VI. WAARHEID IN DE OPVOEDING. (continued 2)
Reading edition
Is er dan geen „wedergeboorte” mogelik?
De grenzen van dit opstel gedogen niet de behandeling van deze vraag. Ze wordt hier alleen gesteld, om ons eraan te herinneren, dat het gewichtigste probleem der opvoeding, de zedelike vorming, op een ander gebied ligt dan we nu hebben betreden.
Wie omtrent de mogelikheid van aardverandering, van wedergeboorte, een belangrijk boek raadplegen wil, leze: „Gebroken aardewerk” van Harold Begbie.3) Eén citaat kan volstaan, om de betekenis van dit werk te doen uitkomen: „Wat wij ook van het verschijnsel zelf mogen denken, het feit staat vast, dat door hetgeen wij bekeering noemen, menschen die met bewustheid het verkeerde doen, die slecht en ongelukkig zijn, op eens met hun vrijen wil het goede doen en zich gelukkig gevoelen. Het brengt geen verandering te weeg maar een omkeering in aard. Het schept een nieuwe persoonlijkheid. De uitdrukking „wedergeboorte” is geen rhetorische overdrijving, maar een feit uit het gebied der zielkunde.”
Men zal erkennen, dat deze uitspraak aan beslistheid niets te wensen overlaat. En daarbij vergete men niet, dat de schr. leerling is van Prof. William James, de psycholoog, aan wie hij zijn boek „met bewondering en eerbied” opdraagt.
Deze kwestie brengt ons in het hart der zedelike opvoeding en we hopen er, naar aanleiding van het genoemde boek, onze aandacht aan te schenken. Wellicht moeten we dan tot de conclusie komen, dat de „wedergeboorte” toch niet een „nieuwe persoonlikheid” schept, maar verborgen elementen der oude persoonlikheid heeft doen uitschieten. We kunnen ons onmogelik een te-voorschijn-komen van een nieuwe aard voorstellen en het feit zelf verliest toch niets van zijn aangrijpende betekenis, wanneer we aannemen, dat in de bekeerde latente eigenschappen zo krachtig zijn opgetreden, dat ze de verschijning der persoonlikheid als 't ware een geheel nieuw karakter hebben gegeven.
Hoe het zij, we kunnen noch wensen er op 't ogenblik dieper op in te gaan. We moesten echter nóg eens duidelik uitspreken, dat de vorming der morele persoonlikheid beheerst wordt door andere faktoren dan door „waarheid in de opvoeding”, al is dit „middel” belangrijk genoeg, om, eer we eindigen, zijn betekenis ook nog toe te lichten in de omgang met de oudere kinderen van 14–20 jaar.
Met jongelieden van deze leeftijd volkomen waar om te gaan, valt vele volwassenen moeilik, moeiliker dan met kinderen beneden die leeftijd.
Dit is geen wonder.
Jonge kinderen, als ze naar belangrijke dingen vragen, vragen haast altijd uit voorbijgaande nieuwsgierigheid. Hun weetgierigheid is meer een geestelik spelletje dan uitvloeisel van diepgevoelde hartedrang. Ze willen iets weten, omdat plotseling een vraag vóór hen oprijst. Maar de vragen rijzen niet zo in hen op. Wanneer ze antwoord krijgen, zijn ze dan ook onmiddellik tevreden en laten de pas verworven wijsheid straks weer gemoedelik schieten. Ze hebben geen flauw besef van de belangrijkheid hunner vragen en van het gewicht der antwoorden.
Niet alzo is het bij de jongelieden. Bij hen wordt het ernst. En daarom kunnen vele ouders gemakkeliker waar zijn met de kleintjes, dan met de groten. Bij die kleintjes blijft het toch maar aan de oppervlakte. Die denken niet door. Die staan geheel in hun eigen kinderwereldje, brengen daar de wijsheid der volwassenen heen en herleiden ze tot kinderproporties. Ze maken van alles iets kinderliks, omdat ze de gevoelens en denkbeelden der ouderen niet kúnnen verstaan.
De jongelieden echter gaan met hun ervaringen gaandeweg in de wereld der volwassenen over. Zij komen ons physies en psychies hoe langer hoe dichter bij. Zij vragen niet uit speelse nieuwsgierigheid, zoals zonnestraaltjes even door 't lover trillen, maar uit levensbehoefte, gelijk wortels in de grond dringen om voedsel te halen en een stevige stand te verzekeren. Hun opmerkingen zijn gekleurd door hun persoonlikheid, die zich in steeds helderder en scherper trekken openbaart. En de ouders voelen, dat langzamerhand gelijken hen naderen, zij het ook dat deze nog vele kenmerken van onrijpheid vertonen. Dit maakt vele ouders onrustig en ze ontwijken hun opgroeiende kinderen.
Daardoor doen ze die opgroeiende kinderen te kort.
Over 't algemeen worden onze „jongelingen” en „jonge meisjes” opvoedkundig niet zo goed verzorgd als de „kinderen”. Hun halfslachtige positie typeert hun hele leeftijd en komt reeds uit in het gemis van een eigen naam. Er zijn kinderen en volwassenen. En daar tussen in?
Heeft men er wel eens aan gedacht, hoe impopulair de namen „jongelingen” en „jongedochters” zijn? We durven ze haast niet te gebruiken. Met heel veel gemak spreekt iedereen over kinderen, maar we voelen aanstonds enige en soms grote stroefheid in onze spraakwerktuigen, als we 't over jongelingen en jongedochters moeten hebben. Die woorden willen ons niet familiaar worden en schijnen zich alleen tuis te gevoelen in deftige verbindingen als „Christelijke Jongelingsvereeniging” en stijve toespraken. Voor dit opgroeiend geslacht hebben we geen eigen, vertrouwlike, inheemse namen, waarmee het volk in al zijn lagen voor den dag durft komen, en de wetenschappelike opvoedkundige schrijvers der laatste jaren vergasten ons op het woord pubers. Al herinnert dit woord eraan, dat deze knapen en meisjes in de puberteitsperiode zijn, is het daarom een woord, waarmee een gewone liefhebbende moeder haar kinderen kan aanduiden? „Uw jongens en meisjes zijn gelukkig de kinderleeftijd te boven, mevrouw!”—„Ja, meneer, dat zijn gelukkig al pubers.” Neen, dat gaat niet.
Dan maar liever gesproken van „jongemannen”, „jongeheren”, „jongedames”, al bewijzen deze woorden duidelik, dat de betrokkenen geen eigen namen bezitten, maar tevreden moeten zijn met die der volwassenen voorafgegaan door het beperkende „jonge”. Te groot voor een servet en te klein voor een tafellaken, moeten ze het stellen zonder eigen disdoek en zich in vredesnaam met het tafellaken der ouderen maar leren zindelik houden. Ze hebben een eigen positie, een eigen karakter, eigen noden, maar deze worden niet derwijze erkend, dat er ook eigen namen, eigen rechten, eigen voorzieningen komen.
Laat de eigen namen dan weg blijven, indien de eigen rechten maar toegekend en de eigen voorzieningen verschaft worden. Nog oneindig meer dan bij de opvoeding der kleinen is waarheid nodig in de omgang met de groten. Voor hen kan het een levensredding zijn.
Doch nu wordt er van de ouders grote zelfverlochening geeist. Hoe gaarne ze ook zagen, dat de jongelui de ideeën, idealen, beschouwingen der ouders deelden, ze moeten het kunnen verdragen, dat het precies omgekeerd is en de jongeren met hun denkbeelden en toekomstplannen lijnrecht tegenover hen staan.
Vader en Moeder zijn steeds rechtzinnig godsdienstig geweest en hebben hun kinderen trouw in die geest opgevoed. Nu komt er echter twijfel in de harten dier kinderen. Een maar al te verklaarbare twijfel. Hun gemoed komt in opstand tegen de voorstelling van een God, die zoveel zonde en ellende toelaat ondanks zijn liefde en almacht, hun verstand heeft geen vrede met het aannemen van waarheden, die strijden met rede en natuur. Ze kunnen onmogelik geloven, dat water in wijn veranderd wordt en een dode opgewekt, en alles in hen verzet zich tegen een Vaderliefde, die een enige Zoon aan het Kruis doet nagelen, om door dat offer te voldoen aan de eis der gekrenkte rechtvaardigheid. Zij zouden zelf zo geheel anders doen, zij zouden geen „wonderen” nodig hebben om hun goddelikheid te bewijzen en deze goddelikheid liever getoond hebben in het voorkomen van de zonde bij de mensenkinderen, dan in het offeren van een enig kind nadat die mensenkinderen eerst in de zondeval waren gelopen.
Ze voelen er iets zo bitter, bitter oneerliks in: eerst de mensen scheppen met eigenschappen, die hen zéér zeker zullen doen vallen en hun daarna die val verwijten en ze ervoor straffen. En dan nog aan te nemen, dat de niet alleen almachtige dit gans anders had kunnen inrichten, maar de alwetende dit alles reeds van te voren wist, dat Hij, aleer de mensen in 't aanzijn te roepen, reeds wist dat zij vallen zouden! Hoe, in vredesnaam, blijft er voor die arme verdoolden, wier lot reeds lang te voren bepaald was, enige verantwoordelikheid over voor bedreven schuld! Indien hier schuld is, dan voorwaar niet bij deze slachtoffers, wier lot was voorzien en voorzegd, en die, door goddelike almacht gedwongen, door een goddelik raadsbesluit genoodzaakt, wel móésten vallen! Waren de mensen zondenvrij gebleven, dan ware het goddelike raadsbesluit niet uitgevoerd! De ongehoorzaamheid in het Paradijs was dus, in eeuwigheidslicht beschouwd, eigenlik gehoorzaamheid. De eerste mensen gehoorzaamden, en juist door hun overtreding, aan hetgeen de almachtige reeds van eeuwigheid her besloten had. Maar moest hun die „gehoorzaamheid” dan als vergrijp worden toegerekend?
Het is voor rechtzinnig gelovende ouders smartelik, als hun kinderen met deze critiek tot hen komen, te smarteliker, waar zij er ongoddelike machten in zien werken, eigengerechtigheid en geestelike hoogmoed, eigenwillige dienst des verstands, en vrezen dat de zielen, in de greep van Satan, verloren zullen gaan. Voor waarlik gelovenden openbaart zich hier niet een „verschil van zienswijze”, waarover te redeneren valt, maar een zwenking in zielerichting, die—als God het niet verhoedt—op verderf, op eeuwige rampzaligheid moet uitlopen. Oppervlakkig ongeloof denkt hier zo licht over en ziet slechts een onderscheid van beschouwing. Maar hoe voelen ongelovige ouders het, als hun meisjes, hun huwbare dochters, aldus redeneren: „Die sexuele zelfbeheersing is eigenlik onzin. Wij zijn geschapen met drang naar het moederschap. Aan die drang moeten we voldoen. Dat is niet alleen gans rein en natuurlik, het is zedelike plicht, het is gehoorzamen aan levensroeping. Huweliken zijn maar menselike instellingen, verre daarboven gaat de zuivere bevrediging van de spontane, ongereglementeerde behoefte onzer scheppingsrijpe natuur. En in plaats van zonde is het deugd, wanneer een meisje een onecht kind krijgt. De onechte kinderen zijn juist de echte.” Houdt een moeder, al is ze nog zo vrijzinnig, haar hart niet vast, wanneer die gedachten in haar dochter opkomen? En hoe denkt die uiterst verlichte vader erover, wanneer zijn achttienjarig kind, in eerlikheid van overtuiging, die „weg der natuur” op wil? Gedachten zijn maar niet ijdele hersenspinsels, het zijn de verstandelike lijnen en figuren, waarin zich de gemoedsbewegingen, de neigingen, aan het bewustzijn openbaren. En het is alleszins begrijpelik, wanneer de verlichtste vrijzinnigheid onrustig wordt, wanneer dergelike gedachten door jonkvrouwlik verlangen worden gevormd en geuit: Er dreigt voor ouders en kind—zij het nog slechts in de verbeelding—nameloze ellende, een volkomen verbrijzeld leven. Doch hoe, lieve vrijzinnige, moet het dan ouders te moede zijn, die, in door u aangemoedigde en geprezen critiek op geloofswaarheden, de donkere wolken zien aandrijven van een noodweer, dat, losbarstend, eeuwige ellende veroorzaakt in een volkomen verbrijzeld zieleleven? Gevallen meisjes zijn nog op te richten, de gevallen engelen zijn onredbaar in de afgrond gestort.
In critiek op geloofswaarheden openbaart zich een zielerichting, en deze is het, die gelovige ouders met angst vervult. Te meer reden voor die ouders, om aan zulke critiek niet het zwijgen op te leggen. Laat de jongeren maar uitzeggen, volkomen eerlik uitzeggen, wat er in hen omgaat. Dan hebben de ouders de beste gelegenheid, invloed te oefenen.
Doch ik zou nog verder willen gaan. Laat de jongeren niet alleen zeggen wat ze denken, maar, kunnen ze niet meer bidden, verplicht ze dan niet tot een huichelend vertoon; voelen ze zich in de kerk niet meer tuis, dwing ze dan niet tot kerkbezoek. Er is geen groter zonde dan de leugen en terecht wordt Satan de vorst der leugenen genoemd. Leugen is duisternis. En wie zich in de duisternis rustig voelt, zoekt nooit naar het licht. Liever openlik bekend en getoond, wat er in ons omgaat, dan een schijnleven geleid, dat anderen en ons zelf bedriegt.
Dit geldt ook in gevallen, wanneer, juist omgekeerd, de kinderen tegen de zin der ouders, zeer rechtzinnig worden. Het „Leger des Heils” vindt men heel mooi, vooral sinds de Generaal aan vorstelike hoven is ontvangen, maar men acht het toch minder wenselik, dat zijn eigen kinderen er in dienst nemen: dan is er iets dweepzieks en zelfs iets ordinairs in. Zie nu toch: in plaats dat de ouders zich verheugen over de ernst hunner kinderen, welke geen vrede heeft met vrome praatjes maar pas rust vindt in doen—de daad is toch pas de waarachtige uitzegging van ons zijn—tonen die ouders zich bang voor eerlikheid en zien ze hun kinderen maar 't liefst streberig afstevenen op een mooie, voordelige en vooral fatsoenlike positie. Ze willen hun kinderen wel doen aannemen tot lid van een kerkgenootschap en behoorlik naar de kerk zien gaan, dat staat netjes, is ook meermalen niet onvoordelig, maar hun meisjes te zien meetrekken met „het Leger” of hun jongens te horen praten van „zendeling-worden”—dat geeft zo'n akelig gevoel van onrust.
Niet anders is het, wanneer de jongeren in het sociale en politieke leven een andere richting willen inslaan dan de ouders, wanneer de dochter voor vrouwenkiesrecht gaat ijveren en de zoon zich bij de sociaal-democratie aansluit. Dan loopt menig ouder langs het water van 't leven, als moeder kip, toen een van haar kuikentjes niet in 't droge zand bleef scharrelen, maar brutaal te water ging. Angst, angst, angst, dat het kind verdrinken zal. Maar als dit kind nu in 't water zijn element vindt?
Jongeren, als ze echt zijn, móéten rood zijn, rood in godsdienst, rood in politiek, rood in ieder opzicht. Rood is de kleur van de dageraad. We weten immers dat dageraad letterlik wil zeggen dagerood? Wat jong is, kent het leven niet, kent zichzelf niet, ziet alleen zijn ideaal van volmaaktheid en wil dit verwerkeliken. Heerlike jonglingschap! Wat jong is, gelóóft! Gelooft, ook al zegt het van geloof niets te willen weten. Gelooft in gelijkheid, in broederschap, in sociale rechtvaardigheid, in den adel der menselike natuur, in verwerkeliking van humanitaire denkbeelden, in een hemel op aarde! En dit geloof is echt gelóóf. Het is niet een verstandelik voor waar houden, niet het gevoelloos onderschrijven van een belijdenis, van een programma, maar het is een in 't diepst der ziel overtuigd zijn, het is een volkomen gemoedsverzekerdheid. Ach ja, ze menen wel, recht verstandelik te zijn en hun opvattingen zuiver te kunnen beredeneren, maar dat nemen we op den koop toe. Hoofdzaak is, dat ze het geloof in zich hebben als een gemoedskracht, die hen drijft en sterkt. En dit geloof, al kleedt het zich vaak, naar de eisen van deze tijd, in sociaal-democratiese denkbeelden, is het behoud der mensheid. Daardoor ontspruit in elke nieuwe lente der mensheid nieuw groen. Zonder dat zou de boom tenslotte niets hebben dan dorre, verkleurde bladeren, en sterven.
Daarom, maak u niet bekommerd, als uw kinderen „rood” worden. Verheug u veeleer. Mits ze het echt zijn. Mits ze vol zijn van barmhartig meegevoel, niet alleen machtig in de critiek, maar bovenal bewogen door reddingsliefde tot al wat zwak en misdeeld is. Werkt deze liefde in hen, geloof gij dan maar dat ze met christendom zijn ingeënt, ook al menen ze, door verkeerd begrip, voor 't ogenblik op het christendom te moeten afgeven. Verkeerd begrip is wel een droevig ding, maar véél droeviger is een verkeerde harteneiging. Dat begrip komt wel weer terecht, maar er moeten geweldige krachten komen, om een zelfzuchtige te bekeren, dat is: om te keren, tot een toewijdende. Waar toewijding is, is het beste wat een mens hebben kan. Terecht zingt een onzer psalmen: „Waar liefde woont, gebiedt de Heer zijn zegen,” en durft zelfs getuigen: „Daar woont Hij zelf.”
Daar woont Hij zelf. Stouter kan het niet gezegd worden. Maar dan moeten we er ook wel diep van doordrongen zijn, dat er zuivere liefde werkt en niet anders dan deze. Wie zich „rood” noemt en dit meent te moeten tonen door schampere critiek, lasterend ondermijnen, boosaardig verdacht maken, felle haat, die is een niet minder groot huichelaar dan de schijnvromen die hij bestrijdt. Want ook hij, onder de vlag van het mensenminnend idealisme, dient slechts zijn eigen zelfzucht van een zeer laag gehalte.
Wanneer nu onze opgroeiende kinderen, gedreven door liefdevol medelijden en edele rechtvaardigheidszin, zich—zij het in kortzichtigheid—stellen tegenover onze godsdienstige of sociale of staatkundige beschouwing en zich zelfs willen aansluiten bij onze tegenpartijders, behoeven we daarover niet te treuren en past ons in geen geval dwang, die hen tot een onoprechte positie verplicht. Onze beste houding is: de kinderen volle vrijheid te geven, en ze daarbij de eis te stellen: Wees wat ge zijt, maar wees het echt.
In de gelijkenis van „De verloren zoon” wordt ieder getroffen door de blijdschap, waarmee de vader zijn berouwhebbend kind weer ontvangt. Het kind is van de vader afgedwaald, heeft al zijn geld verkwist in „liederlik leven”, en keert daarna pas terug. De twijfel is volkomen begrijpelik, of dit berouw wel het echte is. De zoon komt tot inzicht, als hij niet meer heeft, honger moet lijden, en zich niet eens mag voeden met zwijnendraf. Letterlik uit armoede zoekt hij zijn vader weer op, en zijn berouw komt pas in de bitterste nood. De vader vraagt echter niet, of de omstandigheden dit berouw niet een beetje verdacht maken. Hij laat zijn kind niet eens de tijd, woorden van berouw te uiten. Toen hij zijn zoon van verre zag, werd zijn hart door medelijden bewogen, liep hij zijn kind te gemoet, viel hem om de hals, en kuste hem. En wanneer de verarmde verkwister uitroept: „ik heb gezondigd tegen de hemel en voor u en ben niet meer waard, uw zoon te heten”, is het antwoord niet een verwijt, een strafpredikatie, een instemming, zelfs niet een dankuiting voor dit blijk van berouw, maar zegt de vader tot zijn knechten: „Haalt aanstonds het beste feestkleed en trekt het hem aan,” en laat hij—een feestmaaltijd aanrichten!
Die vader is prachtig en we mogen ons maar innig gelukkig prijzen, dat ook ons berouw niet krities onderzocht wordt, wanneer we ten slotte uit de zelfbewerkte ellende, uit de smartvolle gevolgen onzer zonden vluchten naar zulk een Vader, die ons ook nog aannemen wil als we „uit armoede” tot hem komen.
Toch is deze trek van vaderliefde niet het enige, wat ons deze gelijkenis zo geliefd maakt. Heel in 't begin komt in de houding van de vader iets naar voren, dat niet minder opmerkenswaard is en door velen voorbij wordt gezien. Wanneer de zoon zegt: „Vader, geef mij mijn kinderlik erfdeel” horen we alleen, dat de vader het goed onder de twee verdeelde. En wanneer de jongste zoon daarna ver weg reist naar een vreemd land, horen we niet, dat zijn vader hem dit verbood.
Deze houding van de vader is zeer zeker ongewoon. Zullen er veel vaders zijn, die zonder bezwaar hun kinderen het hen toekomende geld uitbetalen? Zullen de meesten zich niet gegriefd tonen, als een ongehuwde zoon—zonder dat zijn „zaken” het eisen—zijn erfdeel opvraagt? Zal dit niet verwijdering geven tussen vader en kind? En wat zal daarna de vader doen, als zijn zoon met dit geld de wereld intrekt, om ervan te genieten? Zal de bezorgdheid over de toekomst van zijn kind niet verergerd worden door de vrees voor het verlies van zijn geld? Met het uitbetalen van het kinderlik erfdeel bracht de vader en zijn zoon én zijn geld in gevaar. En toch deed hij het.
En we horen niet, dat hij erbij murmureerde. We horen alleen, dat hij het deed op het vragen van zijn zoon. De zoon vroeg en de vader gaf. En meent ge, dat de vader de zinnelike neigingen, de lichtzinnige aard van zijn kind niet kende? De vader gaf, hoewel hij—ja misschien wel, omdat hij zijn kind kende; hoewel—misschien omdat hij de toekomst voorzag. De vader gaf en liet zijn kind gaan.
Nog eens, deze houding is ongewoon. Ze is niet menselik. Dat durven we niet. We zijn te bang, voor ons geld en voor ons kind. Wie van ons durft een heel erfdeel te wagen aan de levensvorming van zijn kind? We zetten liever het kapitaal voor hem vast. En wie durft—de vraag is diep-ernstig, al schijnt ze ongerijmd—wie durft de maatschappelike welvaart, de goede naam, de gezondheid van 't kind te wagen aan zijn zedelik heil? We zetten ook liever het kind vast in verboden en angstvallig bewaarde schijnbraafheid.
Wie heeft zijn zoon zo lief, dat hij hem kan zien verongelukken, wetende dat alleen ervaring hem wijs, smart hem beter kan maken?
Neen, ik vraag niet: Wie wil zijn kind ongelukkig maken? Ik vraag ook niet: Wie ziet met blijdschap, dat een kind zichzelf ongelukkig maakt? Ik weet veel te goed, dat het ouderhart wegkrimpt van smart, als het kind verongelukt.
Maar ik vraag: Wie durft het voorbeeld van de vader uit de gelijkenis te volgen? Wie durft zijn geld, zijn goed, zijn naam, zijn gemoedsrust, zijn liefde eraan te wagen, als hij weet, dat zijn eigenzinnig, lichtzinnig, genotlievend kind slechts gered wordt door ondergang?
Dat durft alleen, wie het zedelik louteringsproces hoger stelt dan de glimmendste schijnbraafheid; wie het om de waarheid en niets dan de waarheid te doen is; wie zijn kind de leerschool van 't leven kan insturen en niet vraagt naar het schoolgeld, maar naar de grote les die daar geleerd wordt en die de verloren zoon bij zijn tuiskomst uit eigen hart opzei zonder dat iemand ze hem had voorgezegd: „Vader, ik ben niet waard uw zoon genaamd te worden, maak mij tot een van uw huurlingen.”
Het komt niet in me op, iemand de ouderzorg van een „verloren zoon” toe te wensen, maar die zorg kan men niemand besparen aan wie ze opgelegd is. In dat geval is er voor hem een troost: De „verloren zoon” is dikwels de verloren zoon niet. Hij komt weer terecht na en zelfs door zijn afdwalen. Maar de eigengerechtige, naijverige, wangunstige oudste broeder, die zo braaf, voor zichzelf zorgend, bij zijn vader bleef, hij is de eigenlike verloren zoon, verdwaald in geestelike hoogmoed en zelfzucht. Het is de vraag, of hij—ofschoon hij dageliks met hem omgaat—ooit zijn vader vindt. Jezus had het meest te kampen met de Farizeeërs.
Maar dan is er toch ook iets te doen, om, als de gevaarlike jaren komen, het gevaar voor afdwalen te verminderen.
Herhaaldelik hebben we er op gewezen, hoe waarheid in 't verkeer met de kinderen vertrouwen kweekt. Wie dit vertrouwen van jongsaf doet aanwassen in kracht en zuiverheid, zal ervaren hoe het én de opvoeders én de jongemensen tot steun kan zijn. Het is heerlik te zien, hoe opgroeiende jongelingen en jongemeisjes dan met al hun noden bij de ouders komen. Met al hun noden.
Ik wéét het, hoe in zulke gevallen jongelingen met hun godsdienstige worstelingen en, wat misschien nog meer zegt, met hun strijd tegen zinnelike driften bij bij hun vader kwamen, deze om raad, om bijstand vroegen, ook in het bestrijden van geslachtelike zwakheden, hoe ze hun vader alles beleden, uit eigen beweging, en de maatregelen toepasten, door vader aanbevolen, hoe ze met vaders hulp streden en overwonnen.
Ook wéét ik, hoe verliefde en verloofde meisjes alles met moeder bespraken, zo eenvoudig, zo oprecht, zo rein, en met een gemakkelikheid, die voor de meerderheid der mensen een ondenkbaarheid is.
De meerderheid der mensen? Het ontbreekt hun aan ernst, aan moed, aan waarheidsliefde. De fout is niet bij de jongeren. Als zij bij waarheid worden grootgebracht, zijn ze in niets verlegen, om ermee bij de ouders te komen. Maar de ouders zijn verlegen. Die vervreemden hun eigen kinderen van hen. En daarvan openbaren zich later vaak de treurige gevolgen.
Slechts een heel kleine minderheid, slechts betrekkelik zeer weinige ouders durven onafgebroken volkomen waar met hun kinderen om te gaan. Doch zij zullen weten, hoe het vertrouwen, reeds vroeg ontwikkeld, later, als van alle kanten de gevaren dreigend kwamen opzetten, de zegenrijkste vruchten droeg.
Wie vertrouwen wil maaien, dient het tijdig te zaaien.
Niet overal, waar het aan waarheid ontbrak, vertoonden zich noodlottige gevolgen. Gelukkig. Maar dit mogen we veilig zeggen: zeer vele misstappen met de daaraan verbonden smarten hadden voorkomen kunnen worden, indien de ouders de liefde, de wijsheid, de moed hadden bezeten, de zelfverlochening en soms ook de zelfopoffering, om gedurende de ganse opvoeding hunner kinderen, van de wieg tot de bruiloftskoets, de waarheid te doen heersen.
Ik zou het verloofden en jonggehuwden, op grond van rijpe ervaring, wel op 't hart willen binden: Waag het maar. Ge zult eens zien, hoe innig en rijk de omgang tussen u en uw kinderen wordt. Bezwaren? Ze bestaan niet, ze vernevelen, verijlen, vervluchtigen. Vrees maakt ze massief, vertrouwen doet ze verdampen. En dan zult ge ook ervaren hoe ge, derwijze uw kinderen opvoedend, tevens uzelf opvoedt. Want waarheden, die we onze kinderen moeten zeggen, houden onszelf onder tucht.
„De eerste deugd is waarheid.”
We hebben dit oordeel van Beets aanvankelik in 't midden gelaten. Nu we echter onze beschouwingen hebben geëindigd, willen we die uitspraak nog even onder de ogen zien. Is waarheid de eerste deugd?
Het komt mij voor van niet.
Wie zich alleen door waarheid laat leiden en in de eerste plaats met haar te rade gaat, doet vaak nodeloos pijn.
Het is waar, dat uw gelaat lelik is, dat uw neus uw gehele uiterlik ontsiert. Is het nodig, dat ik u deze mijn mening vooral niet onthoud?
Grofheid, hardheid, onbeschaamdheid besparen ons menige krenkende en kwetsende ervaring niet, zogenoemd in dienst der waarheid. Dan menen ze aan de waarheid verplicht te zijn, ons vooral het onaangename te zeggen. Het aangename? Dat zou op vleierij kunnen lijken. Maar het onaangename. Dat is eerlik.
Ik geloof niet, dat dergelike eerlikheid goed doet. Ze maakt de spreker gevoelloos en onbarmhartig, berokkent de hoorder nodeloos verdriet.
Waarheid is een gevaarlike eigenschap, wanneer ze niet terzij wordt gestaan door kiesheid en liefde. Dan is ze een scherp mes, dat niet alleen zieke plekken opereert, maar ook in 't gezonde vlees snijdt en het lichaam verminkt. Ze ontstemt, verbittert, verhardt, wekt wrevel en weerwraak.
Waarheid moet ons heil beogen en alleen met dit doel aangewend worden. Zij moet voortvloeien uit liefde en geleid worden door liefde. Zij moet dienares wezen der Liefde. Eerst dan kunnen we haar zonder bezwaar gebruiken.
Dienares. Het lijkt een vernederende positie. De Waarheid—dienares! De Waarheid—waar de mensen zo groot van opgeven!
En toch, het is niet anders. Zij is middel. In dienst der boosaardigheid, der haat, een vreselik middel. In dienst der Liefde een heilmiddel.
„Al ware het”, zegt Paulus, „dat ik de talen der menschen en der Engelen sprak, en de liefde niet had, zoo ware ik een klinkend metaal of luidende schel geworden.
„De liefde is lankmoedig, zij is goedertieren; de liefde is niet afgunstig; de liefde handelt niet lichtvaardiglijk, zij is niet opgeblazen.
„Zij bedekt alle dingen, zij gelooft alle dingen, zij hoopt alle dingen, zij verdraagt alle dingen.”
Kennis—zij zal te niet gedaan worden. En gelukkig, want wij, hardvochtige waarheidszeggers, „wij kennen ten deele.”
Maar „de liefde vergaat nimmermeer”.
„En nu blijft”, zegt de apostel ten slotte, niet waarheid, maar „geloof, hoop en liefde, deze drie; doch de meeste van deze is de liefde.”