het werk door de vrouwen in het gemeentelijk leven uitgeoefend, op hooge waarde gesteld. Voor zoover ik weet heeft nooit een vrouw door hare politieke ontvoogding eene onvrouwelijke daad gepleegd, niettegenstaande dat toch als een onvermijdelijk gevolg van het uitoefenen van het kiesrecht, voorspeld werd.”
Eugen Hanssen, Predikant, schrijft: “Het was wel te voorzien dat vrouwenkiesrecht, eenmaal ingevoerd, uit zich zelf zou aantoonen de rechtvaardigheid van den eisch. Het is gemakkelijk in te zien dat vrouwenkiesrecht het natuurlijke gevolg van mannenkiesrecht is. De eigenschappen van mannen en vrouwen moeten samenwerken om de belangen van een vereenigd volk harmonisch te behartigen. Zelfs de korte periode, in welke de vrouwen politiek ontvoogd zijn, heeft reeds proefondervindelijk de waarheid van dit beweren aan het licht gebracht. De toekomst, en de taak die ons daarin wacht, zal nog meer aantoonen hoe noodzakelijk de invoering van vrouwenkiesrecht was en nog duidelijker bewijzen dat deze maatregel een was van wijsheid en rechtvaardigheid.”
En ten slotte schrijft Professor W. C. Brogger, Eeredoctor van de Universiteiten van Glasgow, Heidelberg, Cambridge en Stockholm, bezitter van verschillende medailles van verdienste: “Vrouwenkiesrecht heeft geen enkel slecht gevolg gehad. De vrouwen hebben er niet hare huishoudingen door verwaarloosd en de verhouding tusschen man en vrouw heeft er niet door geleden.”
De vrouwen van Noorwegen ontvingen in 1901 voor het eerst het Gemeentekiesrecht. Het was echter een zeer ondemocratisch kiesrecht. Alleen vrouwen die meer dan 25 jaren oud waren en die belasting hadden betaald voor een vermogen van 400 kronen in de steden en 300 kronen op het platte land, kregen het kiesrecht en waren verkiesbaar voor de gemeenteraden. De mannen kregen toen tegelijkertijd algemeen kiesrecht voor de gemeenteraden. In 1902 namen de vrouwen voor het eerst aan de verkiezingen deel en trachtten toen direkt zooveel mogelijk vrouwen in de gemeenteraden verkozen te krijgen. In de steden namen dooreengerekend 90% kiesgerechtigde vrouwen aan de verkiezingen deel, op het platte land, voor een deel een gevolg van de geographische gesteldheid van het land, aanmerkelijk minder. Over geheel Noorwegen werden 98 vrouwen direkt in de gemeenteraden gekozen, tegenover 12330 mannen. Toch heeft dit gering aantal vrouwen kans gezien vele verbeteringen tot stand te brengen in zaken, waarover de mannen alleen niet of niet genoegzaam hadden nagedacht. Zoo wisten zij door te voeren dat in de gemeentelijke pandjeshuizen geen goederen mogen worden aangenomen van kinderen beneden 16 jaren. Daardoor werd voorkomen, dat men kinderen gebruikte om goederen te beleenen, die van diefstal afkomstig waren. Ook werd verboden aan kinderen tabak en sigaren te verkoopen. Het alkoholverbod bestond reeds. Verder werd een verbod uitgevaardigd om meisjes, beneden 18 jaren, boodschappen te laten verrichten aan boord van schepen, die in de havens liggen. Het was n.l. bekend dat jonge meisjes door werkgevers, onder voorwendsel van een boodschap te moeten doen, naar zulke schepen gestuurd en daar misbruikt werden. Beter toezicht van gemeentewege op de keuring van voedingsmiddelen, het oprichten van tehuizen voor kleine kinderen en zuigelingen, enz. werd mede in het eerste jaar verkregen. Ook was een onmiddellijk gevolg van het uitoefenen van dit kiesrecht, dat vrouwen in de Juries benoemd werden. “De groote waarde en beteekenis van het feit dat vrouwen als gezworenen worden toegelaten, komt het meest uit in onaangename en pijnlijke aangelegenheden. In alle gevallen, waarin moeilijkheden tusschen man en vrouw gerezen zijn, heeft het vrouwelijk inzicht, het vrouwelijk rechtvaardigheidsgevoel, er toe geleid dat er een hoogst verstandig en uiterst rechtvaardig vonnis werd uitgesproken,” schrijft een der Noorweegsche dagbladen.
In 1906 werd door de Nationale Vereeniging voor vrouwenkiesrecht bij het parlement een verzoek ingediend om de vrouwen op dezelfde voorwaarden als de mannen het kiesrecht en de verkiesbaarheid te verleenen voor gemeenteraden en parlement, terwijl een andere vereeniging een verzoek indiende om het parlementair kiesrecht aan de vrouwen te verleenen op dezelfde voorwaarden als zij het gemeentekiesrecht bezaten. Deze beide voorstellen werden met al den ernst, dien een dergelijke hervorming eischt, door het parlement in overweging genomen, met het gevolg, dat 14 Juni 1907 met groote meerderheid besloten werd den vrouwen algemeen kiesrecht te geven voor de gemeenteraden en een politiek kiesrecht op de voorwaarden, waarop zij voorheen het gemeentekiesrecht hadden uitgeoefend. Daardoor kreeg op eens de grootste helft der vrouwen gelijke politieke rechten als de mannen.
Door het feit, dat dit jaar de Noorweegsche vrouwen allen politiek ontvoogd zijn, wordt bewezen, hetgeen door de voorstanders van vrouwenkiesrecht tot in den treure wordt beweerd, dat het er met de invoering van vrouwenkiesrecht maar opaan komt om den eersten stap te doen en het vrijwel onverschillig is, welke vrouwen het eerst hare politieke rechten krijgen. Is eenmaal een begin met deze hervorming gemaakt, dan volgt de geheele politieke gelijkstelling spoedig en zonder veel strijd. De 300.000 vrouwen, die in de eerste instantie ontvoogd werden, hebben den strijd niet opgegeven en hebben zes jaren later reeds voor de 200.000 nog politiek bevoogden, het kiesrecht verworven.
Mevrouw Ella Anker uit Noorwegen, vertelde ons wat de vrouwen in de 4 jaren dat zij het beperkt kiesrecht hebben uitgeoefend, daardoor hebben tot stand gebracht. Het is natuurlijk nog geen lange lijst van hervormingen waarop zij kunnen wijzen.
Op onderwijs-gebied hebben zij gedaan gekregen dat er van gemeentewege overal goede kookscholen zijn opgericht en dat onderricht in kooken verplichtend is gesteld op alle scholen van lager onderwijs. Huishoudscholen en eenvoudige landbouwscholen, met staatssubsidie, zijn in alle provincies thans in aanbouw. Verder is een soort van Hoogeschool, om leeraressen te vormen in huishoudkunde en kooken, door den staat opgericht. Ook staat nog op het programma der vrouwen om moederscholen tot stand te brengen, waar de moeders onderricht kunnen ontvangen in de opvoeding en verzorging der kinderen, en om cursussen te stichten waar mannen en vrouwen, elk afzonderlijk, onderricht ontvangen in sexueele hygiène en allerlei vraagstukken het sexueele leven betreffende.
De huwelijkswetten zijn reeds zeer goed in Noorwegen geregeld geworden. Vader en moeder hebben in Noorwegen dezelfde rechten op hunne kinderen, de vrouw heeft evenveel recht op het gezamenlijk inkomen als de man en het beheer er van is aan beiden toevertrouwd. De vrouw kan, als zij wil, haar eigen vermogen behouden en er zelfstandig het beheer over voeren, ook over het geld dat zij zelf verdient.
Men werkt nu om “moederschapsverzekering” te verkrijgen, niet alleen voor vrouwen die bij een werkgever werken, maar ook voor vrouwen van werklieden. Het voorstel luidt, om een vrouw gedurende 8 weken 60% van het weekloon uit te betalen, als zij een kind heeft gekregen. Ook is door de vrouwen reeds een voorstel ingediend om voor ongehuwde moeders en hare kinderen betere toestanden in het leven te roepen. Daarin wordt, economisch zoowel als zedelijk, een grooter verantwoordelijkheid tegenover de kinderen op de schouders der vaders gelegd. Ook hebben de vrouwen in menig geval een strengere straf geeischt dan was uitgesproken, voor vele zedelijkheidsvergrijpen tegenover kinderen en vrouwen gepleegd. Vooral zulke vergrijpen tegenover kinderen, die vroeger slechts licht gestraft werden, worden nu gestraft met de hoogst daarop gestelde eischen.
Voor wat hooger loonen voor vrouwenwerk betreft, hebben de vrouwen nu reeds verkregen dat bij post en telefoon vrouwen en mannen gelijke belooning ontvangen en dat het salaris van alle onderwijzeressen verhoogd is en ook daar gelijk loon voor gelijken arbeid in uitzicht is gesteld.
Als een belangrijke winst is zeker te beschouwen, dat nu alle Staatsambten voor de vrouwen zijn opengesteld.
Dus ook van Noorwegen zijn niets dan goede gevolgen te boeken van de invoering van vrouwenkiesrecht.
Gaan wij thans na wat Australië en Nieuw-Zeeland ons in dezen te leeren geven. De toestanden zijn daar wel is waar anders dan bij ons, maar wij behoeven immers ook niet alles over te nemen wat daar geschiedt, wij deelen alleen mede wat de geschiedenis van het vrouwenkiesrecht in die landen ons te boekstaven geeft.
In Nieuw-Zeeland kregen de vrouwen het kiesrecht voor de Gemeenteraden in 1886, en in 1893 werd dit tot het parlement uitgestrekt. Als een bijzonder in het oog springend resultaat van het verleenen van kiesrecht aan de vrouwen moet vermeld worden, dat het bij de mannen de belangstelling in de verkiezingen zeer heeft verhoogd. Klom het percentage der mannen-kiezers, die aan de verkiezingen deelnamen, vóór de invoering van vrouwenkiesrecht, nooit hooger dan 74%, doch was het dikwijls niet meer dan 55%, na de invoering van vrouwenkiesrecht klom het onophoudelijk en bereikte bij de laatste verkiezingen zelfs de hoogte van 84,43%. Ook de vrouwen nemen in nagenoeg dezelfde verhouding aan de verkiezingen deel.
Ook uit Nieuw-Zeeland hebben vele mannen van naam zich openlijk uitgelaten over de werking van vrouwenkiesrecht. Zoo zeide mr. W. Pember Reeves, vroeger Gouverneur-generaal van N. Z. en nu Vertegenwoordiger van dien Staat in Engeland: “Altijd wordt mij de vraag gedaan of wij in N. Z. niet te klagen hebben over verwaarloozing der kinderen, over ongelukkige huwelijken, over slordige huishoudens, over verlies van vrouwelijke gratie, alles ten gevolge van de invoering van vrouwenkiesrecht. Ik moet echter bekennen dat geen van die slechte gevolgen door mij zijn bespeurd; maar wel moet getuigd worden dat de vrouwen met opvallend helder oordeel haar taak als kiezers hebben opgevat en uitgevoerd en dat zij in dit opzicht in geen enkel punt bij de mannen achterstaan.”
Sir Joseph Ward schreef in 1907, toen hij Eerste Minister van Nieuw-Zeeland was: “Wij hebben hier niet opgemerkt dat door eens in de drie jaar een punt op het verkiezingsbiljet zwart te maken, de vrouwen haar huiselijke plichten hebben verwaarloosd. Integendeel, wij hebben gezien dat het vele goede gevolgen heeft gehad en de verkiezingsdagen heeft gezuiverd van de vroegere leelijke bijkomende omstandigheden. Het drinken, vechten, schelden van vroeger heeft nu plaats gemaakt voor een waardig optreden, zoodat de verkiezingsdagen nu gelijken op plechtige bijeenkomsten, waarin de burgers van den Staat een ernstigen plicht vervullen, waarvan de uitkomst bevorderlijk moet zijn aan het heil van den Staat. In aanmerking genomen dat het voor eene vrouw moeilijker is om een dag vrij te komen dan voor een man, blijkt toch duidelijk uit de opkomst bij de verkiezingen, dat de vrouwen evenveel prijs op haar kiesrecht stellen als de mannen. Het gehalte was bij de laatste verkiezingen 84,07% mannen en 82,23% vrouwen.”
Nog tal van andere invloedrijke mannen uit N. Z. hebben zich in dien geest uitgelaten en hunne uitlatingen gepubliceerd. Doch meer dan al deze goede getuigenissen interesseeren ons de daden der vrouwen in N. Z., sedert zij het kiesrecht bezitten. Uit de lange lijst van wettelijke hervormingen, die door of na de invoering van vrouwenkiesrecht tot stand kwamen, zal ik de meest sprekende opnoemen:
1. De wet op den alkohol-handel geeft den kiezers in elk district het recht te stemmen of er in dat district herbergen met vergunning zullen zijn of niet, en zoo ja, hoeveel er zullen zijn. Daar de vrouwen over dit verlof ook stemmen mogen, zijn nu alle arbeidersdistricten gezuiverd van lokalen waar alkohol verkocht wordt.
2. Kinderbeschermingswetten, waarbij tehuizen van staatswege voor verwaarloosde en verweesde kinderen.
3. Wet, waarbij de vrouwen het recht hebben op eigen bezit en eigen verdiend geld.
4. De winkels en winkelbedienden-wet, waarbij de arbeidsuren der winkelbedienden en de hygiënische toestanden in de winkels wettelijk geregeld zijn.
5. Wet op de levering van onvervalschte voedingsmiddelen.
6. Verbod van opiumverkoop.
7. Leerplicht tot 14 jaar en oprichting van scholen voor doove en blinde kinderen.
8. Vroedvrouwenscholen en verplichting van gemeenteraden om gemeente-vroedvrouwen aan te stellen in elke gemeente.
9. Een wet, die de Overheid het recht geeft om in wenschelijke gevallen de vrouw van den werkman de helft van zijn verdiend loon door den werkgever te laten uitbetalen.
10. Gelijk loon voor gelijken arbeid voor mannen en vrouwen.
11. Een wet die veroorlooft het weduwenpensioen uit te keeren in gevallen waar de man ongeneeslijk ziek is en niet kan voorzien in het onderhoud van het gezin.
12. De pensioenwet zoo uit te breiden dat, wanneer een man van 60 en een vrouw van 55 jaar twee of meer kinderen hebben van onder 14 jaar, zij dan eene wekelijksche toelage kunnen verkrijgen. En zoo zou ik nog wel een paar dozijn wetten kunnen opnoemen, waaruit duidelijk de invloed van het kiesrecht der vrouw blijkt; maar genoeg om te doen zien dat ook in N. Z. de invloed van vrouwenkiesrecht geen slechte gevolgen voor het land heeft opgeleverd en dat het te begrijpen is dat de mannen van dat land het niet betreuren dat zij tot de invoering zijn overgegaan.
En dat de mannen van de 6 verbonden Staten van Australië er even zoo over denken heb ik reeds in den aanvang van dit hoofdstuk aangetoond. Maar toch wil ik nog even het besluit dat genomen is in December 1910, weergeven, omdat dat misschien nog duidelijker aantoont, welke gevolgen de invoering van vrouwenkiesrecht in geheel Australië, volgens het oordeel der Volksvertegenwoordigers, heeft gehad. Ook toen hebben de beide Kamers in openbare Zitting de vraag besproken. “Wat is het gevolg geweest van de invoering van vrouwenkiesrecht?” en als besluit van deze bespreking, de volgende motie met algemeene stemmen aangenomen:
“Dat deze Kamer, na eene ondervinding van 16 jaren in verschillende staten van Australië en na eene ondervinding van 9 jaren in het Parlement der Vereenigde Staten van Australië, moet verklaren, dat de invoering van vrouwenkiesrecht alle goede resultaten heeft gehad, die er van verwacht werden;
“dat, zooals door de voorstanders er van voorzien was, het tot resultaat heeft gehad, dat het de vrouwen zoodanig ontwikkeld heeft, dat zij zich meer dan voorheen mede verantwoordelijk gevoelen voor de sociale toestanden en voor de welvaart van het land;
“dat de sociale wetgeving en de wetten met betrekking tot het gezinsleven op den voorgrond zijn gekomen;
“dat daardoor de ondervinding het Australische Parlement heeft geleerd, dat invoering van vrouwenkiesrecht eenvoudig beteekent: het verantwoordelijkheidsgevoel voor het openbare welzijn, de basis voor eene goede regeering, door onderlinge samenwerking van mannen en vrouwen, te vergrooten.”
Voor elk der 6 verbonden Staten zou ik een heele reeks van wetsartikelen kunnen opnoemen, die een gevolg zijn geweest van den invloed der vrouwen. Zij hebben echter zooveel met elkander gemeen, dat ik gerust volstaan kan met het opnoemen van enkele, die het meest sprekend zijn en overal zijn ingevoerd. Zoo vooral de wet die de regeering verplicht steeds gelijk loon voor gelijken arbeid te betalen, waardoor een eerlijke concurrentie tusschen mannen en vrouwen ontstaan is en het gevolg is geweest, dat in alle staatsbetrekkingen steeds de meest geschikte persoon geplaatst werd. Dit voorbeeld door de regeering gegeven om gelijk loon te betalen voor gelijken arbeid, is spoedig door particuliere werkgevers gevolgd en heeft thans in Australië een toestand geschapen, waarbij mannen en vrouwen op eerlijke wijze kunnen concureeren om het beste werk te leveren. Verder is overal voor mannen en vrouwen een gelijk minimum-salaris vastgesteld.
In alle Staten is een wet aangenomen, die de vrouwen recht geeft op eigen bezit en op eigen verdiend geld; een wet die de verantwoordelijkheidsleeftijd van het jonge meisje verhoogt tot 17 of 18 jaren, (in ons land is een meisje van 16 jaren verantwoordelijk); kinderbeschermingswetten, waaruit duidelijk den invloed der vrouw spreekt; vaders en moeders dezelfde rechten geven en dezelfde verplichtingen opleggen voor hunne kinderen, ook als die kinderen geboren zijn uit niet-gehuwde ouders; een heele reeks hygiënische wetten; verbod van verkoop van alkohol en tabak aan kinderen onder de 18 jaren; verplichting om winkelbedienden stoelen achter de toonbank te verschaffen.
Het feit dat Australië een van de gezondste landen der geheele wereld is, wat niet aan de geographische en klimaterische gesteldheid kan worden toegeschreven, moet ons doen zien, dat Australië goed geregeerd wordt. Het sterftecijfer in geheel Australië is lager dan in eenig land in Europa en lager dan in de Vereenigde Staten van Noord-Amerika. Er is geen land waar op de 1000 inwoners jaarlijks zoo weinig menschen sterven. Nog gunstiger dan het sterftecijfer in het algemeen is dat van jonge kinderen. In geheel Australië sterven er gemiddeld 75 kinderen op de 1000, beneden den leeftijd van één jaar en in Nieuw-Zeeland is dat cijfer zelfs gedaald tot 68 op de 1000. En nu is het opmerkelijk dat overal, in de geheele wereld, dit cijfer veel hooger is, behalve in Noorwegen en Zweden. In het eerstgenoemde land hebben de vrouwen ook het kiesrecht en in het laatstgenoemde bezitten zij kiesrecht voor de gemeenteraden en kunnen dus op de plaatselijke gezondheidstoestanden een invloed ten goede oefenen. Als men daar tegenover stelt het sterftecijfer van kinderen beneden 1 jaar in ons land, dat van 1910, toen ook de andere cijfers te boek zijn gesteld, 108 bedraagt, dat van Duitschland 178, dat van Engeland 105 en van Frankrijk 120 is, dan ziet men eerst het gunstig verschil van Australië en zal men toch zeker niet langer kunnen volhouden, dat het geven van kiesrecht aan de vrouw verwaarloozing van de gezinnen en zorgeloosheid ten opzichte van het kind tengevolge heeft. Ook geeft het iets te denken, dat in heel Australië het aantal huwelijken, dat jaarlijks gesloten wordt, gerekend op de 1000 inwoners, zoo groot is, dat het nergens overtroffen wordt. Mij dunkt, genoeg gegevens om ons te doen zien dat de mannen in dat werelddeel verstandig gehandeld hebben, toen zij de politieke rechten en de politieke verantwoordelijkheid eerlijk met de vrouwen zijn gaan deelen.
In de Vereenigde Staten van Amerika komen van de Staten die het eerst het vrouwenkiesrecht hebben ingevoerd, ook niets dan goede berichten. De eerste Staat die het aandurfde om met de oude sleur te breken, was Wyoming, waar de vrouwen in 1869 reeds hare politieke rechten kregen. Toen was Wyoming nog een grondgebied en toen dat grondgebied in 1890 verzocht opgenomen te worden in de rij der Amerikaansche Staten en een poging werd aangewend om het dan te verplichten het vrouwenkiesrecht weder te doen vallen, was het fiere antwoord van de mannen, die het verzoek bij de federatie in Washington indienden: “Liever blijven wij nog honderd jaar een grondgebied dan een Staat te worden zonder vrouwenkiesrecht.” En zoo was Wyoming op den 27sten Juni 1890 de eerste Staat in Amerika, welke zich inderdaad een Staat van vrije burgers kon noemen.
Na Wyoming volgde Colorado, waar de vrouwen in 1893 hare volle burgerrechten kregen. Zij verkregen dit toen met een meerderheid van 6347 stemmen, en toen in 1900, dus 7 jaren nadat de vrouwen van deze rechten gebruik hadden gemaakt, eenige tegenstanders het zoover wisten te brengen, dat dit recht der vrouwen opnieuw aan een referendum onderworpen werd, toen klom dit aantal tot het driedubbele, niettegenstaande de belanghebbenden bij den vrijen alkoholverkoop geen geld gespaard hebben om het er toe te brengen den vrouwen dit recht weder te ontnemen.
In 1896 volgde Idaho en kort daarna in datzelfde jaar ook Utah. Gedurende 14 jaren waren deze vier Staten de eenige vrouwenkiesrechtstaten in Amerika, totdat in 1910 de belangrijke Staat Washington volgde. Sedert komen er elk jaar een of meer Staten bij die het recht en het nut van vrouwenkiesrecht inzien en er naar handelen. Den 10den October 1911 werden de vrouwen van Californië politiek ontvoogd, en op den 5den November 1912 volgden tegelijk drie Staten, met name Kansas, Arizona en Oregon.
Het is voor de vrouwen van Amerika niet gemakkelijk het kiesrecht te veroveren. Zij kunnen niet volstaan met eenvoudig de leden van het parlement te overtuigen en daar een meerderheid te bewerken, maar zij moeten dan nog de eisch aan het goedvinden van alle mannen van den Staat onderwerpen. In sommige Staten moet zelfs eerst een ⅔ meerderheid in het Statenparlement er voor gestemd hebben, alvorens het voorstel aan een referendum kan worden onderworpen. Als men dan bedenkt, dat vele Staten van Amerika een groote menigte landverhuizers herbergt, die allen na 5 jaar verblijf in Amerika het recht tot medestemmen hebben en er daaronder velen zijn, die met alle vooroordeelen behept uit hunne dikwijls achterlijke landen komen, en anderen, door hun nog wankel bestaan licht in handen vallen van de rijke en machtige tegenstanders, die geld noch moeite sparen om de invoering van vrouwenkiesrecht zoolang mogelijk tegen te houden, dan begrijpt men met hoeveel bezwaren onze Amerikaansche zusters te kampen hebben om hare rechten te verkrijgen.
Uit den tegenstand die vrouwenkiesrecht in Amerika ondervindt en uit den kant vanwaar die tegenstand komt, spreekt duidelijk, welke gevolgen vrouwenkiesrecht heeft gehad in de Staten waar het is ingevoerd. De grootste tegenstand komt van de zijde der groot- en kleinhandelaren van alkoholhoudende dranken. De alkohol-trust geeft zich alle moeite om verdere uitbreiding van vrouwenkiesrecht tegen te gaan. Daarnaast moeten in één adem genoemd worden allen, die bij het houden van speelhuizen en bij het welig tieren van de prostitutie belang hebben. Maar ook de groote trusts zien in vrouwenkiesrecht een vijand en zij steunen de tegenstanders altijd met groote geldelijke gaven om een krachtige aktie te kunnen voeren.
Er zijn natuurlijk ook wel een half boekdeel vol uitspraken bijeen te brengen van bekende mannen, die zich gunstig over het vrouwenkiesrecht in Amerika hebben uitgelaten. Alleen van den Staat Colorado zijn wel honderd en meer gunstige uitspraken te verzamelen. De Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht hier te lande gaf het vorig jaar een boekje uit, waarin de uitspraken van twee mannen van naam uit Colorado, de Heeren George Creel, een bekend journalist, en Ben Lindsey, de vader van de kinderrechtbanken in Colorado, hunne gevoelens, die zeer gunstig zijn, uiteenzetten. Slechts een korte uitspraak, van den Gouverneur, John J. Schafroth, uit Colorado, wil ik aanhalen, omdat zij kort en pittig en zooveel zeggend is. Hij schrijft aan Miss Mac Millan in Schotland: “Gedurende 14 jaren is de anti-vrouwenkiesrecht-beweging in New-York en Massasuchetts ijverig zoekende om uit het optreden der vrouwen in Colorado argumenten te vinden, die zouden kunnen dienen om hun zaak te steunen. Uit hunne geschriften en uit hunne argumenten blijkt genoegzaam dat zij ze niet hebben kunnen vinden en dat zij noch in Colorado, noch in een van de andere vrouwenkiesrechtstaten een dozijn achtbare mannen bijeen heeft kunnen brengen, die een met hun naam onderteekend stuk hebben durven schrijven, waarin aan vrouwenkiesrecht eenig verkeerd gevolg wordt toegeschreven.”
In een van de gepubliceerde rapporten van de verschillende Staten van Amerika wordt door het vereenigd parlement getuigd, dat “Colorado de gezondste, de meest humane, de meest vooruitstrevende, en de wetenschappelijkste wetgeving bezit, vooral met betrekking tot het kind, van alle landen der wereld.”
Onnoodig waarschijnlijk om te zeggen dat ook in Amerika alle wetsveranderingen, die door toedoen der vrouwen tot stand kwamen in de eerste plaats het welzijn van het kind beoogden en dat daarnaast betere wetten tot regeling der rechtsverhouding tusschen man en vrouw tot stand kwamen. Het springt toch ook zoo duidelijk in het oog, dat een rechtsverhouding tusschen twee volwassen menschen nooit rechtvaardig geregeld kan worden, als men daarbij slechts aan een der partijen het recht van medespreken verleent. De betere zedelijkheidswetten, de hygiënische wetten, wetten op den drankhandel die door de vrouwen werden tot stand gebracht of beïnvloed, kunnen toch ook alle teruggevoerd worden tot wetten in het belang van vrouw of kind.
Ik zou nu nog een reeks van verbeteringen kunnen vermelden, die vrouwen in kwaliteit van lid van gemeenteraden of zelfs als wethouders tot stand brachten, maar de opgesomde lijst is al lang genoeg om te doen zien, dat de invoering van vrouwenkiesrecht geen sprong meer is in het duister, en dat zij, die nu den stap hebben te doen, genoeg gegevens kunnen vinden om hunne overtuiging te staven. Alleen tegenstanders van vrouwenkiesrecht zullen hard werk hebben om hunne argumenten, die op “ik geloof” en op “ik ben bang” en “het komt mij voor” berusten, eenigen schijn van waarheid bij te brengen. Zulke menschen zijn in den regel eerst te overtuigen als zij het feit voor oogen hebben; dan zullen zij, als overal elders, spoedig inzien dat zij met hun tegenstand verkeerd hebben gehandeld.