TWEEDE DEEL.
Margaretha Meijboom translation
DE PRINSES VAN BABYLONIË.
't Was een donkere winteravond in het hutje van Skrolycka. Katharina, de huismoeder, zat te spinnen, en de kat lag op haar schoot en spon ook, zoo goed ze kon. De man, Jan Andersson, zat bij den haard en warmde zijn rug aan 't vuur. Hij had den heelen dag hout gehakt in 't bosch van Erik Falla, zoodat niemand kon verlangen, dat hij nu nog zou gaan werken, terwijl hij thuis was. Zelfs Katharina had er niets op aan te merken, dat hij niet anders deed dan spelen en praten met hun kleine meisje, dat dien winter vier jaar was.
Katharina zat in haar eigen gedachten verdiept en luisterde niet bizonder naar wat de man en het kind samen praatten. Maar aan één ding hield zij streng de hand. Zij duldde niet dat Jan tegen 't kleine meisje zei, dat ze zoo mooi was en zoo bizonder, en dat wilde hij juist zoo graag. Want als Klara Gulla heel wat verbeelding van zich zelf kreeg,—dat wist Katharina wel—zou ze nooit een verstandig mensch worden.
Jan was onuitputtelijk in 't uitvinden van allerlei, wat het kind hoogmoedig kon maken. Maar dezen avond was Katharina heel gerust, want nu zat hij haar te vertellen van iets wat lang geleden was gebeurd, in den tijd dat de aarde was geschapen en de menschen die begonnen te bevolken. Hij was juist bezig de oude geschiedenis te vertellen van den toren van Babel, en dan kon je toch wel hopen, dat hij geen gelegenheid had met een van zijn gewone domme streken aan te komen.
„Ja, en ze kwamen aandragen met klei,” zei Jan, „en ze bakten steenen, en bluschten kalk en ze zetten den steiger op; en de toren werd elken dag hooger.
Ze wisten wel, dat Onze Lieve Heer 't niet goed vond dat ze dien toren bouwden, maar daar gaven ze niet om, want ze waren van plan naar den hemel te komen en te zien hoe het daar is.
„Luister nu eens, menschen,” zei Onze Lieve Heer, „nu zeg ik jelui voor 't laatst, dat, als jelui niet hier vandaan gaat en met die bouwerij ophoudt, dan ben ik wel genoodzaakt een ongeluk over jelui te laten komen. En dat wordt dan zoo'n ongeluk, dat jelui er nooit meer van af komt, en er nooit iets tegen kunt doen.”
Maar de menschen dachten zeker, dat Onze Lieve Heer wel lankmoedig zou zijn als altijd. Ze gingen voort met bouwen en kwamen elken dag hooger.
Toen verwarde Onze Lieve Heer hun taal. Kijk eens: tot dien tijd toe hadden ze zoo gesproken, dat ze elkaar konden verstaan, maar nu was het uit met dat pleizier.
Als de metselaarsbazen nu wilden zeggen: „Breng wat klei,” dan zeiden ze in plaats daarvan: „Kolvippen, kolvappen.” En als de leerjongens wilden vragen wat ze wilden hebben, zeiden ze: „Erbe, derbe, mirbe, marbe?” En dus was 't niet zoo vreemd, dat ze elkaar niet konden verstaan.
De bazen meenden, dat de leerjongens hen voor den gek wilden houden, maar als ze wilden zeggen: „Praat toch behoorlijk,” dan zeiden ze in plaats daarvan: „Ullen, dullen, dorf.” En als de leerjongens wilden vragen waarom ze zoo boos keken konden ze niet anders uitbrengen dan: „Abekadabra?”
Toen werden de bazen en al de anderen zoo kwaad, dat ze elkaar in de haren vlogen en begonnen te vechten.
Van dien dag af was het uit met de vriendschap onder de menschen, en niemand dacht er meer aan den toren te bouwen; maar ieder ging heen, zijn eigen kant uit.”
Toen Jan zoover was gekomen met zijn verhaal, keek hij van ter zijde naar Katharina. Het spinnewiel stond stil, en 't scheen alsof de vrouw en de kat allebei waren ingedut. Toen zette Jan gauw zijn verhaal voort. Hij sprak alleen wat zachter.
„Maar onder al die menschen die in Babylon geweest waren, waren ook een koning en een koningin, die een prinsesje hadden. En dat kleine meisje begon ook op eens zoo wonderlijk te praten dat noch haar ouders, noch een van de anderen er een woord van konden begrijpen.
Toen wilden de koning en de koningin haar niet bij zich houden in 't paleis, maar ze joegen haar weg, en ze moest heelemaal alleen de groote, wijde wereld in.
Ze ging natuurlijk heen en liep dood ongelukkig rond. Ze wist immers niet wie ze op weg kon tegenkomen. 't Zou toch een gemakkelijk werk zijn voor beren en wolven om zoo'n klein prinsesje levend op te eten, als ze haar in 't oog kregen.
Maar hoe lief en mooi ze ook was, toch deed niemand haar kwaad.
Neen, integendeel! Allen, die haar tegenkwamen, gingen naar haar toe, zeiden haar goedendag en gaven haar een hand, en vroegen haar waar ze wezen moest. Maar ze konden geen woord verstaan van wat ze antwoordde, en dan bemoeiden ze zich niet verder met haar.
Och, zoo lief en mooi was ze, dat ze maar naar het heerenhuis op een landgoed hoefde te gaan, en dan deden ze de deuren wijd open om haar binnen te laten. Maar zoodra ze haar mond opendeed en de menschen hoorden wat een wonderlijke taal ze sprak, moest ze weer heengaan. Eindelijk, toen ze door alle bestaande koninkrijken heen had gezworven, kwam ze op een avond laat bij een groot bosch en toen ze door dat bosch was geloopen zag ze een kleine hut, die zoo laag was, dat ze maar juist door de deur kon komen; en daar ging ze binnen, en zei: „Goeien avond.”
Daar binnen zat de vrouw te spinnen en de man zat zich bij het vuur te warmen. En toen zij zagen, dat er een vreemde de deur inkwam, zeiden ze ook: „Goeienavond.”
Toen was het prinsesje zoo vreeselijk blij, want in die hut spraken ze zóó, dat zij hen kon verstaan. Maar ze was zoo voorzichtig, dat ze hun niet dadelijk vertelde hoe de zaken stonden.
„Hoe heet deze hut?” vroeg ze, om hen op de proef te stellen.
„Die heet Skrolycka,” antwoordden zij dadelijk, en toen merkte zij dat ze haar verstonden. Ze was buiten zich zelf van blijdschap; maar ze vond het 't beste, ze nog eens op de proef te stellen.
„Hoe heet de taal, die u hier in huis spreekt?” vroeg ze.
„Die heet de Wermelandsche taal,” zeiden de menschen in de hut.
Toen ging het prinsesje op hen toe en vroeg of ze hier niet blijven mocht, want dit was de eenige plaats in de wereld waar de menschen konden verstaan wat ze zei.
Maar toen ze bij het vuur kwam, zagen de menschen, dat ze een prinsesje uit Babylon was en ze zeiden tegen haar, dat ze niet terecht was. En ze zeiden dat het onmogelijk was, dat ze zich bij hen thuis zou voelen. De Wermelandsche taal was op iedere hoeve in den omtrek bekend, zeiden ze, zoodat ze kon wonen waar ze maar wilde.
Maar 't prinsesje wou niet toegeven. „Nee,” zei ze, „nu merk ik wel, dat ik hier terecht ben. En ik wil hier blijven, want hier kan ik vreugde brengen en nuttig zijn,” zei ze.”
De kleine Klara Gulla had volkomen stil op Jan's knie gezeten en geluisterd met oogen, die al grooter werden van verbazing. Maar toen Jan zijn verhaal uit had, zat ze eerst een poos stil; toen draaide zij 't hoofdje links en rechts en bekeek alles in de kamer, alsof zij 't nooit te voren gezien had.
„Ja, nu kan het nog een poosje blijven zooals 't is,” zei ze eindelijk. „Maar als ik groot ben zal ik weer teruggaan, waar ik vandaan ben gekomen.”
Jan zette een lang gezicht. En 't ergste was, dat Katharina wakker was geworden en 't slot van 't gesprek had gehoord.
„Ja, zie je, dat komt er nu van, dat je altijd door dat kind wijsmaakt dat ze heel wat deftigs en groots is,” zei ze.
STEMMINGEN UIT DEN OORLOGSTIJD.
I.
't Schreien van Rachel.
Augustus 1914.
In de stilte van den middag, terwijl ik met een paar van mijn huisgenooten op de waranda zat te praten, hoorden we een wonderlijk geluid door de lucht gaan. 't Was sterk en woest, vol angst en smart en razernij en tegelijk zóó vreemd en ongewoon, dat we elkaar eerst verbaasd aankeken zonder te begrijpen wat het was en waar het vandaan kwam.
Snel gingen we in onze gedachten alle mogelijkheden na. 't Kon niet dat vreemde, griezelige geschreeuw van een paard zijn, dat aan een paal gebonden staat en bijna sterft van dorst. 't Was ook niet een van de heftige schreeuwers uit het bosch, een vos of een uil. Zij zijn niet in staat zulke kreten uit te stooten, zóó geweldig en ruw, dat het een weerklank leek uit den lang vergeten oertijd.
't Was heelemaal niet onmogelijk, dat het geschreeuw of gehuil—of wat men het ook noemen mocht—van een mensch kon komen, die gekwetst was. Maar 't was op het uur van den dag, dat de arbeiders middagrust hielden. De maaimachine klepperde niet buiten op den akker, en geen zwaarbeladen wagens bewogen zich tusschen de schuur en het veld. Er moest geen ongeluk kunnen gebeuren in dit uur, dat aan de rust was gewijd.
De vreeslijke hitte, die dien zomer verlammend over de aarde lag, heerschte ook dien dag. Ze ging voort met het gras op 't veld en de bladeren van de boomen te verzengen; die zoog het water uit beken en bronnen en dreigde het heele dal vóór ons tot een bruin verbrande woestijn te maken. Die ruwe, geweldige schreeuw, dien ik zoo juist gehoord had, was mij zóó onverklaarbaar, dat de gedachte in me opkwam, dat het de klacht van de groote natuur was, de gezamenlijke jammerkreet van de velden en gewassen over hun ondraaglijk lijden.
Terwijl we nog stil neerzaten van verbazing en verwondering, hoorden we nog eens dat vreeslijk geluid. Met onbarmhartigen, onverdraaglijken waanzin deed het de lucht trillen en sneed ons in de ooren—pijnigend als een martelwerktuig.
Toen dat nu voor den tweeden keer weer klonk, vlogen allen, die bij mij waren, op en weg om te onderzoeken wat het was. Ik bleef alleen zitten. Ik had een vaag gevoel, dat ik iets dergelijks vroeger wel eens had gehoord. Ik boog het hoofd en legde de hand over de oogen om beter de verborgen kamer van mijn herinneringen te doorvorschen.
Al spoedig werd ik in gedachten naar een groote open vlakte verplaatst, naar een wit grauw, steenachtig veld, dat golvend zich uitstrekte in welgevormde heuvels.
Heen en weer, als een valk, die zijn prooi zocht in zijn vlucht hoog boven de wolken, zweefde mijn herinnering over deze streek. Op een heuvelhelling groeiden vuurroode anemonen, en op den top van een heuvel een boschje bleeke, schaduwlooze olijven. Ik begreep dat ik op de plaats, waar ik een geluid had gehoord, dat leek op wat zoo pas in mijn ooren had weerklonken, ook vuurroode lentebloemen en wintergroene loofboomen had gezien. Dat moest dus heel ver weg liggen, héél ver van Wermeland en Zweden.
Mijn herinnering vorschte en zocht voort door de duisternis van de vergetelheid, en plotseling, na ongehoorde moeite, brak ze door tot klaarheid. Ik zag mij zelf en mijn reisgenoot in een grooten ouden landauer rijden, die zeker eens als galarijtuig in een of andere groote stad had dienst gedaan. We reden voorbij massa's roode anemonen op een breeden prachtigen landweg naar een stad met een muur omringd. Ik herkende den wagen. 't Was een van de afgedankte rijtuigen, die door de rijtuighouders van Palestina gebruikt worden. Ik herkende den weg, de omgeving, de stad, door een muur omringd. Ik had dat alles gezien, toen ik jaren geleden van Jeruzalem naar Bethlehem reed. Op de achterbank zit onze Syrische dragomaan donkergekleurd en met een roode fez op het hoofd. Hij vestigt onze aandacht op een klein, wit vierkant huis, met een lagen koepel gedekt, dat heelemaal alleen, op korten afstand van den weg ligt. 't Is bijna zonder vensters en lijkt op de algemeen voorkomende grafkamers, die de Oostersche inboorlingen voor hun vele heiligen plegen te bouwen, en die we op de meest verschillende plaatsen gevonden hebben, nu eens ver weg in de woestijn, dan eens midden in een stad of een dorp en ook, zooals nu, aan een weg, waar massa's menschen voorbij komen.
De dragomaan vertelt ons nu, dat dit huisje het graf van Rachel is en hij verzekert ons ook, dat dit niet maar een bloot vermoeden is, maar een werkelijk bewezen waarheid. Geleerde mannen hebben over de echtheid van bijna alle heilige plaatsen in Palestina geredetwist; maar nooit over dit graf. Er is geen twijfel aan of dit is de plaats, waar Jacob, ook wel Israël genoemd, zijn meest geliefde vrouw heeft begraven, kort nadat hun zoon, Benjamin geboren was, als vergoeding voor een anderen zoon, die hij meende dat door de wilde dieren verscheurd was op een zwerftocht door de woestijn.
Wij houden den adem in bij de gedachte aan wat dit wil zeggen. Hier had een schoone nomadenvrouw haar rustplaats gehad in een jarenrij, waarvan niemand de lengte kon aangeven; hier rustte zij, lang vóór haar zoon Jozef een man van gewicht werd in 't land van Egypte, lang vóór nog een koningsburcht was opgericht in Mycena of een Grieksche vloot over de zee was gevaren om Troye te veroveren, en hier sliep zij nog zonder dat haar graf in vergetelheid was geraakt of door vernielzuchtigen verwoest.
De dragomaan vertelt ons, dat in vroeger tijd, ja heel tot op onze dagen toe, volgens wat sommigen vertelden, uit dit graf schreien en klagen was gehoord, telkens als een ongeluk Israël zou treffen. Hier had de stammoeder der Judaeën haar jammerkreet doen hooren in den nacht vóór den dag, toen de onschuldige kleinen in Bethlehem zouden vermoord worden. Van hier hoorde men haar klachten ver over het dal gaan op den avond, vóór dat Jeruzalem werd verwoest en het onmetelijk dal van Hinnom tot den rand toe werd gevuld met de lijken van haar zonen en dochters. En vele malen daarna hebben, zoowel de inwoners van Bethlehem als de Bedouinen op het veld, haar onheilspellende kreten in het dal beneden Bethlehem gehoord in donkere avonden en nachten. Zelden zijn er lange tijden voorbij gegaan, zonder dat zij zich moest losscheuren uit den slaap des doods om te weeklagen over de ongelukken, die haar volk bedreigden. Rachel spreekt geen woord, maar haar schreien klinkt akelig door de doodelijke stilte, die haar graf omgeeft. Het wordt begeleid door lange, gerekte kreten, woester en vreeselijker dan eenig nu levend wezen uiten kan.
Toen we dat hoorden, zeiden wij tegen elkander dat het geen wonder is, dat Rachels graf tot op onzen tijd bewaard gebleven is. Omdat alle menschen in haar gelooven als de Groote Moeder, wier liefde voor haar kroost nooit kan verzwakken, heeft men haar nooit kunnen vergeten, en niemand, die uit een vrouw geboren is, heeft het ooit gewaagd de hand aan haar rustplaats te slaan.
Wij spreken daarover, terwijl de wagen voorbij het witte grafhuis rijdt. Op 't zelfde oogenblik gaat ons een heftige schok door de leden. Nu is 't geen avond, maar heldere morgen, maar toch hooren we uit het graf een langen, akeligen, gerekten schreeuw, dadelijk daarna nog een en nog een.
't Heele dal wordt door dit geluid als gevuld; het verscheurt ons trommelvlies. Er is niets menschelijks in—en ook niets dierlijks. Het hoort niet thuis in de wereld, waarin wij nu leven, 't zijn kreten, zooals de wilde oervrouw in den morgen der tijden moet hebben geuit. Zoo heeft Eva gejammerd, toen Kaïn Abel bedreigde, zoo heeft Hagar over Israël geschreid. Zoo moest het zijn, dat Rachel, Zij, die door alle tijden heen liefhad en bemind werd, schreit en weeklaagt. De dragomaan geeft snel den koetsier een teeken stil te houden. Hij springt uit den wagen en gaat het lijkenhuis binnen. Na een poosje komt hij terug.
Hij verklaart, dat de vreeselijke kreten werden geuit door een Bedouïnenvrouw, die daar binnen staat en Rachel aanroept om hulp voor een zieken zoon.
Wij zijn half en half teleurgesteld, we hadden ons bijna verbeeld, dat wij de klachten van de groote Stammoeder hadden gehoord. En we zeggen tegen elkaar, dat die Bedouïnenvrouw haar klagen van Rachel zelf moet hebben geleerd. De oerklanken moet zij uit het graf hebben hooren komen in een donkeren nacht, en nu herhaalt zij ze zoo goed ze kan, om het meegevoel van de sluimerende doode te wekken.
We zeggen ook, dat zulke geluiden niet uit de keel van een Europeesche vrouw kunnen komen. Wij zeggen, dat we in ons werelddeel zooiets nooit zullen hooren.
We zeiden nog veel dergelijke dingen, maar toch had ik dien zomerdag, den laatsten dag van Augustus 1914 dezelfde woeste kreten gehoord vlak bij mijn eigen tuin. Ik had dien kreet van de wilde moeder herkend, toen 't gevaar haar kind dreigde, zooals ieder, die hem eens heeft gehoord, hem altijd zal onthouden en nooit missen kan dien te herkennen.
Zij, die waren heengegaan om de zaak te onderzoeken, kwamen nu terug. Ze zeiden, dat het een arme vrouw was, die zoo had geschreeuwd, omdat haar eenige zoon haar moest verlaten om in dienst te gaan. Er was geen sprake van iets anders dan 't vervullen van den gewonen dienstplicht, maar zij meende, dat hij nooit zou terugkomen, omdat er aan alle kanten oorlog was. Ze hadden haar gevloekt, omdat ze zoo als een waanzinnige had staan schreeuwen en de heele hoeve had verschrikt, maar zij had geantwoord dat ze zoo had moeten schreeuwen. Ze kon niet anders, nu haar zoon in den oorlog moest gaan en worden doodgeschoten.
Ik dacht in stilte, dat de harde druk en de ontzetting van den tijd in haar keel dat geluid uit den oertijd had doen geboren worden; het geschrei van Rachel, de treurende moeder. 't Was lang geleden, dat men het in deze streken hoorde, zóó lang, dat niemand had kunnen zeggen, van welk wezen het kwam. Maar nu de oorlog was losgelaten over de wereld, was het uit de diepte van de menschelijke natuur weer boven gekomen, en nu zou men 't zoo spoedig niet weer vergeten.
Misschien zullen wij het nu zóó dikwijls hooren, dat allen het zullen herkennen tot zelfs in elke afgelegen stad. Gelukkige, rustige moeders, die nooit geweten hebben, dat zulk een geluid bestond, zullen misschien ontdekken, dat het ook in haar keel geboren kan worden.
II.
De verlaten Kerk.
Toen ik een kind was, hoorde ik vaak oudere menschen zeggen, dat in het groote bosch, dat ten Oosten van mijn oud tehuis lag, drie zeer merkwaardige dingen waren.
Ten eerste zou daar een heerlijke witte bloem groeien, zóó zeldzaam, dat haars gelijke in 't heele land niet te vinden was. Nu wist niemand precies meer waar men die in 't bosch moest zoeken, maar men was er van overtuigd, dat zij er was. Ze stond in een dicht kreupelhout van dennen aan den rand van een donkeren vijver—zooveel wist men er van. En als maar iemand haar kon vinden en aan de menschen brengen, zoodat ze van haar geur konden genieten en het zilveren waas over de bladeren zien, dan zouden ze haar liever hebben dan leliën en rozen.
Het tweede, groote en merkwaardige, dat zich in 't bosch verborg, was een geneeskrachtige bron.
Die kwam opborrelen met donker en bewegelijk water onder den wortel van een grooten berk, en vroeger hadden groote volksmenigten den weg daarheen gevonden. Daar hadden blinden het gezicht teruggekregen, en de lammen waren met gezonde ledematen van hun smartenleger opgestaan. 't Was een grenzenloos verlies, dat nu niemand meer den weg naar de bron of naar de groote beek kon vinden, die haar overschaduwde. Ach, er waren zooveel zieken, die naar het genezende water verlangden, en als iemand zoo gelukkig was het te vinden, die zou aanbeden worden als de engel van Bethesda.
De derde merkwaardigheid, die in het bosch was verborgen, was een oude verlaten kerk, daar overgebleven uit den tijd, dat de groote pest woedde, en die was even onmogelijk te vinden als al het andere.
Die stond heel diep in 't bosch tusschen hooge sparren, heelemaal alleen en verlaten. De geweldige balken in de wanden waren door houtwurmen doorknaagd, die daar eeuwen lang ongestoord hadden gewerkt, zonder dat hun scherpe kaken dat machtige hout tot stof hadden kunnen vermalen.
In die kerk waren geen hooge gewelven, geen schoone rijen zuilen. Ze was arm en klein, nauwelijks grooter dan een gewone hut, en ze rustte op een grond van los neergelegde steenen. Ze was zoo laag, dat een volwassen man nauwelijks zijn arm in volle lengte behoefde op te steken om tot het dak te reiken.
Het rieten dak en de houten wanden waren met mos bedekt, dat daar dichter en langer groeide dan ooit op eenige rots. Menig jager en houthakker was die kerk voorbij geloopen, meenende dat het een los blok was, een geweldige steen, die een of andere reus uit vroeger tijd naar de oude kerk had geslingerd, die daar eens moest gestaan hebben. Die had nooit vensters met in lood gevatte ruitjes gehad, maar 't licht was naar binnen geslopen door smalle lichtgaten, waarvan de luiken gesloten waren gebleven sinds de geestelijke, die door zijn toehoorders was verlaten, daar zijn laatste mis had gelezen. Maar de lichtgaten waren gevuld met groote pruiken varens, en lange slierten leverkruid hingen er overheen, zoodat ze den voorbijganger niet konden verraden, dat dit geen steenblok was, maar een gebouw, door menschenhanden gemaakt.
Rond om de kerk stond een heel oud bosch. De bodem was bedekt met licht mos en roode boschbessen. De korhoen sloop er rond met haar kuikens. De adder verlustigde zich in de zon op den drempel, waarop sinds den tijd van den Zwarten Dood geen voetstap meer was gezet. Geen spoor was er nu meer te zien van 't groote dorp, dat de kerk vroeger had omgeven. Ze was alleen overgebleven om er van te getuigen, dat eenmaal in haar nabijheid, op de vlakte, tusschen de beschermende burchten de menschen hun kudde hadden geweid en den akker voor den oogst bereid, en dat ze daar gedanst en gespeeld hadden, gehuwd waren en kinderen hadden gekregen, en dat ze daar veilig liepen en meenden dat hun nakomelingen daar zouden leven en wonen tot aan het eind der tijden.
't Was alles weg; alleen de verlaten kerk was nog overgebleven en getuigde van ziekte en dood, van weezen, die door de verlaten huizen hadden gedwaald, van verloofden, die door schrik overweldigd van elkaar waren gevlucht, van akkers, waar geen zaaier meer kwam, van vervallen huizen, van kudden, die doodgehongerd waren in hun gesloten stallen en al de ellende van verwoesting, die haar had omringd, tot eindelijk de sparren, het mos, de boschbessen gekomen waren en hun barmhartig kleed over 't spoor van den Zwarten Dood hadden gespreid.
Vroeger kon het gebeuren op mooie zomerdagen, dat scharen vroolijke jonge menschen naar het bosch trokken om naar deze drie merkwaardige dingen te zoeken, waar de ouden zoo stellig over spraken. Dan werd er gezocht achter steenblokken en beneden in de kloven; dan liep men met angstige stappen tot ver in 't moeras en klauterden tot op den top van den bergrug, maar als de avond viel en men naar huis moest gaan, was er nooit iets gevonden.
Als dan de jongeren op de hoeven terugkwamen waren ze heel mismoedig en vol twijfel, maar alle ouden hielden vol, dat de drie dingen ergens in 't bosch te vinden moesten zijn. Zij hadden het gehoord in hun jeugd, van menschen, die toen heel oud waren en werkelijk niet in staat waren onwaarheid te spreken.
En nog tot op den huidigen dag kan ik nooit den heuvelachtigen weg langs gaan, die naar den boschheuvel leidt, zonder te hopen, dat ik onverwacht de witte bloem haar kelk in 't kreupelhout zal zien ontvouwen, of dat ik het genezende water zal hooren borrelen onder een berkenwortel.
Die oude kerk heb ik nooit verlangd te ontdekken. Ik ben bang voor dat oude huis geweest, waar eens zóóveel angstige gebeden en klagend gejammer, en kreten van wanhoop, onverhoord hebben geklonken. Zeker, dacht ik, verbergt die kerk zich zoo diep onder haar moskleed, opdat niemand den vloer meer zal betreden, waar een heel volk, dat op 't punt stond onder te gaan, op de knieën heeft gelegen en te vergeefs om hulp geroepen. Maar nu, in deze dagen, sinds de groote oorlog is uitgebroken, had ik haar graag willen vinden. Nu zoek ik niet langer naar bloemen of genezende bronnen; nu zou ik dat oude gebouw willen terugvinden, dat getuige is geweest van de verwoesting en den ondergang van geheele dorpen en streken.
„Verlaten kerk,” zou ik willen zeggen, „de tijd van verwoesting is weer gekomen. De dood maait door de landen en stapelt lijken op lijken. Kinderen, die hun ouders verloren, dwalen door verwoeste huizen. De zaaier wordt van zijn akker verdreven, huizen en steden worden met den grond gelijk gemaakt en de tempels weerklinken van angstige gebeden. Mijn wereld staat op 't punt in stukken te worden geslagen, zooals eens de uwe.
Oud gebouw, ik weet geen beter plaats, waarheen ik met mijn smart kan gaan, dan naar u. Ik heb gespeeld en geschertst, maar in mijn ziel is geen spel of scherts meer.
Mijn ziel is geworden als gij zijt: stom, zonder klokgelui, zonder gezang.
Mijn ziel is arm geworden en duister, en verwilderd. Zij is vol beelden van ontzetting en schrik, ze is schuw en beroofd, als een daklooze, zij weet geen raad en ziet geen uitweg, zij zou zich willen verbergen en verdwijnen voor ieders aangezicht, zooals gij hebt gedaan, arme, oude kerk in de wildernis.”
III.
De Mist.
Op een herfstmorgen in 1914, in 't eerste jaar van den grooten oorlog, breidde zich een vrij dichte mist over de kleine, vredige en door de wereldgebeurtenissen vrij wel onberoerde streek, waar de Vreedzame woonde. De mist was toch niet dikker, dan dat hij den geheelen tuin en alle gebouwtjes daar kon zien, maar verder kon zijn blik niet doordringen. Hij zag geen akkers, geen heuvels, geen bosch. Heel zijn gewone omgeving was verdwenen, hij had zich kunnen verbeelden, dat hij op een eenzaam eilandje ver weg in de wereldzee woonde.
Hij was niet gewend aan dien engen gezichtskring; die was hem zóó vreemd, dat hij een pijnlijke drukking op de oogen voelde. Er was iets drukkends in, niet vrij naar alle zijden om zich heen te kunnen zien, en toen hij zijn gewone morgenwandeling door den tuin deed, voelde hij zich angstig en onrustig, als door een dreigend gevaar omringd.
Onwillekeurig trok hij de wenkbrauwen samen en probeerde zijn blik scherper te maken, opdat die door den muur van mist heen zou dringen. Maar dat alles hielp niet, hij moest zich vergenoegen met het aller dichtstbij zijnde te bekijken. Heel misnoegd beproefde hij in 't eerst zich te verstrooien door een paar vuurroode lijsterbesbladen te bewonderen, die in de vocht de kleur van oud koper hadden aangenomen. Dadelijk daarop werd zijn aandacht getrokken door de bedauwde spinnewebben, die over een aardbeiveld vol verdorde planten waren gespannen. Hij zei in zich zelf, dat die spinnewebben den sluier van de schoonheid van den herfst waren, en hij vroeg zich af, of zij de vrouwen van 't verleden, die oud werden, geleerd hadden, haar verwelkende schoonheid achter sluiers met paarlen versierd, te verbergen.
Die gedachte vermaakte hem, zijn ontstemming verdween en hij keek met nieuwe belangstelling rond. Vóór zich had hij een oude appelboom, met takken zwaar van vruchten neerhangend en hij werd er verrast door, dat hij dien boom buitengewoon mooi vond. Anders placht die oude boom hem, telkens wanneer hij door den tuin liep, door zijn leelijkheid uit zijn humeur te brengen. Hij was laag en breed. De takken kwamen dwars en dik in een rechte lijn uit den stam. Maar nu in den tijd van rijpheid, nu de takken zwaar waren van vruchten, bogen ze zich in sierlijke lijnen. Zij toonden, dat ze sterk en toch buigzaam waren. Hij begreep, dat hun zware lompheid noodig was, opdat zij den last, die hen nu drukte, zouden kunnen dragen.
Hij voelde zich op eens volkomen met den mist verzoend. Zij was het, die zijn gezichtskring inkromp en hem zijn aandacht deed schenken aan kleinigheden, waarover hij vroeger had verzuimd zich te verheugen.
„Om goed te zien, om te begrijpen wat men ziet,” dacht hij, „is het ten allen tijde noodig geweest, den blik op het nabijzijnde te vestigen.”
Die ervaring werd nog bevestigd bij den volgenden stap, toen hij een paar goed rijpe groene pruimen ontdekte, de laatste van het jaar, wien het tot nog toe gelukt was alle zoekende blikken te ontgaan. Maar de mist scheen hem een nieuw gezichtsorgaan te hebben gegeven en hij nam snel de kleine glanzende pruimen in bezit. Op datzelfde oogenblik hoorde hij voor het eerst op dien morgen een geluid uit de buitenwereld. Een sterke, zware stem riep ergens in den mist:
„O, Heer, wees genadig en help de oorlogvoerenden! Ja, ja, ja, mijn God, wees genadig voor de oorlogvoerenden!”
Hij bleef staan en luisterde. De woorden drongen duidelijk door den mist tot hem door, maar er scheen geen mensch te zijn.
„Heer, mijn God! wees genadig en help de oorlogvoerenden! Ja, ja, ja, wees genadig voor de oorlogvoerenden, want zij hebben het zoo zwaar. 't Bloed vloeit in de greppels als water. Ja, ja, ja, Heer, mijn God!”
De vreedzame, die daar in vredige en aangename gedachten verdiept had geloopen, maakte een ongeduldige beweging. Alweer die oorlog! Die kon je nu ook geen oogenblik vergeten: als men zijn aandacht aan iets anders wijdde, scheen de natuur zelf een stem te krijgen om de gedachten weer naar alle verschrikkingen terug te leiden, die nu over de menschheid kwamen. Weer werd er diep in den mist geroepen: „'t Bloed vloeit als water in de greppels. De stapels lijken liggen op 't veld zoo hoog als riethoopen. Ja, ja, ja! Help de oorlogvoerenden!”
't Was natuurlijk de krankzinnige vrouw, die altijd rondzwierf in de streek, biddend en zingend, en die nu op zich had genomen God aan te roepen ten gunste van de oorlogvoerende machten. Zij liep zeker daar ginds op den weg, die langs den zoom van 't woud loopt, en nu door den mist onzichtbaar was. 't Was aandoenlijk haar te hooren, en toch kon hij niet laten er even over te glimlachen, dat dit arme schepsel den wereldoorlog met haar gebeden wilde bezweren.
„Help de oorlogvoerenden, zoodat ze vrede maken!” herhaalde de krankzinnige. „'t Bloed vloeit in de greppels als water!”
Hij stond stil en luisterde, zoolang hij haar hooren kon. Toen zuchtte hij en zette zijn wandeling voort.
Voorwaar, deze tijd was zóó, dat ieder mensch er toe zou kunnen komen op velden en wegen te gaan, en de angst daarbinnen uitschreeuwen.
Hij steunde bij de gedachte aan den strijd, waaraan bijna de heele menschheid deelnam, en die de heele wereld met vernieling bedreigde. Als het nog maar de uitbarsting van een vulkaan of een stormvloed was, waarmee je te doen hadt! 't Ongeluk zou er niet kleiner om zijn, maar dan hadt je niet dat vernederende gevoel, dat dit alles door menschen veroorzaakt, door menschen aanbevolen was. Dan hoefde je ook niet te denken, dat er—omdat het wezens met verstand waren, die door den waanzin van den oorlog waren aangetast, een woord of misschien een maatregel te vinden moest zijn—die de razernij tot staan kon brengen. Dan hoefde je ook niet iederen dag en ieder uur met smart en angst te peinzen over dat, wat aan de verwoesting een eind zou maken.
„Wat kan ik doen?” vroeg hij zich af. „Mijn woorden zouden niet meer beteekenen, dan die van de arme krankzinnige zwerfster. Maar toch...”
Hij voelde door alles heen, dat er iets gedaan moest worden, dat je niet stil kon blijven zitten.
Op zijn wandeling was hij nu aan de meest afgelegen hoek van den tuin gekomen. En toen hij zich nu omkeerde om terug te gaan, had hij een lachend en innemend beeld vóór zich.
Van hier uit verhief zich het veld in langzame stijging tot aan 't woonhuis. De vreedzame zag heel zijn oude hoeve voor zich liggen met haar roode gebouwen, en al het loof in verschillende herfstkleuren. 't Was eigenlijk niet anders dan wat hij elken dag zag, maar de plaats had een heel ander aanzien dan gewoonlijk, omdat de nevel het van het omliggende landschap scheidde.
Toen de hoeve zich daar zoo geheel geïsoleerd vertoonde, merkte hij eerst recht op hoe mooi het roode woonhuis daarboven paste in de groene en gele boomkronen er om heen bij de lagere vleugelgebouwen, en de golvende struiken beneden, en de krans pas geplante vruchtboomen, die den voet van den heuvel omgaven. Nooit was in dit alles zoo'n harmonie geweest als vandaag, nu de mist het omsloot en alle leegten vulde. Niets kon gemist worden. Alles moest er zijn, alles was op de rechte plaats.
Zoo nauwer ineengevoegd door den mist en het groen, werd zijn thuis aantrekkelijker dan ooit. Het straalde veiligheid en gezelligheid uit. Hij voelde zich rustig en gelukkig, alleen al door er naar te zien.
Plotseling viel hem iets vreemds in. Hij stelde zich voor, dat hij alleen met zijn oude hoeve was, dat hij en de hoeve hun eigen stille leven hadden, en dat de mist hen in haar muren sloot en hen voor de wereld verborg. Die zou hen bewaken, dag en nacht. Zóó dicht, zóó ondoordringbaar, dat niet eens de voorbijgangers, die den weg naar het bosch opreden, weten zouden, dat ze zoo dichtbij lag.
De postbode met zijn zwarte tasch zou niet in de hoeve kunnen komen in dien verbijsterenden mist. Geen gasten, geen vreemdelingen zouden den ingang van de laan kunnen vinden, die naar het woonhuis leidde. Niets van de buitenwereld zou de hoeve kunnen bereiken, en niets van de hoeve naar de buitenwereld kunnen komen.
De winter zou komen na den herfst, en de zomer na de lente in langzame afwisseling. Sneeuw zou neerdalen en wegdooien, veld en boomen zouden met groen worden bekleed, en 't groen zou verdorren en verdwijnen. Koude en warmte zouden beurtelings tot hen doordringen, maar de dikke mist zou toch blijven staan. Als in een droom zouden ze leven: hij en de oude hoeve. 't Eene werk volgde op het andere: de oogst op het zaaien, het bakken op het brouwen in langzame volgorde. De koeien zouden gemolken worden, de schapen geschoren, garen gesponnen, doeken van glanzend dril werden op den weefstoel getooverd. Ze zouden gedwongen worden van hun eigen werk te leven. Niets zou er binnenkomen en niets zou er uitgaan. De smart, die hen drukte zou hun eigen smart zijn. Ze zouden alleen zich zelf hebben om op te vertrouwen. Ze zouden op een eiland wonen in de wereldzee, waarheen geen vaartuig den weg wist te vinden.
Wat den vreedzame 't meest bekoorde, was dat hij op die manier aan de ontzetting van den grooten oorlog kon ontkomen. Hij strekte zijn armen uit en sprak tot den mist.
„Blijf hier, mist, blijf hier! 't Zijn vreeselijke tijden, die komen! Laat mij ze niet doorleven. Sta op wacht om mijn hoeve met uw witte muren. Laat mij hier leven op de oude hoeve van mijn vaderen, zonder dat ik hoef te weten wat daar gebeurt aan geweld en bloedvergieten. Laat mij en mijn volk hier stil aan den arbeid blijven, zonder gestoord te worden door het gerucht van 't ongeluk van vreemde menschen! Vogels zullen nu en dan tot ons komen, maar we zullen niet onderzoeken of ze een brief onder de vleugels brengen. Nu en dan in den morgen zullen wij de arme waanzinnige hooren, die onder luide gebeden hier voorbijgaat. Maar we zullen niet luisteren of ze nog bidt voor de oorlogvoerenden.
Eens, als alles voorbij is en de menschen hebben opgehouden te vechten en elkaar te vernielen, moet ge u oplossen en verdwijnen. En wij, die niets weten van al het vreeselijke dat is gebeurd, wij zullen met verrukking de wereld ingaan om het eeuwige feest van het leven te genieten. Onze zinnen zijn niet besmet met de verhalen van geweld en bloedvergieten. Onze harten zijn niet hopeloos geworden door te hooren van ongelukken, die we niet bij machte waren te verhelpen. We zullen in de wereld terugkeeren in de overtuiging, dat de menschen zacht van nature zijn en het vredige en stichtelijke liefhebben. Wij zullen zijn als de vrome slapers, die gered werden in den tijd van geweld, om te zien, dat vrede en geluk terug kunnen komen, dat nood en ellende niet het eenige is, wat de aarde haar arme kinderen kan aanbieden.”
Toen de vreedzame deze woorden had uitgesproken, hoorde hij twee verschillende geluiden. Een windvlaag kwam door den mist, met een slangachtig sissen. Dat was het eene. 't Andere was een zwakke echo van 't gebed van de zwerfster: „Help de oorlogvoerenden aan vrede, Heere God!” Dat klonk als van heel ver. 't Klonk bijna als een waarschuwing, maar hij liet zich niet terughouden.
„Laat me hier zijn in mijn tuin, o mist,” barstte hij uit, „en nieuwe schoonheden ontdekken! Leer mij te letten op wat het dichtste bij ligt. Laat mij op mijn eigen wijze werken, bezig zijn met dingen, die ik kan verzorgen. Bewaar mij er voor als een waanzinnige door 't land te dwalen om te trachten te herstellen waar ik geen macht over heb.”
Toen dit gezegd was, ging opnieuw een suizen door den mist. Hij meende iets te hooren dat leek op: „U geschiede naar uw wensch!”
Maar dat was natuurlijk alleen maar zelfbedrog. Bijna op 't zelfde oogenblik woei een frissche wind om hem heen. Die verscheurde den mist in kleine vlokken en slingerde die weg naar alle kanten. Alles hernam zijn gewone gestalte en hij glimlachte bij de gedachten, die de mist in hem had gewekt, en die nooit tot werkelijkheid zouden worden. Maar het is gevaarlijk wenschen als de zijnen te uiten. Soms hebben de natuurmachten er een boosaardig genoegen in aan onze slechte invallen toe te geven.
Van dien dag af merkte de vreedzame, dat de berichten over den oorlog, hoewel ze steeds vreeselijker werden, hem niet zóó kwelden als vroeger. Alles wat er gebeurde was voor hem als iets vreemds, ver weg en scheen hem niet aan te gaan. Hij deed zijn gewone werk, zonder door angst bezwaard te worden, omdat de wereld te gronde scheen te gaan.
De man, die niet begreep dat de mist zijn gebed verhoord en zich als een domper over zijn ziel gelegd had, meende dat hij in evenwicht en wijsheid was toegenomen. Hij prees zijn eigen verstand en voorzichtigheid. Alle lust om een middel te vinden om den zondvloed, die over de wereld was losgebroken, te stuiten, verdronk ook in den dichten nevel, die, zonder dat hij 't merkte, zijn verstand omhulde. Alle lust om te handelen werd neergeslagen door radeloosheid, maar hij was zóó dof, dat hij zich gelukkig prees, omdat hij wijs genoeg was om zich niet met een hopeloos streven te overspannen.
Hij zag, dat anderen, die niet beter waren dan hij, naar voren traden om een woord te zeggen, maar hij merkte niet, dat ze iets bereikten met hun spreken. Hij vergeleek ze met de vrouw, die hij God had hooren aanroepen in den mistigen herfstmorgen. Hij meende, dat hun zielen verward moesten wezen, omdat ze iets ondernamen, waarvoor ze geen macht of bevoegdheid hadden. Maar heel binnen in de diepte van zijn ziel had hij toch hun handelingen met brandenden angst gevolgd. In mooie, heldere sterrennachten verloor de mist haar macht over zijn ziel, en dan dacht hij met wanhoop aan de ure, dat hij dit aardsche zou moeten verlaten en voor zijn Rechter worden gebracht. En hij wist, dat in dat uur de vrouw, die op den weg liep te schreeuwen, naast hem voor Gods troon zou staan. En tot hem zou God de Vader met strenge stem zeggen: „In uw tijd liet Ik een storm los over de aarde. Hoe kwam de gedachte in uw ziel, dat ge u voor 't stormweer zoudt verbergen?”
Dan zou de vreedzame zich verdedigen en zeggen: „'t Was bovenmenschelijk, wat Gij verlangdet, dat ik zou doen. Ik zweeg, omdat ik geen uitweg zag. 't Was niet mijn werk Uw storm te beteugelen. Ik vreesde meer te schaden dan goed te doen.”
Dan zou de Hoogste Rechter zeggen: „Ik weet dat Ik u geen verstand genoeg had gegeven om den storm te beteugelen. Maar Ik heb u kracht genoeg gegeven om medelijden te toonen en barmhartigheid te bewijzen.”
Dan zou de vreedzame op de vrouw wijzen, die naast hem voor Gods troon stond. „Die vrouw heeft gesproken—en gesproken zonder ophouden,” zou hij zeggen, „en wat heeft het geholpen? Haar kreten hebben geenszins de harten van de machthebbers op aarde kunnen verzachten.”
Dan zou Hij antwoorden, die over hemel en aarde regeert. „Maar mijn armen hebben zich voor haar geopend, en de weg tot heerlijkheid.”
Dan zou de vreedzame weten, dat er voor hem geen hoop was, en in zijn wanhoop zou hij neerzinken van voor Gods troon, al dieper en dieper tot die sferen, waar alleen koude en duisternis en versteening en doodsche stilte en alles omsluierende nevel is.
IV.
De jonge Zeeman.
't Is een mooie Zondagmiddag en ik zit alleen op een bank in den ouden tuin van een landgoed buiten een kleine stad aan de westkust. 't Is een heel vredige en stille plaats, hoewel die nu voor het publiek is open gesteld. Hier en daar staan een paar tafeltjes met stoelen er om heen onder de boomen. Hier en daar zitten een paar kalme gasten, die zachtjes, bijna fluisterend samen praten. Een enkele oude vrouw zorgt voor de bediening. Ze neemt de bestellingen kalm en vriendelijk aan en voert ze met zorg uit, maar zonder eenige haast. Als ze dan eindelijk aankomt met een volgeladen koffieblad, en het voor een gast neerzet, glimlacht ze welwillend als een gastvrouw, die haar gasten 't beste aanbiedt wat haar huis kan opleveren.
Niet ver achter mij hebben drie personen om een tafel plaats genomen. Ze zitten zoo zwijgend en onbeweeglijk, dat het een poosje duurt voor ik ze opmerk. Alleen met groote tusschenpoozen zeggen ze een woord.
't Kleine gezelschap bestaat uit twee oude vrouwen in stemmige zwarte kleeren en een jongen man van ongeveer twintig jaar, gekleed als een welgestelden zeeman. De beide ouden zijn zóó onder den indruk van 't feit, dat ze buiten zitten onder vreemde mooi gekleede menschen, dat ze absoluut niets kunnen bedenken om over te praten; maar de jonge man voelt het klaarblijkelijk als zijn plicht nu en dan iets te zeggen.
„Moeder en Tante!” roept hij uit, „wat is 't prettig, dat we zulk mooi weer hebben op dezen tocht.”
„Ja, dat is heel prettig,” antwoorden de twee ouden uit één mond, en dan daalt de stilte weer op hen neer.
Ik ga wat anders op de bank zitten, om beter te kunnen zien. De jonge zeeman zit wat zelfvoldaan achterover geleund, met de handen in de zakken van zijn broek, met zijn stoel te schommelen. Hij ziet er heelemaal niet uit alsof hij zich verveelt. Integendeel, hij heeft een genoeglijke uitdrukking op zijn jongensachtig gezicht.
De beide oude vrouwen, die ieder aan een kant van hem zitten, zijn buitengewoon leelijk. Ze zien er niet eens vriendelijk uit, maar zitten daar stijf en somber, gestempeld door vermoeiend werk en een zwaarmoedige vreugdelooze levensopvatting. Maar telkens als de jonge man en zij elkaar aanzien, klaart zijn gezicht op en glimlacht hij. 't Is niet alleen de mooie middag, die hem zoo in zijn schik maakt, maar vooral de tegenwoordigheid van deze oude vrouwen.
„Wat is het prettig, Moeder en Tante, dat we zulk mooi weer hebben op dezen tocht!” roept hij weer, en de beide ouden stemmen dat weer toe.
Ik voor mij denk, dat het nog zoo zeker niet is, dat de twee oude vrouwen zoo tevreden over dezen tocht zijn. Ze zijn waarschijnlijk zulke echte stadsmenschen, dat ze zich 't beste op haar gemak voelen in haar eigen kamertjes, in haar welbekende straat. Waarschijnlijk vinden ze 't niet recht prettig zich op zulk een openbare vermakelijkheid te vertoonen. Al kun je daar ook maar alleen koffie en thee krijgen, ze voelen zich toch onveilig. Ze zouden veel liever in de kerk zitten en naar 't gezang luisteren.
Natuurlijk is het de jongen, die ze met alle geweld één keer mee heeft willen hebben, hij heeft ze een pleizier willen doen door ze in het groen en bij de bloemen te brengen, hij meende, dat ze er pleizier in zouden hebben al die deftige menschen te zien, die meestal naar deze vreedzame plaats trokken.
Als de oude vrouw met een zwaar blad naar die kleine groep komt, ziet ze er nog vergenoegder en vriendelijker uit dan anders. Dit is iets naar haar hart: een zoon, die met zijn moeder en nog een oud familielid uit gaat om haar een genoeglijk uurtje te bezorgen.
Nu wordt het groepje wat levendiger, terwijl de koffie gedronken wordt. De jonge man is gastheer en de beide vrouwen moeten bijna lachen, als ze zien, hoe vastbesloten hij opstaat en met vaste hand de koffiekan aanpakt. Dit is immers de verkeerde wereld! Zij ontvangen hem gewoonlijk, zij zetten hem 't beste voor en verzoeken hem toe te tasten. Nu moeten zij toelaten, dat hij koffie schenkt, en suiker en room in de kopjes doet—alles overvloedig.
Hij is er misschien niet zeker van hoeveel er in de kan gaat, want hij durft zich zelf niet in te schenken. Niettegenstaande alle protesten doet hij het niet. Hij heeft vandaag al zoo ongeloofelijk veel koffie gedronken. En hij neemt ook geen broodjes. Maar voor zijn gasten zoekt hij zóóveel gebakjes uit, dat ze rondom 't schoteltje liggen. Dan gaat hij zitten en kijkt naar de beide oude vrouwen met een stralend gezicht. Hij doet geen moeite te verbergen hoe trotsch hij er op is, dat hij nu haar onthaalt, dàt het hem gelukt is haar uit huis te krijgen, haar uit de nauwe straat te lokken.
Tot nu toe hadden ze aldoor voor hem gewerkt en gezwoegd, maar dezen keer was hij met hoog loon thuis gekomen. Nu, in den oorlog waren de loonen immers meer dan verdubbeld. Nu kan hij goed leven en moeten zij eens aannemen.
Terwijl hij achterover leunt om zoo gemakkelijk mogelijk te zitten, denkt hij er aan, dat zijn Moeder en Tante misschien vroeger nooit zulk een genoegen hebben gehad. Als hij weer op zee is, zal hij er blij om zijn, dat hij haar zulk een heerlijk uur heeft bezorgd. De jonge zeeman is wat verstrooid geweest, terwijl de ouden aten en dronken; maar op 't zelfde oogenblik, dat zij de koppen neer zetten, staat hij snel op om ze weer aan te bieden. De oude vrouwtjes protesteeren een beetje, maar hij schenkt ieder weer een volle kop in.
„Moeder en Tante moeten nu maar toetasten. Morgen ga ik weer op een lange reis!”
Maar een derde kop weigeren de oude vrouwen beslist. Dat hebben ze nooit kunnen doen, dat moest hij toch wel weten.
Zoodra hij overtuigd is, dat zij werkelijk voldaan zijn, schenkt hij zichzelf in en drinkt den eenen kop na den anderen. Hij ledigt de kan tot den laatsten druppel en in 't koekmandje blijft geen kruimel over.
„Ja, jij bent ook een mooie! Je zegt, dat je vandaag geen koffie meer drinken wilt!”
Hij lacht en is in zijn schik over die kleine list, en de beide ouden vergeten zich zoover, dat ze ook glimlachen.
Maar als 't koffieblad weggenomen wordt, is de vroolijkheid weer voorbij en de stilte daalt weer over hen neer. De beide oude vrouwen kijken rond, alsof ze bang zijn, dat iemand gemerkt zou hebben, dat ze pleizier hadden. Ze richten zich op en zetten weer hun strenge kerkgezichten.
„Dat was toch maar heerlijk, dat we zulk mooi weer op dezen tocht hebben gehad,” zegt de zoon. Hij zegt dat met een gezicht, alsof hij voor de zon en de warmte en de pracht van den zomer heeft gezorgd en daar de eer van wil hebben. En dat begrijpen ze en ze prijzen hem, maar spreken er niet verder over door.
De jonge zeeman is levendig geworden na de koffie en hij wil ze werkelijk tot een gesprek uitlokken.
„Kijk eens Moeder, wat een zwaluwen,” zegt hij.
De Moeder heft het hoofd op, maar kijkt den verkeerden kant uit. Haar oogen zijn grijs van de staar en ze ziet geen zwaluwen; maar dat doet er niet toe. „Ja, en wat vliegen ze mooi!” zegt ze.
Na een poosje is er sprake van naar huis te gaan, en aan dit prettige een eind te maken. De ouden stellen dit voor, maar de jonge man verzoekt ze met sterken aandrang, nog een oogenblik te blijven. Hij heeft het hier zoo genoeglijk.
En hij zit heen en weer te schommelen en zachtjes te fluiten, nadat het gesprek weer gestaakt is. Hij verlangt niet weg te komen. Hij is volkomen met zijn lot tevreden.
Daar komt een groep van vijf, zes jonge menschen door den tuin wandelen. Ze spreken luider dan de gasten, die er tot nu toe waren; ze brengen een heel andere stemming mee dan tot dusverre onder de hemelhooge boomen heerschte.
Ze komen dicht voorbij de tafel, waar de jonge zeeman zit; ze knikken en wenken om zijn aandacht te trekken, maar spreken hem niet aan. Ze gaan verder.
Een van hen blijft staan, een flink meisje, mooi, met een fijne gelaatskleur en groote, smeekende oogen.
„Dag Kristenssen,” zegt ze en komt aarzelend dichterbij.
De jonge zeeman knikt glimlachend, maar staat niet op en haalt de handen niet uit den zak.
„Dag Anna.”
„Je was van morgen niet bij 't zeilen.”
„Neen, je begrijpt wel, dat ik naar 't kerkhof wou gaan en zien naar 't begraven van den duitschen matroos.”
„Maar van avond kom je toch zeker mee dansen.”
Ze spreekt verlegen en moedeloos en heeft tranen in haar stem.
„Neen, dank je, Anna. Ik heb van avond nog zooveel te doen thuis. Je weet wel, dat ik morgen weg moet.”
„Ja. Nu dan, 't beste, Kristenssen.”
„Dag Anna.”
Hij laat haar heengaan, en schommelt daar met zijn stoel, en begint weer zachtjes te fluiten.
De twee ouden hebben dit kleine tooneeltje met gespannen aandacht gevolgd. Nu 't meisje heengaat, glijdt de schaduw van een glimlach over hun gezichten. Ze konden niet laten blij te zijn, omdat de jongen liever bij haar blijven wil, hoewel jeugd en liefde hem willen lokken.
Beide vrouwen staan nu vastbesloten op. Nu zijn ze heelemaal voldaan. Ze moeten naar huis om het avondeten. Ze danken hem heel ceremonieel voor 't feest, maar midden onder de conventioneele woorden, barst de moeder uit: „Dezen avond zal ik tot mijn dood toe niet vergeten!”
De jonge zeeman heeft zeker geen lust om 't feest af te breken. Hij blijft het langste zitten; men ziet aan zijn gezicht, dat hij hier aldoor zou willen blijven.
Terwijl ze heengaan, zie ik ze na door de laan in den tuin. De jonge zeeman loopt naast zijn moeder. Ze moeten over een plek, waar een gladde steenen drempel ligt. Daar slaat hij de armen om zijn moeder heen en steunt haar.
Maar ook, toen ze die gevaarlijke plek al lang voorbij zijn, blijft hij zoo loopen, met de armen om zijn moeder heen.
En nu komt het me voor, alsof eigenlijk de jonge man haar niet steunt, maar meer zich aan haar vast houdt. Hij grijpt naar haar om steun.
„Hij is bang,” denk ik. „Je kunt 't zien aan zijn samengetrokken schouders, dat hij bang is. Hij is buiten zich zelf van angst, en juist als vroeger, toen hij nog een kindje was, kruipt hij dicht bij zijn moeder om bescherming te zoeken. Maar waar is hij bang voor?”
Ik zie bijna verschrikt naar de stoelen, waarop die drie menschen hebben gezeten. Zijn er eigenlijk niet vier gasten aan die kleine koffietafel geweest? Heeft niet de bleeke schim, van den Duitschen matroos, den man van de klip van Horn, van wien 't lijk tusschen de klippen op de kust is gevonden, en naar de stad gebracht om begraven te worden, mee aangezeten? Heeft de jonge zeeman hem daar niet voortdurend zien zitten, hem schrik aanjagend met de gevaren op zee? Was hij het niet, die door zijn griezelige tegenwoordigheid den jongen van vreugde en spel heeft verdreven en hem genoodzaakt bescherming te zoeken in de oude, veilige haven? Hij heeft gewild, dat zijn moeder voor hem zal bidden met de zekerheid van zijn onverdeelde liefde. Hij heeft de bescherming willen verwerven, die de zegen van een moeder geven kan, als die rijk en zonder voorbehoud geschonken wordt.
V.
De Ster.
(Brief van een Zweedsch arbeider).
... 20 April 1917.
Er is een ster op weg. Een groote planeet is in beweging gekomen, naar beneden, naar onzen aardbol. Ik heb haar ver weg in de wereldruimte gezien. Die valt—en valt en komt elken dag nader!
Ik hoor niet tot de menschen, die gewoonlijk gezichten zien en ik ben ook geen boetpredikant. Ik heb nooit de moeite genomen om te gaan zitten met de Openbaring voor me, om er profetieën uit te zoeken. Ik houd me alleen aan wat ik zelf heb ondervonden. Ik hoor niet tot de menschen die spreken in waanzin.
Ik zal u vertellen wie ik ben. Ik ben een arbeider op een werkplaats en pas kort geleden weer thuis gekomen in Zweden na tien jaar bij een Duitsche firma gewerkt te hebben en daarna drie maanden in een Duitsche gevangenis geweest te zijn. Ik heb geleefd van soep, van wikkemeel en rapen gekookt, en van een soort vocht, dat koffie genoemd moest worden, en niet meer dan een halve boterham kreeg ik als rantsoen per dag. Ik heb zelfs geen bijbel gezien om in te lezen en ik kreeg niets dan verwijten en scheldwoorden ten antwoord, als ik om een courant vroeg.
Ik ben een eerlijke Zweed. Ik heb nooit iemand te kort gedaan en ik hoef niet te verbergen, waarvoor ik gevangen gezeten heb. Ik was een nacht in een hotel in Keulen, zonder me bij de autoriteiten te hebben aangemeld, en dat kon niet met minder dan drie maanden opsluiting geboet worden. Ik heb tien jaar lang in Duitschland gewoond. Bij een Duitsche firma heb ik de beste jaren van mijn leven gediend, en ik heb getuigschriften van groote bekwaamheid, onverdeelde vlijt en goed gedrag. Ik kreeg voor dat alles mijn loon op de reis naar huis, toen de politie in Keulen me pakte en me drie maanden lang van wikke en rapen liet leven.
Maar ik spreek van dit alles niet om mij te beklagen, want, Goddank 't heeft mijn gezondheid niet geschaad. Ik wil alleen verklaren hoe ik er toe kwam zooveel na te denken en me over zooveel te verwonderen. Want ik dacht aan alles tusschen hemel en aarde, terwijl ik daar opgesloten zat, en 't meest van alles dacht ik aan de wereldorde zelf. 't Werd me duidelijk, dat er aan den tegenwoordigen ellendigen toestand een einde moest komen.
Dat weet iedereen, die een poos in een werkplaats is geweest, wat daar een orde en oplettendheid noodig is en hoe vlug ieder moet passen op wat hem te doen gegeven is, wil het alles aan den gang gehouden worden, zonder dat er ongelukken gebeuren. Maar wat moet je dan zeggen, als je denkt aan de groote wereldmachinerie met al die loopende drijfriemen, en draaiende wielen en gevaarlijke krachtbronnen en ontelbare machineonderdeelen. Iedereen ziet, dat daar niets dan lichtzinnigheid is en onverstand. Er zijn fouten bij de leiders en fouten bij hen, die geleid moeten worden. Niemand houdt behoorlijk orde onder de menschen en houdt ze aan hun plichten, maar ieder zorgt voor zich zelf, zoo goed hij maar kan. En als alles wat gedaan moet worden, gaat met onwil en dwang en tegenzin en verveling, is het waarachtig geen wonder, dat allen ontevreden zijn en er telkens uitbarstingen komen, en dat er elken dag menschen tusschen de machines raken.
Ik zag zoo duidelijk, toen ik in de gevangenis zat, dat het niet zoo kon doorgaan. Ik begreep dat de Directie haar geduld verloren had en een massa van de tegenwoordige arbeiders wilde ontslaan, dat zij de oude fabrieksgebouwen wilde wegdoen en 't met nieuwe methoden en nieuwe arbeiders wou probeeren.
Dat kan ik de Directie niet kwalijk nemen, want die had niet weinig geduld gehad. Maar als die ooit de zaak aanpakt en schoon schip maken wil, dan is er geen sprake van halve maatregelen en zachte schikkingen. Dan roept ze den wereldoorlog op met zijn houwende bijl, en dadelijk moeten vele millioenen menschen in vliegende haast de ransels op den rug nemen en de reis naar de andere wereld aanvaarden. En ze roept de revolutie op met haar geweldigen veger, die met een zwaai het slecht verzorgde wegveegt en de oude fabrieken omgooit. Ik zag het duidelijk, dat het niet kon doorgaan, zooals het tot nu toe ging. Maar de vraag was of 't zou blijven bij de verwoesting die al gebeurd was, of er niet nog iets ergers zou komen, zoodat de landen waar 't krijgsvuur het sterkste had gebrand, heelemaal vernietigd zouden worden.
Maar nu ik in mijn geliefd vaderland ben teruggekomen en de nauwe celwanden niet meer om me heen heb, nu ik er niet meer naar hoef zitten luisteren hoe de celwachter door de gang heen en weer loopt, of me af te vragen of ik ooit weer vrij man zal worden, nu probeer ik mijn onrustige gedachten, die in de gevangenis zijn losgebroken, weer meester te worden. „Jelui moet niet zoo angstig wezen,” zeg ik tot hen. „'t Kwam alleen door 't opgesloten zijn en den slechten kost, dat jelui zoo moedeloos en verlamd van schrik zijn geworden. Laat ons nu hopen dat we spoedig vrede krijgen en dat de Directie ons niet heelemaal zal vernietigen,” maar mijn gedachten willen niet tot rust komen. Het was of er diep in mijn ziel iets was, dat wist, dat de maat van onze ellende niet vol was.
En eergisteren, in den nacht tusschen den 18den en 19den April, toen ik slapeloos neerlag en streed met mijn gedachten, werd mij bevolen, overeind te komen in mijn bed en uit de middelste ruit van mijn venster naar buiten te zien. En toen ik gehoorzaamde, zag ik ver weg, hoog in den hemel een ster, die in een cirkel rond bewoog, en op en neer ging, links en rechts.
Ik hoorde de stem zeggen, dat dit de groote planeet Jupiter was. Nu was die van zijn plaats los gekomen en op weg door de wereldruimte.
„Sta op,” zei de stem. „Sta op en verkondig dit: Nu komt het er op aan in het oude Europa. Want als de ster nadert zal er een groote hitte komen over de aarde. De zee rondom Engeland zal uitdrogen; in Duitschland zal al wat leeft tot asch verbranden en van Rusland zal niets meer overblijven dan droog woestijnzand. In de schoone landen aan de Middellandsche Zee zullen de rivieren met kokend water stroomen en de bergen zullen smelten en wegvloeien als vlietend vuur.
Dat is de wraak Gods, dat is Zijn rechtvaardige straf. Ge moet het uitroepen, dat het oude Europa voorbijgaat. Het zal vergaan met al zijn zonden, met zijn vele oorlogen en zijn groote ijdelheid.
Er zal groote jammer over het oude Europa komen, over haar groote steden en vruchtdragende velden, en millioenen menschen; want het zal uitgebrand worden als een etterende wonde. Maar de andere landen der aarde zullen gespaard blijven.”
En de stem zeide tot mij, dat ik neerknielen moest en de handen aan elkaar brengen, zoodat de vingers elkaar raakten. En toen ik dat gedaan had, sprak zij opnieuw.
„Dit beveelt u de Allerhoogste in Zijn barmhartigheid: Gij zult dit alles neerschrijven zooals gij het gezien hebt, en het aan de autoriteiten en het volk verkondigen, zoodat zij, die op het teeken vertrouwen en uw woorden gelooven mogen, kunnen vluchten en gered worden. Gij zult zeggen, dat er geen dag is die voor de ster bepaald is. Die zweeft heen en weer. Die kan over een maand komen; die kan komen over een jaar. Maar alle vorsten en regeerders moeten zich haasten om een eind aan den wereldoorlog te maken en de menschen vrij te laten, zoodat ze uit het oude Europa kunnen vluchten.”
Meer hoorde en zag ik dien nacht niet. Ik viel in een diepen slaap.
Maar dien morgen, toen ik wakker werd, kwam de twijfel. Ik zei tot mij zelf: „Wie ben ik, dat ik tot de autoriteiten en de volkeren zou spreken? Wie ben ik, dat ik mijn stem zou kunnen doen hooren over de geheele wereld?”
Daarom wend ik mij tot u, edele schrijfster. Wil gij mijn visioen aan de autoriteiten en de volkeren openbaren; wil gij hen vermanen, die de sterrenwereld doorvorschen, dat zij de groote planeet Jupiter naspeuren en zien of die haar vorige baan heeft verlaten?
Ik behoor niet tot de menschen, die gezichten zien en ook ben ik geen boetprediker. Ik heb niet de moeite genomen om te gaan zitten met de Openbaring voor me, om er de profetieën uit te zoeken; maar sinds dien nacht, dat ik de ster zag, is er een verstijvende schrik in mijn lichaam.
Er is geen tijd voor twijfel.
Moge hij, die spreken kan, zijn stem verheffen. Het is hoog tijd, dat de heele wereld weet wat voor gast nadert, wat voor gast van vuur en schrik nadert...
VI.
De Brandstapel.
(Brief van een Deensch krijgsgevangene).
Vroeger heb ik nauwlijks twee rijmende regels geschreven, maar nu doe ik niet anders dan verzen schrijven. Ik wil de kunst leeren onvergetelijke gedichten te schrijven. Ik wil leeren dien machtigen tooverstaf te zwaaien, die de heele wereld tot luisteren zal dwingen.
Ik vind het merkwaardig, dat ik kan schrijven zooals ik doe, want ik heb juist geen geschikte werkkamer. Om mij heen heerscht de stilte niet en wat men „dichtervrede” noemt—daar geniet ik niet veel van. Ik zit in een gevangenbarak in Irkutsk in het gevloekte land Siberië, en ik heb negen en twintig kameraden om me heen hier in de kamer.
Ze maken voortdurend een geweldig geraas, en ik geloof, dat ze alles doen wat ze kunnen om mij te storen. Ze gaan naast me zitten en zingen liedjes en ze schreeuwen me Duitsch vlak in mijn ooren. 't Is alsof ze niet kunnen verdragen, dat ik verzen zit te schrijven. 't Is alsof 't verboden zou zijn verzen te schrijven in een gevangenbarak, zooals ik me verbeeld, dat het verboden is psalmen in de hel te zingen.
Maar ik schrijf toch, omdat ik een wapen in handen wil krijgen. Ik wil me oefenen, zoodat ik den oorlog kan neerhouwen. Ik wil dien ter aarde werpen, ik wil hem den voet op den nek zetten. Hij zal berouw hebben over het onrecht, dat hij mij heeft aangedaan.
Ik zeg niet anders, dan dat ze ongelukkig zijn allen hier die in de gevangenbarak zijn opgesloten. Ik weet, dat een paar van hen krankzinnig van heimwee zijn geworden, en de anderen wachten maar op den dag, dat ze ineen zullen zinken door typhus of cholera. Maar 't zijn allen soldaten, die zijn uitgetrokken om te vechten en te dooden en hun geschiedde geen onrecht, toen ze gevangen werden genomen en naar Siberië gezonden.
Maar tegenover mij beging men een groote zonde, toen men mij hierheen bracht, want ik ben een vreedzame Deen. Ik heb nooit een geweer opgeheven om te mikken, en mijn land is niet in den wereldoorlog betrokken. Ik weet tot op dezen dag niet, waarom het groote Rusland zijn hand op mij legde in 't kleine stadje in West-Pruisen, waar ik woonde, toen ik mijn verwanten daar bezocht. Ik was geen spion, ik was geen verrader, ik weet niet waarom ik in gevangenschap werd weggevoerd.
Ik weet niet waarom men weigert mij in vrijheid te stellen. Waarom mag ik niet naar Denemarken teruggaan en voor mijn gezin werken? Waarom moet ik mijn beste jaren in tobberij en werkeloosheid doorbrengen?
Er kan maar één bedoeling met dit alles zijn. Ik ben hierheen gebracht, opdat ik de ergste ellende van den oorlog voelen zou. Ik ben hierheen gebracht opdat de oorlog een vijand zou hebben, die nooit vrede sluiten zal en nooit tot een vergelijk zal komen.
Ik schrijf en schrijf, ik wil de schoone kunst leeren gedachten op rijm te brengen. Ik wil, dat mijn gedachten als harde tangen zullen worden, die de oorlogszucht der menschen zullen grijpen en met wortel en tak uitrukken. Ik wil, dat ze als zeventienjarige maagden zullen worden, die niemand kan weerstaan. Ik wil, dat ze als gonzende muggenzwermen zullen worden, die alle slapenden in hun rust zullen storen. Maar ik ben een beginner en ik zie, dat mijn gedachten machteloos zijn. Zij vallen ter aarde als dorre bladeren. 't Ritselt als ze vallen, maar niemand wendt zich om om te zien wat daar valt.
Als iemand wist... als iemand wist wat het zeggen wil te zitten in een gevangenbarak en gedichten te schrijven. Nu en dan kan ik niet schrijven, omdat ik mijn oude jas moet verstellen. We hebben al drie jaar achter elkaar dezelfde kleeren aan en ze zijn zóó versleten, dat ze aan flarden uit elkaar vallen. Soms is het zoo koud hier bij het venster, dat mijn vingers verstijven en soms kan ik niet bij de lamp komen. Maar ik schrijf altijd door. Ik zoek naar 't gevaarlijke woord, dat zich om den oorlog heen kan slingeren als een geweldige slang en hem smoren. Ik wil hem in een modderpoel stoppen. Ik wil hem laten sterven in een gevangenbarak in het vervloekte land: Siberië.
Ik schrijf maar altijd door. 't Is geen wonder, dat de Russische gevangenbewaarders met me spotten en denken dat ik gek ben. Er zijn velen die zich zonderling gedragen in de gevangenkampen, maar ze hebben nog niemand gezien, die zoo'n wonderlijken inval had als ik.
Maar ik weet, dat het nooit vrede wordt voor ik met mijn liedjes de wereld in mag gaan, voor ik vrij kom en ze voorlezen ga aan visschers en boeren, aan vrouwen en kinderen, aan allen, die vechten in de loopgraven en aan de gevangenen en de in den oorlog verminkten. Er komt nooit vrede, voor mijn verzen rond kunnen vliegen en harten doen ontbranden zooals vonken hooibergen aansteken.
Als ik in een stad kom, zal ik op de markt gaan staan, op de trappen van het raadhuis, en mannen en vrouwen zullen zich om me heen verdringen. En als ze mijn woorden hooren, zal er in hen een vreeslijke toorn tegen den oorlog ontwaken. Ze zullen stroo en brandhout bijeenbrengen op de markt en ze zullen een grooten brandstapel aansteken. Ze zullen naar hun huizen snellen en terugkomen met alle vernielende wapens, met alle oorlogs-boeken en oorlogs-schilderijen. Ze zullen komen met uniformen en met trommels, met de schallende trompetten en de wapperende vlaggen. En dat alles zullen ze op den brandstapel werpen en verbranden.
Ja, het vuur van den vrede zal opvlammen. Oude gedichten van bloedige heldendaden zullen verbranden en kinderen zullen hun oorlogsspeelgoed: hun kleine helmen en houten zwaarden verbranden. Verroeste ridderharnassen zullen uit de musea geworpen en versmolten worden; ook de sabels en vuurwapenen. Alle eereteekenen van den oorlog, al zijn proclamaties, al zijn bezittingen zullen door de vlammen worden verteerd.
En de kazernen zullen worden afgebroken om dien grooten vrede-brandstapel te voeden; muren en vestingwerken zullen bij zijn schijnsel neerstorten, de loopgraven zullen vernietigd worden en kanonnen en mortieren zullen in puinhoopen verkeeren.
Laat den brandstapel van den vrede branden! Laat hem branden tot vreugde van de menschen. Werp er de oorlogsschepen, de onderzeeërs, de vliegmachines in! Laat hem vlammen en vonken schieten, tot vreugde voor God en menschen. Werp er den haat in, en al 't booze uit het menschenhart, werp er den overmoed in en de wreedheid. Dan zal de oorlog bang worden en de menschelijkheid vrij komen uit de klauwen van haar verdrukker!
Ik schreef altijd door. Ik zoek naar de vlammende kracht, die mijn woorden zal maken tot gloeiende vuurvonken.
Ik heb opgehouden met schrijven. Er kwam niets van 't aansteken van den vrede-brandstapel; de Russische gevangenbewaarders hebben me meegenomen. Nu ik dit schrijf lig ik in het ziekenhuis.
Maar ik heb geen typhus, zooals de anderen om mij heen. Ik zal niet sterven, zooals die anderen. Ik heb alleen koorts, omdat ik schrijven wil, en den oorlog tot asch verbranden op den grooten vrede-brandstapel.
Ik heb gehoord, dat er een Zweedsch gezantschap naar Irkutsk is gekomen, en vandaag heb ik een Zweedsche zuster van het Roode Kruis in het ziekenhuis gezien. Ik denk er over haar te vragen voor mijn verzen, mijn gebrekkige liedjes te zorgen. Ik kan de gedachte niet verdragen, dat ze hier in 't ziekenhuis achterblijven en als prullen verbrand worden. Ik zal haar vragen ze mee naar haar vaderland te nemen.
Hoe zal het mijn verzen gaan, als ze thuis komen? Zal iemand mijn gedichten opnemen en ze verder brengen? Ik weet dat ze zwak zijn en niet goed, maar 't is de nalatenschap van een krijgsgevangene, die in Siberië is gestorven.
Zal iemand ze drukken? Zal iemand er waarde aan hechten? Zullen de menschen ze met voeten treden en ze verachten? Zullen ze op de markt voorgelezen worden? Zullen ze in staat zijn den vrede-brandstapel aan te steken?
Ik lig in 't lazaret in Irkutsk in 't vervloekte land: Siberië. Er is typhus. Gewoonlijk komt niemand hier levend vandaan.
Mijn arme verzen, zullen zij leven?—Zullen zij leven, als ik uit dit leven zal zijn heengegaan?
VII.
Gustav Fröding.
(Proloog op het feest ter eere van den dichter Fröding in 't Koninklijk Theater in Stockholm).
8 Febr. 1921.
Zie, vele dagen zijn voorbij gegaan, Sinds wij de harp van onzen vriend hoorden In het land van den Klarelf, Sinds hij ons in boeien smeedde met zijn dansmelodieën En ons tot slaven maakte met zijn snarenspel; Want heerlijk waren zijn tonen, als de geur van wilden honig En hun macht was als die van den liefdedronk, Dien een tooverheks met zorg bereidde in een Donderdagnacht. Zeg mij, Wermelands dochters! Gij, die dwaalt over de bergen, Of keuvelend neerzit aan den kant van den weg, Waarom is zijn harp verstomd? Waarom is het zoo stil op den bodem van de beek In de maneschijnsnachten? Waarom bruist de waterval toornig, alsof hij wil vragen: „O, waar zijt gij?” Zie, het spel van onzen vriend was als dans over de weide, Als de dans van de dochter van een grooten koning, Vol van vreugde als vogelgekweel in het bosch in den winter, Als het ruischen van een beek onder de sneeuw, Als zonneschijn na stormvlagen, Als dauw in de droogte van den zomer. 't Was beter geneesmiddel dan alle geneeskrachtige kruiden. Ik sloop naar buiten om onzen vriend te hooren spelen, Als de avond daalde en de schaduwen lang werden; Maar ik zocht hem niet waar de wegen elkaar kruisten, Waar Wermelands zonen en dochters samenkomen ten dans; Ik zocht hem op smalle boschpaden met dennenaalden bestrooid. Op de teenen sloop ik over de zandvlakten, Tot ik hem vond, waar de waterval voorbij bruist, Waar de schuimvlokken rondvliegen En de golven ten dans gaan over de grauwe steenen. Zie, onze vriend was de grootste van alle Meesters, Hij was als de Nachtegaal onder de zangvogels, Hij was de speelman, die in den stroom speelt, Hij was de stroomgeest met gouden harp, Hij zat in den maneschijn met waterlelies gekroond, Zijn handen zweefden over de snaren als vlammen. En ik zette mij neer bij den waterval en luisterde. Onze vriend speelde vol vreugde als een meerle; Hij speelde alles wat hij gehoord had; Maar onze vriend was een stroomgeest in de rivier, Hij was van 't geslacht der watergeesten, die smachten naar de zaligheid. En ik hoorde hem spelen van heel zijn groot verlangen; Hij sleepte mij naar beneden tot in de hel met zijn wanhoop En met zijn trots joeg hij mij ver op de hemelhooge bergen, Alsof hij de poorten des hemels wilde bestormen, Zijn hart was vol weemoed als dat van Saul, Zijn hoofd vol gepeinzen als dat van Salomo, Maar zijn harp was als die van Daniël; Die was zijn troost, zijn vriend en zijn toevlucht in uren van smart. Vele dagen zijn voorbijgegaan, Sinds ik voor 't eerst luisterde naar de harp van onzen vriend, bij den waterval. Waarom zijn die tonen verstomd, Die een lichtglans wierpen over de ziel, Zooals avondrood gouden glans giet over woud en veld? Zeg mij, Wermelands dochters! Gij, die de kudde hoedt op de bergen, Of keuvelend neerzit aan den kant van den weg, Hieldt ge trouw de wacht bij onzen vriend, als hij speelde? Stondt ge om hem heen als een hooge doornhaag, Die niemand kon doorbreken, Als een breede muur, die door veel krijgslieden wordt verdedigd? Het spel van onzen vriend gaf glans aan het land van den Klarelf. Het prijkte als de roem van een machtig overwinnaar, Als een hoofdman, die vooraan zit in de raadsvergadering En door velen geëerd en benijd wordt. Het had zijn bedelaarskleed afgeworpen En zich met ringen en kettingen getooid. De tonen van de harp van onzen vriend waren als paarlen en edelgesteenten. O, gij Wermelands dochters! Hieldt ge trouw de wacht bij onzen vriend als hij speelde? Onze vriend was als een heel schuwe vogel; Hij was teer als de bloem van den meidoorn En licht te breken als de wilg aan den oever. Gij, Wermelands dochters! Hebt ge er trouw voor gewaakt, dat niemand onzen vriend stoorde, als hij speelde? Er kwam een nacht, dat onze vriend vroolijk speelde. Met groote kunst greep hij in de snaren En de golven dansten, de sparren bogen luisterend over het water, De sterren gingen zachtkens ten dans in de zaal des hemels. Toen kwam de speelmansroes over hem, die ons zoo lief was, Zooals die komen kan over de watergeesten, En zijn spel werd woest en grillig. Zeg mij, gij Wermelands dochters! Heeft het spel van onzen vriend u zeer verschrikt? Zijt ge gevlucht met de handen voor de oogen? Hebt ge uw schaamroode wangen verborgen achter de boomstammen? Hebt ge toen opgehouden, Wermelands dochters, Hebt ge toen opgehouden te waken over onzen vriend, als hij speelde? Want reeds in dienzelfden nacht, onder het licht van de sterren Klonk in onze ooren een wreede menschenstem: „Waarom verstoren uw tonen den vrede van den nacht, Stroomkoning? Weet ge niet, dat uw spel zondig is en anderen tot zonde verleidt? Weet ge niet, dat ge zelf verdoemd zijt en anderen tot verdoemenis brengt?” Toen zweeg de gouden harp, Toen zonk de speelman neer in den waterval, Toen ging een rilling door het sparrenwoud, Toen bruiste de waterval toornig en woest, Als wilde hij een vijand aanvallen. Zeg mij, gij Wermelands dochters! Waarom hieldt gij op te waken over hem, die ons zoo lief was? Hij was teer als de bloem van den meidoorn En licht te breken als de wilgetak. Hij was een heel schuwe vogel. Hebt ge vergeten hoe edel zijn ziel was, Dat hij aan de watergeesten verwant was, die smachten naar zaligheid? Meendet ge, dat hij een andren nacht zou terugkeeren? Ge wacht te vergeefs aan den oever. Ach! Wermelands dochters! Nooit meer zal zijn hand de gouden harp bespelen, Nooit meer zult ge hem zien met waterlelies om de slapen, Met zwarte lokken over zijn dichtervoorhoofd, Met handen als vlammen snel zich bewegend, Met halfopen mond en sterrenlicht in de oogen. Als ge hem nu nog weerziet Ligt hij stil op de golven, Drijft op den stroom, oud, grijs en willoos, Ge ziet hem misschien aan voor een grooten den, die afdrijft van de bergen, Tot ge zijn oogen ziet, die naar het sterrenlicht staren, De vreeselijke oogen van den watergeest, Die van geen hoop of verlangen weten, Die enkel vragen en smeeken om vernietiging. Zie, vele dagen zijn voorbijgegaan, Sinds we de harp van onzen vriend hoorden In het land van de Klarelf, Sinds hij ons in boeien smeedde met dansmelodieën En ons tot slaven maakte met zijn snarenspel, Maar ik bezweer u, gij Wermelands dochters! Gij, die de kudden weidt op de bergen Of keuvelend neerzit aan den kant van den weg. Houdt de herinnering aan onzen vriend levend; Want onze vriend was meer dan alle anderen, Hij was als de nachtegaal onder de zangvogels En zijn tonen hadden de macht van een liefdedronk En hun heerlijkheid was als de geur van wilden honing.
VAN DE WERELDBEROEMDE ZWEEDSCHE SCHRIJFSTER SELMA LAGERLÖF VERSCHEEN BIJ DEN UITGEVER VAN DIT BOEK:
GÖSTA BERLING, ZESDE DRUK, PRIJS IN PRACHTB. ƒ 3.90 EN EEN PRACHTUITGAVE, GEÏLLUSTREERD MET 37 PLATEN NAAR TEEKENINGEN VAN GEORG PAULI, PRIJS IN PRACHTB. ƒ 5.50.
DE BANNELING, PRIJS IN PRACHTBAND ƒ 5.50.
JERUZALEM, 3E DRUK, IN PRACHTBAND ƒ 5.90.
HERINNERINGEN, PRIJS IN PRACHTB. ƒ 4.50.
MACHTEN EN MENSCHEN, PRIJS IN PRACHTBAND ƒ 4.50.
DE KEIZER VAN PORTUGAL, TWEEDE DRUK, PRIJS GEBONDEN ƒ 4.50.
CHRISTUSLEGENDEN, VIERDE DRUK, PRIJS IN PRACHTBAND ƒ 4.90.
NIELS HOLGERSSON'S WONDERBARE REIS, VIERDE DRUK, PRIJS IN PRACHTB. ƒ 5.90.
DE VOERMAN, PRIJS IN PRACHTBAND ƒ 4.50.
HET HUIS VAN LILJECRONA, TWEEDE DRUK, PRIJS IN PRACHTBAND ƒ 4.90.
DE WONDEREN VAN DEN ANTICHRIST, DERDE DRUK, PRIJS IN PRACHTBAND ƒ 4.90.
ONZICHTBARE KETENEN, IN PRACHTB. ƒ 4.90.
LEVENSGEHEIMEN, IN PRACHTBAND ƒ 3.90.
OUD EN NIEUW, PRIJS IN PRACHTBAND ƒ 4.50.
INGRID, 5E DRUK, PRIJS IN PRACHTBAND ƒ 2.90.
ELSA, 2E DRUK, PRIJS IN PRACHTBAND ƒ 2.50.
DE KONINGINNEN VAN KUNGAHÄLLA, VIERDE DRUK, PRIJS IN PRACHTBAND ƒ 2.50.
VONKEN, PRIJS IN PRACHTBAND ƒ 4.50.