← Table of contents
Vertellingen

KAREL’S HORLOGE

Reading edition

Er was eens een jongen—Karel heette hij—die dolgraag een horloge wou hebben. Zijn groote broers hadden er allebei een en nu was ’t dus zijn beurt om er een te krijgen, vond hij.

„Wacht maar tot je jarig bent,” zei zijn vader; „misschien, als je goed oppast, dan....” Meer zei Vader niet.

Of Karel ook goed oppaste!

Toen kwam zijn jaardag.—Op de slaapkamer kreeg hij de presenten van de broers en kleine zus. Vader en Moeder feliciteerden hem ook—maar——er was geen pakje van hen.

Even keek Karel op zijn neus; toen deed hij direct weer vroolijk—hij was immers jarig!

Aan ’t ontbijt gekomen zag hij toch nog een pakje op zijn bord liggen.

„Dat heb je van Vader en mij,” zei Moeder.

Gauw maakte Karel het open. Wat er wel in zat?——

Een horloge—ja, een echt stevig jongenshorloge aan een koordje! Wat was Karel blij; hij vloog Vader en Moeder om den hals en kuste hen dat ’t klapte.

„Mag ik ’t mee naar school?” vroeg hij.

„Vandaag wel, omdat je jarig bent, maar dan niet meer. Je kunt het ’s Zondags dragen,” antwoordde Vader en hij wees hem hoe hij ’t moest opwinden en hoe hij ’t gelijk kon zetten.

Niemand blijder dan Karel, toen hij met zijn horloge naar school stapte. Meneer en de jongens moesten ’t allen zien en onder de les keek Karel er gedurig op of zat er mee te spelen.

Meneer en de jongens moesten ’t allen zien.
Meneer en de jongens moesten ’t allen zien.

Meneer en de jongens moesten ’t allen zien.

Omdat hij jarig was, zag Meneer het maar door de vingers.

’t Was Karel zoo goed bevallen zijn horloge mee naar school te hebben, dat hij het wel graag den volgenden dag weer had meegenomen. Maar dit mocht niet van Vader; hij mocht het alleen ’s Zondags dragen—door de week zou Moeder ’t in haar groote linnenkast bewaren.

Eenigen tijd later kwam er een nieuwe burgemeester op het dorp waar Karel woonde. Die burgemeester had een zoontje van Karels leeftijd—Felix geheeten.

Felix was een eenig kind en werd erg verwend; wat hij hebben wou, kreeg hij van zijn ouders. Natuurlijk had Felix ook al een horloge.

Karel zag ’t dadelijk, toen Meneer den nieuwen jongen binnenbracht en hem de plaats naast Karel aanwees. Felix had er zelfs een mooien ketting aan; Karel kon er zijn oogen niet afhouden.

„Ik heb óók een horloge,” fluisterde hij hem toe, juist toen Meneer een taaloefening ging dicteeren.

„Dat jok je,” zei Felix schamper lachend; „als je er een hadt, zou je ’t wel bij je hebben; ik geloof er niets van.”

„Vanmiddag neem ik ’t mee, dan kan je ’t zelf zien,” riep Karel, die niet velen kon, dat die vreemde jongen hem niet geloofde, driftig uit.

„Echt waar, hoor!”

„Niet praten,” zei Meneer—„allen opletten!”

Toen hielden zij zich stil.

Aan de koffie had Karel niets te vertellen en anders kon hij toch zoo’n praats hebben. Dat kwam, omdat hij nu aan niets kon denken dan aan zijn horloge, dat in Moeders linnenkast lag en dat hij tòch vanmiddag mee naar school wou nemen.

Toen de boterhammen op waren, draaide hij steeds om Moeder heen.

„Jongen, wat wil je toch?” vroeg Moeder verwonderd.

„Een zakdoek,” fluisterde Karel verlegen, „alstublieft een schoonen zakdoek uit de linnenkast.”

„Nu, dien kan je krijgen,” antwoordde Moeder lachend. „Daar behoef je niet zoo benauwd bij te kijken. Haal er zelf maar een; je weet waar ze liggen; ik moet zusje nu eerst helpen.”—En Moeder gaf Karel den sleutel.

O, wat bonsde zijn hart, toen hij de kast opendeed en er daarop mèt den zakdoek ook ’t horloge uithaalde. Hij stopte het met koordje en al diep in zijn zak. Toen hij Moeder den sleutel teruggaf, durfde hij haar niet aan te kijken, maar Moeder, die met ’t kleintje bezig was, had er geen erg in.

Langs een omweg sloop Karel naar school. Hij wou maar ’t liefst niemand tegenkomen.

Toen de jongens, die op ’t schoolplein speelden, wat tegen hem zeiden, schrikte hij en liep gauw naar binnen. Eerst toen Felix kwam, monterde Karel weer wat op. Nu zou Felix toch zien, dat hij niet gejokt had. Vol trots lei Karel ’t horloge vóór zich op den lessenaar.

Ook ’t horloge uithaalde.
Ook ’t horloge uithaalde.

Ook ’t horloge uithaalde.

Felix keek er even naar. „’t Is niet eens van zilver,” zei hij minachtend „en er is ook geen ketting aan.”—Toen draaide hij ’t hoofd om en wou er heel niet meer naar kijken.

Karel kon wel huilen van spijt. Had hij nu dáárvoor Moeder bedrogen? was hij dáárvoor Vader ongehoorzaam geweest?——

Meneer kwam binnen en de les begon.

Karel kon geen enkel goed antwoord geven en lette niet op als Meneer wat op ’t bord schreef. Dit was Meneer niet van hem gewend. Hij kwam naar hem toe en zag toen ’t horloge nog vóór hem liggen. Dit zou wel de oorzaak van Karels onoplettendheid wezen, dacht Meneer; op zijn jaardag had hij er immers ook zoo mee zitten spelen?

„Weet je wat, Karel,” zei hij daarom, „ik zal dat horloge maar eens een poos voor je bewaren. Je bent nog veel te klein voor een horloge; dat zie ik wel.” En Meneer nam ’t horloge van den lessenaar en ging naar zijn plaats voor de klas terug.

Van schrik kon Karel geen woord uitbrengen. Dit was wel ’t ergste wat hem had kunnen overkomen!——Als Meneer ’t nu maar om vier uur teruggaf.——

Maar neen, Meneer schudde ’t hoofd, toen Karel ’t hem na schooltijd met neergeslagen oogen kwam vragen.

Keek hij hem doordringend aan.
Keek hij hem doordringend aan.

Keek hij hem doordringend aan.

„Dan hebben we morgen weer ’t zelfde liedje met jou. Je bent veel te speelsch om al een horloge op school te dragen. ’t Verwondert mij, dat je Vader dàt wil hebben.” Bij deze woorden keek hij hem doordringend aan. Toen liet Karel ’t hoofd hangen en durfde niets meer zeggen.

„Dat dacht ik wel,” sprak Meneer in zichzelf, terwijl hij den jongen nakeek, die langzaam, op z’n eentje naar huis slenterde. „Dat is bepaald niet in orde”—en hij besloot Karels Vader, met wien hij dien avond een vergadering zou bijwonen, ’t horloge zelf terug te geven en er met hem over te spreken.

Maar hiervan wist Karel natuurlijk niets; hij dacht, dat Meneer ’t horloge voor altijd zou houden en voelde zich erg ongelukkig.

Zoo werd ’t eindelijk weer Zondag.

Anders vond Karel den Zondag de prettigste dag van de heele week, maar nu zat hij stil in een hoek te kniezen en deed niet mee aan de vroolijke spelletjes, die Vader na kerktijd met de kinderen speelde.

Hij zat steeds in angst, dat Moeder hem zou vragen of hij zijn horloge niet wou hebben of—nog erger—dat Moeder naar de linnenkast zou gaan om ’t voor hem te halen en dan ontdekken zou, dat ’t er uit verdwenen was.

’s Middags zouden ze allen met elkaar een groote wandeling doen.

„Om drie uur gaan we er op uit, jongens,” had Vader gezegd.

Toen het bijna drie uur was, liep Karel den tuin in; hij wou liever niet mee en hoopte, dat zij weg zouden gaan zonder hem te missen.

Hè, wat vervelend, daar kwamen Vader en Moeder ook den tuin in. Op andere Zondagen kon Karel zich niets genoeglijkers voorstellen dan arm in arm tusschen Vader en Moeder in, door den grooten tuin te wandelen en bij ieder bloemperk of groentebed even te blijven staan—maar nu——o, hij wou Vader en Moeder wel weg kijken!—

„Kom Karel,” riep Moeder, „ga je mee? Wij willen nog even den tuin doorloopen.”—En zij stak haar arm door dien van Karel. Zoo moest hij wel mee.

Toen ze den tuin één keer door waren geweest, zei Vader: „’t zal, dunkt me, haast tijd wezen voor onze wandeling. De anderen zijn misschien al langzaam vooruitgegaan. Karel kijk jij eens hoe laat het is; mijn horloge gaat niet goed.”

Daar kwamen Vader en Moeder ook den tuin in.
Daar kwamen Vader en Moeder ook den tuin in.

Daar kwamen Vader en Moeder ook den tuin in.

Karel wou naar binnen loopen om op de groote gang-klok te kijken, maar Vader hield hem tegen. „Waar is je horloge?” vroeg hij.

Toen barstte Karel in snikken uit.

„Waarom kijk je dáár niet op?” vroeg Vader nog en zijn toon klonk nu heel streng.

„M-m-meneer heeft het,” stotterde Karel al schreiend en toen kwamen Vader en Moeder bij stukjes en beetjes ’t heele verhaal te hooren. Karel verzweeg niets. Dat hij Moeder bedrogen had, drukte hem nog het zwaarst van alles op ’t hart.

„Ik zal ’t nooit weer doen; ik heb er zoo’n spijt van,” riep hij telkens weer.

Omdat Karel er zoo’n berouw over had, vergaven Vader en Moeder hem graag wat hij gedaan had, maar de straf konden zij hem toch niet kwijtschelden: een maand lang mocht hij zijn horloge niet dragen, neen, nog erger, hij mocht ’t zelfs niet zien.

Toen, op een Zondag, deed Vader hem zelf weer het koordje om den hals en liet ’t horloge in zijn blousezakje glijden.

„Nu vertrouw ik je weer, Karel,” was alles wat Vader zei. Moeder gaf hem een kus en fluisterde hem toe: „ik ook”—toen was Karel o, zoo gelukkig.

Toen, op een Zondag.
Toen, op een Zondag.

Toen, op een Zondag.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings