EERSTE DEEL. (continued 2)
Margaretha Meijboom translation
Toen Heer Eskil een paar maal van den wijn had geproefd, die ditmaal toch niet slaapwekkend werkte, maar alleen opwekkend en veredelend, vatte Vrouw Lucia weer moed en vertelde hem van haar tocht. Eerst zat Heer Eskil heel ernstig te luisteren, maar toen ze van den geestelijke, Heer Kolbjörn, vertelde, barstte hij uit: „Heer Kolbjörn is een van mijn trouwe vrienden, Vrouw Lucia! Ik ben zielsblij, dat je hem kon helpen.”
En zoo bleek het ook, dat de boer op Saxudden een kameraad van Heer Eskil was geweest op menig veldtocht, dat onder de vrome vrouwen een van zijn familieleden was, en dat Lasse de kramer, in het koopstadje hem gewoonlijk laken en wapens leverde uit het buitenland. Eer Vrouw Lucia haar verhaal ten einde had gebracht, was Heer Eskil niet alleen bereid haar te vergeven, maar ook was hij haar innig dankbaar, omdat zij zoovelen van zijn vrienden had geholpen.
Maar de angst, die Vrouw Lucia dien nacht had uitgestaan, kwam weer over haar, en ze zei eindelijk met tranen in haar stem:
„Nu vind ik zelf, mijn lieve Heer en Meester, dat ik heel verkeerd heb gedaan, door zonder U om toestemming te vragen, uw bezittingen weg te geven. Maar ik smeek U, denk aan mijn jeugd en onervarenheid en vergeef het mij daarom.”
Toen nu Vrouw Lucia zoo sprak en Heer Eskil er aan dacht, dat zijn vrouw zóó vroom was, dat een van de hemelbewoners haar aardsche gestalte weer had aangenomen om haar te hulp te komen, en toen hij verder bedacht, hoe hij, die toch wilde doorgaan voor een wijs en helderziend man, haar had gewantrouwd en bijna zijn toorn op haar had doen neerkomen, werd zijn hart zóó vol schaamte, dat hij de oogen neersloeg en geen woord kon uitbrengen.
Maar toen Vrouw Lucia hem daar zoo zwijgend met gebogen hoofd zag zitten, werd ze weer bang en zou liefst schreiend van haar plaats zijn weggeloopen, maar daar kwam, door niemand gezien, de barmhartige Sancta Lucia de zaal binnen, sloop naar de jonge vrouw toe en fluisterde haar in het oor wat zij moest zeggen. En die woorden waren juist dezelfde, die Vrouw Lucia op de lippen had en zoo graag wilde uitspreken, maar die zij in haar verlegenheid nooit had durven zeggen zonder die hemelsche aanmoediging.
„Nog wilde ik U één ding vragen, mijn lieve Heer en Meester,” zei ze, „en dat is, of U wat meer in huis wilt blijven. Dan zou ik nooit in verzoeking komen tegen uw wil te handelen, en ik zou U ook al de liefde kunnen toonen, die ik voor U voel, zoodat niemand zich meer zou kunnen dringen tusschen U en mij.”
Toen zij deze woorden gezegd had, voelden allen, dat zij Heer Eskil in hoogen mate aangenaam waren. Hij hief het hoofd op en de groote vreugde, die hij voelde, overwon zijn schaamte.
Hij wilde juist zijn vrouw het hartelijkste antwoord geven, toen een van de opzichters van Vrouw Rangela de feestzaal binnen kwam stormen. Hij vertelde haastig en gejaagd, dat Vrouw Rangela vroeg in den morgen naar Börtsholm was vertrokken om de straf van Vrouw Lucia bij te wonen. Maar op weg was ze eenige boeren tegengekomen, die haar sinds lang haatten om haar bruggegeld, en toen die haar in den duisteren nacht ontmoetten, door één enkelen dienstknecht gevolgd, hadden ze dien eerst op de vlucht gejaagd, en toen hadden ze Vrouw Rangela van het paard gesleurd en haar jammerlijk vermoord. Nu waren de opzichters van Vrouw Rangela er op uit om de moordenaars te grijpen, en de bode verzocht, dat Heer Eskil ook mannen zou uitzenden om bij het zoeken te helpen.
Maar toen stond Heer Eskil op en sprak luid met strenge stem: „Het schijnt, dat het 't meest gepast zou zijn, dat ik nu mijn vrouw antwoordde op haar verzoek, maar eerst wil ik met Vrouw Rangela afrekenen. En nu moet ik dit zeggen: dat zij wat mij betreft ongewroken mag blijven. En geenszins wil ik mijn dienaren uitzenden om een bloedig werk om harentwil te doen, want ik ben verzekerd, dat zij haar verdiende loon heeft gekregen.”
Toen hij dit had gezegd, wendde hij zich tot Vrouw Lucia, en nu was zijn stem zóó zacht, dat men nauwlijks gelooven kon, dat zulke tonen in zijn borst woonden.
„Maar mijn lieve vrouw wil ik nu antwoorden, dat ik haar gaarne vergeef, evenals ik hoop, dat zij mijn heftigheid wil verontschuldigen. En omdat het haar wensch is, wil ik den koning verzoeken, dat hij een ander in mijn plaats tot zijn raadsman zal kiezen, want nu wil ik in dienst treden bij twee edele vrouwen. De eene zal mijn vrouw zijn, de tweede, de heilige Lucia van Syracuse, voor wie ik altaren zal oprichten in alle kerken en kapellen, die ik op mijn goederen heb, en ik wil haar bidden, dat zij bij ons, die smachten in de koude van het Noorden, de vlam der ziel brandende moge houden, en die leidende ster, die barmhartigheid heet.”
Den dertienden December, vroeg in den morgen, als koude en duisternis regeerden over het land van Wermeland, kwam nog in mijn kinderjaren de heilige Lucia van Syracuse alle huizen binnen, die tusschen de Noorsche rotsen en de Gullspangself lagen. Zij droeg nog—ten minste voor de oogen van kleine kinderen—een gewaad, wit van sterrenlicht. Ze had in 't haar een krans met vurige lichtbloemen, en ze wekte nog altijd de slapenden met een warmen geurigen dronk uit haar koperen kan.
Nooit zag ik in dien tijd iets zóó heerlijks, als wanneer de deur openging en zij in de duisternis van de kamer kwam. En ik zou wel willen, dat ze nooit mocht ophouden zich op de hoeven van Wermeland te vertoonen.
Want zij is het licht, dat de duisternis bedwingt, zij is de legende, die de vergetelheid overwint, zij is de warmte van 't hart, die bevroren landen midden in den winter aantrekkelijk en zonnig maakt.
DE KANONNIER.
De deur van de kamer, waar zij haar ziek kind zit te verplegen, wordt opengerukt, en een stem, heesch van schrik door het vreeselijke, wat ze moet meedeelen, roept naar binnen:
„Je man is gek geworden! Hij heeft zich voor 't kanon gegooid. Hij is doodgeschoten!” Daarop wordt de deur dichtgeslagen en hij, die dat verschrikkelijke bericht bracht, snelt weg. Hij wil misschien niet blijven om getuige te zijn van de wanhoop van de vrouw. Of ook hij is zoo vervuld van wat er elders gebeurt, dat hij zich maar even den tijd heeft gegund om gauw hierheen te komen met dit bericht en nu verlangt daarheen terug te gaan.
De vrouw volgt hem ook oogenblikkelijk. Zij roept het kind toe, stil te blijven liggen tot zij terugkomt en snelt de straat op, zonder zich zelfs den tijd te gunnen, de deur te sluiten. Ze weet heel goed waar ze heen moet: naar die groote open plaats bij de kazerne, waar de parade zal worden gehouden.
Nog gisteren avond wandelde ze daar met haar man voorbij. Hij had haar alle toebereidselen laten zien.
„Kijk daar nu eens heen,” had hij gezegd. „Dat is de tribune voor den president. Daar zit Mijnheer Carnot morgen, met onzen burgemeester naast zich en de ministers, prefecten en generaals om zich heen. En hier vlak over is de tribune voor de stadsbewoners. Hier zitten de deftige menschen, maar daar beneden zullen zij, die geen geld hebben om een billet te nemen, zich wel verdringen. Als je van huis kunt, moet je daar ook gaan staan. Dan kun je de heele manoeuvre zien en de toespraken hooren. Daar kun je mij ook zien,” had hij er schertsend bijgevoegd.
„Nu, waar zul jij dan staan?” had ze gevraagd.
„Waar zou ik anders wezen dan bij mijn dierbaar kanon? Zie je 't niet? 't Staat daar vlak onder de presidentstribune. Dat moet afgeschoten worden om de troepen het teeken te geven, dat de plechtigheid moet beginnen.”
„Arme mijnheer Carnot!” had ze toen gezegd. „Jelui hebt het kanon vlak voor hem opgezet. Maar dat knalt immers zoo verschrikkelijk, heb je daar niet aan gedacht? Hij kan er wel doof van worden.”
„Och, wat dat betreft... hij is nu wel geen krijgsman, die Carnot, maar een beetje kanongebulder moet een president van Frankrijk toch kunnen verdragen. Maar weet je wat ik erger vind: dat de tribune voor de toeschouwers zoo vlak tegenover mijn kanon staat. Nu ja, we schieten alleen met los kruit, maar een kanon is toch geen speelgoed. Ik vind het altijd akelig het af te schieten als het met den mond tegenover een groote massa menschen staat.”
Onder die wandeling had ze gedacht, dat ze al dat moois wilde komen zien. Maar dien morgen vond ze, dat hun kleine jongen niet heel wel was. Ze had dus thuis moeten blijven.
En nu... wat is er gebeurd? Haar man, die zoo blij, zoo vergenoegd, zoo trotsch op zijn dierbaar kanon was! Zou hij krankzinnig geworden zijn? Zou hij zich voor den mond van zijn kanon gegooid hebben. Maar dat is immers onmogelijk! Ze merkt op eens, dat ze schreeuwt, terwijl ze voortrent. Ze ziet zelf hoe akelig ze er uit moet zien, zooals ze daar over de straat vliegt. Op eens houdt ze zich in en begint behoorlijk te loopen. Bij de gedachte aan haar man herwint ze haar zelfbeheersching. Hij placht er dikwijls over te spreken, hoe hij zich wel zou houden als hem plotseling iets verschrikkelijks overkwam.
„Eigenlijk moest men geen soldaat mogen worden, voor men een of andere proef had afgelegd,” placht hij te zeggen. „Neem nu mij maar. Ik ben nooit in den oorlog geweest, weet ik hoe ik me zal gedragen als de kogels om me heen fluiten? Misschien word ik bang. Misschien raak ik heelemaal mijn kop kwijt. Dat kun je nooit weten.”
„Wel nee! Jij blijft tot het laatst op je post,” had ze geantwoord.
„Laat ons dat maar hopen. Maar dat is wezenlijk iets, waar je nooit zeker van kunt zijn. In zulke oogenblikken ben je jezelf niet meester. Dat hangt er van af, of dat wat in je is sterk of zwak is. Voor je de proef doorstaan hebt, weet je niet hoe je doen zult als een groot gevaar dreigt.”
Als ze zich dat herinnert, bedwingt ze zich zelf en begint langzaam te loopen. Maar dat duurt niet lang. Wat geeft zij er om of ze zich bezonnen toont? Haar man is immers dood, doodgeschoten! Ze moet voortrennen, ze moet schreeuwen! Ze kan niet anders.
't Feestterrein is niet ver weg. Ze is daar in een oogenblik. Ze ziet de beide tribunes. Ze zijn vol menschen, die op de banken staan, die schreeuwen en gestikuleeren. Er is dus iets gebeurd. 't Was geen ellendige grappenmaker, die haar aan 't schrikken wou maken en hierheen lokken.
Ze blijft niet staan om te vragen waar haar man is. Dat hoeft niet. Ze weet de richting, die ze uit moet. Ze heeft het kanon maar te zoeken.
Ze ziet, dat het nog op zijn plaats staat, zooals dien vorigen avond, 't Veld daarvoor is leeg—bijna leeg ten minste. Midden op de open plaats staat een groep menschen, die stil zijn; die niet schreeuwen of verschrikte gebaren maken, zooals de anderen.
Ze wordt tegengehouden door menschen, die de plaats afzetten, maar de politieagent, die haar kent, maakt plaats voor haar.
„Ga daarheen! Daar vindt je hem,” zegt hij en wijst naar het troepje midden op het veld.
Ze komt naderbij, terwijl ze voortdurend luide kreten uitstoot. Toen ze op een paar stappen afstands is gekomen, wordt een in die stille, zwijgende groep haar gewaar. Een hooggeplaatst officier, die gebogen heeft gelegen over iets onbeweeglijks, dat op den grond ligt, staat op en gaat haar tegemoet.
„Wacht even,” zegt hij. „Gaat u nog niet naar hem toe. Laat ik u eerst vertellen wat er gebeurd is.”
Ze blijft schreeuwen en probeert den officier op zij te dringen om door te kunnen loopen.
„Wacht!” zegt hij en vat haar krachtig bij den arm. „U moet hem nog niet zien. U moet eerst weten...”
„Ik weet, dat hij krankzinnig is geworden en zich voor 't kanon heeft gegooid.”
„Neen,” zegt de officier. „U weet niets. Zoo is het heelemaal niet.”
Zijn manier van doen maakt haar zooveel kalmer dat ze zwijgen kan. Ze begint een klein beetje hoop te krijgen. Misschien leeft haar man nog. Misschien is hij alleen maar gewond.
„Ziet u dat kanon daar, Mevrouw?” zegt de officier. „U weet, dat uw man dat zou afschieten. En ziet u die tribune daar, die midden voor het kanon is gebouwd?”
„Ik zag dat gisteren al, Mijnheer,” snikt de vrouw. „Mijn man liet me zien hoe alles in orde was gemaakt. Hij vond het niet goed. Hij wilde zooveel menschen niet graag voor den mond van zijn kanon hebben, als 't geen vijanden waren, die neergeschoten moeten worden.”
„Welnu,” zegt de officier. „Uw man kreeg 't bevel te schieten en hij had de lont in 't kanon gestoken. Maar op 't oogenblik, dat we allen verwachten, dat het schot af zal gaan, schreeuwt hij het uit, strekt de armen omhoog en gooit zich met een sprong voor den mond van 't kanon, alsof hij 't schot wil verhinderen af te gaan. Allen, die 't zagen, dachten dat hij krankzinnig was geworden. 't Schot ging natuurlijk af en uw man werd ver over 't veld geslingerd, tot waar hij nu ligt.”
Ze wil zich weer loswringen om vooruit te dringen, maar de officier houdt haar terug.
„Wacht nog even,” zei hij. „U moet weten wat we zagen toen we daarheen snelden om zijn toestand te onderzoeken. Zijn geheele lichaam was doorboord met een massa ijzeren draden. U, die met een kanonnier getrouwd is, weet natuurlijk wat een kanonwisscher is?”
„Ja,” antwoordde zij.
„Uw man had zoo'n ijzeren kwast gebruikt om 't kanon schoon te maken, en had er dien door een of ander verzuim niet uitgenomen, zoodat die nog in het kanon zat, toen het schot afging. Hij had daar niet aan gedacht, voor op 't laatste oogenblik, toen de lont er al in gestoken was. Toen heeft hij in een oogenblik voor zich gezien—want voor denken had hij geen tijd—wat er gebeuren zou, als die vreeselijke lading de tribune vlak voor ons zou treffen. Al die losgelaten stukken ijzer zouden even veel menschen hebben doorboord. Toen werd hij door een bovenmenschelijk medelijden aangegrepen en hij vloog naar voren om de lading in zijn eigen lichaam te ontvangen.”
„O mijn God!” barst de vrouw uit en vouwt de handen.
Op dat oogenblik laat de officier haar arm los.
„Mevrouw,” zegt hij. „Nu wil ik u niet langer beletten uw man te zien. Denk er aan, dat die verwoeste overblijfsels het edelste, wat er in de wereld is, hebben omsloten. 't Zal u lichter vallen dat gezicht te verdragen als u weet, dat hij dit uit eigen vrijen wil heeft gekozen om al die anderen te kunnen redden. En denk er ook aan, Mevrouw, dat wij allen, zijn wapenbroeders, hem zulk een heldendood benijden. Goed te handelen midden in 't gevaar, als er geen tijd tot bezinnen is, als het om 't leven gaat—dat is een bewijs van grootheid. Dat is een heldenziel in zich omdragen.”
DE GESCHIEDENIS VAN ZUSTER OLIVE.
Op het dek van een groote stoomboot in de Middellandsche Zee waren menschen van allerlei nationaliteiten bijeen. De meesten waren Engelschen of konden ten minste engelsch spreken; maar er waren er ook onder, die fransch spraken en die vormden meestal een afzonderlijke groep. Tot dat kleine gezelschap behoorde onder anderen een paar Franschen van middelbaren leeftijd, (de eene werkte op een consulaat, de ander was een hooggeplaatst officier), met hun vrouwen, een mooie kleine belgische schilderes en een italiaansche diacones.
Ze zaten allen te zamen op een avond na 't middagmaal en spraken over Engelschen en Amerikanen. Een van de heeren hield over dat onderwerp een geestige causerie en vergeleek hen op de beminnelijkste en amusantste wijze met zijn eigen landgenooten. Maar de jonge belgische vrouw viel hem snel in de rede.
„Neen, Mijnheer de Consul,” zei ze, „U hebt ons nog niet gezegd wat het voornaamste verschil tusschen U en de Anglosaxen is.”
„Ach!” zei de oude heer, wat spotachtig, „het voornaamste verschil! Hebt U dat werkelijk gevonden, Mevrouw?”
„Ja, ik geloof, dat het dit is: dat zij allen een innerlijke roeping hebben. Vraag het hun maar, dan zult U het hooren. Allen, die hier aan boord zijn hebben een bepaald soort zending. De een reist naar het oosten om melaatschen door handoplegging te genezen, een ander wil ons afleeren vleesch te eten. Die heer daar is van plan het oude Armenische rijk weer te herstellen, en die jonge man, waar hij mee spreekt, wil een luchttorpedo uitvinden.”
„Nu, en wij dan,” zei de consul en wierp snel een blik op zijn reisgenooten, „wij hebben toch ook geen gebrek aan menschen, die een innerlijke roeping volgen.”
„Pardon, Mijnheer!” zei de Belgische, „U blijft in den stand, waarin U is geboren, of U wordt, wat uw ouders wenschen, dat U worden zult. U laat U door het leven leiden. Maar die anderen willen het leven, en ons er bij, op 't sleeptouw nemen, en ons brengen waar zij goed vinden.”
„Nu ja,” zei de andere Franschman bemiddelend, „daar kunt u gelijk aan hebben, Mevrouw, als u meent, dat men onder ons niet zoo vaak menschen vindt, die behebt zijn met den lust om ongerijmde dingen te doen.”
Maar de eerste spreker luisterde niet naar hem. Hij probeerde de bewering van de schilderes te ontzenuwen. „Zuster Agnes!” riep hij en wendde zich tot de diacones, „U hebt veel fransche zusters in uw orde. Wil u ons wel zeggen of haar de innerlijke roeping ontbreekt?”
„Ik kan u, helaas, niet te hulp komen, Mijnheer Bartout,” antwoordde de diacones. „Ik geloof niet dat zij daar slechter verpleegsters om zijn. Maar er zijn niet veel onder hen, die zieken verplegen, omdat ze van den beginne af aan den liefsten wensch van hun ziel gevolgd hebben. De meesten zijn blij geweest, dat ze zich aan die roeping hebben kunnen wijden, toen alles wat zij wenschten in dit leven, hun ontnomen was.”
„Maar u zelf, Mevrouw?” Mijnheer Bartout wendde zich weer tot de Belgische. „U is schilderes; u hebt al naam gemaakt...”
Voor nog de Belgische had kunnen antwoorden, viel de andere Franschman in: „Ik geloof, dat we Mevrouw Adrienne niet heelemaal goed begrijpen. Mevrouw denkt niet aan rijk begaafde menschen, die hun aanleg willen volgen. Mevrouw meent met de innerlijke roeping een lust, een idee fixe, dat de menschen bezielt, zelfs al zijn ze niet meer dan middelmatig, en die ze er toe brengt fantastische en onmogelijke dingen te ondernemen.”
„Maar als de innerlijke roeping er is moet ook de kracht er zijn. Roeping kan niet falen.”
„Ach Mijnheer,” barstte de Belgische uit. „Innerlijke roeping! Is er iets wat meer bedriegelijk is?”
„Mevrouw Adrienne meent, dat het eer een voorrecht is, als wij, Franschen die missen,” zei een van de Fransche dames.
„Ik voor mij geloof, dat u te kritisch is aangelegd om die te volgen. U weet maar al te goed, dat de innerlijke roeping ons altijd misleidt.”
Na die uitspraak vergat men heelemaal, dat men was uitgegaan van een vergelijking tusschen Franschen en Engelschen. Allen begonnen te spreken over aanleg en roeping, en men haalde verscheiden voorbeelden aan van de wonderlijke toestanden, die er konden ontstaan, wanneer deze beide niet overeen stemden.
„Ik ken een groot schrijver,” zei een van de dames, „die meent, dat zijn leven mislukt is, omdat hij geen balletmeester is geworden. Hij verzekert voortdurend, dat dit zijn eigenlijke roeping was en dat hij helaas! die niet heeft kunnen volgen.”
De meesten meenden, dat het innerlijke verlangen ons bijna zonder uitzondering misleidde. Alleen Mijnheer Bartout hield vol, dat het een veilige leidsman was, die we niet moesten aarzelen te volgen.
„Wat anders hebben wij menschen om ons aan vast te houden?” vroeg hij.
„Maar Mijnheer Bartout, ik herinner me nu, dat ik een van uw landgenooten heb gekend, die haar innerlijke roeping volgde,” zei de diacones. „Als u 't goedvindt, zal ik u haar geschiedenis vertellen. Zij was een van onze allerbeste ziekenverpleegsters. Zij was in onze orde opgenomen, lang vóór mij, en zij heeft mij in mijn werk ingeleid. Zuster Olive was een Fransche, maar ze leek zóó weinig op alle Franschen, die ik gezien had, dat ik haar in 't begin voor een Duitsche of een Zwitsersche aanzag. Een Fransche moest, meende ik, òf een mooie en gevulde vrouw zijn met een olijfkleurig tint en levendige bruine oogen, òf klein, tenger, verfijnd, zooiets als een vlokje. Zuster Olive daarentegen was groot, mager, heelemaal niet mooi, maar sterk en vroolijk met een gezicht, dat vertrouwen inboezemde. En nog meer werd ik verwonderd over haar uiterlijk toen ik hoorde, dat Zuster Olive een grootheid was geweest, een beroemdheid, dat zij eens Mademoiselle Olive Miteau had geheeten, dat ze in een elegante villa had gewoond, eigen paarden bezeten en dat ze met alle meest beduidende menschen in Europa had omgegaan.
Zuster Olive was tooneelspeelster geweest vóór ze diacones was, en bovendien een groote en superieure tooneelspeelster, die alle menschen kenden, ten minste alle menschen in Parijs. Wel was ze niet zulk een grootheid, dat ze de heele wereld door had moeten reizen om de eene maand in San Francisco en de andere maand in St. Petersburg te spelen, maar ze had zulk een goede positie gehad, als iemand zich maar kon wenschen. Ze was de lieveling van 't heele publiek, de tooneelcritiek had bijna nooit iets onaangenaams van haar te zeggen. Ze verdiende veel geld en ze trad op in het Theatre Français.
Toen ik Zuster Olive zag, had ik—zooals ik al zei—moeite om te gelooven, dat dit mogelijk was. 't Kwam me ongelooflijk voor, dat Zuster Olive voor een jonge Parijsche gespeeld had. Ze had zooiets hoekigs over zich; geen blanketsel en geen toiletten konden Zuster Olive verleidelijk of betooverend maken. Maar ik hoorde ook al spoedig, dat Zuster Olive zulke rollen ook nooit had gespeeld; maar dat haar kracht daarin lag, dat ze kleine meesterwerken schiep uit rollen, die geen ander op zich had willen nemen. Ze speelde dienstmeisjes en oude vrouwen, ze was waardin en concierge, groentevrouw en boerin. En ze stelde al die eenvoudige typen zóó trouwhartig en aandoenlijk voor, zoo vol liefde en met zoo groote kunst, dat het haar was gelukt een vaste positie bij het Theatre Français te krijgen.
Zuster Olive had altijd hard gewerkt en zich nooit ontzien. Zij was indertijd een van de meest onontbeerlijke krachten van het theater. Haar positie was eigenlijk beter dan die van de anderen, want al oogstte zij nooit zooveel eer in als de prima donna zelf, zij had daarentegen haar eigen rollen, die niemand haar afhandig zocht te maken. Over 't algemeen intrigeerde niemand om haar te schaden; ze was een goede, eerlijke kameraad, waar allen van hielden.
Zelf gaf ze dikwijls op haar ouden dag toe, dat zij het uitstekend had gehad, en dat het jammer was geweest dat zij zulk een dwaasheid had begaan, dat zij van haar plaats aan het theater afstand moest doen. Maar 't ongeluk was, dat Zuster Olive zulk een innerlijke roeping had, als waar we zoo juist over spraken, dat er iets was, waar zij haar heele leven naar streefde en dat ze niet kon opgeven.
't Is heel waarschijnlijk, dat Zuster Olive nu en dan begreep, dat haar wensch dwaas was, maar haar gedachten hadden zich haar leven lang in dezelfde richting bewogen, en eindelijk kon zij ze niet langer bedwingen. Men kon even goed een vallenden steen toeroepen stil te houden en in de lucht te blijven zweven.
Zuster Olive was eigenlijk geen geboren Parijsche, maar een boerendochter uit Normandië. Ze had haar kindsheid en haar eerste jeugd onder onbeschaafde boeren doorgebracht. Tot haar zeventiende jaar had ze nooit een stad of een theater gezien.
Maar eens, toen zij volwassen was, ging ze met haar ouders naar de markt in Cacu en daar was Vader Miteau zoo royaal, dat hij zijn vrouw en dochter mee naar het theater nam.
Daar zag Zuster Olive haar eerste tooneelstuk en dat was Hernani,—Hernani van den grooten Victor Hugo.
Van het oogenblik af, dat het scherm opging, was zuster Olive in een andere wereld en leefde met heel haar ziel op het tooneel. Niets kwam haar daar vreemd voor, ze begreep alles van het eerste oogenblik af, ze trachtte zich alleen nog te herinneren waar en wanneer ze dit alles al beleefd had.
Terwijl ze daar zat, kwam het haar ongeloofelijk voor, dat zij Olive Miteau was, een meisje van 't land, dat onder groene appelboomen op een boerenhoeve was opgegroeid. Wat ze nu zag, was haar eigenlijk tehuis. Ze zag geen tooneelstuk, ze leefde alles mee. Ze was aldoor zelf de Schoone Spaansche Donna Sol; ze werd bemind door Keizer Karel V en door Hernani, en toen op den avond van de bruiloft de horen van graaf Luna weerklonk, voelde zij zich even vernietigd, alsof Hernani aan haar zelf ontnomen werd.
Na dien avond in het theater van Cacu had Zuster Olive maar één gedachte. Alle wenschen, heel het verlangen van dat arme boerenmeisje gingen uit naar het tooneel. Ze wilde tooneelspeelster worden en Donna Sol spelen.
't Was natuurlijk niet gemakkelijk voor haar zich van haar tehuis los te maken, maar Zuster Olive overwon alle moeilijkheden. Ze overtuigde haar vader Miteau en haar moeder, en overwon den tegenstand van een jongen man, die op haar en haar bruidschat wachtte. En zoo gebeurde het, dat zij, die niet anders had gedaan, dan eten gekookt en appelwijn gemaakt, zich aansloot bij een rondreizend tooneelgezelschap.
Heel dat eerste jaar, tot ze goed Parijsch Fransch had leeren spreken, kreeg Zuster Olive niets anders te doen dan dweilen en vegen, het tooneel opruimen, en de werkelijke tooneelspeelsters helpen. Dat was geen gemakkelijke taak voor een aanstaande Donna Sol: het fluweel over den troon af te schuieren, en de toiletten van de prima donna in orde te houden. Maar Zuster Olive verdroeg alle beproevingen met haar gewone opgewektheid, en al haar kameraden hielden van haar, allen hoopten, dat ze gauw zou mogen optreden. „Och, u moest toch een geschikte rol voor die arme Olive zoeken,” zeiden ze tegen den directeur.
Eindelijk kreeg Zuster Olive een rol, maar geen rol zoo als ze gehoopt had. Ze had een Koningin willen spelen, maar men liet haar optreden als de vrouw van een molenaar. Ze moest onbeschaafd zijn en met een grove stem spreken, zich in eenvoudige kleeding vertoonen en vol meel zitten.
Zuster Olive vertelde dikwijls, dat ze, toen ze die rol kreeg moedeloos werd en begon te schreien. Vroeger, toen ze trappen en vloeren veegde, had ze nooit geschreid.
Zelfs de prima donna verwaardigde zich haar te troosten en zei, dat ze nu blij moest wezen, omdat ze zich eindelijk op het tooneel mocht vertoonen. Ze zou nooit aan Donna Sol toekomen, als ze niet als molenaarsvrouw begon. Zij, de prima donna zelf, was als schoenmakersjongen begonnen.
Zuster Olive studeerde dus de rol in en speelde die zoo goed ze kon. Maar na haar eerste optreden schreide ze weer. 't Was voortreffelijk gelukt: het publiek had geapplaudisseerd en de kameraden hadden haar gefeliciteerd. Dit was het, waarvoor ze geschikt was. Een oude, geroutineerde tooneelspeelster had het niet beter kunnen doen.
Maar Zuster Olive schreide. Ze gaf er niet om of ze haar al prezen voor haar molenaarsvrouw. Er was iets in haar, dat haar waarschuwde, dat vooruit voelde, dat deze Donna Sol in den weg stond.
En Zuster Olive had wel reden om te schreien. 't Was alsof ze al 't verdriet voorzag, dat haar wachtte. Van dit oogenblik af mocht ze altijd optreden, maar niet in een rol, die haar voldeed. Ze mocht nooit in verzen spreken, en als er romantische stukken werden gespeeld met vorsten en vorstinnen werd zij van het tooneel geweerd.
Zuster Olive werd dit eindelijk moe en solliciteerde om een plaatsing bij een ander tooneel. 't Viel haar niet moeilijk die te krijgen. De directeuren vochten om haar. Zij, van haar kant, onderteekende geen contract vóór de directie zich verplichtte haar Donna Sol in Hernani te laten spelen. En dan liet de directeur haar gewone rollen spelen, waar ze altijd succes mee had, maar Hernani—Hernani, verklaarde hij, was verouderd en trok geen menschen. Dat durfde hij niet op zijn repertoire te zetten.
De arme Zuster Olive dacht er dikwijls over, of 't niet het beste voor haar was, naar haar appelboomen en haar verloofde terug te keeren. Maar de hoop in haar hart was niet te dooven en ze bleef aan het tooneel en ging door met het spelen van haar kleine rollen, die haar geen moeite of inspanning kostten, en die ze meesterlijk speelde. Eindelijk kreeg ze zóóveel naam, dat de directeur van het Theatre français kwam om haar spel te zien. En 't slot van dit alles was, dat Zuster Olive haar intrede deed in het huis van Molière.
Toen dit gebeurde, begreep Zuster Olive, dat het de bedoeling van de voorzienigheid was, dat zij eenmaal Donna Sol zou spelen op het grootste tooneel van Frankrijk, en ze voelde zich bijna verzoend met al die eenvoudige rollen van dienstmeisje en koopvrouw, die haar zoover hadden gebracht.
Gelukkig had Zuster Olive zulk een sterken indruk gekregen van alle groote actrices, die deze rol op het Theatre français hadden gespeeld, dat ze jaren lang over haar hartewensch niet durfde spreken. Maar de tijd ging voorbij, en ze begon te vreezen, dat zij te oud zou worden.
„Nu of nooit,” zei ze tegen zich zelf. „Je weet, dat je Donna Sol kunt spelen, zooals nooit iemand 't ooit deed. Wat bezielt je eigenlijk? Je hebt immers het doel van je leven nog niet bereikt? Je bent toch niet van huis gegaan om voor boerenvrouw te spelen. Daarvoor hadt je je niet tot in het Theater français hoeven opwerken.”
Ze ging daarom naar den directeur en verzocht hem te mogen spreken, en hij beloofde haar wensch te vervullen. Maar daarna maakte hij er zich drie, vier jaar lang, met mooie praatjes af.
Toen ze volle tien jaar aan het Theater français was aangesteld, kwam ze op een dag weer op haar klachten terug:
„Ik heb nu het Theater langer dan Jacob gediend,” zei ze. „Nu moet u mij Donna Sol geven, Mijnheer.”
Toen riep de directeur alle artisten, die iets te zeggen hadden in het Theater bijeen, en legde hun de zaak voor.
„We moeten 't Olive Miteau laten probeeren,” zeiden ze. „Natuurlijk wordt het een fiasco, maar u kunt niet anders doen.”
De daarop volgende weken, maakte Zuster Olive zich van alle ander werk vrij. Ze leerde voortdurend haar rol en studeerde die in. 't Wonderlijkste was, dat ze al gauw merkte, dat ze niet verrukt met haar taak was.
„Ik moet het doen,” dacht ze, „maar ik geloof dat ik blij zal zijn, als het voorbij is en ik weer naar mijn gewone rollen kan terugkeeren.”
En nu en dan, als ze de romantische woorden in haar rol declameerde, vond zij ze smakeloos en onnatuurlijk.
„Ach!” zei ze, „ze hebben mij te oud laten worden.” Maar eigenlijk lag de fout bij haar. Zij was niet aan verzen gewoon en kon niet zoo gauw leeren ze op een goede en eenvoudige manier te zeggen. De groote woorden wilden haar niet over de lippen. En ze zag in, dat ze op een heel andere manier haar handen moest leeren bewegen.
„'t Is immers onzinnig,” zei ze meer dan eens. „Nooit heeft iemand op die manier geloopen, of gesproken als Donna Sol. Dat is geen rol voor een mensch.”
Maar nu en dan voelde Zuster Olive iets van de oude verrukking over haar rol; en dan dacht ze: „Als ik werkelijk optreed, als ik eindelijk op het tooneel sta, dan zal ik de Donna Sol spelen, zooals niemand ooit deed. Ik weet, dat ze in me leeft als mijn tweede ik. Wat doet het er toe of het niet goed gaat op de repetities? Ik weet, dat zij in 't beslissend oogenblik te voorschijn komen zal.” Maar toch was Zuster Olive na iedere repetitie wanhopend en haar wanhoop werd gedeeld door den directeur en de andere artisten.
„Mademoiselle Miteau,” zei de directeur op een dag, heel vriendelijk. „Ik heb het u beloofd, en alles zal gaan, zooals u wilt. Maar wilt u het werkelijk?”
„Ik weet niet of ik het wil,” antwoordde zij, „maar ik weet, dat ik moet!”
Zij begon een nederlaag te voorzien, een nederlaag juist in wat de eerzucht van haar leven was geweest, een nederlaag in het goedlachsche Parijs op het voornaamste tooneel van Frankrijk.
Spoedig scheen Zuster Olive alle belangstelling voor die rol zelf te verliezen. Ze hield zich alleen met bijzaken bezig. Ze paste pruiken en koos tusschen een roode en een zwarte, op een manier, alsof haar levensgeluk er van afhing. Ze paste haar costuum met ongehoorde nauwgezetheid en blankette zich als proef nu eens met rood dan weer met olijfgeel. Maar zij, die aardig en gracieus was als kamenier werd als adellijke dame stijf en onhandig. Haar gezicht dat er frisch en jeugdig uitzag onder een boerenmutsje, werd wonderlijk oud en vervallen, toen zij de Spaansche schoone moest voorstellen.
„Maar het moet me gelukken,” dacht ze. „Al van mijn zeventiende jaar af heb ik gevoeld, dat ik op de wereld ben gekomen, eenig en alleen om die rol te spelen.”
't Oude tooneelstuk Hernani trekt gewoonlijk niet veel menschen; maar dien avond, toen Zuster Olive optrad als Donna Sol, was 't heele theater vol. Allen kenden de geschiedenis van Zuster Olive en men was bewogen door die levenslange liefde.
„Waarom heeft men haar zoo lang laten wachten?” vroeg men. „Ze is te oud. Dat wordt akelig.”
Enkelen meenden toch, dat het zou gelukken, omdat het de roeping van haar leven scheen te wezen.
Voor het stuk begon heerschte er een sterke spanning onder het publiek. Maar toen het scherm opging en Zuster Olive opkwam en begon te spreken!—Een enkele zucht van wanhoop ontsnapte het publiek, en toen was de belangstelling weg. Men luisterde en keek niet meer; men probeerde haar te vergeten.
Naderhand kon Zuster Olive bijna niet begrijpen hoe ze die voorstelling doorgekomen was. De zaal was niet wreed tegen haar, de menschen waren heel barmhartig. Men vond het bijna pikant, dat ze het zoo grondig verkeerd deed, dat ze in zóó hooge mate haar roeping had misverstaan.
„Ze kan in ieder geval tevreden zijn,” zei men. „Ze heeft op die manier een heel goede positie veroverd, en ze hoeft immers nooit meer in die vreeselijke rol op te treden.”
Zuster Olive was wanhopend over zichzelf. Waarom ging zij niet in haar rol op? Waarom was ze zoo koud? Waarom voelde ze niets? Hoe kon ze zóó onnatuurlijk declameeren? Had ze dan heelemaal geen talent? Ze had bijna lust zich zelf uit te fluiten. Ze moest immers dien Hernani liefhebben en haar blik, die op hem rustte, miste alle gloed en uitdrukking.
„Ach! moet dit Donna Sol verbeelden?” dacht ze, toen ze zwaar en ongracieus over het tooneel stapte. Maar Zuster Olive was heel bemind en zij leed geen schade door haar nederlaag. 't Was werkelijk heel mooi, dat èn de kritiek èn het publiek niet over haar fiasco spraken, en 't zoo gauw mogelijk vergaten. Den morgen na haar nederlaag zocht Zuster Olive de couranten na om een recensie over haar optreden te vinden. Ze vond niets. 't Was heelemaal zwijgend voorbij gegaan. Dat vond ze aandoenlijk; maar ze was toch als verlamd van schrik. „Was het zóó erg?” dacht ze. „Was ik zoo vreeselijk, dat men er niet eens over durft spreken?”
Dien morgen bracht de directeur van het Theater Français Zuster Olive een bezoek.
Hij ontweek een gesprek over wat er gebeurd was niet; maar hij verklaarde en zette haar rol uiteen, ongeveer als een dokter.
„U hebt te lang gewacht. U zag de zaak met te groote spanning te gemoet. U speelde—om zoo te zeggen—met een strik om den hals en geboeide handen. Dat kon onmogelijk goed gaan voor den eersten keer. Vandaag moet u uitrusten; maar morgen,—wilt u 't morgen weer probeeren?”
Zuster Olive luisterde zwijgend naar dat voorstel. Dikwijls heeft men het gevoel, als er iets mislukt is, dat het beter zou gaan, als men het nog eens probeeren mocht. Maar zij had die overtuiging niet. Zij had niet eens de kracht om den strijd nog eens te aanvaarden. Hoe slecht het ook was gegaan, toch was ze blij, dat het voorbij was.
Ze bedankte den directeur voor zijn vriendelijkheid, maar ze weigerde.
De directeur zag Zuster Olive lang en onderzoekend aan en begon over iets anders te spreken.
Toen hij opstond en afscheid nam, zei hij in 't voorbijgaan: „We zien elkaar morgen weer op de repetitie, niet waar Mejuffrouw Olive?”
Bij die woorden schrikte Zuster Olive zóó, dat zij bijna wankelde. Ze voelde dat ze, als ze weer moest optreden, dienzelfden druk en onzekerheid zou voelen als den vorigen avond. Op eens werd het haar duidelijk dat ze nooit weer een rol zou kunnen maken zooals die wezen kon. Zij had daar niet eerder aan gedacht, maar op het oogenblik, dat de directeur haar zei, dat ze op de repetitie komen moest, begreep zij het. Ze vroeg een week vacantie en toen ze weer terugkwam in het theater, was ze flink en opgeruimd en meende, dat ze over het gebeurde heen was.
Maar toen ze weer optreden moest, voelde zij daar een zonderlingen tegenzin in. Ze moest zich dwingen het te doen. Ze was niet bang, maar ze had er een bijna onoverwinnelijken tegenzin voor.
En toen ze op het tooneel stond, waar zij zich vroeger zoo thuis gevoeld had, werd ze koud als ijs. Ze voelde, dat haar gezicht stijf werd, zooals op den avond, dat zij Donna Sol had gespeeld. En als ze begon te praten, herkende zij de afschuwelijke, onnatuurlijke stem van de Schoone Spaansche.
Van dit oogenblik af haatte Zuster Olive het tooneel. Maar omdat ze een practisch en verstandig mensch was, gaf ze niet dadelijk aan haar ontstemming toe. Ze streed er een heelen winter tegen, maar eindelijk werd die haar te machtig.
„Ik heb nu genoeg rollen verknoeid,” zei ze tegen haar directeur. „Er blijft me niet anders over dan mijn ontslag te nemen en heen te gaan.”
Daarna kwam ze bij ons en werd diacones. Ze was altijd rustig en opgewekt, en de zieken hadden haar lief. Ze was ook gelukkig bij ons. Dat lag in haar natuur. Toen ik haar leerde kennen, was ik nog jong en ik vroeg haar meer dan eens: „Verlangt u niet naar de wereld terug, Zuster Olive? Naar uw tooneel, uw rollen, uw mooie paarden en uw sierlijk huis?”
Ik weet nog zoo goed wat Zuster Olive antwoordde, als ik haar zulke vragen deed. Ze was met de jaren meer en meer op een boerenvrouw gaan lijken. Ze was dik geworden, haar gezicht was grof en gerimpeld, maar ze zag er heel sterk en verstandig uit met haar breede kin en haar heldere oogen.
„Waar zou ik naar verlangen?” zei ze. „'t Was immers onmogelijk langer door te gaan. Waar ik lust in had, daar had ik geen aanleg voor, en waar ik aanleg voor had, daar had ik geen lust in.””
Met deze woorden besloot de diacones haar verhaal.
„Wil ik u eens wat zeggen?” zei de consul. „Ik heb haar zien spelen. Ik was dien avond in den Schouwburg en zag haar als Donna Sol. 't Was een geducht fiasco. Maar wat zullen we nu van dit alles zeggen?”
„We kunnen er maar één ding van zeggen,” barstte de Belgische schilderes uit. „De innerlijke roeping is de ergste van alle bedriegers.”
„Men moet haar zeker wantrouwen,” zei een van de Fransche dames.
„Wantrouwen! wantrouwen!” riep de consul uit. „Dan moeten we ook de liefde wantrouwen; maar wat zou er zonder haar van ons worden? Niets! En waar zouden we voor deugen als we niet aan onze roeping geloofden? Niets! Wat meent u, Zuster Agnes?”
„Ik geloof, dat er iets goddelijks in moet zijn, Mijnheer Bartout.”
„Ja, vast en zeker!” zei de Consul. „En al kan dat goddelijke ook gevaarlijk zijn, dan is dat toch geen reden om het te hoonen!”