EDDIE’S BOODSCHAP.
Reading edition
„Eddie, kan je straks eens vlug een boodschap voor me doen bij Boer Jansen?” vroeg Vader op een ochtend aan ’t ontbijt aan zijn oudsten jongen.
„Ik wel, Vader!” „Toe, laat mij ’t doen,” riepen Fritsje en Broer, maar Eddie zei: „Nee, ik zal ’t wel doen; ik kan veel harder loopen dan jullie, omdat mijn beenen zooveel langer zijn.”
De kleine broertjes keken naar hun korte, dikke beentjes en toen naar de lange, dunne van Eddie; ja, ze waren wel erg lang en wat kon Eddie er hard mee loopen!
Fritsje en Broer peuzelden nu stilletjes hun boterhammen op, terwijl Eddie luisterde naar zijn boodschap, die wel gemakkelijk te onthouden was; hij moest alleen maar aan Boer Jansen zeggen: „Compliment van Vader en of u maar wilt laten brengen, waarover Vader met u heeft gesproken.”
„Koolplantjes voor den tuin zeker, hè Vader?” vroeg Eddie, die altijd alles heel precies wou weten.
„Dat kan je niet schelen; breng jij de boodschap maar net zoo over als ik je voorgezegd heb en denk er om, mijn jongen, er is haast bij, hoor. Je moet vóór schooltijd gaan en maken, dat je er al vóór half negen bent. Vooral niet tot twaalf uur wachten.”
Eddie beloofde het en daar Boer Jansen een eindje buiten ’t dorp woonde, mocht hij ook wat vroeger van huis gaan dan anders. Vader bracht hem tot ’t hek en zei nog eens, dat hij onderweg niet mocht treuzelen.
Eddie beweerde, dat hij er wel om denken zou. Hij zwaaide vroolijk met zijn pet tegen Moeder en de kleine broertjes, die voor ’t raam stonden, zei Vader goedendag en schoot toen als een pijl uit den boog weg, den kant uit, waar Boer Jansen woonde.
Eerst dacht Eddie aan niets anders dan aan zijn boodschap, die hij gedurig bij zichzelf opzei, maar toen hij ’t weiland overstak en daar zijn vriendje Kees zag met zijn bok, vergat hij heelemaal dat hij haast had en liep naar Kees toe, om den Sik te bewonderen. Hè, Eddie wou altijd zoo dolgraag een bok hebben,—en dit was zoo’n aardig, mooi dier! Kees wist weer allerlei grappige dingen van Sik te vertellen, die zoo slim was—als een mensch, zei Kees, en Eddie luisterde er graag naar. Hij ging bij zijn vriendje in ’t gras zitten, speelde met Sik, die nu eens net deed alsof hij stooten wou en dan weer in Eddie’s zak snuffelde in de hoop dat er een stukje brood in zou wezen, en—dacht niet meer aan Boer Jansen.

Speelde met Sik.
Daar kwam de groote broer van Kees aan: „Toe jongen, moet je niet naar school? Op mijn horloge is ’t al bijna kwart; ga maar gauw, ik zal Sik wel thuisbrengen,” riep hij al uit de verte.
„Naar school?”—Eddie keek alsof hij gedroomd had en nu pas wakker was geworden. Ja, natuurlijk, hij moest óók naar school, net zoo goed als Kees, en—en—wat moest hij ook nog meer?—
„Kom Ed, als we niet gauw gaan, zullen we nog te laat komen,” riep Kees, die al overeind was gesprongen en ’t touw van Sik aan zijn broer had gegeven. Maar Eddie, die nu opeens aan zijn boodschap dacht, schudde van neen.
Hoe had hij toch zóó kunnen vergeten wat Vader zei en er was nog wel haast bij geweest! Eddie schaamde zich vreeselijk. Wat hadden zijn lange beenen hem gegeven? ’t Eenige wat hij doen kon om ’t goed te maken, was: nu nog zoo gauw mogelijk naar Boer Jansen loopen.
„Ga jij maar,” zei hij tegen zijn vriendje, „ik moet nog voor Vader een boodschap doen, bij Jansen.”
„Doe ’t om twaalf uur,” ried Kees aan; „als je nù nog gaat, kom je zeker te laat op school.”
Even draalde Eddie. Hij was zoo’n secuur baasje. Nog nooit was hij te laat geweest. Wat zou Meneer wel zeggen als ’t hem nù overkwam?
„Toe dan,” zei Kees weer, „ga nu mee; als je te laat komt, moet je schoolblijven om twaalf uur; dan kan je niet mee roovertje spelen en je zou nog wel de hoofdman zijn!”
Hè, roovertje spelen op ’t plein voor de school en hoofdman zijn! Eddie was vreeselijk graag de baas over de andere jongens; als hij nu geen hoofdman kon zijn, zouden ze een ander kiezen, misschien wel Piet van Dam, en morgen zou Piet dan ook weer hoofdman willen wezen. Zou die boodschap eigenlijk niet evengoed om twaalf uur kunnen gedaan worden? ’t Was toch zeker maar wat voor den tuin!
Eddie keek Kees na, die al een eindje op weg was. Bijna had hij de boodschap gelaten voor wat ze was om Kees te volgen; toen dacht hij er aan, dat hij Vader toch beloofd had niet tot twaalf uur te wachten, maar nog voor schooltijd naar Boer Jansen te gaan. Hij keerde zich dus om en draafde zoo hard hij draven kon naar de boerderij van Jansen. Wat was ’t nog een eind en wat werd Eddie warm, maar hij stond toch geen oogenblikje stil om uit te blazen; hij liep en liep, totdat hij bij ’t bruggetje was, waar je overheen moest als je naar de boerderij wilde gaan. De boer kwam juist het erf af met twee mooie bokken aan een touw, die nog veel grooter waren en veel glanziger huid hadden dan de Sik van Kees.

Maar vergat er zijn boodschap niet door.
Eddie keek wel begeerig naar de dieren, maar vergat er nu toch zijn boodschap niet door. Boer Jansen lachte even toen hij hoorde wat Eddie van Vader moest zeggen.

Twee prachtige bokken van Boer Jansen.
„Nu, dat is wèl op ’t nippertje; omdat er om half negen nog geen boodschap was, zooals we afgesproken hadden, dacht ik, dat Vader van den koop af zag en wou ze nu aan een ander brengen, die ze ook graag wou hebben. Maar nu gaat Vader natuurlijk voor. Zeg dus maar thuis, dat ’t in orde is, hoor; ik zal ze meegeven als Teunis straks met koolplanten naar jullie toegaat!” Meteen draaide de boer zich om met de beide Sikken, alsof nu zijn wandeling niet meer noodig was. Wat het toch was, dat Boer Jansen straks aan Vader zou laten brengen, had Eddie wel graag willen vragen, maar hij durfde niet goed. Hij dacht heel eventjes aan iets, maar nee, dat zou te heerlijk zijn; nee, daaraan wou hij niet eens denken, maar of Eddie nu wou of niet, hij moest er toch telkens aan denken, onderweg en ook op school, waar hij wezenlijk nog op tijd aankwam. ’t Horloge van den grooten broer van Kees was zeker vóór geweest. En toen hij om twaalf uur nog gauw even, voordat ze roovertje gingen spelen, naar huis liep om eens te kijken, zag Eddie dat, wat hij haast niet had durven denken, heerlijke zekerheid was: in ’t schuurtje stonden de twee prachtige bokken van Boer Jansen en Vader, die ze met Moeder en de beide broertjes aan ’t bewonderen was, zei toen Eddie er bij kwam, dat de Sikken nu van hun drietjes zouden zijn. Fritsje en Broer juichten van plezier, maar Eddie stond er stilletjes bij, net alsof hij er geen schik in had. Dat kwam, omdat hij bedacht hoe weinig het gescheeld had, dat deze groote verrassing van Vader door zijn schuld hun deur was voorbijgegaan, maar, toen hij Vader en Moeder alles verteld had en zijn hartje dus weer ruim en prettig voelde, ja, toen was hij even blij als Fritsje en Broer;—even blij?—neen, zelfs nog blijder!