’T ALLERMOOISTE PRESENT.
Reading edition
Er was eens een klein meisje, dat in October jarig was.
Marietje heette ze en ze was een eenig kind, dat een heel, heel groote familie had. Zóóveel ooms en tantes, neven en nichten, neefjes en nichtjes waren er, dat Marietje ze alleen maar met Moeders hulp bij elkaar kon tellen en dan vergiste ze zich toch nog wel eens met de namen. Bijna allemaal woonden ze in dezelfde stad als Marietje en daar ze veel van haar hielden, kwamen ze haar ook feliciteeren. Als je nu weet dat ieder een presentje meebracht, kan je nagaan hoeveel die Rie kreeg! Ja, verwend werd ze wel een beetje, maar ’t deed haar niet zooveel kwaad; daar paste Moeder wel op, die Marietje niet verwende en heel ferm voor haar was.
De meeste visite was er al geweest toen er nog heel zachtjes aan de bel werd getrokken. ’t Was Truitje, de kindermeid, die vroeger op Marietje had gepast. Sedert ze niet meer bij Moeder en Rie woonde, kwam ze toch ieder jaar op dezen dag om haar pleegkindje te feliciteeren en altijd bracht ze wat voor haar mee: een doosje kraaltjes, een prentje, pepermuntjes of zoo iets. En ieder jaar was Marietje even blij met Trui’s eenvoudig presentje als met de prachtigste pop of ’t mooiste boek van de ooms of tantes.

Het taschje kwam open.
Ook dit jaar had Truitje weer wat bij zich. Het taschje kwam open en daar haalde ze een bruin papieren zak uit. Verheugd keek Marietje er in.... wat teleurgesteld trok ze haar hoofdje terug en een heel klein beetje onzeker klonk haar stemmetje toen ze Trui bedankte. Toen liep ze gauw naar Moeder, die in de achterkamer een kopje thee voor Truitje inschonk. Haar lippen beefden en de tranen sprongen haar in de oogen: „Moeder, kijk eens,” fluisterde ze, „wat heb ik daar nu aan, uien! Die kunnen we toch wel bij den groenteboer koopen en.... en.... ik houd er niet eens van!”
Moeder keek en Moeder lachte hardop. „Wel mijn kleine domme Rie! Ja, dat zijn uien, maar geen gewone om op te eten. Neem dit kopje thee maar eens mee voor Truitje, dan zullen we ’t haar samen vragen!”
En toen Rie met nog wat beverig stemmetje ’t aan Truitje vroeg, begon Trui ook al te lachen net als Moeder en door haar traantjes heen lachte Marietje toen ook maar mee, hoewel ze toen eigenlijk nog niet wist waarom.
„Bloembollen zijn het,” zei Truitje, „en als je nu precies doet zooals ik zeg, heb je in den winter wat moois om naar te kijken en aan te ruiken. Kom maar hier, dan zal ik ’t je vertellen!”

Kom maar hier, dan zal ik ’t je vertellen!
Marietje klom bij haar op schoot, daar had ze als heel klein kindje wat dikwijls gezeten, en luisterde goed naar wat Trui zei.
De bollen moesten in potten met aarde worden geplant, zoo, dat er enkel een klein puntje van hun neusjes boven den grond uitstak en dan moesten die potten wel een maand op een donkere plaats staan.
„O heden, zoo lang!” zei Marietje, „dan vergeet ik ze bepaald!” Maar Moeder beloofde ’t haar wel te zullen helpen onthouden. Daarna moesten ze op een zonnig plekje worden gezet, niet al te warm, maar vorstvrij; een beetje begieten kon dan geen kwaad. En dan, ja dan moest Marietje maar eens stil afwachten wat er zou gebeuren. „Moeder,” zei ze, toen de goede kindermeid weg was, „dat van Trui is wel een erg langdurig present, ik bedoel, je moet er zooveel geduld bij hebben, hè?”
„Ja,” zei Moeder, „maar ’t is ook een langdurig present, omdat je er lang plezier van zult hebben. Denk eens even aan, van alles wat je vandaag hebt gekregen, is van den winter ’t nieuwtje toch zeker al lang af, maar van dit presentje niet, integendeel, dan zal ’t eerst recht beginnen!”

Groeien en bloeien.
En nu in Februari voor ’t raam in de huiskamer mooie blauwe, witte en rose hyacinthen en geel met rood gestreepte tulpjes welig groeien en bloeien en de heele kamer vroolijk maken, ziet Marietje wel in, dat Moeder al weer gelijk heeft gehad. En dikwijls, als ze heel diep den lekkeren geur opsnuift, zegt ze: „Weet u nog wel, dat ik eerst niets blij was en haast huilde om Trui’s presentje, en nu vind ik ’t eigenlijk nog ’t allermooiste van alles wat ik toen heb gekregen!”
„Ja,” zegt Moeder dan, „ik zou voortaan mijn traantjes maar niet zoo gauw klaar hebben.”
En dan lachen ze allebei.