ANEKDOTEN.
Reading edition

VERMAKELIJKE ANEKDOTEN, EN HISTORISCHE HERINNERINGEN.
EEN NALATENSCHAP VAN Mr. J. VAN LENNEP.

AMSTERDAM, GEBROEDERS KRAAY. 1870.

Deze Anekdoten waren bestemd voor eene uitgebreide verzameling, welke Mr. J. van Lennep wilde bijeenbrengen en in het licht zenden. De gevierde schrijver heeft dien arbeid niet mogen voltooien, maar toch had hij bij zijn betreurd afsterven reeds een aantal wetenswaardige en vermakelijke bijzonderheden verzameld[1] en bewerkt, die een vrij goed afgerond geheel vormden en bij gedeelten in een maandschrift werden opgenomen. De uitgevers meenen velen een genoegen te doen met deze nalatenschap van onzen begaafden landgenoot thans in haar geheel in ruimer kring verkrijgbaar te stellen.
Afgezanten.—Er zijn, of er waren vroeger althans, Soevereinen, die gaarne zagen, dat een Gezant zich in hun tegenwoordigheid niet op zijn gemak bevond. Zoo verhaalt de Baron van Bielfeld in een zijner werken, dat Lodewijk XIV, gehoor verleenende aan den Baron van Pentenrieder, die den naam had dat hij nooit van zijn stuk geraakte, wrevelig werd toen hij bespeurde, hoe weinig indruk zijne tegenwoordigheid maakte op dien Gezant. Hem in verlegenheid willende brengen, viel hij hem in de rede bij de eerste woorden van zijn aanspraak, die aldus begon: „Sire, de Keizer, mijn meester, zendt mij tot Uwe Majesteit, om....” „Wat luider, mijn Heer de Gezant,” zei de Koning op hoogen toon. „Wat hooger?” herhaalde de andere, zonder zich verlegen te toonen en hervatte: „De Keizer, mijn meester, Sire, zendt mij,” enz., nu den Keizer ’t eerst noemende en zijn aanspraak met vrijmoedigheid voortzettende.—Die wijze van zich tegenover den Koning te gedragen, voegt de Schrijver er bij, deed eer aan het kloek vernuft van den Heer van Pentenrieder; maar of hij er de belangen van zijn meester door bevorderde, is een andere vraag.
Toch betaamt het een Gezant steeds de waardigheid op te houden van den Vorst of den Staat, die hem gezonden heeft. Dit deed o. a. een Spaansche Gezant tegenover Hendrik IV van Frankrijk, bij gelegenheid dat deze, na een vrij hevige woordenwisseling, had uitgeroepen: „Als ’t mij invalt, dan stijg ik te paard, ga te Milaan ontbijten, te Rome de Mis hooren en te Napels middagmalen.”—„Sire,” zei hierop de Gezant, „als Uwe Majesteit zoo vlug de reis doet, dan kan zij nog, op denzelfden dag, op Siciliën den Vesper hooren;” zinspelende op het gebeurde in 1282, toen al de Franschen op Siciliën werden omgebracht en welke moord in de geschiedenis onder den naam van „de Siciliaansche Vesper” bekend is.
Bij een andere gelegenheid zei dezelfde Koning tegen dezen of een anderen Spaanschen Gezant, na een redetwist: „Als de Koning, uw meester, voortgaat met mij op die wijze te tergen, zal ik de wapenen opvatten en men zal mij weldra te Madrid zien.”—„Waarom niet?” antwoordde de Gezant op koelen toon: „Frans I is er wel geweest.”—„Daarom juist wil ik er heengaan,” hernam de Koning, „om wraak te nemen over de beleedigingen, die hem, die Frankrijk, die mij zijn aangedaan.”
Ivan Bazilides, Tsaar van Moskoviën, die als een ruwe en wreede Vorst wordt voorgesteld, had eens, verhalen sommige schrijvers, den Gezant van een Italiaansch Vorst, die met gedekten hoofde voor hem verschenen was, den hoed op den kop doen spijkeren. Dit belette Bose, den Gezant van Elizabeth van Engeland, niet, toen hij bij dien Monarch ten gehoore werd toegelaten, zijn hoed op te zetten en hem zoo toe te spreken. „Weet gij niet,” vroeg hem de Tsaar, „hoe ik gehandeld heb met een anderen Gezant, die zich even vermetel toonde als gij heden doet?”—„Ik weet het,” antwoordde de Engelschman: „maar ik vertegenwoordig een Koningin, die altijd het hoofd gedekt houdt, en die niet gedoogt, dat iemand straffeloos een harer dienaren beleedigt.”—Ivan had nog genoeg grootmoedigheid om een dergelijke kloekheid van ziel te bewonderen, en zich tot zijn hovelingen keerende, zeide hij: „Ziet daar een wakkeren kerel, die zoo durft spreken en handelen voor de eer van zijn Vorstin? Wie onder u zou ’t zelfde voor mij doen?”
De Republiek Polen had aan den Roomsch-Keizer Hendrik IV den Graaf van Scarbiecki gezonden, om een vredesonderhandeling te beginnen. De Keizer, wenschende hem een denkbeeld van zijn macht te geven, schepte er behagen in, hem de groote rijkdommen van het keizerrijk te toonen, in zijn schatkamer verzameld. „Zie daar,” zeide hij eens tegen hem, „genoeg schats bijeen om de Polen te doen bukken.”—De Gezant, weinig onthutst over deze bedreiging, nam een kostbaren ring van zijn vinger en smeet dien op den schat, zeggende: „Adjiciamus aurum auro, (voegen wij goud bij goud);” door welke daad hij toonde, de uitdaging aan te nemen en zoo weinig vrees te hebben voor ’s Keizers rijkdom, dat hij niet schroomde, dien te vermeerderen. Men verhaalt dat deze daad, verre van een breuk te veroorzaken, het sluiten van den vrede tusschen den Keizer en de Polen nog verhaastte.
Een Gezant van Karel V, ten gehoore geroepen bij den Turkschen Keizer Soliman, zag bij ’t binnenkomen dat er geen stoel voor hem was gereed gezet. Terstond begrijpende, dat hier aan geen verzuim, maar aan opzet te denken viel, en dat men hem wilde laten staan, wierp hij zijn mantel op den vloer, ging erop zitten, met even veel onverschilligheid als of het zoo de gewoonte was, en ontvouwde toen zijn last met een gemak en vrijmoedigheid, die Soliman zelf niet kon nalaten te bewonderen. Toen het gehoor was afgeloopen, begaf zich de Gezant uit de zaal en liet zijn mantel liggen. Men dacht, dat hij dien vergeten had en waarschuwde hem, doch hij antwoordde op even beleefden als waardigen toon: „De Gezanten van den Koning, mijn meester, zijn niet gewoon, hun zetels met zich te nemen.”
Kort nadat Victor Amedéus, Hertog van Savooien, in den oorlog met Frankrijk, de vesting Montmelian had verloren, maakte hij zich in een gesprek met den Franschen Gezant zoo driftig tegen dezen, dat hij naar een venster liep, het opensloeg en toen zeide: „Ziet gij dat raam?”—„Ja wel,” antwoordde de ander, terwijl hij nader trad en naar buiten keek: „men kan er Montmelian uit zien.”
Coenraad van Beuningen, Gezant van Hun Hoog Mogenden te Parijs, werd met eenige andere Hollandsche staatsdienaren bij den Minister van Financiën te gast genoodigd. Op het nagerecht werd Hollandsche kaas gediend, en spottende zeide de Minister tegen Van Beuningen: „Dat is de voornaamste vrucht van uw land.”—„En deze zijn ook niet te versmaden,” antwoordde Van Beuningen, terwijl hij een hand vol dukaten uit zijn zak haalde en door de kamer smeet.
Intusschen moet men onderscheid maken tusschen de kwetsende woorden, die aan een Vorst in een bijzonder gesprek zijn ontvallen, en die, welke in ’t openbaar of althans in tegenwoordigheid van getuigen zijn gezegd. Toen Keizer Karel V in ’t konsistorie te Rome in tegenwoordigheid van den Bisschop van Macon en den Heer van Velly, Gezanten van Frans I, een toespraak hield, waarin hij niet weinig tegen de Franschen uitvoer, zeggende onder meer, dat zoo hij geen getrouwer oversten, soldaten en onderdanen had dan de Koning van Frankrijk, hij met een strop om den hals diens genade zou komen inroepen, en in diezelfde toespraak den Koning uitdaagde tot een tweegevecht met dolk en zwaard, in ’t hemd en in een schuit,—toen gaven de Gezanten wel verslag van het gebeurde aan den Koning, doch verzwegen al wat dezen had kunnen kwetsen of ergeren. En hierin waren zij, naar mijn oordeel, te berispen, dewijl de honende woorden in ’t openbaar gesproken waren en het te verwachten was, dat de Koning er toch vroeg of laat kennis van bekomen zou.
Een Italiaansch Vorst, die nooit veel geluk had op zijn aardigheden, omdat ze doorgaans meer scherp dan geestig waren, eens op een balkon staande met den Gezant eener vreemde Mogendheid, dien hij wenschte te vernederen, zei tot hem: „’t Is van dit balkon, dat een mijner Voorvaderen eens een Ambassadeur naar beneden deed gooien.”—„Vermoedelijk,” antwoordde de ander, droogjes weg, „droegen de Ambassadeurs in die dagen geen degen op zijde.”
Bij een andere gelegenheid vroeg dezelfde Vorst, die zich den titel aanmatigde van Koning over twee Rijken, waar hij geen duim gronds bezat, aan denzelfden Staatsdienaar, waar het Markiezaat gelegen was, waar hij den titel van droeg: „Tusschen uw beide koninkrijken, Uwe Hoogheid,” was het antwoord.
De groote Mogol Shah-Jeham hield veel van spotten. Eens vroeg hij aan den Persischen Gezant of diens Koning grooter was dan een leelijke, kleine slaaf, die tot post had, de vliegen van rondom zijns meesters zetel te verdrijven. „Wel neen,” antwoordde de Gezant: „daar scheelt nog heel wat aan. Mijn Koning is alleen een kop grooter dan Uwe Hoogheid.”
In 1586 zond Filips II den Konstabel van Kastiliën naar Rome om Paus Sixtus V geluk te wenschen met diens verheffing. De Paus, ontevreden dat men een nog zoo jeugdigen Gezant naar hem had afgevaardigd, kon niet nalaten tot dezen te zeggen: „Heeft uw meester gebrek aan mannen, dat hij mij een baardeloozen Gezant stuurt?”—„Indien mijn Vorst gemeend had,” antwoordde de fiere Spanjaard, „dat de verdienste in den baard gelegen was, had hij u een bok gezonden, geen Edelman, als ik ben.”
Een Groot-Hertog van Toskanen beklaagde zich bij den Venetiaanschen Gezant, dat de Republiek hem een Venetiaan gezonden had, die zich zeer onbetamelijk in zijn betrekking gedragen had. „Laat dit Uwe Hoogheid niet verwonderen,” zei de Gezant, „wij hebben te Venetiën heel wat gekken.”—„Die ontbreken ook niet te Florence,” merkte de Vorst aan, „maar wij zenden ze niet als onderhandelaars uit.”
Een Turksche Gezant vroeg aan Laurens van Medicis, waarom men in Florence minder gekken zag dan te Konstantinopel. „’t Is omdat wij ze dáár opsluiten,” antwoordde de Groot-Hertog, en wees hem een klooster.
Een Gezant van Spanje gaf aan Jakobus van Engeland den raad, zich niet zoo ver te laten leiden door priesters, wier onvoorzichtige raad hem nog zijn kroon zou kunnen doen verliezen. „Hoe moet ik dat opvatten?” vroeg Jakobus, „raadpleegt uw Koning dan zijn biechtvader niet?”—„Wel zeker,” antwoordde de Gezant, „en daarom juist gaan onze zaken zoo ellendig.”
Ten tijde dat men in Frankrijk de Protestanten vervolgde, verzocht een Gezant van Willem III aan Lodewijk XIV, dat hij de vrijheid zou schenken aan hen, die ter oorzake van hun godsdienst op de galeien zaten. „Maar,” vroeg Lodewijk, „wat zou de Koning van Groot-Brittanje zeggen, indien ik hem verzocht, de boeven, die in Newgate zitten, in vrijheid te stellen?”—„Sire,” antwoordde de Gezant, „mijn Koning zou hen onmiddellijk ter beschikking van Uwe Majesteit stellen, indien deze hen opvorderde als broeders.”
Een Edelman van ’t Fransche hof nam afscheid van Lodewijk XIV, die hem als Gezant naar een andere Mogendheid zond. „De voornaamste last, dien ik u te geven heb,” zei de Koning, „is dat gij een geheel tegenovergestelde gedragslijn volgt als uw voorganger.”—„Ik hoop,” antwoordde de Edelman, „mijn post zoo waar te nemen, dat mijn opvolger geen dergelijken last van Uwe Majesteit ontvangt.”
Het is vooral de pligt van een Gezant, te zorgen, de goede verstandhouding te bewaren tusschen de beide Hoven, waarmede hij te doen heeft, en niet alles aan zijn Soeverein over te brengen wat hem in een oogenblik van drift wordt gezegd. Dit herinnerde zich in 1687 de Gezant der Staten bij ’t Hof van Denemarken. Eens dat hij met Kristiaan V, die vrij driftig van aard was, een gesprek had, waarin hij eenige handelingen der Staten-Generaal te verdedigen had, over welke zich de Koning beklaagde, en herhaaldelijk over „Zijn Meesters” sprak, zeide de Koning, die warm geworden was: „Och wat! Uw Meesters zijn schobbejakken.”—„Verlangt Uwe Majesteit,” vroeg de onderhandelaar zeer bedaard, „dat ik deze hare verklaring opneme in mijn verslag aan Hun Hoog Mogenden?”—„Ja wel,” antwoordde Kristiaan, „gij kunt het hun uit mijn naam vertellen.” De Gevolmachtigde wachtte zich wel aan dien last te voldoen, en, weinige dagen later, den Vorst in een kalmer gemoedsstemming aantreffende, deed hij hem zijn bescheidenheid waardeeren, en verkreeg van hem wat hij verlangde.
Allegorie.—Door allegorie verstaat men zoodanige voorstelling, waarbij datgene, ’t welk men den lezer of toeschouwer wil doen kennen, ’t zij gebeurtenissen, ’t zij de daden of hoedanigheden van personen, door zinnebeelden wordt uitgedrukt. Een vereischte bij de allegorie is, dat zij eenvoudig en voor ieder begrijpelijk zij; anders wordt zij een raadsel, waarvan ’t niemand lust de oplossing te zoeken. Stel dat een ontwerper van een penning daarop moet uitdrukken, hoe de veldheer, ter wiens eere die geslagen zal worden, tal van steden heeft ingenomen. Hij vertoont het beeld der overwinning, die op een schild de namen van die steden neder schrijft.
Van een dergelijke even vernuftige als duidelijke allegorie bediende zich de Prins Julius van Condé, toen hij, in de galerij van Chantilly, de geschiedenis van zijn vader, den grooten Condé, liet malen. Er deed zich daarbij een zwarigheid voor. De beroemde held had, in zijn jeugd, een tal van schitterende wapenfeiten volbracht, zooals, het ontzet van Kamerijk, dat van Valencijn, den terugtocht van voor Atrecht—allen, toen hij de wapenen voerde tegen zijn Koning en zijn Vaderland. Er niet van te spreken ging niet: en ze voor te stellen was hatelijk. Wat bedacht de Prins? Hij liet de Muze der Geschiedenis schilderen, die een boek in de hand hield, op den rug waarvan geschreven stond: „Leven van den Prins van Condé;” uit dat boek scheurde zij bladen, die zij wegwierp en waarop men las: „Ontzet van Kamerijk; Ontzet van Valencijn,” enz., in een woord, al de groote daden, door Condé verricht gedurende zijn verblijf in de Vlaamsche Gewesten: daden, waarbij alles hem tot eer had gestrekt, behalve de sjerp die hij toen droeg.
Babbelen en Zwijgen.—Dr. D. V. had een dienstbode, die niet kon nalaten al wat in huis voorviel, tot de onbeduidendste zaken toe, terstond bij de buren te gaan vertellen. Onze goede Dokter kon geen kippetje eten of geen glaasje bitter drinken, of de bakker op den hoek was er van onderricht. Reeds had hij zijn dienstmaagd over haar babbelzucht onderhouden, doch deze ontkende steeds de zegsvrouw te zijn, die de geruchten verspreidde. Hij besloot, haar door een overtuigend bewijs te beschamen en nam daarvoor het navolgende middel te baat. „Mietje,” zeide hij eens, dat zij hem zijn eten bracht, „indien je niet zoo’n babbelaarster waart, zou ik je wat vertellen.”—„Ik een babbelaarster, Meneer!” riep de meid: „ik vertel nooit iets.”—„Ja, dat doe je anders wel.”—„Neen, zoo zondig niet, Meneer!”—„Nu! hoor dan. Er is mij voor vast gezeid, dat de vrouw van den bakker op den hoek van haar man afgaat.”—„Heere, Meneer! is ’t mogelijk!... En waar zou dat bij te pas komen?”—„Ja, dat weet ik niet, maar de zaak moet waar zijn, maar vertel het niet verder, hoor.”—„Wel neen, Meneer!” zei Mie; maar pas was zij beneden of zij kon niet nalaten, het groote nieuws aan haar kameraad mede te deelen, en toen: „daar mot ik het mijne van hebben,”—en zoo naar de vrouw van den bakker toe. „Wel, vrouw! wat hoor ik? Is het waar, dat je van je man afgaat?”—„Ik?” roept de verontwaardigde bakkerin: „wie durft zoo iets van mij vertellen!”—„Wel, ik heb het van onzen Meneer voor waar gehoord.”—„Onmogelijk—„Neen, waarempeltjes heit onze Meneer het mij gezeid.”—„Wel! dat had ik nooit van Meneer gedacht, dat die iemand zoo zou blameeren; maar dan zal ie m’n ook zeggen, wie z’n zegsman is.”—En de bakkerin loopt naar Dr. D. V. „Wat is dat, Dokter, dat je van me vertelt,” zegt zij, zoodra zij bij hem is toegelaten: „dat ik van m’n man zou afgaan?”—„Wel, is het dan niet waar?” vraagt de Arts, met een lachend gezicht.”—„Wel waaratjes niet,” antwoordt de vrouw: „en ik begrijp niet, hoe uwees zoo iets van me durft zeggen.”—„Ik heb het toch niet mis,” zegt de Dokter, „en je zult het mij zelve toestemmen. Ben je dan nu niet van je man afgeloopen om bij mij te komen?”—De bakkerin bleef met open mond staan; doch toen Dr. D. V. haar verteld had, hoe de heele zaak maar een grap was, door hem uitgedacht om de meid op de proef te stellen, had zij er zelve schik in en ging lachende heen.—Maar hoe Mie op haar neus keek, toen zij hoorde hoe zij beet was genomen, kan ieder begrijpen. Dat zij daarom in ’t vervolg het babbelen naliet, zal ik niet beweeren.
Er was, verhaalt men, oudtijds te Ispahan een Akademie van geleerden, die zulk een afkeer hadden van onnutte woordverspilling, dat zij zich bijna nimmer dan door teekens en zinnebeelden uitdrukten. De leden dier instelling, wier getal uit honderd bestond, hadden daarom den naam van „Zwijgers” bekomen. Nu gebeurde het, dat er, in plaats van een afgestorven lid, een nieuwe keuze gedaan moest worden, en dit had juist plaats gehad, toen er een briefje in de vergadering werd binnengebracht met deze woorden: „Doctor Zeb van Teflis beveelt zich beleefdelijk aan voor de opengevallen plaats.”—Groote neêrslachtigheid bij de leden. Dr. Zeb stond bekend als een hoogst verdienstelijk man, en bovendien als een zwijger bij uitnemendheid. Dat men ook niet aan hem gedacht had! Aan hem, die meer dan iemand een zetel in hun midden waardig is! Maar men was nu voltallig, en het reglement verbood het getal te overschrijden. Intusschen, men moest dit aan Dr. Zeb, die in ’t voorportaal op antwoord wachtte, te kennen geven, en de Voorzitter belastte zich hiermede. Hij liet den Sollicitant binnenkomen, en hield hem een beker voor, die boordevol geschonken was; wat zooveel beteekenen moest als: „er kan niets meer bij.” Dr. Zeb begreep het symbool; doch van een bloemkrans, die daar hing, een rozeblaadje plukkende, lei hij dat voorzichtig op het vocht, dat in den beker vervat was—daarmede te kennen gevende, dat de vergadering, schoon voltallig, nog zonder hinder een buitengewoon lid kon opnemen. De aanwezigen konden zich niet weêrhouden met luid handgeklap den wenk toe te juichen, die hun op zoo vernuftige wijze gegeven werd: men stapte voor deze reis over ’t reglement heen en nam Zeb tot lid aan. Toen men hem het boek voorlei, waarin hij zijn gehoorzaamheid aan de bepalingen door zijn handteekening moest bevestigen, schreef hij achter zijn naam het cijfer 100—het getal zijner kollegaas—en plaatste er een nul voor, wat te kennen wilde geven: „de toevoeging van mijn persoon zal het cijfer laten zoo als ’t is;” doch de Voorzitter haastte zich die nul weg te schrappen en achter het cijfer 100 te zetten, daarmede aanduidende, dat de Akademie, door de toevoeging van Zeb, tienvoudig in waarde gewonnen had.
Bijzaken.—Wat voor den een, en soms te recht, een gewichtige zaak is, is voor den ander een beuzeling, of dient als zoodanig te worden aangemerkt. Zoo b. v. is het duidelijk, dat hoe meer een zanger in zijn kunst uitmunt, hoe meer lof hij verdient; doch een staatsdienaar of een veldheer zou bespot en misprezen worden, indien hij er zijn eer in stelde, een volkomen zanger te zijn. Voor hem mag de zangkunst, zoo hij er in bedreven is, niet anders dan een tijdverdrijf zijn, en hij moet als een bijzaak of beuzeling achten wat de zanger van beroep als een hoofdzaak beschouwt.
„Schaamt gij u niet,” vroeg Filippus van Macedoniën aan zijn zoon Alexander, nadat hij dezen op een gastmaal met de beste zangers had hooren wedijveren, „schaamt gij u niet, zoo fraai te zingen?”—Maar ’t was aan dienzelfden Filippus, dat een muzikant, met wien hij twistte over de toonkunst, had toegevoegd: „Mogen de Goden het verhoeden, o Koning! dat gij ooit ongelukkig genoeg waart om u op die zaken beter te verstaan dan ik.”—Een koning moet kunnen antwoorden als Ifikrates het deed aan den redenaar, die hem met smaadredenen overladen had als de volgende: „Wie zijt gij om u dus te verheffen? zijt gij een behendig boogschutter? een bekwaam strijder met zwaard of speer? een verdienstelijk ruiter?”—„Niets van dat alles,” zeide Ifikrates, „maar de man, die in staat is aan die allen te bevelen.”
Diepte van gevoel.—Psammetichus, Koning van Egypten, was door Kambyzes, Koning van Persiën, overwonnen en gevangen genomen met al de zijnen. Nu gebeurde het, dat hij zijn dochter zag, als slavin gekleed, die uitgezonden werd om water te putten; en terwijl zijn medegevangenen om hem heen bij zulk een schouwspel treurden en weeklaagden, bleef hij zwijgend vóór zich zien. Hetzelfde deed hij, toen kort daarna zijn zoon werd ter dood gebracht; eerst toen hij een zijner dienaars onder de tot slavernij gedoemden zag wegbrengen, begon hij het hoofd te schudden en rouw te bedrijven. En toen Kambyzes hem vroeg, hoe hij, bij ’t aanzien van het lot zijner kinderen onbewogen gebleven, dus schreide om dat eens dienaars, antwoordde hij: „Alleen deze laatste smart kan door tranen worden uitgedrukt; wat ik onder de beide vorige gevoel, kan door geen uiterlijk betoon worden te kennen gegeven.”
Van datzelfde gevoelen was ook de kunstenaar der Oudheid, die, toen hij het offer van Ifigenia moest voorstellen en de droefheid der omstanders af zou beelden naarmate van het grooter of minder belang, dat elk hunner stelde in het lot dier onschuldige Prinses, niet beter wist te doen dan een sluier te werpen over Agamemnons gelaat, als begreep hij, dat niets in staat zou zijn, de gemoedsstemming eens vaders op zulk een oogenblik naar eisch op ’t wezen te vertoonen.
In den oorlog, die in de 16de eeuw tusschen Keizer Ferdinand en de weduwe van Johannes, Koning van Hongarije gevoerd werd, was een Duitsch krijgsknecht bij de bestorming van Bude gesneuveld, na de meest treffende wapenfeiten te hebben verricht. De Heer van Reisach, een van ’s Keizers bevelhebbers, was inzonderheid getroffen geworden over ’s mans kloeke daden en haastte zich, toen ’t lijk teruggevoerd werd, er op af te gaan om te zien, wie die dappere wezen mocht. Toen de helm was afgenomen, herkende hij zijn zoon. Al de omstanders gevoelden zich bij deze ontmoeting tot tranen toe bewogen; hij alleen bleef stokstijf, en zonder dat een trek op zijn gelaat zich verroerde, op het lijk zijns lievelings staren, totdat de smart zijn levensgeest verwonnen had en hij hartsteek dood nederviel.
Over ’t algemeen is niet alleen de diepe droefheid, maar ieder gevoel, dat ons geheel vermeestert, buiten staat om zich met woorden of uiterlijke teekenen lucht te geven. Maar daarom dan ook is die toestand hoogst gevaarlijk en kan bij hem, die een groote vreugde smaakt, of bij hem, wien een bittere ramp treft, plotselinge onmacht, ja den dood veroorzaken. Een Romeinsche moeder stierf van blijdschap toen zij, na den slag bij Cannae, haar zoon, dien zij gesneuveld waande, levend terug zag: Sofokles en Dionysius de Oude stierven insgelijks van vreugd: en zoo ook de Romeinsche Pretor Talva, toen hij in Korsika vernam welke eer de Senaat besloten had hem te bewijzen. Paus Leo X was zoo in zijn schik toen hij de inneming van Milaan vernam, waar hij zeer naar verlangd had, dat hij er de koorts van kreeg, die hem ten grave sleepte.
En hoe zelfs verregaande spijt iemand kan doen sterven, wordt ons bewezen door het voorbeeld van den redekunstenaar Diodorus, die zoo overweldigd werd door een gevoel van schaamte, omdat hij bij een openbare les niet in staat was geweest een bewijsgrond, dien men tegen hem had aangevoerd, naar eisch te wederleggen, dat hij er een beroerte van kreeg, aan welke hij overleed.
Dieren.—Is men den menschen rechtvaardigheid schuldig, men is goedwilligheid schuldig aan de dieren, inzonderheid denzulken, aan wie ons een band van wederkeerige verplichting hecht, en velen, die zich Kristenen noemen, mogen zich schamen voor de Turken, die aalmoezen en gasthuizen voor dieren over hebben.
De Romeinen hadden een bijzondere zorg voor de ganzen, door wie, volgens de overlevering, het Kapitool behouden was gebleven.
De Atheners gelastten, dat de muilezels, die gediend hadden bij den arbeid aan den tempel, Hecatompedom genaamd, voortaan vrij zouden wezen en overal ongestoord mochten grazen.
Bij de Agrigentijners was het de gewoonte, de dieren, die hun lief geweest waren, als, bij uitstek fraaie paarden, honden, vogels of andere dieren, die zich door waakzaamheid, nut of trouw hadden onderscheiden, ja zelfs, die alleen den huisgenooten tot een genoeglijk tijdverdrijf hadden gestrekt, na hun dood op plechtige wijze te begraven, en de weelderige pracht, die zij in alle dingen ten toon spreidden, blonk evenzeer aan de gedenksteenen, die zij bij zulke gelegenheden oprichtten en die nog eeuwen lang der stad tot cieraad geweest zijn.
Plutarchus maakte er een gewetensbezwaar van, een trek-os, die hem jaren lang had dienst gedaan, om een klein voordeel aan den slachter te verkoopen.
Een Syriër bezat een olifant, wiens oppasser aan ’t arme dier dagelijks de helft onthield van de gerst, die er voor bestemd werd. Eens gebeurde ’t, dat de meester zelf aan den olifant zijn rantsoen kwam geven en dan ook de volle maat gerst in de etenstrog uitstortte; waarop de olifant, na zijn oppasser schuins te hebben aangezien, met zijn snuit de helft van het hem toebedeelde afscheidde en ter zijde stelde, daarmede het onrecht aan den dag brengende, dat hem gedaan werd.
Een ander olifant had een oppasser, die insgelijks zich te zijnen koste verrijken wilde en een gedeelte van zijn rantsoen terughield, het ontbrekende met steenen aanvullende. De olifant echter betaalde hem met gelijke munt, want op een dag naderde hij het vuur, waar het middagmaal bij gekookt werd, lichtte het deksel van den pot en vulde dezen met asch.
Hyrkaw, de hond van Koning Lysimachus, wilde na diens dood het bed zijns meesters niet verlaten en weigerde alle spijs en drank; toen het lijk plechtig verbrand werd, liep hij het na, en wierp zich in de vlammen.
Een gelijke trouw bewezen de windhonden van Graaf Floris V van Holland, die na dat hun meester door Velzen en zijn eedgenooten was omgebracht, bij het lijk bleven, het verzelden naar Alkmaar, waar het begraven werd, zich op de grafzerk nedervlijden en er den hongerdood stierven.
De geschiedenis levert meer dan één voorbeeld van honden, die den moordenaar van hun meester aan den dag brachten. Koning Pyrrhus, een hond ontmoetende, die bij het lijk van een verslagene de wacht hield, en vernemende dat hij zulks reeds drie dagen gedaan had, gelastte dat men het lichaam begraven zou en nam den hond met zich mede. Eenige dagen later hield hij een groote wapenschouw, bij welke gelegenheid de hond, zijns meesters moordenaars ontdekkende, plotseling op hen aanviel, met hevig geblaf en groot betoon van woede, hierdoor het eerst leidende tot een vermoeden, dat, door een nader onderzoek bevestigd, de straf der schuldigen ten gevolge had.
Een hond, die de wacht had bij een tempel te Athene, een dief bemerkende, die bij nacht de schatten daaruit roofde, blafte hem wel aan, doch zonder dat de kerkbewaarder ontwaakte; waarom het dier besloot den dief te volgen, ’t geen hij echter niet dan op een afstand deed. Zoo bleef hij hem bij tot aan de stad Kromyon, waar de kerkbewaarders, die, én den schat én den hond missende, en vernomen hebbende dat men dezen laatste onder weg gezien had, ook eerlang aankwamen, en nu den dief, hun door het schrandere dier aangewezen, deden vatten en medevoerden. De rechters, dezen dienst van den hond willende erkennen, gelastten dat hem uit de openbare kassen jaarlijks een zekere hoeveelheid koren zou worden verstrekt, en bevolen den priesters aan, zorg voor hem te dragen.
Drift.—Montaigne vertelt, hoe een zijner kennissen, die een martelaar was van de jicht, en wien het gebruik van gerookt en gezouten vleesch verboden was, weigerde dit na te laten en voor die weigering de navolgende kluchtige reden gaf, namelijk, dat als hij hevige pijnen leed, hij er iemand over moest kunnen doorhalen, en dat het hem verlichting schonk, wanneer hij nu eens op den ham, dan op de worst, dan weder op ’t rookvleesch kon vloeken.
En inderdaad, even als wanneer onze arm is opgeheven om te treffen, het ons een hinderlijk gevoel geeft als die niets dan ijdele lucht ontmoet, even zoo heeft de ziel behoefte om, als deze of gene drift haar beroert, een voorwerp te vinden, waaraan zij die kan koelen. Hieraan schrijft dan ook Plutarchus het zwak toe, dat sommigen hebben voor schoothondjes, apen of papegaaien: „Het beminnend beginsel,” zegt hij, „dat in ons leeft, geen wettig voorwerp vindende, waar ’t zich aan hechten kan, hecht zich aan dwaze en ijdele voorwerpen.” En liever fopt de ziel, als zij door drift geslingerd wordt, zich zelve door zich een versierd en fantastisch beeld te scheppen, waar ’t die drift op bot viert, dan dat zij die op niets zou verspillen. Op gelijke wijze bijten de dieren in den steen of in het ijzer, dat hen gekwetst heeft, of wreken zich op zichzelven over de smart, die zij gevoelen.
Xerxes liet, toen hij een zeeslag verloren had, den Hellespont met geesels slaan en zond een uitdaging aan den berg Athos. Cyrus hield zijn leger verscheidene dagen op om zich op de rivier van Gyndus te wreken over de vrees, die hem de overtocht daarvan veroorzaakt had. Keizer Augustus, door een storm op zee overvallen, liet uit wraak het beeld van den zeegod Neptunus van zijn plaats nemen. De Thraciërs plachten als ’t onweêrde, de wolken met pijlen te beschieten. Bij de Joden, en ook bij andere oudere en nieuwere volkeren, trokken zij, die een verlies geleden hadden, zich de haren uit het hoofd of krabden zich de borst open, alsof hun dit het verlorene terug zou bezorgen.—Maar nog ziet men er genoeg, die, als zij bij ’t spel verloren hebben, of op anderen grond verstoord zijn, zich de vuisten op de tafel aan bloed slaan, of zich de nagels afbijten, of zich wreken op de kaarten of dobbelsteenen: en helpt het middel niet om het geledene te herstellen, het heeft toch doorgaans ten gevolge, dat zij er weder tot kalmte en bezinning door geraken.
Dronkenschap.—Toen men aan Cimber, die zich niet zelden aan drank te buiten ging, de vraag stelde deel te nemen aan het eedgenootschap tegen Cezar, en eenigen twijfel aan den dag legde met betrekking tot zijn gevoelens te dien aanzien, antwoordde hij vrij kluchtig: „Zou ik een dwingeland verdragen? ik kan naauwlijks den wijn verdragen.”
Vooral in de vorige eeuwen gingen de Duitsche soldaten spreekwoordelijk voor dronkaards door; doch dan konden toch de meer sobere Franschen niet nalaten, met verbazing te erkennen, dat zij, in weêrwil van hun dronkenschap, zich toch nimmer vergisten als ’t hun kwartier, hun plaats in ’t gelid, het wachtwoord, enz., betrof—en, dat zij er niet te minder om vochten.
Toen Artaxerxes en zijn broeder Cyrus naar den Persischen troon dongen, voerde de eerste, onder andere verdiensten, welke hij boven zijn broeder bezat, ook deze aan, dat hij vrij wat beter drinken kon dan Artaxerxes.
Sylvius, in de 16de eeuw een beroemd geneesheer te Parijs, placht te zeggen, dat men over ’t geheel een matigen leefregel houden moet, doch zich eens in de maand een roes drinken, om de zenuwen der maag levendig te houden en te voorkomen dat zij verdooven.
Omtrent hetzelfde voorschrift gaf Boerhave; doch reeds had Plato, ofschoon verbiedende dat iemand vóór zijn 18de jaar wijn gebruikte of zich vóór zijn 40ste een roes dronk, aan hen die de veertig te boven waren, den raad gegeven, den wijngod met kracht te vieren.
Eenvoudigheid van zeden.—Men verhaalt, dat Attilius Regulus, die ’t Romeinsche leger in Afrika aanvoerde, te midden van zijn glorierijke overwinningen, een brief aan den Senaat schreef, meldende dat de bouwknecht, die ’t bestuur had over de zeven morgen lands, welke hij bezat en die al zijn rijkdom uitmaakten, was weggeloopen, al ’t bouwgereedschap met zich nemende, en dat hij nu verlof verzocht om t’ huis te keeren en orde op zijn zaken te stellen, eer zijn vrouw en kinderen grooter schade leden. De Senaat verleende het verlof niet, doch stelde iemand aan om den bouwknecht te vervangen, liet nieuw bouwgereedschap op het landgoed brengen ter vervanging van het vermiste, en gelastte dat de vrouw en kinderen van Regulus uit de openbare kas zouden onderhouden worden.
Etikette.—Koningin Margaretha van Navarre stelde als algemeenen regel, dat wie een gast bij zich verwachtte, moest zorgen bij diens aankomst t’ huis te zijn, en dat zelfs zij te misprijzen waren, die het beleefder achtten een aanzienlijke personaadje, die hen bezoeken kwam, te gemoet te gaan; want dan kon ’t gebeuren, dat men elkander misliep:—iets anders was het, zulk eenen uitgeleide te doen.
Evenzeer is het een vaste regel, dat op een samenkomst de minste in rang zich het eerst ter plaatse bevinde.
Toch werd die regel dikwijls op andere wijze gesteld, waar ’t Gekroonde Hoofden gold. Toen in 1533, Paus Klemens VII een bijeenkomst te Marseille zou houden met Frans I, kwam de Koning wel ’t eerst aldaar aan om de noodige toebereidselen te maken, doch verwijderde zich toen uit de stad, ten einde den Paus gedurende een paar dagen gelegenheid te laten om zich te ververschen en op zijn gemak te stellen. Evenzoo toen een jaar te voren dezelfde Paus te Bononiën met Karel V bijeen zou komen, kwam deze laatste eerst na hem in die plaats. En beide reizen verdedigde men zijne handelwijze met te beweeren, dat de voornaamste personaadje altijd ondersteld wordt de minderen bij zich te ontvangen, en dat het niet den schijn moet hebben dat hij hen, wèl dat zij hem komen opzoeken.
Toen Paus Pius VII in Frankrijk kwam om Napoleon tot Keizer te wijden, baarde de moeilijke vraag, hoe en waar hij ontvangen zou worden, niet weinig stof tot gesprekken en gissingen aan ’s Keizers hof, en al hetgeen door de etikette voorheen was voorgeschreven en nagevolgd, werd bij die gelegenheid opgehaald. Napoleon, die toen reeds besloten had, niemand boven zich te erkennen, had reeds een middel gevonden, waar niemand op bedacht was geweest en waardoor hij elk ceremoniëel bezwaar voorkwam. Hij wist, op welk uur de Paus op zijn reis naar Parijs door ’t woud van Fontainebleau zou komen, en hij zorgde ter juister tijd den grooten weg op en hem te gemoet te rijden. De postiljons van den Paus en de kamerheer, die hem vergezelde, hadden hun instructiën; toen de twee rijtuigen elkander tegenkwamen, hielden beiden stil, de portieren vlogen open: Napoleon sprong zijn rijtuig uit, de Paus werd uit het zijne geholpen, en de Keizer, zonder verdere plichtplegingen op den Kerkvoogd toegetreden, omhelsde hem en wandelde een eind met hem voort.
Gebrek aan onderzoek.—Indien men, alvorens over de oorzaak van een feit te redetwisten, zich verzekerde of het feit zelf waar was, zou men, zegt Fontenelle, zich niet belachlijk maken door de oorzaak te vinden van iets dat niet bestaat: en hij haalt, om aan zijn gezegde klem bij te zetten, de navolgende vertelling aan. In 1593 liep het gerucht dat een zevenjarig kind, in Sileziën, bij het wisselen zijner tandjes, een gouden tand had gekregen. Horstius, professor in de geneeskunde aan de Universiteit te Helmstad, schreef hierop in 1595 de geschiedenis van dezen tand en beweerde, dat men hier deels aan een natuurspeling, deels aan een mirakel te denken had, en dat die tand door God aan het kind gezonden was om de Kristenen te troosten over hetgeen zij van de Turken te lijden hadden. ’t Was zeker een vreemde soort van troost en niet minder vreemd het verband tusschen dien tand en den oorlog met de Turken. In ’t zelfde jaar, en opdat het den tand aan geen verslaggevers ontbreken zou, schreef Rullandus er nogmaals de geschiedenis van. Twee jaar later schreef een ander geleerde, Ingostenes, tegen het gevoelen, dat Rullandus over den tand had geüit, en Rullandus gaf spoedig daarna een heel fraai en geleerd tegenschrift uit. Een ander beroemd man, Libavius, samelde alles bijeen wat over den tand gezegd was, en voegde er zijn eigen meening bij.—Nu had men bij dit alles maar één ding vergeten, namelijk te onderzoeken of de tand werkelijk van goud was. Een goudsmid werd hiermede belast, en ziet, het kwam uit, dat de tand eenvoudig met wat bladgoud was overdekt;—maar men schreef eerst boeken en toen ging men den goudsmid halen.
Geleerdheid.—De beroemde Elias Annes Borger kreeg op zekeren dag zijn turfschipper bij zich, die zijn verbazing uitdrukte, dat iemand zich zoo aanhoudend kon bezig houden met op oude letters te turen. „Ja,” zeide Borger, „ieder heeft zoo zijn liefhebberij en zijn vak. Mij zou dat heen en weêr trekken in een tjalk niet bevallen, en daar-en-tegen heb ik de studie lief, en hoe moeielijker, hoe meer zij den geest prikkelt. Zoo heb je hier een woord, waar ik al veertien dagen op zit te turen, zonder dat ik het raden kan. Zie, ’t is een Kaldeeuwsch woord, en stonden hier nu drie puntjes, dan zou ik het terstond kunnen verklaren; doch er staan er vier, en nu weet ik er niets van te maken.”—De turfschipper bekeek het handschrift, en wel met zoo veel aandacht, als ware hij een professor in de Oostersche talen geweest. Op eenmaal riep hij uit: „dat eene is geen punt, ’t is een muggesch...je.”—Borger keek nogmaals toe, hield het handschrift vlak tegen ’t licht, en erkende dat de turfschipper gelijk had en de moeilijkheden in ’t Kaldeeuwsch beter kon ophelderen dan hij zelf.
Genade en wreedheid.—De meest gewone wijze, waarop men het hart vermurwt van dengene, dien men beleedigd heeft en die de macht in handen heeft om zich te wreken, is door smeeking en verootmoediging; toch vindt men ook voorbeelden, dat onversaagde stoutheid tot een even gelukkige uitkomst leidde. Bij gelegenheid, dat Eduard, Prins van Wallis, dezelfde, die bij de Engelschen gewoonlijk onder den naam van „de Zwarte Prins” bekend is, zijn zegevierende wapenen in Frankrijk gevoerd en aldaar o. a. de provincie Guienne had veroverd, had hij zich zwaar beleedigd gevoeld door de inwoners van Limoges en was daarom met zijn krijgsmacht naar die stad getrokken, welke, na een hardnekkigen tegenstand, voor zijn wapenen moest bukken. Ofschoon Eduard anders een grootmoedig en menschlievend vorst was, schijnt hij deze reis buitengewoon verbitterd te zijn geweest; althans hij gaf, naar het toenmalige krijgsgebruik, de stad aan de woede zijner soldaten ten prooi. Geen gejammer van vrouwen en kinderen, die zich voor zijn voeten wierpen en genade smeekten, was in staat, hem te bewegen, en de moord ging zijn gang, tot dat hij, altijd verder de stad binnentrekkende, drie edellieden gewaar werd, die met ongeloofelijke stoutmoedigheid den aandrang der Engelsche benden bleven trotseeren. Hun kloekheid boezemde hem eerbied in: zijn gramschap week: hij gelastte dat men hen zou sparen, en met hen al de overige ingezetenen.
Iets dergelijks wordt verhaald van Scander-Bey, den vermaarden Vorst der Epiroten. Deze vervolgde met opgeheven sabel een soldaat, die zich misgrepen had. Vruchteloos was ’t of de arme drommel om genade riep; zijn smeekingen schenen zijn vergramden meester slechts te meer in toorn te ontsteken: eindelijk, geen uitkomst meer wetende, keert de vluchteling zich om, trekt zijn zwaard en stelt zich in postuur om weerstand te bieden. Die kloekheid perste Scander-Bey, die reuzekrachten bezat en wien het geen moeite zou gekost hebben, zijn tegenstander met één houw neder te vellen, een lach af; zijn drift was geweken en hij schonk den man vergiffenis.
Een ander bewijs, dat stoutmoedigheid somtijds een beter uitwerking heeft dan gedweeheid, levert de Thebaansche Geschiedenis. Epaminondas en Pelopidas, de twee helden, aan wie Theben haar vrijheid dankte, hadden in ’t belang der stad hun bevelhebbersambt eenige dagen langer waargenomen dan de wet veroorloofde, en waren deswegens in staat van beschuldiging gesteld. Pelopidas, die onder het wicht dier beschuldiging gebogen ging en ’t volk door smeekingen trachtte te vermurwen, ontkwam niet dan ter nauwernood een banvonnis. Epaminondas daar-en-tegen voerde een hoogen toon, en, de groote daden ophalende, door hem verricht, voer hij heftig tegen zijn beschuldigers uit en schilderde hunne ondankbaarheid met zoo treffende kleuren, dat het volk niet eens verkoos tot de stemming over te gaan, maar hem als in zegepraal naar zijn woning terugvoerde.
Intusschen, wat bij den eenen ten goede werkt kan bij den anderen zeer verkeerd werken. Pompejus schonk vergiffenis aan de Mamertijnen, op wie hij zeer gebeten was, en zulks alleen uit eerbied voor de grootmoedigheid van hun stadgenoot Zeno, die de algemeene schuld voor zijne rekening wilde nemen en ootmoedig gebeden had, de straf voor allen te dragen; terwijl de gastheer van Sylla, die in de stad Perusium een dergelijk edelaardig deugdbetoon had gegeven, er niets bij won, noch voor zich, noch voor de overigen.—Ook hangt er veel in dergelijke gevallen van iemands gemoedsstemming af. Talrijk zijn de blijken van edelmoedigheid, door Alexander den Groote gegeven. Men weet, hoe welwillend en edel hij zich gedroeg jegens het gezin van den overwonnen Darius; men weet, dat, toen hij aan den Indischen Vorst Porus gevraagd had, hoe hij hem behandelen moest, en tot antwoord had bekomen: „als een Koning,” hij hem werkelijk een koninklijke behandeling heeft aangedaan. En toch zag diezelfde Alexander met onverschillig oog de slachting aan, op zijn last in Theben aangericht, waar ruim zes duizend strijdbare mannen door ’t zwaard vielen, die allen onverschrokken den dood trotseerden, zonder dat hun moedig sterven in ’t minst zijn hart kon bewegen. Een geheelen dag duurde de moord, en het zwaard keerde niet in de schede dan toen er geen droppel bloeds meer te vergieten viel en er niets overbleven dan grijsaards, vrouwen en kinderen, die tot slavernij gedoemd werden.
Nog gruwzamer was de behandeling, die hij Betis deed ondergaan. Deze had de stad Gaza kloekmoedig tegen hem verdedigd, en, toen die toch ingenomen werd, zich, ofschoon van de zijnen verlaten en met wonden en bloed overdekt, nog tot het uiterste verweerd tegen de Macedonische krijgsknechten. Eindelijk door hen overmand zijnde, werd hij voor Alexander gebracht, die, wrevelig over den duren prijs, dien hem de overwinning gekost had—hij zelf o. a. had twee wonden ontvangen—hem toevoegde: „Betis, wees verzekerd, dat gij niet zult sterven op zoodanige wijze als gij wel gewenscht hadt; maar al de kwellingen verduren, die tegen een gevangene in ’t werk gesteld kunnen worden.”—Kalm en zwijgend niet alleen, maar met trotsche houding en blik hoorde Betis die bedreiging aan. „Heeft hij geen knie gebogen?” vroeg Alexander, langs hoe meer vergramd: „is hem geen enkel woord van deemoed ontvallen? Voorwaar, ik zal zijn stilzwijgendheid overwinnen, en kan ik hem geen woord, dan zal ik hem voor ’t minst een jammerklacht afpersen.” En meteen gelastte hij, dat men Betis de hielen zou doorboren, en liet hij hem alzoo achter aan een kar gebonden, om de wallen slepen, op gelijke wijze als dit met Hektor op bevel van Achilles had plaats gehad.—Was het hier bloote navolgingszucht van Achilles, die hem tot zulk een wreedheid dreef? of kon hij niet dulden, dat een ander hem in onverschrokkenheid evenaarde?
Gevatheid.—Diagoras van Melos, die te Athenen de wijsbegeerte had beoefend, was een verachter der Goden en had daarom den bijnaam gekregen van „de Atheïst.” Eens dat hij een tempel in Samothraciën bezocht, wees hem de bewaarder een aantal ex voto’s en schilderijen, daarin opgehangen door geredde schipbreukelingen. „Zult gij,” vroeg de man, „nu nog zeggen, dat de Goden zich de menschelijke zaken niet aantrekken? Gij ziet, hoe velen door hun genadigen bijstand gered werden?”—„Jammer,” antwoordde Diagoras, „dat men hier ook niet de afbeeldingen heeft van hen, die de Goden hebben laten verdrinken: dat getal zou nog vrij wat ruimer zijn geweest.”
Een vader prees zijn zoon het heilzame aan van vroeg op te staan. „Er was een man,” zeide hij, „die, vroeg op den weg zijnde, aldaar een goudbeurs vond.”—„Maar, vader,” zei de knaap: „de man, die de beurs verloren had, was dan toch nog vroeger op geweest.”
Een Spanjaard, door Zuid-Amerika reizende, ontmoette op een afgelegen plaats een Indiaan, die, even als hij, te paard was gezeten. De eerstgenoemde, wiens rijdier oud en kreupel was, den anderen op een vluggen en wakkeren hengst gezeten ziende, stelde hem een ruil voor, waar de Indiaan natuurlijk niet in verkoos te bewilligen. Maar de Spanjaard, die goed gewapend was, dreigde hem dood te schieten, indien hij niet toegaf, maakte zich meester van den hengst en liet zijn mageren knol achter, waar de Indiaan nu op mocht zien voort te sukkelen. Deze laatste volgt echter zijn spoor tot aan de naaste stad en klaagt hem daar bij den rechter aan, die den Spanjaard met het paard voor hem verschijnen doet. De Spanjaard ontkent den roof en beweert, dat het paard hem toebehoort en hij het van jongs af heeft opgekweekt. Er was geen bewijs van het tegendeel en de rechter was op het punt, den klager in ’t ongelijk te stellen, toen deze plotselings uitriep: „het paard behoort aan mij en ik zal het bewijzen.” Meteen doet hij zijn mantel af, werpt dien over den kop van het paard, en zegt tot den rechter: „die man heeft het paard opgekweekt: dus kan hij ook wel zeggen, aan welk oog het blind is.” De Spanjaard, geen aarzeling willende betoonen, antwoordt terstond: „aan het rechter.”—„Noch aan ’t rechter, noch aan ’t linker,” zegt de Indiaan, terwijl hij den mantel weêr wegneemt. De rechter, door een zoo vernuftig en krachtig bewijs overtuigd, wees hem het paard toe en de Spanjaard kon beschaamd afdruipen.
Gewoonte.—Iemand vroeg aan een armen drommel, die bijna naakt langs ’s heeren straten liep en er even vroolijk uitzag, ofschoon het vroor, dat het kraakte, of hij geen hinder van de koude had. „Wel, mijn Heer,” antwoordde de andere, „gij loopt wel met het aangezicht ontbloot; welnu! ik ben geheel aangezicht.”
Een Gaskonjer wandelde in een dunnen zijden rok heel bedaard den Pont-Neuf te Parijs op en neder, schoon de thermometer onder nul stond. De Koning, daar voorbij rijdende, en hem ziende, liet ophouden, en vroeg hem hoe ’t mogelijk was, dat hij niet van de koude leed. „Indien,” antwoordde de Gaskonjer, „Uwe Majesteit hetzelfde deed als ik, zou zij nimmer hinder gevoelen van de koude.”—„En wat doet gij dan?” vroeg wederom de Koning.—„Ik draag mijn geheele kleêrkas op mijn lijf,” hervatte de Gaskonjer. De Koning lachte en liet den man het noodige geld geven om zich een goede winterkleeding aan te schaffen.
Cezar was, volgens Suetonius, gewoon, welk weêr het was, blootshoofds en meestal te voet aan ’t hoofd zijner troepen te gaan.
Gierigheid.—Een gierigaard, die ten tijde van Koning Dyonisius in Siciliën woonde, had een schat in zijn tuin begraven en leefde heel armoedig. Dionysius, dit vernomen hebbende, liet den man gelasten dien schat hem te brengen. De ander deed dit, doch niet dan na er een klein gedeelte van behouden te hebben, waarmede hij zich in een andere stad nederzette. Nu zijn groote zucht tot sparen verloren hebbende, begon hij van ’t geen hij overgehouden had, meer op zijn gemak te leven: wat Dionysius ter ooren kwam, die hem de rest van zijn schat terugzond, zeggende: dat de man, nu hij geleerd had het geld te gebruiken, niet langer onwaardig was het te bezitten.
Geluk.—Krezus, Koning van Lydiën, was de rijkste en vermogendste Vorst van zijn tijd, waarom zijn naam ook nog heden ten dage gebezigd wordt om een rijkaard aan te duiden. Zich tegen Cyrus van Persiën verzet hebbende, werd hij door dezen overwonnen en ter dood veroordeeld. Naar de strafplaats gaande deed hij niet dan uitroepen: „O Solon, Solon!” Cyrus, dit hoorende, vroeg hem, wat die woorden beteekenden, waarop de ander hem antwoordde, dat de Atheensche wijsgeer Solon hem, toen hij op zijn schatten en voorspoed stofte, gewaarschuwd had, dat niemand, hoe ’t hem ook meêliep, zich gelukkig kon heeten vóór zijn dood. Dit trof Cyrus en hij spaarde den Vorst het leven.
Ik geloof met dat al veeleer, dat Solon gezegd zal hebben, dat niemand er op rekenen kan, gelukkig te blijven; want heeft hij gezegd wat de oude schrijvers, of Krezus, hem in den mond leggen, dan heeft hij met andere woorden verklaard, dat niemand ooit gelukkig is. Zijn bedoeling schijnt echter alleen geweest te zijn om, even als later onze Breêro, te zeggen: „t Kan verkeeren.”
Van gelijken aard als dat van Solon, was het gezegde van Agezilaüs tegen iemand, die den Koning van Persiën gelukkig prees, omdat hij, zoo jong nog, het gebied bekomen had over een zoo machtig Rijk: „Koning Priam van Troje was ook gelukkig toen hij jong was.”—Men weet hoe ellendig het, bij Trojes verwoesting, met den ouden Priam en de zijnen afliep.
Niets is wisselvalliger dan ’t Fortuin: Dionysius, die over Syrakuzen geregeerd had, werd schoolmeester te Korinthen; Pompejus, die de halve wereld veroverd had, werd als vluchteling door een paar ellendige staffiers van Ptolemeüs om hals gebracht; Ludovico Sforza, Hertog van Milaan, die heel Italiën in bedwang had gehouden, overleed na een tienjarige gevangenschap; Maria Stuart, Koningin van Schotland en Koningin-Weduwe van Frankrijk, liet haar hoofd op ’t schavot; Koning Theodorus van Korsika werd te Amsterdam voor schulden gegijzeld; en de laatste der Koningen uit het beroemde Huis van Wasa zat op zijn ouden dag, als een burgermannetje, met de dikke kasteleines uit de Toelast te Haarlem een jasje te spelen.
Goed en kwaad gezelschap.—„Zeg mij met wien gij verkeert, en ik heb uw aart geleerd,” is een oud en zeer juist gezegde; en over ’t geheel kan men iemand vrij wel beoordeelen als men weet, met welke lieden hij bij voorkeur omgaat. Wie dagelijks in ’t gezelschap van bedaarde en verstandige lieden gezien wordt, zal van zelven den naam van bedaard en verstandig bekomen: en wie tot gewoonte heeft, een kroeg te bezoeken waar gauwdieven bijeenkomen, zal geen recht hebben, zich te beklagen, als de Politie, daar een inval doende, hem met de rest meêpakt.—De wijsgeer Bias, eens op zee zijnde, werd door een storm beloopen; zijn medereizigers, over ’t geheel een vrij gemeene troep, riepen met luide gebeden den bijstand der Goden in; „Zwijgt toch,” zeide hij: „laten de Goden niet hooren, dat gij u hier bevindt, het zou uw ondergang zijn en de mijne met een.”
Albuquerque, die Onderkoning in Oostindiën was voor de Kroon van Portugal, zich in zeegevaar bevindende, nam een jongen knaap op zijn schouders, om geen andere reden, dan dat de Goddelijke Gunst dien knaap om zijn onschuld, en ook hem om diens wille, sparen zou.
Zekere boer, die Kees Piet heette, had een spreeuw, aan welken hij geleerd had te zeggen: „Moei mij niet! ik ben de spreeuw van Kees Piet!” Nu was gemelde Kees Piet een minnaar van een slokje en kwam ’s avonds wel eens met een nat zeil t’huis. Wanneer zijn vrouw hem daarover verwijtingen deed, was doorgaans zijn verschooning: „Kwaad gezelschap doet dolen.”
’t Gebeurde, dat de spreeuw, eens uitgevlogen zijnde, tusschen een koppel van zijn natuurgenooten en met deze over een spreeuwebaan strijkende, onder ’t net raakte! Juist zou de vogelaar het beest het lot van zijn medegevangenen doen ondergaan, toen het de aangeleerde les te pas bracht en zeide: „Moei mij niet! ik ben de spreeuw van Kees Piet.”—De vogelaar, die Kees Piet zeer goed kende, spaarde het beest ’t leven en liet aan den eigenaar daarvan weten, dat hij ’t kon komen halen. „Wel, Gerrit! wel, mannetje!” zei Kees Piet, toen hij aan de oproeping voldeed, tot den spreeuw: „Wat is er met je gebeurd en hoe ben je in zoo’n perykel gekomen?”—En de spreeuw, niet minder gevat dan de vorige reis, gaf tot antwoord: „Kwaad gezelschap doet dolen.”
Van dien spreeuw spring ik op Cezar over, die de overtuiging bezat, dat, zoo slecht gezelschap dolen doet, goed gezelschap, en wel in de eerste plaats het zijne, ook geene dan goede uitwerkselen hebben moest. In Afrika zijnde en in een boot de holstaande zee moetende oversteken, zag hij den stuurman beven. „Wat vreest gij?” vroeg hij, den man geruststellend op den schouder kloppende; „gij voert Cezar en zijn geluk.”
Even moedig en nog schooner wellicht is het gezegde van Willem III, toen hij, in 1691 uit Engeland naar herwaarts overgekomen, en, daar zijn schip om ’t lage water de Maas niet kon opvaren, genoodzaakt was zich met de boot naar ’t strand te laten roeien. ’t Was een afschuwlijk weêr, met mist, hagel en regen, en zij, die met hem waren, gaven niet onduidelijk te kennen dat zij zich alles behalve op hun gemak bevonden. „Hoe is het?” vroeg de Vorst: „Vreest gij, in mijn gezelschap te sterven?”
Grillige loop van ’s werelds zaken.—Van Paus Alexander VI en van zijn zoon Cezar Borgia, Hertog van Valentinois, worden tallooze gruwelen verteld, door hen gepleegd ter voldoening van hun heersch- of geldzucht. Doch op merkwaardige wijze werd bij hen ’t spreekwoord bewaarheid, dat het kwaad zijn meester loont. De Hertog, besloten hebbende den Kardinaal van Corneto, bij wien zijn vader en hij het avondmaal gingen gebruiken, om ’t leven te brengen, zond een flesch wijn vooruit, met last aan den hofmeester, dien goed te bewaren. De Paus, vóór zijn zoon bij den Kardinaal gekomen zijnde, vroeg te drinken, en de hofmeester, in den waan verkeerende, dat die wijn hem alleen was aanbevolen wegens zijn voortreffelijkheid, schonk er den Paus van in, de Hertog, kort daarna komende, en er op vertrouwende, dat men aan zijn flesch niet geraakt had, dronk er insgelijks van, met die uitkomst, dat de vader terstond daarop stierf, en de zoon levenslang aan de gevolgen bleef lijden.
Izabella, koningin van Engeland, in 1326 met een leger uit Zeeland naar haar rijk getrokken zijnde om haar man ten voordeele van haar zoon te beoorlogen, ware verloren geweest indien zij ware geland ter plaatse waar zij bedoeld had zulks te doen, en waar een talrijk leger haar afwachtte: doch door tegenwind werd zij naar een andere zijde der kust gedreven, waar zij in veiligheid landde. Hetzelfde gebeurde 362 jaar later met onzen Stadhouder Willem III, die, eerst voornemens zijnde, naar ’t Noorden van Engeland met zijn bevrijdingsvloot heen te stevenen, door storm werd teruggeslagen, en weinige dagen later weder uitgezeild, terwijl de wind uit denzelfden hoek bleef waaien, genoodzaakt was, zijn tocht naar ’t Zuiden te richten, waar het trof, dat geen troepen waren om zich tegen zijn landing te verzetten.
Icetes had twee soldaten omgekocht om Timoleon, die zich te Aurane in Siciliën bevond, van ’t leven te berooven. Zij namen het oogenblik waar, dat Timoleon den Goden zou offeren, en, zich onder de menigte vermengende, waren zij juist bezig met elkander te overleggen, hoe zij van de gelegenheid gebruik zouden maken, toen er een derde man toeschoot, een hunner met zijn degen doorstak en dood ter neder velde, en de vlucht nam. De makker des verslagenen, niet anders denkende of de aanslag was ontdekt, loopt naar ’t altaar en biedt aan, alles te bekennen, zoo men hem in ’t leven liet. Terwijl hij bezig is aan Timoleon mede te deelen, wie en hoe men ’t op diens leven had toegelegd, wordt de vluchtende moordenaar door ’t volk achterhaald en naar Timoleon gevoerd. Ondervraagd zijnde, wat hem tot den manslag bewogen heeft, zegt hij, met volle recht zijn vader gewroken te hebben, en brengt getuigen bij, die bevestigen dat zijn vader eenige jaren te voren, door den man, dien hij thans verslagen had, verraderlijk was omgebracht.—Men schonk hem niet alleen vergiffenis, maar nog een goede belooning bovendien, dat hij dus, om zijn vader te wreken, den algemeenen vader der Sicilianen het leven gered had.
Jazon Fereus leed aan een hevige verzwering in de borst, waar de heelmeesters geen raad tegen wisten. Zich ontdoen willende van een leven, dat hem tot last geworden was, mengde hij zich in een veldslag en wierp zich in ’t heetste van ’t gevecht om den dood te zoeken. Inderdaad kreeg hij een diepe wond in de borst; doch de uitslag was anders dan hij zich had voorgesteld; want de stoot had de verzwering gebroken en hij kwam genezen uit den slag terug.
Een ander bewijs, hoe het toeval soms op vreemde wijze kan dienen, levert het gebeurde met den schilder Protogenes. Deze had een vermoeiden en hijgenden hond voor te stellen, en ’t werk was goed geslaagd; alleen kon het hem maar niet gelukken, het schuim om den bek naar zijn zin af te beelden; uit spijt smeet hij zijn natten spons tegen het doek: en zie! die kwam net tegen den bek van den hond te land, en bracht daar bij toeval te weeg wat de kunst niet had kunnen volvoeren.
Somtijds is ’t als schijnt het lot met ons te spelen. De Heer d’ Estrées, en de Heer van Liques, die tijdens de Fransche burgeroorlogen der 16de eeuw tot verschillende partijen behoorden, maakten beiden hun hof aan dezelfde jonkvrouw. De Heer van Liques was de gelukkige, op wien de keuze der schoone viel; doch op den dag zelf van zijn bruiloft kreeg hij den dwazen inval, uit te rijden om bij St. Omer een schermutseling te houden, waar hij echter te kort schoot en gevangen genomen werd door zijn medeminnaar. En nu was de bruid wel genoodzaakt, zich in persoon tot den vrijer, dien zij versmaad had, te wenden, om hem de vrijlating van haar man te verzoeken, welke hij haar met echt Fransche galanterie toestond.
Opmerkelijk is ook de gril van ’t noodlot, dat een Konstantijn, zoon van Helena, de stichter, en een andere Konstantijn, mede zoon eener Helena, de laatste keizer was van het Grieksche rijk.
Huwelijkstrouw.—Men vroeg aan een schoone en rijke Romeinsche weduwe, waarom zij niet hertrouwde;—„Omdat,” antwoordde zij, „mijn echtgenoot mij nog altijd voor oogen staat.”
Paulina, vrouw van Seneka, wilde haar man, wiens dood Nero gelast had, niet overleven, en liet zich, even als men aan hem deed, de aderen openen. Nero wilde dit niet gedoogen en zond wondheelers af, die ’t bloed stelpten en de aderen opbonden; doch zij droeg levenslang een bleekheid op ’t gelaat, die, zegt Tacitus, aan elk getuigenis gaf van haar kuische liefde voor haar gemaal.
Sinorix en Sinatus waren, volgens Plutarchus, twee machtige Heeren in Galatiën. Sinorix werd verliefd op Camma, de vrouw van Sinatus. Om haar te kunnen huwen, nam hij zijn toevlucht tot het plegen eener misdaad, en liet hij Sinatus vermoorden. Eenigen tijd hebbende laten verloopen, vroeg hij Camma ten huwelijk en wist haar bloedmagen op zijn hand te krijgen, die nu krachtig bij de weduwe aandrongen, dat zij de goede partij, die zich voordeed, niet zou afslaan. Camma, van hare zijde, maakte wel eenige zwarigheden; doch gaf eindelijk toe en de dag voor het huwelijk werd bepaald. Toen die gekomen was, begaf zij zich met Sinorix naar den tempel van Diana, wier priesteres zij was, en daar een weinig van een drank, dien zij bereid had, op ’t altaar geplengd hebbende, dronk zij er een gedeelte van en gaf de rest aan Sinorix. Naauwlijks had hij gedronken, of, zich tot de Godin wendende, zeide zij: „Ik neem u tot getuige, dat, zoo ik mijn gemaal overleefd heb, het alleen geweest is om zijn dood te wreken. Wat u betreft, Sinorix! boosaardigste aller menschen, geef last dat men, in plaats van een huwlijksfeest, u een graf bereide.” Hij stierf nog denzelfden dag aan ’t vergif, dat in den drank gemengd was, en zij den dag daarna.
Koenraad III, die in 1138 tot Roomsch-Keizer gekozen was, belegerde de kleine stad Wijnsberg, waarin de Hertog van Wurtenberg, die tegen zijn verkiezing geijverd had, was opgesloten. Lang had deze zich wakker verdedigd, doch zag eindelijk zich genoodzaakt zich aan de genade of ongenade des Keizers over te geven. Koenraad, die fel op hem gebeten was, wilde alles te vuur en te zwaard verdelgen; doch schonk genade aan de vrouwen, aan welke hij vergunde, de stad te verlaten, en met zich mede te dragen al datgene waar zij den meesten prijs op stelden. Maar niet weinig vreemd stond hij te kijken, toen hij de Wijnbergsche vrouwen, met de Hertogin aan ’t hoofd, de poort zag uitkomen, ieder met haar man op den rug. Hij had zijn woord gegeven, en, getroffen door de kloekheid en huwlijkstrouw, waarmede de vrouwen hem verschalkt hadden, schonk hij aan de stad volledige genade.
In ’t begin der 17de eeuw waagde Karel Emmanuel, Hertog van Savooien, een aanslag op Geneve, ’t welk hij bij nacht poogde te verrassen. De uitkomst beantwoordde niet aan zijn verwachting; er werd alarm gegeven toen nog maar een klein deel zijner soldaten den buitenwal beklommen had; de burgerij vloog te wapen, en de vijand werd met groot verlies teruggeslagen, terwijl de gevangenen, die men op hen maakte, tot een schandelijken dood werden gedoemd. Onder deze laatsten bevond zich een officier van rang. De vrouw van dezen, van het gebeurde onderricht, snelt naar Geneve en vraagt vergunning, haar man voor ’t laatst te omhelzen. Men weigert haar die en de officier wordt gehangen zonder dat zij getuige zijn mag van zijn dood. Nu volgt zij het lijk naar de plaats, waar het wordt ten toon gesteld. Zij zet zich neder tegenover die treurige overblijfselen en blijft daar zitten zonder eenig voedsel te willen nemen of haar oogen van dat akelige schouwspel af te wenden, en het was in dezen toestand, dat de dood een einde kwam maken aan haar rouw.
Talrijk zijn de voorbeelden van vrouwen, die schier op gelijke wijze haar man uit de gevangenis verlosten. Bij ons was het die van den leeraar Dominicus Sapma. Deze was in het begin der 17de eeuw, wegens zijn Arminiaansche gevoelens, in het tuchthuis te Amsterdam gezet. Daar kwam zijn vrouw hem bezoeken, met een dikken doek over ’t gezicht en zware kiespijn voorwendende. Bij haar man toegelaten, beduidde zij hem, met haar van kleederen te verwisselen, en zoo kwam hij, even zeer den doek voor ’t gezicht houdende, de gevangenis uit en bij vrienden, die hem een goed heenkomen bezorgden.
Het tweede voorbeeld is van Lady Nithsdale, wier man in 1716 ter dood veroordeeld was wegens deelneming aan eedgespan, dat Jacobus II weder op den Engelschen troon zou helpen. Hij zou, met anderen van zijn partij, den 16den Maart worden onthoofd, doch werd gered door zijn vrouw, die, bij hem toegelaten om hem een laatst vaarwel te zeggen, hem hare kleederen aantrok, waarmede hij, gaande tusschen twee dienstmaagden in, met den zakdoek voor ’t gelaat als iemand die van droefheid overmand is, den Tower uitkwam en, in het rijtuig gestapt, dat haar daar gebracht had, terstond naar den Teems reed, waar een boot hem wachtte, die boot bracht hem aan boord van een schip, dat zeilrêe lag en hem behouden naar Frankrijk voerde. Den volgenden morgen trad een geestelijke den kerker binnen om den gevangene ter dood te bereiden en keek niet weinig verbaasd op, een vrouw in plaats van een man te vinden. De Luitenant van den Tower, bericht van het gebeurde ten Hove gezonden en tevens gevraagd hebbende, wat hij met die vrouw zou doen, kreeg in last, haar in vrijheid te stellen: doch zij weigerde den Tower te verlaten eer zij kleeren had die haar voegden. Zij werd spoedig daarna, in Frankrijk, met haar man vereend.
Dezelfde list bezigde, in 1815, Mevrouw de La Valette, om haar man te verlossen, die, even als de Maarschalk Ney, de zijde van Napoleon, bij diens terugkomst uit Elba, gekozen had. Een paar bijzonderheden, die zijn ontkoming vergezelden en niet algemeen bekend zijn, heb ik uit den mond van den oud-Referendaris van de kamer der Pairs, den eerwaardigen Pasquier. Toen La Valette in ’t gewaad zijner vrouw buiten de deur kwam, was de koetsier van den fiacre, die haar gebracht had, niet te vinden. De man zat in de kroeg en was stom dronken. Opschudding te maken zou tot ontdekking geleid hebben, en de vluchteling zag zich dus wel genoodzaakt te loopen tot de eerste plaats, waar hij gelegenheid vond om een rijtuig te bekomen. Doch nu was ’t zaak een veilige schuilplaats voor hem te vinden, en daartoe waagde de vriend van La Valette, die hem verzelde, een stouten stap. Hij reed met hem naar de vrouw van den Minister van Buitenlandsche Zaken, maakte, na haar, die zeer bevriend was met Mevrouw de La Valette, wat gepolst te hebben, haar bekend, wie met hem in ’t rijtuig gekomen was en bewoog haar tot diens redding mede te werken. En zoo bleef La Valette onderscheidene dagen, en terwijl men overal door geheel Frankrijk zijn spoor zocht en de Minister van Buitenlandsche Zaken ook naar ’t buitenland schreef om hem te doen zoeken, op een bovenzolder van het Hôtel dienszelfden Ministers verborgen. Eerst toen men ’t zoeken opgaf en hem reeds buiten ’s lands waande, verliet hij zijn schuilplaats en werd hij uit Parijs en over de grenzen geholpen.
Kinderliefde.—De vrouw van een edelen Venetiaan, haar eenigen zoon verloren hebbende, was ter prooi aan de bitterste droefheid. Een Geestelijke trachtte haar vertroosting aan te bieden. „Herinner u”, zeide hij, „hoe Abraham willig gehoorzaamde, toen God hem bevolen had zijn eenigen zoon, zijn lieveling, te offeren,”—„Ach!” riep zij uit, „eerwaarde Vader!—nooit zou God zulk een offer van een moeder gevergd hebben!”
Kluchtige zetten in ’t uiterste.—Een man, die naar de galg geleid werd, verzocht, dat men hem niet door zekere straat zou voeren, die hij noemde: „want,” zei hij, „daar woont een koopman, die geld van mij te vorderen heeft en mij soms bij de kladden mocht krijgen.”
Een ander verzocht onder weg aan den beul, hem niet met de vingers aan den hals te raken: „ik kan geen kittelen verdragen,” zei hij, „en mocht eens beginnen te lachen, wat bij zoo’n deftige plechtigheid kwalijk zou voegen.”
Een ander werd naar een galg gevoerd, die op een berg stond. Zijn biechtvader hield hem onderweg op allerlei wijze het geluk voor, dat hem in de andere wereld zou te beurt vallen. Dit verveelde den gevonnisde, die liever in ’t leven had gebleven. Juist kwamen zij op een plaats, waar het pad langs een steilen afgrond liep, toen de Pater, om hem te bemoedigen, hem vertelde, dat hij dien avond het maal zou gebruiken in ’t hemelsche paradijs. „Ga dan vooruit, en zet den wijn in ’t koelvat,” zei de boef, en gaf den Geestelijke een stomp, dat deze in den afgrond tuimelde.
Een ander, even voor de strafoefening te drinken gevraagd hebbende, weigerde een glas bier, dat hem werd aangeboden, zeggende gehoord te hebben, dat men van bier ’t graveel bekomt.
Het was voorheen op vele plaatsen de gewoonte, dat, wanneer een meisje zich aanbood om een ter dood veroordeelde tot man te nemen, zij hem vrij kreeg van ’t schavot. Dit gebeurde eens in Denemarken; doch de patiënt, bespeurende, dat de schoone, die hem ’t leven redden kwam, een weinig kwalijk ging, zei tot den beul: „sla mij den strop maar om: ’t is een mankpoot.”
Krijgswetten en gebruiken.—Dikwijls, bij ’t lezen der geschiedenis van belegeringen, ergert men zich over de wreedheid van den overwinnaar, die, na een plaats te hebben ingenomen, de verdedigers ter dood laat brengen. Die ergernis is verschoonbaar, doch niet altijd even billijk. Van ouds toch begreep men, dat ook de stoutmoedigheid, even als alle deugden, hare grenzen heeft, en in geen koppige en dwaze vermetelheid ontaarden moet, en van daar schreef alom het krijgsgebruik voor, dat zij, die hardnekkig bleven in ’t verdedigen van een post, die volgens alle regelen van krijgskunst onhoudbaar was, met den dood gestraft moesten worden. Montaigne, een van natuur hoogst zachtzinnig mensch, prijst dien regel, dewijl anders, naar hij zegt, het uitzicht op straffeloosheid aanleiding zou geven, dat een kippenhok een leger ophield: en in meer dan één roman van iemand, die 200 jaren later schreef, van Walter Scott namelijk, vinden wij dezelfde leer gepredikt.—’t Spreekt intusschen van zelf, dat het verschil tusschen de aanvallende en de verweerende krachten zoo aanzienlijk zijn moest, dat er aan den uitslag niet te twijfelen viel, en dat dezelfde bevelhebber, die veroordeeld zou geworden zijn indien hij zijn post had willen verdedigen tegen een batterij van dertig stukken, volkomen gerechtvaardigd was als hij dien niet overgaf aan een vijand, die er twee veldstukjes tegen aanvoerde.
Toch levert de geschiedenis een aantal voorbeelden van een aanzienlijk en welgewapend getal aanvallers, die zich door een naauwlijks noemenswaardigen hoop verdedigers hebben laten terugslaan. Zeer zeker zou Elias Beeckman, toen hij met luttel manschappen, met vrouwen en kinderen de vesting Aardenburg tegen een Fransch leger verdedigde niet alleen, maar den vijand met groot verlies deed wijken, den dood verdiend hebben, indien zijn stoutmoedigheid een min voordeeligen uitslag had gehad; maar hij bleef overwinnaar en in zulke gevallen wordt men door de goede uitkomst gerechtvaardigd.
Kwakzalvers.—Een zoogenaamde Alchymist beweerde het geheim te hebben uitgevonden om goud te maken en vroeg een belooning aan Paus Leo X, die een voorstander was der kunsten. De Paus toonde zich geneigd om aan zijn verlangen gehoor te geven en de kwakzalver achtte zijn fortuin reeds gemaakt. Maar leelijk keek hij op zijn neus, toen hij de verhoopte gift ontvangen kwam en van Leo niets anders kreeg, dan een groote leêge beurs, met de boodschap, dat, nu hij toch goud kon maken, hij niets anders behoefde dan een beurs om het te bergen.
Een rijke Engelschman lag te bedde met een hevigen aanval van de jicht, toen zijn kamerdienaar hem iemand kwam aandienen, die een onfeilbaar middel tegen die kwaal beweerde te hebben. „Is die wonderdokter te voet of met rijtuig gekomen?” vroeg de lijder. Het antwoord was: „te voet.”—„Zeg in dat geval,” hernam de zieke, „dat hij naar de pomp mag bruien; want zoo hij inderdaad het middel bezat, waar hij zich op beroemt, zou hij in een koets met zes paarden rijden en zou ik zelf hem gaan bezoeken en hem de helft van mijn vermogen aanbieden om van mijn kwaal bevrijd te worden.”
Een Kwakzalver is altijd vol vaderlandsliefde, zoo b. v. de man van wien Addisson in zijn Spectator verhaalt. Deze stond te Hammersmith van zijn tooneel tot het volk te redeneeren en zeide: „ik ben in dit dorp geboren en opgevoed, en draag het groote liefde toe: waarom ik ook, uit dankbaarheid voor de weldaden, die ik er genoten heb, een kroon wil schenken aan elken dorpsgenoot, die mij de eer wil bewijzen die aan te nemen.” Terstond staken niet weinigen onder zijn toehoorders de hand uit om het beloofde geldstuk te ontvangen, en zagen met niet weinig gretigheid hoe de Dokter zijn arm reeds in een wijden zak stak. Maar in plaats van blinkende munt, haalde hij er kleine papieren pakjes uit en ging toen aldus voort: „deze poeders, Heeren! verkoop ik anders voor vijf schellingen zes penningen; doch uit achting voor deze plaats, die ik lief heb, geef ik ze hier vijf schellingen minder.” Ieder haastte zich aan dit edelmoedig aanbod gebruik te maken, en de poeders waren in een oogenblik verkocht, terwijl de omstanders, de een voor den ander borg stonden, dat er geen vreemdelingen onder hen, maar allen te Hammersmith geboren of althans woonachtig waren.
Een kwakzalver, die te Syrakusen gekomen was, beroemde zich een middel te kennen, waardoor Dionysius, die toen daar regeerde, de voorwetenschap zou bekomen van alle lagen, die men hem ooit zou willen leggen, en dat hij het den Vorst tegen een goede belooning zou mededeelen. Dionysius, op wiens leven men het reeds meer dan eens had toegelegd, was natuurlijk zeer verlangend, in ’t vervolg tegen elken aanslag beveiligd te zijn; hij liet den man komen en vroeg hem wat zijn geheim was. „Mijn geheim,” antwoordde de ander, „is dood eenvoudig. Geef mij een talent zilvers en beroem er u voortaan overal op, dat gij nu ’t geheim weet.” Dionysius lachte en, het middel goed vindende, liet hij den man de zeshonderd kroonen uitbetalen.
Lafhartigheid.—Het was bij de meeste oude volkeren gebruikelijk, hen, die in den krijg op de vlucht getogen waren, met den dood te straffen. Het eerst werd die gewoonte in onbruik gesteld door Charondas van Catana, die wetten schreef, waar zoo wel Grieksche als Latijnsche steden zich naar regelden. Van oordeel zijnde, dat de schrik een gewaarwording is, waaraan ook anders dappere lieden onderhevig kunnen zijn en die iemand ook tegen zijn wil overvallen kan, schafte hij voor hen, die gevlucht waren de doodstraf af, doch gelastte, dat zij drie dagen in vrouwekleêren op eene openbare markt of plein zouden worden ten toon gesteld, in de verwachting dat de schaamte, die zij op die wijze ondervonden, hen voor altijd van den schrik genezen zou.
Hoe de vrees, wanneer zij eenmaal de lieden bevangen heeft, hen buiten bezinning brengt, en hoe aanstekelijk die is, daarvan werd mij door een ooggetuige een treffend voorbeeld medegedeeld. Mijn zwager Joan Hodshon, die in 1830 en later Kolonel-Kommandant was der schutterij te Amsterdam, was in 1812 met de zoogenaamde gardes d’honneur naar Frankrijk getrokken, en tot Luitenant bij de kavallerie bevorderd zijnde, had hij in 1813 den slag bij Leipzig bijgewoond, die, als men weet, door Napoleon verloren werd. Ieder weet welk een roem van onverschrokkenheid en volharding zich de „Oude garde” van den Keizer had verworven, en toch had in dien veldslag de schrik zich van een harer bataillons zoo zeer meester gemaakt, dat het den vijand den rug toekeerde en op de vlucht ging. Hodshon werd door zijn Overste gelast met een deel zijner ruiters hen in ’t vuur terug te brengen; doch hoe hij zijn paard ook aanzette, het was hem, zoo als hij mij later meer dan eens betuigde, niet mogelijk geweest, de vluchtelingen in te halen, wien de schrik vleugels aan de voeten scheen te hebben gegeven.
Nog vertelde hij mij, hoe, bij diezelfde gelegenheid, vóór den slag de dagorder gegeven was: „het is op doodstraffe verboden, een gekwetste bij te staan.” Dat verbod klinkt ons hard en onmenschelijk in de ooren; doch Napoleon, die, mits de uitkomst van den slag in zijn voordeel was, er zeer weinig om gaf of daar eenige arme drommels meer of minder aan werden opgeofferd, wist zeer goed wat hij deed, en zijn maatregel, hoe wreed ook, was niet onverstandig. Immers, wanneer een soldaat gekwetst wordt, zijn er voor ’t minst twee anderen noodig om hem naar achteren te dragen en verliest het gelid alzoo drie man. Bovendien, er waren in ’t leger niet weinig jonge soldaten en rekruten, die doorgaans zeer genegen zijn om een gewonde te „helpen”—of liever, om, onder schijn van hulp te bieden, zich aan het gevaar te onttrekken, en op die wijze kon het vallen van een man wel het terugtrekken van een half dozijn of meer ten gevolge hebben.
Er is met dat al groot verschil tusschen de lafhartigheid, die tijdelijk is en door onoverkomelijken schrik ontstaat, en die, welke aan een gebrek van plichtsgevoel te wijten is: tusschen die, welke de soldaat toont onder ’t strijden en die, waaraan zich de bevelhebber schuldig maakt, aan wien een post is toevertrouwd, of die in elk geval een goed voorbeeld behoort te geven. Daarom zijn dan ook ten allen tijde zij, die een post overgegeven of zich aan het gevecht onttrokken hebben, voor een krijgsraad gebracht en, naar bevind van zaken, met meerdere of mindere strengheid gestraft geworden. Men weet, hoe o. a. de Heer van Hemert, die in 1586 Grave aan de Spanjaarden had overgegeven, op last van Leicester, die toen Opperlandvoogd was, met den dood gestraft werd, en hoe in 1673 hetzelfde vonnis ten uitvoer gelegd werd op den Overste Mozes Pain et Vin, die de verschansing aan de Nieuwerbrug zonder bevel ontruimd en daardoor aan de Franschen een veiligen terugtocht geopend had. Ook herhaaldelijk werden onderscheidene zeekapiteins, die met hun schepen den slag ontweken waren, meer of minder zwaar, enkelen met den dood, gestraft, en onder de verzen van Vondel is er een, dat den titel draagt van „Staatswekker” en waarbij hij den Staat aanspoort om toch vooral strenge maatregelen te nemen tegen hen, die door hun lafhartigheid ’s lands vloot en ’s lands eer in de waagschaal stellen.
Onder de regeering van Frans I had de Heer van Frangot, Fontarabiën, waar hij het bevel over voerde, aan de Spanjaarden overgegeven. Voor dit feit werd hij van den adelstand vervallen verklaard, en zoowel hij als zijn nakomelingschap veroordeeld als voor altijd onedel en onbekwaam de wapenen te voeren. Een dergelijke straf ondergingen later, onder Hendrik III, al de edellieden, die zich binnen Guise bevonden, toen deze plaats door den Graaf van Nassau (Willem I) genomen werd.
’s Lands wijs, ’s Lands eer.—Wie ’t overal wil hebben gelijk hij het t’huis heeft, wie zijn voedsel, zijn ligging, zijn kleeding, zijn uren van opstaan, eten, enz. niet kan regelen naar de gewoonte der plaats, waar hij zich bevindt, doet beter, nooit van huis te gaan. Alcibiades, dien ik anders niet als voorbeeld ter navolging stellen zal, wist zich even goed te voegen naar de eenvoudige Spartaansche zeden en met smaak het zwarte mengsel te eten, dat zij soep noemden, als hij, in Ioniën zijnde, in weelde en voorspoed op zijn Persisch wist te leven. Trouwens Alcibiades had een dier gelukkige naturen, die zich overal te huis vinden en zich daardoor ook overal bemind maken.
Inzonderheid past die gave om zich naar de zeden van ’t land te schikken aan hen, die er voor hun eigen of huns meesters belangen zijn. Hoe zullen zij zich vrienden maken, als zij gedurig toonen met alles ontevreden en nimmer op hun gemak te zijn? Montaigne vroeg aan een Edelman, dien hij als zeer matig en ingetogen kende en die in Duitschland een belangrijke onderhandeling had gevoerd, hoe dikwijls hij zich in ’s Konings dienst een roes had gedronken. Deze antwoordde „drie malen”, en verhaalde meteen bij welke gelegenheden. „Ik ken er,” voegt Montaigne, dit verhalende, er bij, „wie hun onbekwaamheid om op die wijze meê te kunnen doen in groote ongelegenheid heeft gebracht.”—Gelukkig, dat men de Gezanten tegenwoordig niet meer op zulk een proef stelt: het zou anders wel noodzakelijk zijn, bij de examina, die afgenomen worden aan de aspirant-diplomaten, er een te voegen, waarbij zij een proef moesten afleggen van de hoeveelheid drank, die zij kunnen verzwelgen zonder van de bank te rollen.
Is men thans niet meer gehouden om, zoo men zich achting bij een volk wil verwerven, ook aan zijn uitspattingen en verkeerde gewoonten deel te nemen, toch zal men steeds wel doen, waar men zich bevindt, het spreekwoord „’s Lands wijs, ’s Lands eer” voor oogen te houden. Wie in Holland tegen den middag zijn koffie met een broodje gebruikt, gebruike in Engeland ale of porter met koud vleesch, en in Frankrijk zijn carbonade met een glas wijn, en hij zal er zich wel bij bevinden. De zendeling, die Sineezen of Hottentotten bekeeren wil, zal moeilijk slagen, zoolang hij niet eerst zelf zoo veel mogelijk een Sinees of een Hottentot wordt.
De Engelschman kan moeilijk, en minder dan iemand van eenige andere natie, van zijn gewonen leefregel afstand doen, en moet er dan ook dikwijls voor boeten. Ik herinner mij hoe, voor eenige jaren, verscheidene Europeanen in Sina werden vermoord. Onder hen was ook de korrespondent van het Engelsche dagblad the Times. Deze had, om Sina en de Sineezen recht goed te bestudeeren, zich geheel als een Sinees gekleed, sprak de taal van ’t land vrij vloeiend, en had een geheel Sineesche reisbagaadje meê. Hij werd echter als vreemdeling herkend en opgehangen.—Mij verwonderde dit volstrekt niet, toen ik las, dat hij onder zijn bagaadje een half dozijn flesschen soda-water had; want een Engelschman schijnt het buiten soda-water niet te kunnen stellen, en niemand dan een Engelschman zal er aan denken, soda-water op reis meê te nemen. Het zal dus wel zijn soda-water geweest zijn, dat hem verklapt heeft.
Maar behalve dat men, door ’s Lands wijs te volgen, zich aangenaam maakt bij de inboorlingen, is zulks ook steeds heilzaam voor de gezondheid. ’t Schijnt, dat de ervaring in ieder land dien leefregel heeft doen aannemen, die er het meest toe geëigend is, en wie tegen dien leefregel handelt, begaat altijd een waagstuk.
Men weet, welk een slechten naam de kust van Guinee heeft met betrekking tot het klimaat, en hoe weinig Europeanen er gezond blijven. En nu verdient het opmerking, dat gedurende den tijd, dat Napoleon in oorlog was met Engeland en ons land bij Frankrijk ingelijfd, zoo dat men in de gemelde kolonie niets uit Europa, veel min uit het moederland bekomen kon, de Hollanders, die er waren, volkomen gezond bleven. Men schreef dit daaraan toe, dat zij al dien tijd wel gedwongen waren geweest, zich uitsluitend met de voortbrengselen van ’t land te voeden en geheel op zijn Guineesch te leven.
Logen.—
Al is de logen nog zoo snel, De waarheid achterhaalt ze wel,—
zegt Cats: en zeer zelden ziet men, dat een logenaar, ook de gevatste, niet vroeg of laat wordt ontmaskerd en beschaamd gemaakt. „De logenaar,” zegt een Latijnsch spreekwoord, „behoort een goed geheugen te hebben,”—en toch verspreekt hij zich nu en dan en vergeet wat hij vroeger gezegd heeft. Ik wil daarvan een paar voorbeelden bijbrengen.
Koning Frans I had, na uit Italiën verdreven te zijn, te Milaan een geheimen Agent, die er zich in schijn voor zijn eigen zaken ophield, doch inderdaad om de gangen van den Hertog na te gaan. Gezegde Agent, die Merveille heette en stalmeester was van den Koning, had geheime geloofsbrieven en instruktiën mede, waaruit zijn hoedanigheid bleek van gemachtigde, doch ook brieven van aanbeveling aan den Hertog, die zijn bijzondere zaken betroffen. Intusschen kwam de zaak den Keizer ter ooren, die, er niet weinig over verstoord zijnde, bij den Hertog er op aandrong, dat de gemelde Agent van kant zou gemaakt worden. De Hertog, zich niet tegen ’s Keizers wil durvende verzetten, liet inderdaad Merveille op schoonschijnende gronden in hechtenis nemen, hem zijn proces opmaken en twee dagen later bij nacht onthoofden. Doch nu moest ook Koning Frans tevreden gesteld worden en tot dat einde zond de Hertog tot hem Francisco Taverna, die beroemd was als behendig en voorzichtig spreker. Taverna, bij den Koning gekomen, gaf hem een fraai opgesmukt verslag van de zaak, daarbij voorwendende, dat de Hertog zijn meester nimmer anders had kunnen denken, dan dat de veroordeelde een Milanees en een onderdaan was, en volstrekt niet had geweten, dat de man tot ’s Konings Huis behoorde en geloofsbrieven als Gezant bezat. Vruchteloos poogde een tijd lang de Koning, die aan gezegde praatjes geen geloof sloeg, Taverna door allerlei vragen en opmerkingen van zijn stuk te brengen, de listige Gezant had altijd een schijnbaar voldoend antwoord klaar. Eindelijk toch vroeg Frans I, waarom de straf bij nacht en als in ’t geheim voltrokken was;—waarop Taverna, plotslings uit beleefdheid jegens den Koning zijn rol vergetende, als reden daarvoor opgaf, dat zulks geschied was omdat de Hertog, uit eerbied voor Zijn Majesteit, niet had willen gedoogen dat de straf bij dag en in ’t openbaar voltrokken werd.—Men kan bedenken welk bescheid hij van den Koning kreeg, en deze verhief er zich later meermalen op, dat hij zulk een slimmen vos als dien Milanees zich zoo duidelijk had doen verspreken.
Nog erger bekwam een Gezant van Paus Julius II een logen, dien hij zich veroorloofde. De man was namelijk afgevaardigd naar Hendrik VIII van Engeland om dezen aan te sporen tot een oorlog met Frankrijk. Toen nu de Koning in zijn antwoord op het gedane voorstel de groote bezwaren opsomde, die er bestonden om zich ten strijde toe te rusten tegen een zoo machtigen Vorst als Frans I, zeide de Gezant zeer ten ontijde, dat hem die bezwaren ook vrij wichtig waren voorgekomen, en „dat hij ze reeds aan den Paus onder ’t oog had gebracht.” Die taal, zoo geheel afwijkende van het voorstel dat de Gezant belast was te doen, wekte ’s Konings wantrouwen op en het vermoeden, dat de ander in ’t geheim naar de zijde van Frankrijk helde; hij waarschuwde den Paus, die, hoogst verstoord, de goederen van den Gezant verbeurd verklaarde en hem naauwlijks genade van ’t leven schonk.
Menschenoffers.—Het is van ouds een volksgeloof bij de meeste Natiën geweest, dat men de Godheid met menschenoffers verzoende. Niet alleen verhaalt ons de Grieksche geschiedenis van Thoas, den dwingeland van Tauris, die de vreemdelingen slachtte op het outer van Diana, maar ook Achilles offert bij Homerus een stoet jonge Trojanen aan de schim van zijn vriend Patrokles, en gelijkelijk wijdt Eneas, bij Virgilius, een aantal gevangenen aan die van Pallas. In latere dagen zien wij, hoe Sultan Morad, na een glansrijke overwinning, 600 Grieksche jongelingen ten zoenoffer deed strekken aan de schim zijns vaders. De gezanten van den koning van Mexiko, bij Fernand Cortes van de macht huns meesters ophalende, verhaalden niet alleen, hoe hij dertig vazallen had, waarvan elk honderdduizend man te velde kon brengen, en dat hij zijn verblijf hield in de schoonste en sterkste stad die zich in de wereld bevond, maar voegden er bij, dat hij bij machte was, jaarlijks vijftigduizend menschen op de altaren der Goden te slachten. Wel is waar zorgde hij altijd met eenige naburige volkeren in oorlog te zijn, zoo om de jeugd in den krijg te oefenen als om altijd voorraad te hebben van gevangenen, tot offers bestemd. Elders werden tot welkomst aan Cortes in zeker dorp vijftig menschen geslacht. Een volksstam aldaar, die in den strijd tegen hem was te kort geschoten, zond hem gezanten met drie soorten van geschenken, die zij hem aanboden op de navolgende wijze: „Heer, hier zijn vijf slaven; indien gij een God zijt, die naar bloed dorst, zoo eet ze, en wij zullen er u meer zenden; zijt gij een zachtmoedige God, hier zijn wierook en pluimen; zijt gij een mensch, zoo aanvaard deze vogels en vruchten.”
Wanneer wij ons echter verwonderen en met afkeer spreken over de barbaarsche gewoonten dier heidensche volkeren, dan moeten wij niet vergeten, dat zij, die zich Kristenen noemen, hun, waar ’t op menschenoffers aankomt, niets te verwijten hebben, en dat, zoo ’t heette, tot Gods eer, duizenden en duizenden op schavotten en brandstapels of op andere wijze zijn om ’t leven gebracht. En dat niet alleen in de ruwe Middeleeuwen, maar ook in tijden, die op hooge beschaving roemden. Eischte de Inquisitie hare offers ter wille van den Godsdienst en namen haar tegenstanders niet zelden een bloedige weêrwraak, het was in naam der vrijheid, dat in ’t laatst der vorige eeuw onmenschelijke beulen dagelijks het bloed deden rooken van tallooze onschuldigen, en dat, als te Nantes, geheele scharen van grijsaards, vrouwen en meisjes in de rivier werden verdronken.
Moed.—Vele handelingen worden hoog geroemd omdat zij het gevolg schijnen van de edelste drijfveêren, terwijl zij inderdaad uit geheel andere oorzaken spruiten. Een soldaat van Lukullus had zich door den vijand van zijn plunje zien berooven: begeerig, die terug te bekomen, deed hij een wakkeren, doch hoogst gewaagden tocht, waarbij hij niet alleen het zijne terug bekwam, maar ook een rijken buit op den vijand behaalde. Lukullus, dit vernemende, kreeg daarop groote gedachten van zijn moed en droeg hem een niet minder gewaagde onderneming op, in de verwachting, dat hij niet zou aarzelen, de nieuwe gelegenheid om zijn moed te toonen, met gretigheid te aanvaarden. „Ik dank u,” zei de andere, „gebruik daar liever dezen of genen armen sukkel toe, die zijn boeltje kwijt is.”
In een gevecht van de Turken tegen de Hongaren, hadden zich Chazan en de Janitzaren, die hij aanvoerde, min dapper van hun plicht gekweten. Hierover op scherpe wijze door Sultan Mehemet doorgestreken, ging Chazan, tot eenig antwoord, zich met het zwaard in de vuist midden in de vijandelijke drommen werpen, waar hij, als te verwachten was, het offer werd van zijn waagstuk. Het was hier de spijt over den geleden hoon, die hem den onberaden moed had gegeven tot zulk een wanhopige daad.
Naauwgezetheid.—In de Middeleeuwen waren de Bisschoppen en andere Geestelijke Heeren, die de waardigheid van Pairs van het rijk bekleedden, gehouden, hun Soeverein in den oorlog te volgen. De Bisschop van Beauvais, die met Philippus Augustus op die wijze den slag van Bovines bijwoonde, nam dapper deel aan den strijd, doch, te naauwgezet om bloed te vergieten, waarvan, naar een oud voorschrift, de Kerk een afkeer heeft, bezigde hij een strijdkolf, en wanneer hij een vijand had nedergeslagen, liet hij aan een edelman van zijn gevolg de taak om hem verder om hals te brengen of gevangen te maken.
Niet minder naauwgezet had zich de man getoond, wien door Hendrik III van Frankrijk verweten werd, dat hij de handen aan een priester geslagen had.—„De handen aan een priester, Sire!” herhaalde de man: „’t zou nooit in mij zijn opgekomen, zulk een strafbaar feit te plegen. Ik heb hem alleen een trap gegeven dat hij rolde, en heb hem toen met de voeten een weinig op buik en maag getrommeld.”
Ouderliefde.—In de jaarboeken van Japan wordt het navolgende voorbeeld van zeldzame ouderliefde medegedeeld. Een Weduwe had drie zonen, die voor haar de kost zochten te verdienen, doch wier arbeid niet toereikend was om haar altijd het behoorlijk onderhoud te verschaffen. Het droevige schouwspel eener Moeder, die het noodige ontbeerde, bracht de jongelingen tot een allerzonderlingst besluit. Men had bij aanplakbiljetten bekend gemaakt, dat wie den dief van zekere gestolen goederen aan ’t gerecht overleverde, een bepaalde som gelds ontvangen zou. De drie broeders komen overeen, dat een hunner voor den dief zal doorgaan en door de beide anderen naar den Rechter gebracht worden. Zij loten om te weten wie tot offer der ouderliefde strekken zal, en het lot valt op den jongste, die zich als een misdadiger laat binden en naar den Rechter voeren. Deze ondervraagt hem: de knaap bekent de misdaad en wordt naar de gevangenis gebracht, terwijl zijn broeders het beloofde loon ontvangen. Doch, met het lot van den gevangene begaan, volgen zij hem in den kerker en nemen daar afscheid van hem onder bittere tranen. Zij waanden dat dit tooneel geen getuigen had; doch ook de Rechter had zich naar de gevangenis begeven en onopgemerkt een tooneel gadegeslagen, waar hij niets van begreep, doch ’t welk zijn nieuwsgierigheid zoo zeer wekte, dat hij aan een dienaar last gaf, de beide aangevers te volgen en hun bedrijf gade te slaan. De bediende kwijt zich van dien last en komt eerlang bericht brengen, hoe hij de jonge lieden had zien ingaan in een nederige woning, waar zij het door hen ontvangen geld ter hand gesteld hadden aan hun moeder, die op ’t hooren, tot welken prijs zij het verworven hadden, terstond bitter was beginnen te schreien en hun gelast had, het terug te brengen, verklarende liever van honger te sterven dan haar leven te rekken ten koste van haar kind. De Rechter, verbaasd over zulk een zeldzaam blijk van ouderliefde, laat den gevangene voor zich komen, onderhoudt hem over zijn gewaanden diefstal, dreigt hem zelfs met de felste straffen, indien hij de waarheid niet bekent; doch de jongeling blijft volharden bij zijn eerste verklaring. Diep getroffen verlaat hem de Rechter, doch doet verslag van het voorgevallene aan den Keizer, die, mede verrukt over een zoo heldhaftig betoon van teederheid, de drie broeders voor zich laat komen, hen van zijn genegenheid, en aan hun moeder een ruim inkomen verzekert.
Paard.—Bij de oude Grieken, zoo min als bij de Joden, werd het paard als strijdros of zelfs als rijdier gebezigd: en zoowel bij Homerus als in de Heilige Schrift wordt alleen daarvan gewag gemaakt als trekdier voor de strijdkarren. Dat de Grieken echter andere naburige volken hadden zien te paard rijden, en dit een zeer ongewoon verschijnsel hadden gevonden, blijkt daaruit, dat zij in hun mythen de ruiterij als Centauren of Paardmenschen voorstelden. Bij de Parthen daarentegen, gelijk later bij de meeste Aziatische volkeren, was van ouds het paardrijden een gewone en dagelijksche zaak. Van de Parthen wordt gemeld, dat zij te paard niet alleen ten strijde togen, maar ook hun bijzondere zaken deden, kochten en verkochten, onderhandelden en bezoeken aflegden; en dat bij hen het verschil tusschen Vrijen en Onvrijen daarin bestond, dat de eerstgemelden te paard, de anderen te voet gingen. Ook de Numidiërs, die een deel van het tegenwoordige Barbarijen bewoonden, waren treffelijke ruiters, en zoo zeker van hun paarden, dat zij die, zonder teugel, met de knieën of met de stem regeerden.
Geen wonder, dat langzamerhand ook de Grieken, en later ook de Romeinen, het nut inzagen, dat men van een welgeoefende ruiterij kon trekken, en dat zelfs te Rome de Ruiter- of Ridderschap als een bijzondere orde in den Staat werd aangemerkt, boven die der Plebejers verheven. Bij den roem, dien Alexander de Groote en Cezar verwierven, wordt ook die niet vergeten, welken hun paarden verkregen: beiden even wonderbaar in hun soort als hun meesters. Van Bucefal, Alexanders paard, zegt men, dat het een kop had naar dien van een stier zweemende, dat het door niemand dan door zijn meester getemd had kunnen worden en geen berijder duldde buiten hem; waarom het dan ook na zijn dood vereerd en een stad naar hem genoemd werd. Het paard van Cezar had gespleten hoeven in den vorm van menschenvingeren; het kon evenzeer alleen door zijn meester getemd en bereden worden, en na zijn dood werd zijn beeltenis door Cezar aan Venus toegeheiligd.
Hoewel Cezar, als hij vreemde volkstammen bedwongen had, doorgaans gelastte, dat zij hem hun wapenen en paarden zouden uitleveren, ten einde hun op die wijze hun voornaamste middelen tot krijgvoeren te ontnemen, toch stelde hij, wat zijn Romeinen betrof, steeds het meeste vertrouwen in hun voetvolk, dat door geen ander overtroffen werd; zoo zelfs dat hij, als de nood drong, de ruiters gelastte af te stijgen en te voet te strijden, in de overtuiging, dat zij zich dan beter en moediger zouden kwijten. Even zoo dachten ook over ’t algemeen de Franschen, in de oorlogen, die zij in de 14de en 15de eeuw tegen de Engelschen voerden: zij streden liever te voet dan te paard, als meer vertrouwen stellende in hun eigen moed, vlugheid en behendigheid dan in de belemmerende hulp, die een strijdros kon aanbieden: en ook bij de hedendaagsche wijze van oorlogvoeren schijnt het uitgemaakt, dat de kracht van een leger voornamelijk in het voetvolk bestaat.
Toen de Spanjaarden voor ’t eerst in Amerika kwamen, zagen de Indianen niet alleen hen, maar ook hun paarden, voor bovenmenschelijke wezens aan; en wanneer zij, na in een veldslag overwonnen te zijn, om vrede kwamen smeeken, brachten zij niet alleen aan de ruiters goud en spijzen, maar boden die ook den paarden met gelijke toespraken aan, hun gehinnik als een hun onbekende taal aanmerkende.
Wanneer oudtijds de Tartaren gezanten stuurden aan den Tsaar van Moscoviën, die toen zoo machtig niet was als tegenwoordig, ging deze hen te voet te gemoet, en bood hun een beker met paardemelk aan, en vielen er dan, onder ’t drinken, druppels op de manen hunner paarden, dan was hij gehouden, die met de tong af te lekken.
Panische schrik.—Men noemt panischen schrik de plotselinge ontsteltenis, die iemand overvalt, en geheel van ’t spoor brengt, dikwijls zonder dat er billijke grond voor vrees bestaat. Er zijn voorbeelden, dat zoodanige schrik geheele volkeren heeft vermeesterd, als o. a. te Karthago het geval was bij de nadering van Scipio: de menschen holden schreiende en weeklagende hun woningen uit, ja stormden op elkander in, elkander wondende en doodende, als hadden zij den vijand voor zich, en de geheele stad was een tooneel van verwarring.
Toen de laatste der Ptolemeën Achilles en Septimus afzond om Pompejus, die met het overschot zijner vloot herbergzaamheid bij hem zoeken kwam, te dooden, had de ongelukkige vluchteling zeer wel door zijn vrienden en volgers verdedigd kunnen worden; doch zoo zeer waren zij van schrik bevangen, op ’t zien der Egyptische schepen die hen naderden, dat zij dachten aan eigen lijfsbehoud en niet deden dan de manschap aan te sporen, zich met kracht van riemen te verwijderen, terwijl zij niet recht tot bezinning kwamen dan toen zij te Tyrus waren aangeland.
In enkele gevallen heeft men gezien, dat juist overgroote schrik tot overmoedigheid leidde. In den eersten veldslag, dien de Romeinen onder Sempronius tegen Hannibal verloren, togen tienduizend der hunnen op de vlucht; doch door de vijanden aan alle zijden omcingeld, wisten zij er niet anders op, dan zich op den dichtsten drom te werpen en er zich door heen te slaan, niet zonder een groote slachting onder de Karthagers te hebben aangericht; aldus een schandelijke vlucht tot denzelfden prijs koopende, als waarvoor zij een roemrijke overwinning hadden kunnen behalen.
Gespt de vrees somtijds vleugels aan de hielen, op andere tijden verlamt zij elke beweging bij hem, dien zij bevangen heeft, en wordt de mensch het vogeltje gelijk, dat, bedwelmd door de blikken van de loerende slang, het besef mist, om zich door de vlucht te redden. Keizer Theofilus, een slag tegen de Agarenen verloren hebbende, was van schrik zoozeer versteld en verstijfd, dat hij niet in staat was een stap te doen om ’t gevaar te ontkomen, totdat Manuel, een zijner Krijgsoversten, hem aangreep en schudde, als men iemand doet, dien men uit den slaap wil opwekken, er bijvoegende: „Zoo gij mij niet volgt, dan dood ik u, want het is beter dat gij het leven verliest, dan dat gij gevangen genomen wordt en het Rijk verspeelt.”