Gella’s Peet
Reading edition

Gella’s Peet Een oude dame met een vroolijk gezicht.
Heel ver hier vandaan, daar, waar toentertijd uitgestrekte, woeste streken waren met onafzienbare, heuvelachtige heidevelden en geheimzinnig donkere, kwalijk riekende moerassen, woonde de herder Mangold met zijn vrouw en zijn dochtertje Gella.
’t Was in den goeden, ouden tijd, toen ieder kind, behalve één of twee Grootmoeders en verscheidene Tantes, ook nog een Petemoei bezat, voor wie ’t heel veel respect had. Wat Vader of Moeder niet gedaan konden krijgen, had Petemoei in een oogenblik bewerkt, vooral als, zooals hier bij Gella ’t geval was, de Peet niet maar een gewone Petemoei, maar een fee, ja, ja, een heusche, wijze fee was, die diep in de hartjes der kinderen kon kijken.
Als je van feeën leest, denk je altijd aan slanke, teere, jeugdige wezentjes. Gella’s Petemoei echter zou je op ’t eerste gezicht niet voor een fee houden. Zij had zich vermomd in de gedaante van een gezellige, kleine, gezette, oude dame met een vroolijk gezicht, dat omlijst werd door mooie, witte krullen. Ja, ze had evengoed een grootmoeder kunnen zijn.
Gella hield veel van haar Petemoei. ’t Was een feest voor haar, als zij eens in de herderswoning kwam. Dit gebeurde echter hoogstens één keer per jaar, zoo om en bij Gella’s jaardag.
Nog grooter feest was ’t voor ons meisje, als zij met Vader of met Moeder, haar Petemoei mocht bezoeken. De oude dame woonde in een mooi, klein kasteeltje, ver, ver weg in ’t heuvelland. Je kunt dus wel begrijpen, dat Gella maar niet zoo eventjes naar haar toe kon gaan, als zij er zin in had.
Ja, jullie zijn verstandig en kunnen ’t best begrijpen, maar Gella kon ’t niet of—wilde ’t niet inzien.
Zoo’n eigenzinnig, eigenwijs ding heb je zeker nog maar weinig ontmoet. Zij wist alles beter dan Vader en Moeder en vond den door haarzelf gekozen weg altijd de beste.
Op zekeren voorjaarsdag had Gella er op eens grooten zin in naar haar Petemoei te gaan om haar de sneeuwklokjes te brengen en de kleine, blauwe viooltjes, die ze in haar tuintje had gekweekt. Maar ze moest nog een week geduld hebben, vond Moeder; dan zou Vader, die nu met zijn schapen dieper ’t vlakke land in was getrokken, weer dichter bij huis zijn en zoo zou Moeder, die huis en hof niet graag alleen achter liet, met haar mee kunnen gaan.
Wachten en geduld hebben waren woorden, die niet in Gella’s boekje stonden. Zij pruttelde en pruilde en—besloot haar zin door te drijven, toch te gaan—alleen.
Toen Moeder in den stal bezig was, sloop ze stil naar buiten, plukte haar bloempjes, deed ze in een mandje en begaf zich op weg.
’t Was een heerlijk zonnige lentedag. Een klein, wit Wolkje zweefde langs den diep-blauwen hemel, die zich over ’t golvende heideland welfde. Het Voorjaarskoeltje streek langs Gella heen en stuwde ’t witte Wolkje op.
Beide, ’t Koeltje en ’t Wolkje, waren dienaren van de fee, moet je weten. Zij hadden haar al verteld, dat Gella op haar eentje in aantocht was.
Hiervan wist ’t kleine, eigenzinnige meisje natuurlijk niets. Ze stapte vroolijk voort en zong om ’t hardst met den Leeuwerik, die hoog, hoog de lucht in schoot en eindelijk nog slechts een klein, klein stipje was in de blauwe, onmetelijke ruimte.
Gella had geen moeite met ’t vinden van den weg en was daar niet weinig trotsch op, want ’t was de eerste maal, dat zij dezen tocht alleen deed. Eerst volgde ze ’t langzaam stijgende, smalle pad door heidekruid en bremstruiken en toen dit plotseling dood liep, zette ze haar weg voort, nu eens klimmend, dan weer dalend, over de heuvels, zonder zich één oogenblik te behoeven te bedenken—zóó zeker was ze van haar zaak.
Arme, kleine Gella, ze had ’t eens moeten weten, dat ’t Koeltje haar op Petemoei’s bevel zachtjes, maar gestadig voortstuwde in de goede richting, dat ’t witte Wolkje, waarnaar ze telkens keek, haar den weg aanduidde en bovendien, ze had ’t eens moeten zien, hoe haar goede Petemoei voor één der vensters van haar kasteeltje zat te lachen, te lachen om die kleine, domme Gella, die zoo wijs meende te zijn.
Maar na een poosje werd Petemoei ernstig en schudde ’t hoofd. Zou Gella zóó voortgaan, dan zou ze opgroeien tot een onverdragelijk, eigenwijs, onbruikbaar mensch.

Met een fijn, zacht stemmetje.
—Hé, wat was dat? Gella keek op. Was ’t de Leeuwerik die zong? Òf dat kleine, kleine Vogeltje, dat ginds opvloog uit ’t heidekruid?—Duidelijk hoorde ze ’t met een fijn, zacht stemmetje op zoetvloeiende wijs:
„Al wie zijn eigen weg wil gaan,
ziet dwaallicht vaak voor sterren aan—
en, gaat hij op dat schijnsel door,
dan raakt hij licht van ’t rechte spoor.”—
Gella bleef stil staan om te luisteren en toen ze even later haar weg vervolgde, kende zij ’t versje uit ’t hoofd. Een paar maal zei ze ’t bij zichzelf op en daarna zong zij het, zonder evenwel veel aandacht aan den zin der woorden te schenken.—
Zonder ongevallen bereikte ze ’t verblijf der goede fee.
Plotseling had zij ’t vóór zich gezien, ’t mooie, sierlijke kasteeltje met zijn slanke torentjes. Haar Petemoei stond nu op ’t terras en wuifde haar toe. Wat was Gella blij! Zij hield haar mandje omhoog en streek haar haren glad, want het speelsche Windje had ’t haar voor afscheid nog een beetje door elkaar geschud. ’t Witte Wolkje scheen eenigszins spottend op haar neer te zien: ’t had zich vervormd tot een lachend gezicht.
Druk babbelend zat Gella weldra naast Petemoei in het groote, vroolijke, lichte torenvertrek, waarin de zonnestralen ongehinderd konden binnendringen. Petemoei hield van licht. Alles moest maar goed openbaar worden. Voor ’t licht kon zich niets, wat verkeerd was, verbergen. Zoo maakte ze ’t ook met al haar petekinderen, van wie Gella er eentje was. Zij had er nog verscheidene meer. Misschien vertel ik jullie later nog wel eens van hen, maar nu is Gella ’t hoofdpersoontje.
De wijze, goede fee keek ’t kind aan met een blik, waarin louter zonnetjes lichtten. Ze zag haar tot in ’t hartje.—
Gella snapte onderwijl maar door, vertelde van haar wandeling en liet vooral uitkomen, hoe knap ze alleen den weg had weten te vinden. Van haar stil wegloopen verzweeg ze en ook van ’t gezang, dat ze had gehoord.—Maar ’t moest toch aan ’t licht komen—op eens werd ze verlegen voor Petemoei’s blik tot diep in haar hartje en stotterde juist ’t geen ze niet had willen vertellen.
Petemoei schudde ’t hoofd. Toen liet ze Gella ’t gehoorde versje opzeggen.
Kende Gella ’t nog wel?
O ja, dat ging als van een leien dakje.
„Onthoud ’t goed, kind en handel er naar. Zeg ’t nog eens op en denk er dan bij na.”—
Petemoei keek Gella onafgewend, ernstig, aan. Toen moest ’t kind langzaam nog eens die regels uitspreken.—
Hierna werd de goede, oude dame evenwel weer vroolijk, deed spelletjes met Gella, trakteerde haar, zong en lachte—o, ’t was een heerlijk dagje voor Gella!
Je hebt natuurlijk al lang begrepen, dat de goede fee Gella’s Moeder niet al dien tijd in onrust had laten zitten! Neen, deze had al dadelijk een geruststellend bericht gekregen—er stonden Petemoei zooveel vlugge dienaren ter vervoeging, die haar orders snel en prompt uitvoerden! Dat was dus wel in orde!—
Tegen dat de schemering begon te vallen, zond de wijze fee haar petekind weer weg. Zij kuste haar hartelijk tot afscheid, bedankte haar nogmaals voor de bloemen en—zei toen iets, dat Gella van schaamte deed blozen.
„Eigenlijk moest ik boos op je zijn, omdat je zonder toestemming van Moeder hier bent gekomen.”—
„Ik dacht,” zoo stotterde ’t eigenwijsje, „ik dacht, dat u ’t niet erg vondt, omdat u zoo vroolijk aldoor was en—en—omdat ik toch zelf den weg zoo mooi heb gevonden. Ik dacht, dat u nu ook vondt, dat ik er groot genoeg voor was; ik wist den weg eigenlijk beter dan Moeder, want die heeft zich den laatsten keer nog gedurig moeten bedenken, hoe we verder moesten en met Vader zijn we eens een heel eind omgeloopen.”—
Er klonk een toon van zelfbewustzijn in door.—
De goede, oude dame, die volstrekt niet boos kon zijn—ze probeerde ’t wel eens, maar ’t ging haar nooit natuurlijk af—’t paste zoo heelemaal niet bij haar—trok Gella even aan ’t oor—heel zacht maar—en gaf haar een tikje op den schouder.
„Zal je ’t versje niet vergeten, kind?—Ik zal je nu iemand meegeven, om je thuis te brengen, want als de zon daalt, ziet het er buiten heel anders uit, dan wanneer zij met haar vriendelijk licht alles verheldert en doordringt.”
„O neen, dat behoeft niet; dank u wel,” zei Gella parmantig. „De weg terug is nog veel gemakkelijker te vinden dan de weg hierheen. ’t Is heelemaal niet noodig.”
Maar Petemoei wenkte haar dienaar Schaduw en deze vergezelde ’t meisje zonder dat zij ’t bemerkte.—
De avond daalde vlugger dan Gella ’t zich zooeven had kunnen voorstellen. Petemoei had wel gelijk gehad: Wat zag alles er buiten nu anders uit dan vanmorgen in ’t ochtendlicht! Donkere vlerken schenen zich over de aarde te ontvouwen—’t was stil, doodstil op de heuvels. Soms drongen van ver-af vreemde, wilde kreten tot Gella door—zeker werden ze uitgestooten door nachtvogels, die op buit aasden.
Gella huiverde en stapte haastig voort. Had zij ook spijt zich zoo parmantig van geleide te hebben afgemaakt?—Neen, o neen, zij was heel zeker van den weg en niet bang ook, welneen!—Maar toch—haar hartje klopte sneller en van tijd tot tijd keek zij met angstige oogen rond.
Nu was zij ver van de bewoonde wereld in de groote eenzaamheid der golvende heidelanden.—Ha! Gella haalde verruimd adem. Ginds groette haar een lichtschijnsel, vertrouwd en bekend—een sterretje in de donkerheid en ginds nog een en nog een en dan die groote, fonkelende, dat was de ster, die juist boven hun huisje stond. Hoe menigmaal had Vader haar die aangewezen!—
Dan was zij dus toch een eindje uit de juiste richting gekomen—dien kant moest zij op en niet dezen.—
Vol vertrouwen ging Gella op de ster af.—
Werd zij zachtjes aan den arm getrokken?
Ja—Schaduw deed ’t, de trouwe dienaar van de goede fee. Gella zag hem niet en liep onverstoord door—nu op een drafje, want ze kreeg op eens erg verlangen naar huis en naar Moeder.—
Hoe verder zij kwam, des te onbehagelijker werd ’t haar echter te moede; zij wist zelf niet, wat er aan mankeerde. De lucht, anders zoo frisch en zuiver, scheen nare, benauwde dampen met zich te voeren.—’t Ademhalen werd haar moeilijk—toch liep zij voort. Ginds wenkte ster bij ster—steeds meer lichtjes zag zij tintelen. ’t Was zeker gezichtsbedrog, maar zij geleken wel uit den grond op te komen. ’t Kwam bepaald, doordat de grond zoo heuvelachtig was, dacht Gella, die het steeds meer te kwaad kreeg met de kwalijkriekende dampen, welke de atmosfeer verontreinigden.
Een onheilspellende, donkere, geheimzinnig aandoende massa strekte zich tot aan den gezichtseinder uit—scheen naderbij te komen—en die lichtjes, die lichtjes.—

Ja,—Schaduw deed ’t.
Weer had Schaduw haar waarschuwend aan den arm getrokken. Gella stond even stil. ’t Was alsof zij zich iets herinnerde. Wat was ’t toch?—
Zij dacht aan haar tocht vanmorgen door ’t in lentezon lachende landschap,—aan den vroolijken Leeuwerik, ’t Voorjaarskoeltje, ’t witte Wolkje—en—aan ’t lied op die zangerige melodie, dat ze gehoord had!—
Nù was ’t stil, angstig stil—geen lied drong tot haar door.—
Wat had Petemoei ook weer gezegd bij ’t afscheid?
„Zal je ’t versje niet vergeten, kind?”—Gella meende haar stem nog te hooren, zoo vriendelijk bezorgd, zoo dringend.—
Welk versje?—Wel, dat van vanmorgen—dat de Leeuwerik gezongen had. Of had deze ’t niet gedaan? Was ’t dat kleine vogeltje geweest? Gella wist ’t niet, maar wèl wist zij, hoe de woorden van ’t lied geklonken hadden. Heel, heel duidelijk vernam zij ze op dit oogenblik aan haar oor:
„Al wie zijn eigen weg wil gaan,
ziet dwaallicht vaak voor sterren aan—
en, gaat hij op dat schijnsel door,
dan raakt hij licht van ’t rechte spoor!”—
Hoe juist van pas kwam deze waarschuwing ’t eigenwijze, op eigen kracht en inzicht vertrouwende kind!—
Gella slaakte een kreet. Nù wist zij het—nu wist zij het, ginds strekten zich de verraderlijke moerassen voor haar uit, die met hun dwaallichten zoo menigen reiziger van den rechten weg hadden gelokt om hem straks reddeloos te doen omkomen.—
Hoe menigmaal had Vader er over gesproken, er voor gewaarschuwd!—
Maar—als van dien kant dus verderf lokte—de benauwde dampen werden zoo dicht, dat ze haar reeds dreigden te bedwelmen, waar moest zij dàn heen? Waar lag haar thuis?
De flinke Gella, die zelf alles ’t beste wist, veel beter dan Vader en Moeder, en de hulp van Petemoei zelfbewust had afgewezen, stond daar nu echt, als ’t kleine meisje, dat ze feitelijk was, troosteloos en verlaten, geen raad wetend!—
Arme Gella! Maar ook gelukkige Gella, want nù pas, nu ze in zichzelf hulpeloos was en klein, kon ze waarlijk geholpen worden. Nù voelde ze haar machteloosheid van dit oogenblik niet alleen, maar ook haar ongehoorzaamheid, haar zelfoverschatting van dezen ochtend en van zoo menigen dag eerder.—

Schaduw nam Gella nu aan de hand.
De trouwe Schaduw was op zijn post en volgens de bevelen zijner meesteres nam hij Gella nu aan de hand en voerde ’t geheel van streek zijnde kind, dat zijn leiding ternauwernood bespeurde, veilig en zeker naar huis.
Van dien dag af werd Gella een ander persoontje. Bij haar eerstvolgend bezoek overtuigde haar Petemoei er zich tot haar vreugde van.
Nooit echter vergat Gella, hoe oud ze ook werd, ’t lied, dat voor haar zoo beslissend was geweest.