XVIII. „VREDE OP AARDE”.
Reading edition
O natuurlijk, nu smaalt de menigte: „Dat Kerstevangelie is onzin. Vrede op Aarde? Zie maar in 't rond. Oorlog en niets dan oorlog. De Englenzang in Bethlehems velden is een lieflijke waan. Twintig eeuwen lang hebben de kinderen der menschen het lied nagezongen, maar het bleef bij zingen. Juist de beide volken, die het Kerstfeest met zulk een zoete vroomheid vieren, hebben zich in onzen tijd het krachtigst gewapend. Waar is de „Weihnachtsbaum” meer algemeen geëerd dan in Duitschland? Iedere huiskamer ziet zijn vreedzame vlammetjes branden. Maar ieder huisgezin heeft thans zijn mannen naar 't oorlogsveld gezonden. Daar donderen de kanonnen dit jaar het antwoord op het lied uit de wolken. En welke natie stuurt haar „Christmaswishes” veelvuldiger de wereld in dan de Engelsche? Kerstwenschen? Ze worden door de „dreadnoughts” overgebracht en de heidenen uit Azië zullen ze, op Engelands kosten, wel in het christelijk Europa bezorgen. Vrede op Aarde? Schijn en huichelarij dat heele christendom, die heele leer der liefde. Geen englenzang daalt uit de wolken, maar bommen regenen uit den hemel neer, om wat er nog vreedzaam op de velden der aarde leeft te vernietigen. Vrede? Haat, wraak, oorlog, verwoesting op aarde! Dát is de waarheid. En niets anders.”
Zoo smaalt—en zoo dwaalt de menigte.
Ze dwaalt. Het Kerstevangelie is volkomen waarheid gebleken, ondanks al de woedende oorlogen, die sedert gevoerd zijn. En ook nu kan men zijn ongereptheid zelfs te midden van het kanongebulder zien. Er is vrede op aarde. Maar... „onder de menschen waarin God welbehagen heeft!” Zoo luidde ook het engelenlied. Daar is in dien stillen, in dien heiligen nacht niet gezongen, dat van nu aan de aarde vol vrede zou wezen, zoo min als later Jezus—tóch de Vredevorst!—van zichzelf getuigen zou, dat Hij allen strijd zou beëindigen.
„Ik ben niet gekomen om vrede te brengen, maar het zwaard,” sprak Hij, met goddelijke beslistheid, waaraan de latere tijden volle recht hebben gedaan. Maar hoewel Hij het zwaard bracht, mocht Hij toch vredevorst heeten en konden de engelen zijn geboorte aankondigen als het uur, waarin de Vrede op Aarde was neergedaald. Dat zou zijn leven bewaarheiden en dat hééft zijn leven bewaarheid.
Of was het in Zijn ziel niet vrede? Hij werd bespot, beschimpt, veracht, maar het verstoorde den vrede niet in zijn gemoed. Hij werd gescholden, belasterd, verdacht gemaakt, maar het kon de klare rust zijns harten niet vertroebelen. Hij werd geslagen, met doornen gekroond, gekruisigd, maar het deed geen oogenblik zijn vertrouwen in Gods vaderliefde wankelen. Hij bad voor zijn vijanden: „Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen.” Was dit alles niet een onweerspreekbaar getuigenis, dat in zijn ziel de vrede woonde? Zijn leven scheen vernietigd, zijn streven vruchteloos, zijn arbeid ijdel—toch vrede. Onbegrepen door zijn leerlingen, in de uiterste ure zelfs door een zijner beste discipelen verloochend, door al zijn jongeren verlaten, eenzaam en veroordeeld achtergebleven—toch vrede. In dezen „Gezalfde des Heeren” was het in volle werkelijkheid: Vrede op Aarde. De englen hadden geen juister naam kunnen aankondigen.
Een onjuiste vertaling van het Lukasevangelie heeft ons langen tijd doen lezen en zingen: „Vrede op aarde! In de menschen een welbehagen!” Maar dat staat er niet in het oorspronkelijke Grieksch. De bekende Duitsche vertaling van Weissacher zegt: „Preis sei in der Höhe Gott, und auf Erden Friede unter Menschen des Wohlgefallens.” Dat is duidelijk genoeg, zoowel als de woorden van prof. Oort in onze Leidsche vertaling. Neen, zoo gemakkelijk gaat het niet. Wij zouden wel willen zondigen op duizenderlei wijze: vloeken, drinken, boeleeren, eergierig, geldgierig, heerschzuchtig zijn, het recht vertrappen, de armen vertreden, de ellendigen doen bezwijken en bij alles—vrede op aarde, opdat we vooral ongestoord onzen gang konden gaan. Maar hoe kan in vredesnaam—ja, in naam des Vredes!—God in zulke menschen een welbehagen hebben? Dat is immers onmogelijk? Hoe kan ooit een heilige Macht vrede hebben met zooveel onheiligs! Zeker: Vrede op Aarde. Maar... „onder die menschen waarin Hij welbehagen heeft!” Dat is dus onder de menschen, waarin de geest van Zijn heiligheid werkt. Doch overal elders krijg. Terecht. Zonde kan geen vrede baren.
Jezus was een mensch, waarin God welbehagen had. Vandaar in Hem vrede. En dien vrede kunnen we nog zien, zelfs in de loopgraven van 't slagveld en tusschen de fluitende kogels. Hoeveel martelaren hebben in vroeger eeuw, te midden der vlammen, van dien vrede getuigd! Het is zoo volmaakt onjuist van vrede te spreken, als er alleen maar geen kanonnen-oorlog is. Waar vijandschap is, wantrouwen, onafgebroken bewapening, daar is geen vrede, daar is het aanhoudend oorlog, met alleen kortere of langere wapenstilstanden. Vrede is een gemoedstoestand. Omringd door een paradijsrust kan het menschenhart onrustig zijn. Terwijl alles om hem heen vredig is, woelt er onvrede in zijn binnenste. En rondom kan dood en verderf woeden, de stad in puin geschoten worden, het huis boven zijn hoofd instorten, en toch de mensch vrede hebben. De vraag is alleen: Heeft God in u een welbehagen.
Heeft Hij? Onderzoek het door de vraag om te keeren: Hebt gij een welbehagen in God? Neen, laten we ons niet verschuilen achter kerkelijke termen. Wie in God gelooft, weet, dat Hij heilig is en rechtvaardig. Welnu, hebt gij de heiligheid lief, zoodat alle onheilige begeerten in u—ge kent ze wel—u een voortdurende smart zijn? Hebt gij de rechtvaardigheid lief, waaràchtig lief—niet met woorden—zoodat ge voor haar offers wilt brengen: uw maatschappelijke rust, uw fortuin, uw goeden naam bij de menschen, althans wat men zoo noemt. Hebt ge aldus God lief? Of wilt ge liever „Gods welbehagen” genieten in een leventje van liefdeloosheid, zelfstreeling; de heele wereld genieten en Gods zegen op den koop toe? Ons zelfbehagen en Gods welbehagen, die gaan nooit samen, tenzij ons „zelf” eerst de reinigingskuur der zelfverloochening heeft doorgemaakt.
Er is vrede op aarde. Maar of de aarde eenmaal vol vrede zal zijn? Niet, wanneer de ongerechtigheid toeneemt. Want „doordat de ongerechtigheid toeneemt, zal de liefde van velen verkoelen” en dus de haat aanwakkeren. Maar „wie volhardt tot het eind, die zal zalig worden.” Slechts hij die in eigen ziel vrede op aarde gevonden heeft, kan de vrede op aarde brengen.
Hoe?... Dat is de boodschap van den stillen, den heiligen nacht.
Kerstmis, 1914.