ANEKDOTEN. (continued 2)
Reading edition
Toen de Hertog van Bourbon storm liep op Rome, werd een vaandeldrager, die aan de voorstad St. Pieter de wacht hield, zoo zeer van schrik bevangen, dat hij, door een opening in den muur aan den loop ging, recht op den vijand aan, terwijl hij zich verbeeldde binnen de stad te vluchten. Niet eer bemerkte hij zijne vergissing dan toen het volk van Bourbon, in den waan verkeerende dat er meer volk volgde en de bezetting een uitval deed, zich aaneensloot om het te ontvangen; waarop hij, rechts-om-keert makende, naar de stad terugvlood en hetzelfde gat weêr binnenkroop waar hij was uitgekomen.
Aarnout, de onechte zoon van Karelman, betwistte in 888 het rijk aan Guy, Hertog van Spoleto, die reeds Rome vermeesterd had. Na onderscheidene veldslagen komt Aarnout voor die stad en maakt de noodige toebereidselen om haar te berennen. Terwijl zijn arbeiders bezig zijn, doen zij een haas op, die verschrikt door ’t leger vliedt, zijn weg naar de stad nemende. De soldaten vervolgen het dier al lachende en joelende. Maar de belegerden, die niet den haas, maar wel de toesnellende soldaten zien, verbeelden zich, dat er reeds storm geloopen wordt, en dewijl hun verdedigingsmiddelen niet gereed zijn, verlaten zij in allerijl de wallen. Aarnout wordt dit gewaar, grijpt de gelegenheid aan, gelast de bestorming, neemt Rome en laat er zich tot Keizer kronen.
In 1598 werd het kasteel van Moyrane door de Franschen onder Lesdiguières belegerd. Een bres gemaakt hebbende, klimmen de belegeraars naar binnen, doch vinden een geduchten tegenweer. In ’t heetste van ’t gevecht weet een Trompetter naar binnen te dringen en den toren te beklimmen, van waar hij nu met kracht den aanval blaast. Zulk een ontsteltenis brengt dit onder de belegerden te weeg, dat zij zonder nadenken in de gracht springen of zich laten ombrengen, zoodat er van hun driehonderden niet meer dan twee gespaard blijven.
Een dergelijk feit als dat van dien Trompetter werd door een Vlissinger gepleegd, en leidde tot de vermeestering van den Bosch. Bij de berenning dier stad door Frederik Hendrik was gemelde soldaat de stad binnengedrongen, en terstond naar de Groote kerk geloopen, waar hij, den toren beklommen hebbende, er een Prinsenvlag uitstak, die hij, om zijn lijf geslagen, had medegebracht. Het zien dier vlag sloeg de belegerden met zulk een schrik, dat zij, de stad reeds in ’s vijands macht wanende, allen verderen tegenweer opgaven.
De Engelschen, in 1647 het voornemen opgevat hebbende om de haven van l’Orient te bederven en op die wijze de Fransche Oostindische Maatschappij ten gronde te richten, zonden te dien einde een vloot af, aan boord waarvan zich de Generaal Sinclair bevond met 7000 man landingstroepen. Aan de kust van Bretagne geland, eischt Sinclair l’Orient op, dat zich overgeeft zonder tegenweer. Den volgenden morgen slaan de tamboers der militie van l’Orient, die geen tegenbevel bekomen hadden, als naar gewoonte hun generalen marsch. Sinclair vraagt aan iemand van ’t land, wat dat getrommel na de gesloten kapitulatie beteekent. De ander antwoordt, dat men hem een valstrik gespreid heeft met die kapitulatie en dat eene afdeeling van 12000 man, in de nabijheid gelegerd, slechts wacht, dat hij zijn troepen aan wal zal gezet hebben, om die te omcingelen en gevangen te maken. Staande dit gesprek verandert de wind, waar de Admiraal door middel van een sein Sinclair van verwittigt. Deze laatste nu, vol vrees van overvallen te worden, scheept zich weder in en kiest de ruimte. Maar nu komen zij, die de kapitulatie gesloten hebben, buiten, om zich aan den Engelschen Generaal te onderwerpen, en staan geheel verbaasd, niemand meer te vinden. De bloôhartigheid en de dwaasheid, zegt de Schrijver, aan wien wij deze vertelling ontleenen, stonden aan weêrskanten gelijk.
Raad inwinnen.—Dat men raad gaat vragen bij anderen, die men wijzer of beter op de hoogte acht, is op zich zelf zeer verstandig, doch van de honderd, die zulks doen, zijn er negen-en-negentig, die reeds vooraf hun besluit genomen hebben, en eigenlijk alleen daarom bij een raadsman gaan, omdat zij hopen en verwachten dat die zal instemmen met hun zienswijze en zij zich, als de zaak tegenslaat, op hem zullen kunnen beroepen. Een raad, die niet overeenstemt met het verlangen van den vrager, wordt dan ook maar zeldzaam nagekomen, en is er in dien raad iets twijfelachtigs gelegen, dan wordt de twijfel altijd op zoodanige wijze uitgelegd als met dat verlangen overeenkomt. Een voorbeeld uit duizenden levert de volgende vertelling. Een boerin, die haar man verloren had, wilde met haar bouwknecht Jan hertrouwen en ging bij den Pastoor om raad. „Ik ben nog jong genoeg om te trouwen,” zeide zij. „Trouw dan,” antwoordde Heeroom. „Maar men zal misschien zeggen, dat mijn aanstaande veel te jong voor mij is.”—„Trouw dan niet.”—„Ik heb echter een hulp noodig en hij verstaat het boerewerk.”—„Trouw dan.”—„Maar ik ben bang, dat hij mij verwaarlozen zal.”—„Trouw dan niet.”—„Van een anderen kant, een arme weduwvrouw wordt door iedereen misleid en bedrogen, als zij geen steun heeft.”—„Trouw dan.”—„Ik ben bang, dat hij gekheid maakt met de meiden.”—„Trouw dan niet.”—Op die manier ging het gesprek voort en de vrouw klaagde, dat zij even wijs bleef als zij gekomen was, waarop de Pastoor, die geen trek had om in een zoo teedere zaak een bepaald advies te geven, haar raadde, naar de klokken te luisteren die juist zouden beginnen te luiden, en zich te regelen naar den raad, dien deze haar geven zouden. De vrouw deed het en meende duidelijk uit het klokgebrom te verstaan: „trouw uw bouwknecht Jan.”—Zoo deed zij; doch weldra had zij er bitter berouw van en ging zich bij den Pastoor beklagen, dat die haar naar een zoo bedriegelijk orakel, als die klokken waren, verwezen had. „Dan heb je niet goed verstaan, wat zij zeiden,” antwoordde de Geestelijke: „ga er nog eens naar luisteren. Wel, wat zeggen zij?”—„Och, Heeroom!” riep zij, „zij hebben groot gelijk. Had ik de vorige keer maar beter geluisterd. Zij zeggen heel duidelijk: „trouw uw bouwknecht niet.””
Het raadgeven is altijd een hachelijke zaak, omdat de beste raad dikwijls in onvoorziene omstandigheden een slechte uitkomst kan opleveren; terwijl het omgekeerde evenzeer het geval kan wezen. De Athener Focion had eens aan zijne stadgenooten een raad gegeven, die niet gevolgd werd. Toch had de zaak, tegen zijn verwachting, een goeden afloop. „Wel, Focion,” vroeg hem iemand, „hoe denkt gij er nu over?”—„Ik verheug mij, dat het zoo gegaan is,” antwoordde Focion, „doch ik heb geen berouw over hetgeen ik gezegd heb.”
Vooral is het moeilijk, raad te geven aan hen, die boven ons geplaatst zijn. In zoodanig geval, zeide de beroemde Engelsche Kanselier Bacon, zal men altijd best doen de les, die men geeft, in te kleeden met de woorden van dezen of genen schrijver der Oudheid, of een algemeen gangbare spreuk te bezigen, waarvan men aan hem, die den raad behoeft, de toepassing overlaat.
Toch vindt men er genoeg, die altijd bereid zijn ook ongevraagd raad te geven. ’t Is dan minder de vriendschap, dan de ijdelheid, die spreekt. Een wijsgeer gaf eens aan een dier ijverige raadgevers tot antwoord: „hoe wilt gij, dat ik mij beter van mijn gebreken, als gij u niet beteren kunt van ’t gebrek van anderen te willen verbeteren.”
De dichter Scheichi was arm, en voorzag in zijne behoeften door den verkoop van een oogwatertje. Maar hij zelf leed aan zijn oogen en dacht er niet aan om het middel te gebruiken, dat hij aan anderen verkocht. Eens dat er iemand een fleschje bij hem kocht tegen den prijs van een asper, gaf die, in stede van één asper, hem er twee. Scheichi wilde hem er een teruggeven; doch dien weigerde de kooper: „de eene,” zeide hij, „is voor het fleschje, dat ik voor mijn gebruik behoef: de andere, opdat gij er een voor uzelven koopt en er uw eigen oogen meê wrijft, die ’t zeer noodig hebben.”—Als met Scheichi gaat het met meer van die lieden, die altijd bij de hand zijn om anderen met hun raad te dienen en zelven zich zeer verkeerd gedragen.
Redenaars.—Het was bij de Romeinen niet ongewoon, dat de Advokaten elkander grofheden zeiden. Zoo vroeg Filippus eens aan een anderen rechtsgeleerde, die tegen hem pleitte, en Catulus („hondje”) genoemd was, waarom hij zoo „blafte?” „Omdat ik een dief over mij zie,” was het antwoord.
Een middelmatig redenaar vroeg aan dien zelfden Catulus: „ben ik niet gelukkig geweest in het opwekken van het gevoel van medelijden bij mijn toehoorders?”—„Voorzeker”, antwoordde de ander, „geen onder hen, die uw rede niet deerniswaardig vond.”
Verres, die beschuldigd was, zich verrijkt te hebben, door de Gewesten, waarin hij het bewind gevoerd had, onmatige lasten op te leggen, had aan den redenaar Hortensius, die hem verdedigen zou, een keurig bewerkten ivoren Sfinx gezonden. Toen nu Cicero in zijn pleidooi tegen Verres eenige duistere toespelingen gemaakt had op de handelwijze van Hortensius, zeide deze, dat hij niet in staat was, raadsels op te lossen. „Dat is vreemd,” voegde hem Cicero onmiddellijk toe, „als men den Sfinx in huis heeft.”
Theofrastus verhaalt van een bejaarden redenaar, die zich blankette. Archidamus, voor den Raad van Sparta tegen hem pleitende, zeide dat men iemand niet gelooven moest, die den leugen op zijn voorhoofd droeg.
Eens zeide mij de Heer Thorbecke, sprekende van een onzer medeleden in de Kamer, die het talent had lang en aangenaam te spreken, zonder echter veel bijzonders voor te dragen: „de redevoeringen van dien man zijn wolbalen: veel omvang, weinig gewicht.”
Een Rechter, die, ’t zij ten gevolge van beschroomdheid, ’t zij om andere redenen, nooit in staat was geweest, voor de vuist te spreken, viel eens een Advokaat, die aan ’t pleiten was, in de rede. „Gij doet mij gevaar loopen, mijn Heer, den draad van mijn pleidooi te verliezen,” zei de Advokaat, „en toch weet niemand beter dan gij, hoeveel moeite het kost, in ’t openbaar te spreken.”
Beter begreep de Amsterdamsche Schepen zijn plicht tegenover den later zoo beroemden Advokaat Angelus Cuperus. Deze zou voor ’t eerst pleiten, en wel in een assurantie-zaak; doch het ongewone maakte hem onthutst en verlegen. „Het schip de Twee Gebroeders,” begon hij: „....het schip de Twee Gebroeders....het schip....”—„Mijn Heer!” zei de President-Schepen: „dat schip zal van daag niet van stapel loopen; wij stellen de behandeling der zaak veertien dagen uit.”—Dit geschiedde, en veertien dagen later hield Cuperus een meesterlijk pleidooi.
Een Advokaat pleitte eens zeer lang over een zaak, die naar ’t oordeel van de Rechtbank te eenvoudig was om er zooveel bij om te halen. Reeds een paar keeren had de Voorzitter hem verzocht zich te bekorten, doch telken reize had de Advokaat beweerd, dat al wat hij zeide onmisbaar tot de zaak behoorde. De Voorzitter verloor eindelijk zijn geduld en zeide: „De Rechtbank gelast u, konklusie te nemen.”—„Wel!” zei de Advokaat, „ik konkludeer dat de Rechtbank hoore wat ik nog te zeggen heb.”
Dumont, die in de vorige eeuw te Parijs een der beroemdste advokaten was, pleitte eens voor ’t Parlement aldaar en voegde bij uitmuntende en afdoende gronden er sommige, die zwak waren of veel van drogredenen hadden. De Eerste Voorzitter, Dr. Harley, kon niet nalaten hem na de zitting daarvan een verwijt te maken. „Wat wilt gij, mijn Heer de Voorzitter,” zei Dumont: „iedereen is niet vatbaar voor gezonde redenen! Ik moest argumenten bezigen al naar de Rechters zijn: het eene dient om den Heer A., het andere om den Heer B. te vangen: men moet elk naar de mate van zijn verstand bedienen.” Toen nu vonnis gewezen was en de Advokaat zijn zaak gewonnen had, zeide de Voorzitter tegen hem: „Mr. Dumont, uw pakjes zijn behoorlijk aan hun adres te recht gekomen.”
Een beroemd Advokaat had zich belast met een zaak voor koorddansers en dergelijk kermisvolk. De Voorzitter betuigde hem zijn verwondering, dat hij voor dergelijke lieden pleiten zou. „Ik meende,” antwoordde de Advokaat, „dat zoodra het Hof ’t niet beneden zich acht, die lieden in hun belang te hooren, ik het niet beneden mij achten moest, voor hen te pleiten.”
Aan een ander Advokaat werd gevraagd, hoe ’t kwam, dat hij zich met schurfte zaken belastte. „Och!” zeide hij, „ik heb er zoo vele goede verloren, dat ik niet meer weet welke ik nemen zal.”
Regeeren na den dood.—Het is niet alleen voor erfgenamen en boedelberedders een zeer lastige, maar ook in ’t algemeen een zeer verkeerde zucht, te willen regeeren na zijn dood. Dat iemand, met het vooruitzicht van den dood, beschikkingen maakt betreffende zijn nalatenschap, is loffelijk, alleen uit twee oogpunten: vooreerst voor zoo verre hij daarbij zorgt, dat zijn zaken in behoorlijke orde zijn, zoodat zij, die na hem komen, geen of weinig moeite hebben met het beredderen van den boedel; en ten andere, voor zoo verre hij daarbij bewezen diensten beloont, of welkome herinneringen vermaakt aan hen, die hem dierbaar zijn. En dan nog is het dikwijls de vraag, of de sommen, die eerst na zijn sterven aan anderen verstrekt worden, hun niet even welkom, ja nog welkomer waren geweest, indien hij ze hun bij zijn leven had geschonken. Maar waar ik vooral geen vrede meê kan hebben, is met die legaten aan armen en aan liefdadige instellingen. De dagbladen in hunne kolommen, en de Regenten van Arm- en Godshuizen in hun verslagen en toasten, mogen den naam van zulk een erflater met hooge ingenomenheid vermelden en ’s mans liefdadigheid roemen, ik zal alleen dan met die loftuitingen instemmen, wanneer de overledene geen kinderen of naaste erfgenamen heeft gehad, en zijn inkomsten noodig had om naar zijn stand te leven. Maar in elk ander geval is ’t al heel gemakkelijk voor hem, zich edelmoedig te betoonen, en zijn ’t per slot zijn erfgenamen, en niet hij, van wie de giften herkomstig zijn. Slechts hij, die bij zijn leven geeft, en zoo, dat hij er zich eenige genoegens voor ontzegt, die hij anders zou gesmaakt hebben, mag inderdaad aanspraak maken op den eernaam van weldadig.
Dat weldadigheid uitoefenen ten koste van anderen, spruit bij velen voort uit de meening, waarin zij verkeeren, dat zij daarmeê den hemel zullen verdienen, alsof Onze Lieve Heer evenzoo handelde als aardsche Vorsten somtijds doen, wanneer zij den Minister een kruis of lint schenken voor den arbeid, die een ondergeschikte heeft verricht;—maar ook bij sommigen uit ijdelheid, om na hun dood in ’t rond geprezen te worden. Uit kleingeestigheid daarentegen spruiten beschikkingen van een anderen aard, namelijk zoodanige, waarbij allerlei beuzelachtige bijzonderheden worden opgesomd, die bij de begrafenis in acht zijn te nemen, of die ’t bestier over huis, stal of andere zaken betreffen; en uit gebrek aan doorzicht de zoodanige, b. v., waarbij gelden worden vast gemaakt en bestemd tot doeleinden, die langzamerhand niet meer vervuld kunnen worden. Zoo b. v. liet de geleerde Hoeufft te Breda, die een groot minnaar en beoefenaar der Latijnsche dichtkunde was, een belangrijke som na, die strekken moest om daaruit jaarlijks een gouden eerepenning te verstrekken aan den vervaardiger van een Latijnsch gedicht, dat door drie gelukkige beoefenaars der Latijnsche poëzie dien prijs waardig gekeurd zou zijn. De erflater was niet indachtig geweest op hetgeen al spoedig na zijn dood zou plaats hebben, n. l. dat het vervaardigen van Latijnsche verzen in onbruik geraken zou, en vooral, dat er wellicht geen drie personen in Nederland meer zouden te vinden zijn, de vereischten bezittende, die hij in de beoordeelaars vorderde.
Intusschen, hoe men ook die liefhebberij, om nog na den dood over zijn eigendom te blijven regeeren, moge afkeuren, geheel uitroeien zal men haar niet, omdat zij den mensch als ’t ware is ingeschapen. Niemand schier, of hij verzet zich tegen de gedachte, dat hij van al het aardsche scheiden moet; men wil zoo gaarne ook na zijn dood ten minsten eenigen invloed behouden op wat men achterliet, en begeert dat daarmede althans in onzen geest worde gehandeld. Hoe sterk dat gevoel bij velen spreekt, wordt door talrijke voorbeelden uit de geschiedenis gestaafd. Ik zou er bij menigte kunnen opnoemen; doch kies er bij voorkeur eenige van doorluchtige personen, die ook na hun dood wilden voortleven, al was ’t dan op vrij zonderlinge wijze.
Eduard I, Koning van Engeland, had langdurige oorlogen gevoerd tegen Koning Robbert van Schotland. Hij had daarbij doorgaans opgemerkt, dat zijn tegenwoordigheid niet weinig toebracht om zijn leger aan te moedigen, en althans schreef hij daaraan de door hem behaalde overwinningen toe. Met die overtuiging bezield, liet hij, stervende, zijn zoon beloven, dat deze na zijn dood zijn lijk van ’t vleesch zou ontdoen en dit laten begraven, maar zijn gebeente met zich voeren zou, zoo dikwijls men weêr tegen de Schotten te velde trok:—zijnde, volgens zijn waan, de overwinning aan zijn beenderen gehecht.
Niet minder vreemd luidde de laatste wilsbeschikking van Johannes Ziska, den aanvoerder der Hussiten. Deze gelastte, dat men hem na zijn dood zou villen, en zijn vel op een trom spannen; hopende alzoo dat de vijand, als daarop getrommeld werd, evenzeer de vlucht zou nemen als men het herhaaldelijk voor hem, die in dat vel stak, had gedaan.
In hoeverre het geraamte van Koning Eduard en het vel van den Hussiet inderdaad de uitwerking hebben gehad, die zij er zich van beloofden, laat ik daar; doch schooner voor de eer eens afgestorvenen is het, wanneer zijn overblijfselen ook zonder beschikking zijnerzijds eerbied aan vriend en vijand inboezemen. Dit was het geval toen de dappere Bertrand du Guesclin omkwam bij het beleg van ’t kasteel Rancon in Auvergne, en de belegerden, tot de overgave genoodzaakt, de sleutels van ’t gebouw in niemands handen wilden stellen, maar nederlegden op de lijkkist des overledenen.
Een dergelijken eerbied voor een afgestorvene betoonde de Venetiaan Teodoro Trivultio. Bartolomeo d’ Alviano, die de Venetiaansche troepen had aangevoerd tegen Brescia, was in een veldslag gesneuveld en zijn lijk werd naar Venetiën teruggevoerd. De weg leidde over ’t Veronische, toen een vijandig land, en de Legerhoofden waren meestendeels van oordeel, dat men aan die van Verona een vrijgeleide vragen zou; doch een hunner, Trivultio, verzette zich daartegen en dreef door, dat men het gezegde grondgebied des noods met geweld moest doortrekken. „Het was,” zeide hij „niet betamelijk, dat de man, die levend nooit een vijand gevreesd had, na zijn dood blijk van schroomvalligheid zou toonen.”—Gewis herinnerde zich Trivultio bij die gelegenheid, hoe bij de oude Grieken de regel gold, dat hij, die aan zijn weêrpartij verlof verzocht om zijn lijken te begraven, afstand deed van de overwinning en geen zegeteeken mocht oprichten; terwijl de partij, aan welke ’t verzoek gedaan werd, er roem uit trok. Krachtens dat krijgsgebruik verloor Hicias het voordeel, dat hij buiten allen twijfel op die van Korinthen had behaald; terwijl daar-en-tegen Agezilaus, door aan de Beotiërs hun verzoek toe te staan, zich een voordeel op hen verzekerde, dat anders aan grooten twijfel onderhevig ware geweest.
Om tot uiterste wilsbeschikkingen terug te komen, loffelijk is die van den Ridder Bayard, die, toen hij in den strijd doodelijk gewond werd door een busschot, en men hem buiten ’t gevecht wilde voeren, eerst zulks weigerde, zeggende, dat hij in zijn levensuiterste geen begin wilde maken met den vijand den rug te keeren, wat hij nimmer gedaan had; doch toen hij zijn krachten voelde bezwijken, en niet langer bij machte was in den zadel te blijven, zijn Stalmeester verzocht hem aan den voet van een boom te leggen, doch zoo, dat hij met het gezicht naar den vijand gekeerd bleef; en in die houding stierf hij.
Men weet, hoe Vrouwe Maria van Borgondiën, van ’t paard gevallen zijnde, en haar dij gekwetst hebbende, overleed ten gevolge eener te ver gedreven kieschheid, daar zij niet had willen toelaten, dat een wondheeler haar ontbloote beenen zag;—haar echtgenoot, Aartshertog, later Keizer, Maximiliaan, was nog preutscher dan zij, ’t geen in die eeuw en bij een man als zeer zonderling werd beschouwd. Zoo verre dreef hij de kieschheid, dat hij bij uitersten wille beschreef, dat men hem als hij dood was, niet zonder broek zou begraven. Hij vergat, in een kodicil er bij te voegen, dat de dienaar, die hem de broek zou aantrekken, eerst geblinddoekt worden moest.
Is deze beschikking zonderling, belachelijk is die van zekeren Franschen Edelman, die, in hoogen ouderdom stervende en hevig lijdende aan den steen, zijn laatste levensuren besteedde om niet slechts al de bijzonderheden voor zijn begrafenis te regelen, maar ook al den Adel uit de buurt, en vooral een Vorst van koninklijken bloede, die hem bezoeken kwam, uit te noodigen, zijn uitvaart met hun gevolg bij te wonen, alle mogelijke gronden bijbrengende, om te betoogen dat hem die eer toekwam, en toen hij hun woord gekregen had, gerust den geest gaf.
Geheel anders dacht daarover M. Emilius Lepidus, die aan zijn erfgenamen verbood bij zijn begrafenis de anders gebruikelijke plechtigheden in acht te nemen,—een beschikking, waarover hij door sommigen geprezen werd, die er een bewijs van zedige eenvoudigheid in zagen, door sommigen gelaakt, die haar aan ongepaste karigheid toeschreven. Mijns bedunkens handelt hij het verstandigst, die zich niet bekommert over zijn ter-aarde-bestelling en die aan zijne erfgenamen overlaat. Te recht zegt Cicero, daarvan gewagende: „dat men die zaak, waar ’t ons zelve aangaat, niet moet tellen, maar niet verwaarloozen, waar ’t onze naastbestaanden betreft”[2]. En evenzoo oordeelt Augustinus, waar hij zegt, dat de zorg voor de begrafenis, de hoedanigheid van het grafteeken en de luister der lijkplechtigheden zaken zijn, die meer de vertroosting der levenden betreffen dan de behoeften der dooden[3].
Schrijvers.—Men heeft den schrijvers wel eens een te groote ingenomenheid met hun letterkundige voortbrengselen verweten, en zeker zijn zij, die zelve bij anderen den lof van hun papieren kinderen uitbazuinen, of, nog erger, er anderen op onthalen, even zeer te veroordeelen en te schuwen als zij, die in gezelschap hun kinderen van vleesch en bloed als kleine wondertjes voorstellen en ze hun kunsten laten vertoonen. Maar van eenen anderen kant kan men het aan een schrijver niet ten kwade duiden, dat hij aan de voortbrengselen van zijn geest eenigermate gehecht is. ’t Zijn toch ook zijn kinderen, en nog wel de zoodanige, die uit zijn brein, als Minerva uit dat van Jupiter, en zonder iemands tusschenkomst, zijn voortgesproten. Of die gelukkig of minder gelukkig zijn uitgevallen, of de affektie, die hij hun toedraagt, beredeneerd is of niet, doet minder ter zake. Zelfs is meer dan eens opgemerkt, dat ouders doorgaans een voorliefde hebben voor dezen of genen onder hunne kinderen, die ’t minst naar lichaam of geest ontwikkeld zijn: en op gelijke wijze ziet men niet zelden den auteur zeker zwak koesteren juist voor ’t werk, dat de kritiek ’t minst goed geslaagd oordeelt.
Van de gehechtheid des schrijvers aan zijn werk bestaan zelfs aandoenlijke voorbeelden. Te Rome leefde in de eerste eeuw onzer jaartelling zekere Labiënus, die niet alleen uitmuntte door aanzien en karakter, maar ook verscheidene keurige werken had in ’t licht gegeven. Hij had zich benijders en vijanden verwekt, die hem voor den Rechter riepen, en voorstelden als de jeugd door zijn geschriften te hebben bedorven. Die voorstelling schijnt geheel lasterlijk en valsch te zijn geweest. Wat daarvan zij is niet uit te maken, dewijl zij niet tot ons gekomen zijn; genoeg, de Rechter hechtte er aan en gelastte, dat zij verbrand zouden worden. En dit was, naar men beweert, het eerste voorbeeld dat te Rome gegeven werd van een vonnis, tegen boekwerken geveld. Labiënus nu trok zich het verlies zijner papieren kinderen zoo zeer aan, dat hij zich levend liet wegdragen en opsluiten in het graf zijner voorvaderen, en zich daar vrijwillig den dood gaf.
Hetzelfde deed Kumutius Kordus, die onder Tiberius leefde en wiens boeken ten vure gedoemd waren, omdat zij den lof van Brutus en Kassius behelsden. Hij hield hun gezelschap en getroostte zich den hongerdood.
Kassius Severus volgde dit voorbeeld niet, maar tergde zijn rechters, toen hij, krachtens hun vonnis, zijn boeken verbranden zag, en riep hun toe, dat zij hem mede hadden moeten veroordeelen om verbrand te worden; want dat hij al wat in die boeken stond in zijn geheugen bewaarde.
Toen de dichter Lukanus, door Keizer Nero ter dood veroordeeld zijnde, zich door zijn arts de aderen had doen openen, en door bloedverlies verzwakt, begon te bemerken dat de dood, die reeds zijn uiterste lichaamsdeelen had verstijfd, nu ook den zetel zijns levens naderde, hief hij aan met het opzeggen van eenige regels uit zijn gedicht over den slag bij Farsale, en stierf met die verzen in zijn mond. Het was als een laatst vaarwel, zijn kinderen toegeroepen.
Gelijk met de schrijvers, is het met alle kunstenaars gesteld, wat door de Oudheid zeer gelukkig is voorgesteld in de fabel van Pygmalion, die op het beeld verliefde, dat het werk was zijner handen.
Slaap.—Het is over ’t algemeen het bewijs, niet alleen van een gezond gestel, maar ook van een sterken geest, onder alle omstandigheden des levens goed te kunnen slapen. In de nacht, die den dag voorafging, waarop Alexander de Groote den beslissenden slag aan Darius leveren zou, sliep hij zoo gerust, dat zijn vertrouweling Parmenio verplicht was hem te gaan wekken, en hem tot twee of drie malen bij zijn naam te roepen eer hij hem wakker kreeg.
Cato, de jongere, besloten hebbende zich van kant te maken, wilde daarmede wachten tot hij bericht zou hebben bekomen dat de Senatoren, die hij had weggezonden, veilig buiten de haven van Utika waren gekomen, en ging zoo lang te bedde liggen, waar hij in een zoo diepen slaap viel, dat men hem in de naaste kamer hoorde snorken. Toen de bode, dien hij naar de haven om tijding had afgezonden, was teruggekeerd en hem gewekt had met het bericht, dat tegenwind alsnog het uitzeilen der schepen belette, draaide hij zich weder op zijn bed om en sliep even gerust weder in. Eerst toen hij door een tweeden bode onderricht was dat de vaartuigen in zee waren, stond hij op en volvoerde zijn opzet.
Omtrent hetzelfde wordt verhaald van Keizer Otho, die, evenzeer voornemens zijnde zich te dooden, ’s avonds orde op zijn zaken stelde, zijn geld onder zijn dienaars verdeelde, den degen, waar hij zich meê wilde om hals brengen, scherpte, en zich toen gerust te slapen ging leggen, even als Cato zijn voornemen niet volvoerende, dan na dat hij bericht had dat al zijn vrienden in veiligheid waren.
Doch het was niet alleen in zijn uiterste, dat Cato zulk een kalmte van geest toonde: ook een voorbeeld uit vroeger dagen is ons daarvan bewaard gebleven. Ten tijde van de groote samenzwering van Katilina had de Volkstribuun Metellus een voorstel gedaan om Pompejus met zijn troepen binnen de stad te roepen. Cezar, het volk, allen waren op de hand van Metellus en niemand wederstond hem dan Cato alleen, ’t Was bekend, dat op den dag, waarop de zaak zou beslist worden, een troep huurlingen en zwaardvechters Metellus zouden vergezellen, zoodat al de bloedverwanten en vrienden van Cato zeer bezorgd voor hem waren, en velen onder hen de nacht wakende doorbrachten om te overleggen, hoe zij hem aan het gevaar zouden onttrekken. Ook zijn vrouw en zijn zusters deden niets dan het huis met jammerklachten vullen: hij daar en tegen sprak iedereen troost in, at en dronk als naar gewoonte en ging toen naar bed, waar hij zoo gerust sliep, dat een zijner vrienden hem den volgenden morgen moest komen wekken om naar de plaats te gaan waar ’t geding zou gevoerd worden.
De Raadpensionaris Jan de Witt behoorde ook onder hen, die slapen kunnen zoodra zij ’t oorkussen ruiken. Hij placht te zeggen, dat iemand, die vele en gewichtige zaken in ’t hoofd heeft, die moet kunnen ter zijde stellen zoodra hij zich te bedde bevindt: een raad, die uitmuntend is, doch dien iedereen niet even bekwaam is te volgen. ’t Is echter in ’t algemeen raadzaam, niet onmiddellijk van den arbeid naar bed te gaan; want dan blijven allicht onze gedachten op hetzelfde punt werkzaam en belet ons dit te slapen: men doet daarom altijd beter, niet later dan tot een zeker uur te werken, en dan ’t zij een spel, ’t zij een weinig vermoeiende lektuur bij de hand te nemen, of zich op andere wijze te ontspannen, zoodat men met een verfrischt hoofd te bedde gaat: ik althans heb mij bij ’t aanwenden van soortgelijke middelen steeds wel bevonden.
Men heeft opgemerkt, dat lieden, die wegens misdaden te recht stonden waar de hals meê gemoeid was, doorgaans zeer slecht sliepen in de nacht voor dat het vonnis zou gewezen worden, dewijl alsdan de onzekerheid omtrent hun lot hen uit den slaap hield, maar daar en tegen zeer gerust in de nacht voor dat het vonnis zou voltrokken worden en als zij de overtuiging hadden, dat er toch aan hun zaak niets meer te doen was.
Snapachtigheid.—Men beschuldigt in ’t algemeen de vrouwen van een haar ingeboren zucht tot snappen, en de hekel- en blijspel-dichters, zie o. a. Hooft in zijn Warenar, hebben dan ook nimmer nagelaten, die zucht op allerlei wijze ten toon te stellen. Toch is het de vraag, of die meerdere geneigdheid tot praten niet veeleer een gevolg is van de bijzondere omstandigheden, waarin de vrouwen geplaatst zijn. Zij toch hebben over ’t geheel zoodanige bezigheden, waarbij de handen alleen ’t werk doen, terwijl hoofd en tong geheel vrij zijn. ’t Zij ze aan ’t naaien of borduren, ’t zij ze aan ’t wasschen of schoonmaken zijn, de verbeelding heeft vrij spel en, zij zouden zich vervelen, indien zij niet nu en dan een praatje maakten. De mannen daar-en-tegen, zijn ze ambtenaren, klerken, kantoorbedienden, advokaten, prokureurs, doktoren, letterkundigen, enz. enz., hebben hun hoofd noodig bij hun werk en wennen zich dan voorzeker ’t noodeloos praten niet aan. Zijn ze ambachtslieden, landbouwers, poldergasten, hun arbeid zelf, die zware krachtsinspanning vordert, maakt hun doorgaans ’t babbelen onmogelijk; zij zouden onder ’t werk niet verstaan worden, en zijn na ’t werk te moe en te slaperig om te praten. Toch vindt men ook onder de mannen niet weinig snappers,—maar ’t is doorgaans juist onder de zoodanigen, die een beroep uitoefenen, waarbij hoofd noch lichaamsspieren zich bijzonder vermoeien, onder kappers, barbiers, bedienden in koffiehuizen en modewinkels, livreiknechts en dergelijken, dat men babbelaars vindt, en wel dikwijls de zoodanigen, die ’t aan de vrouwen niets toegeven. ’t Is dus mijns bedunkens gewaagd uitsluitend aan de natuur der vrouwen een hebbelijkheid toe te schrijven, die zich uit andere oorzaken verklaren laat.
Doch toegegeven eens, dat de vrouw uitteraard meer dan de man tot snappen geneigd is, dan mag men dit nog als een geluk beschouwen. Immers, het is aan de vrouw, dat de eerste opleiding van ’t kind, als baker, als min, als kindermeid, als moeder, is toevertrouwd. Het denkvermogen van het kind kan niet ontwikkeld worden, tenzij men het van zijn geboorte af, reeds wenne, klanken te hooren, er naar te luisteren, er de beteekenis van te verstaan, er op te antwoorden, in één woord, te hooren praten. Nu ligt het wel in de reden, dat men begint met aan het kind enkele woorden voor te zeggen, en vervolgens volzinnen, maar die op zich zelve weinig beduiden, en dat ook zelfs als men verder komt, men nog altijd over zeer dagelijksche en onbelangrijke dingen tegen hem praat;—dat daartoe nu de vrouw in staat gesteld is, daarvoor mogen wij den Hemel danken, en offert zij soms een groot gedeelte van haar leven op om beuzelingen aan een kind te vertellen, laten wij het haar dan niet ten kwade duiden, zoo zij nu en dan beuzelingen in haar gesprek met menschen van haar leeftijd te pas brengt.
En toch, zoo als ik zeide, kunnen de mans niet nalaten, gedurig aan de vrouwen haar snapzucht te verwijten. Zelfs geestelijken hebben zich veroorloofd dit van den kansel te doen. Zoo wordt er van een verhaald, dat hij, op Paaschdag voor geestelijke zusters predikende, de reden van het feit, dat de Heer na zijn opstanding zich ’t eerst aan vrouwen vertoond had, daarin verklaarde gelegen te zijn, dat op die wijze de tijding het spoedigst verspreid zou worden.
Een andere geestelijke, die in een dorpskerk preekte, waar mannen en vrouwen afzonderlijk gezeten waren, werd midden in zijn rede gestoord door gebabbel onder zijn toehoorders. Dit hindert hem en hij beklaagt er zich over. Een vrouw staat op, en zegt: „’t Is niet aan onzen kant, Eerwaarde!”—„Des te beter, vrouwtje!” is zijn antwoord: „zooveel te eerder zal ’t gedaan zijn.”
Weêr een ander, over het gesprek met de Samaritaansche vrouw zullende preêken, zei tot zijn toehoorders: „Verwondert u niet, indien mijn tekst zoo lang is: ’t is hier een vrouw, die aan ’t woord is.”
Staatzuchtigen.—Wie door eer- en staatszucht wordt voortgedreven, kent zelden andere houding dan geknield te liggen of op de toonen te staan, en zoekt zich doorgaans, als hij de nukken of de ongenade verduren moet van wie boven hem zijn, zich daarover te wreken door hen, die van hem afhangen, uit de hoogte te behandelen. Dit althans was het gevoelen van een Sinees, die door Europa reisde. Eens zich in de voorzaal bevindende van een machtigen Monarch, zag hij daar een man met een gunstig voorkomen, in een prachtig gewaad, met vele eereteekens behangen, die alleen en afgezonderd stond en met wien zich niemand scheen te willen bemoeien. „Wie is die verlatene?” vroeg de Sinees aan zijn geleider. „’t Is,” antwoordde deze, „een onzer voornaamste Heeren; hij heeft roemrijke krijgstochten gemaakt en is Goeverneur van een onzer aanzienlijkste Gewesten; doch voor ’t oogenblik is hij in ongenade.”—„En waarom draait men hem den rug toe?” vroeg wederom de Sinees: „indien men ten Hove geen medelijden heeft met hem, moest men het ten minste hebben met zijn arme onderhoorigen.”
De Kardinaal Dubois, die Minister was onder den Regent, bood een abdij aan een Bisschop, wien hij op zijn hand wenschte te hebben. De Bisschop sloeg de gift af, zeggende, dat hij, volgens de Kanonieke wetten, niet meer dan één geestelijk goed bezitten mocht. Die onbaatzuchtigheid verbaasde Dubois, die zelf alles behalve nauwgezet was. „Indien gij,” zeide hij, „niet over sommige punten wat vrij geschreven hadt, zou ik u heilig verklaren.”—„Gave God,” antwoordde de Bisschop, „dat uwe Eminentie er de macht toe bezat, en ik er u aanleiding toe gegeven had; wij zouden beiden reden tot voldoening hebben.”—Dat was een fijne manier om hem zijn staatszucht te verwijten.
Tooneelspelers.—Het is noodig, dat een tooneelspeler, behalve een goed uiterlijk, ook bekwaamheid genoeg hebbe om de rol, die hij te vervullen heeft, behoorlijk te begrijpen; dat hij zich in den toestand kunne verplaatsen van de persoon, die hij zal voorstellen, en diens gevoelens en gewaarwordingen als ’t ware tot de zijne maken. Met slechts weinigen intusschen is dit het geval. Men had aan een beroemde tooneelspeelster de taak opgedragen, aan eene, die nog debuteeren moest, de rol te leeren spelen eener princes, die een hevige hartstocht gevoelde voor een ontrouwen minnaar; doch, na les op les, begon de onderwijzeres hoe langer hoe meer te bemerken, dat zij niet vorderde. Eindelijk ongeduldig geworden zijnde, zeide zij tot haar leerling: „Is hetgeen ik u vroeg dan zoo moeilijk? Stel u in de plaats der verlaten minnares. Indien gij in haar geval waart en verraden door hem, dien gij liefhadt, zoudt gij dan niet, als zij, van diepe smart doordrongen zijn? Zoudt gij niet....”—„Ik?” antwoordde de debutante: „ik zou mijn best doen, gaauw een anderen vrijer te krijgen.”—„Is dit het geval?” hernam de onderwijzeres; „dan verliezen wij beiden onzen kostbaren tijd: ik zal u nooit kunnen leeren uw rol te spelen gelijk ’t behoort.”—[4]
Intusschen, men versta ons wel: wanneer wij zeggen, dat een tooneelspeler zich in de plaats moet weten te stellen van de persoon, voor welke hij spelen zal, dan moet dit geschieden terwijl hij de rol bestudeert; wanneer hij die werkelijk vervult, moet hij daar-en-tegen zich steeds herinneren dat het maar spel is; ging hij zich dan werkelijk verbeelden de voorgestelde persoon te zijn, liet hij zich wegslepen door de aandoeningen, die de situatie medebracht, hij zou groot gevaar loopen onverstaanbaar te worden, of in de war te raken. Een tooneelvertooning is als een schilderij: beiden moeten treffen door de voortreffelijke en bedriegelijke wijze waarop de natuur is nagevolgd, en even als men op een schilderij, waar een roos of een zijden kleed op is voorgesteld, geen degelijke rozebladeren of geen wezentlijke zijde zal gaan plakken zonder een zeer misselijke uitwerking te doen, even zoo zou een akteur, die wezentlijk gevoelde wat hij moet schijnen te gevoelen, de geheele vertooning allicht bederven.—Verbeelde men zich, dat hij, als ’t in zijn rol te pas kwam, verontwaardigd te schijnen op een ander personaadje, zich wezentlijk boos ging maken en aan den anderen een wezentlijk pak slaag gaf, of de minnares, op welke hij zich voorstellen moet verliefd te zijn, in plaats van een tooneelzoen, een wezentlijken liefdekus gaf!—En dit is zoo waar, dat zelfs de ondervinding geleerd heeft, hoe degene, die in zijn persoonlijk uiterlijk een toevallige overeenkomst heeft met het uiterlijk van dengene, dien hij voorstelt, minder voldoen zal, dan degene, die zich door kunst dat uiterlijk weet te verschaffen. Men verhaalt van een tooneelspeler te Londen, die, na dertig jaren de gunst van het publiek genoten te hebben, door een val kreupel werd. „Nu,” dacht hij, „zou hij juist beter dan iemand de rol van Richard II van Shakespeare vervullen, die door den schrijver kreupel is voorgesteld.” En toch, toen hij aan den regel kwam: „de honden blaffen mij na, als zij mij zien hinken,” ontstond er zulk een algemeen gelach dat hij buiten staat was zijn rol verder voort te spelen.[5]—Even zoo hebben werkelijk dikke akteurs nooit met goed gevolg voor sir John Falstaff gespeeld: en altijd slaagt hij er beter in, die er met een gemaakten buik in optreedt.
Zoo iemand zich immer wist te doordringen van den geest der rol, die zij vervulde, dan was het Wattier-Ziesenis, de volmaaktste tooneelspeelster, die wij ooit aanschouwden; eens bewees zij dit op eene meesterlijke wijze bij gelegenheid dat zij in de vertaling van het stuk van Bouilly, „l’Abbé de l’Epée,” de rol van den doofstommen jongeling vervulde. Er is in dat stuk een tooneel, waarin, terwijl de overige personaadjen een levendig gesprek voeren, de doofstomme in een hoek zit te lezen. Plotseling valt er, terwijl dat tooneel gespeeld wordt, achter de schermen een gewicht of ander zwaar voorwerp met een grooten slag naar beneden. Al de akteurs kijken verschrikt om; Wattier alleen vergeet niet, dat zij voor ’t oogenblik doofstom is, en niet alleen wendt zij ’t hoofd niet, maar geen spier op haar gelaat, geen beweging van een enkel lichaamslid geeft te kennen dat zij den slag gehoord heeft.
Eens dat een beroemd akteur aan de Comédie française wat zacht sprak in zijn rol, riep iemand uit het publiek hem toe: „wat luider.” De akteur, zich werkelijk voorstellende de Vorst te zijn, waarvoor hij speelde, gaf onbeschroomd tot antwoord: „en gij, wat stiller.”—Hieruit ontstond groote opschudding; de politie bemoeide er zich mede, en de tooneelspeler kreeg last, het publiek om verschoning te vragen. Op den voorgrond van het tooneel gekomen,—wij zouden nu zeggen, bij ’t voetlicht, maar dat was er toen nog niet,—begon hij aldus zijn aanspraak: „Nog nooit, mijne Heeren, heb ik meer de overtuiging gekregen van het lage van mijn beroep, dan door den stap, dien ik heden doe.” Dit begin, hoezeer beleedigend voor het publiek, had niettemin een gunstige uitwerking, en de toeschouwers, misschien minder lettende op hetgeen hij zeide, dan op de vernedering, die hij onderging, gaven door luidruchtig handgeklap te kennen, dat zij tevreden waren en dat hij niet verder behoefde voort te gaan.
Een ander tooneelspeler redde zich evenzeer door zijn vrijmoedige taal uit een onaangename stelling. De eerste operazanger was ziek geworden en een zanger van den derden rang was geroepen om hem te vervangen. Hij zong, en werd uitgefloten; maar zonder zich onthutst te toonen, zag hij het publiek met strakke blikken aan, kruiste de armen en zeide: „ik begrijp ulieden niet; verbeeldt gij u misschien dat, voor driehonderd gulden ’s jaars, ik u een stem van duizend rijksdaalders bezorgen kan?”—Het publiek lachte, vergaf den zanger, om het logische zijner redeneering, zijn gebrek aan talent, en juichte hem de rest van den avond toe.
De beroemde Duclos, te Parijs de rol van Camille in den „Horace” van Corneille spelende, geraakte, op het oogenblik dat zij, na tegen Rome te zijn uitgevaren, het tooneel verlaten zou, in haar mantel verward en viel. De akteur, die voor Horatius speelde, beleefder dan zijn rol wel medebracht, nam zijn hoed af met de eene hand, hielp haar op met de andere en geleidde haar met vele plichtplegingen tot achter de schermen, waar hij, zijn hoed weder opzettende en zijn degen trekkende, haar met groote woede den doodsteek scheen te geven. „Baron,” zegt de abt Nadal, die deze anekdote vertelt, „zou de fout niet begaan hebben, die Beaubourg beging; hij zou, als een groot tooneelspeler die hij was, van hetgeen gebeurde partij getrokken, en haar in den val zelven gedood hebben.”
Een beroemde tooneelspeelster redde zich op behendiger wijze uit een onvoorzienen tegenspoed. Voor Fedra spelende, in het treurspel van Racine, voelde zij in het tooneel, waarin zij haar liefde aan Hippolytus verklaart, dat zij haar stem kwijt raakte; zij trok er partij van om de zwakke toonen te doen hooren van een vrouw, die, door haar gevoel overmand, alle kracht en stem verloren heeft. Het publiek zag hetgeen het gevolg van een tijdelijk ongemak was aan voor een opzettelijke stembuiging, door een verheven kunstgevoel voortgebracht, en nimmer maakte dat schoone tooneel een zoo diepen indruk op hen die ’t hoorden.
Twee voorbeelden van noodlottige gevolgen, ondervonden door mannen, die zich te veel vereenzelvigden met de personen, die zij op het tooneel voorstelden, wil ik hier verhalen. ’t Eene vond ik aangehaald door Gueret in zijn „Parnasse reformé”, en betreft Montfleuri, die op het Fransche tooneel Baron voorafging en in 1667 stierf ten gevolge van de geweldige inspanning, waarmede hij in Racine’s „Andromaque,” de rol van Orestes had vervuld. Het andere las ik in het Journal politique et littéraire, een tijdschrift, dat in de vorige eeuw verscheen. Een Engelschman, Bond geheeten, was zoo bijzonder ingenomen met Voltaire’s „Zaïre,” dat hij een der beste dichters van Londen aanspoorde, dat stuk in ’t Engelsch te vertalen. Zijn doel was, de vertaling op het theater van Drurylane te doen opvoeren, en gedurende twee jaren stelde hij al zijn pogingen en die zijner vrienden in ’t werk om het Bestuur van gezegden schouwburg daartoe te doen overgaan; doch zonder gevolg; immers, hoewel de vertooning in die twee jaren wel twintig maal werd aangekondigd, had zij nimmer plaats. Eindelijk wanhopende het stuk immer op een gewonen schouwburg te zien spelen, nam Bond het besluit, dit zelf te doen, met de hulp van eenige andere tooneelliefhebbers, en wel in de zaal der Yorck-Buildings, toen een lokaal bestemd tot het geven van concerten, doch dat men ook voor één avond huren kon, mits een som betalende, waarvoor men een huis voor een geheel jaar kon krijgen. De rollen werden verdeeld en de geheele stad kreeg bericht van het gevormde plan. Bond, die reeds een goede zestig jaren achter den rug had, koos voor zich de rol van Lusignan, als ’t meest voor zijn leeftijd en krachten berekend; hij spaarde moeite noch kosten om de voorstelling zoo luisterrijk mogelijk te maken, al de voordeelen willende overlaten aan den vertaler van het stuk. De groote dag kwam, en nimmer had men in die zaal zulk een schitterend gezelschap bijeen gezien. De eerste bedrijven werden onder herhaalde toejuichingen gespeeld. Men wachtte Lusignan: hij verschijnt, en alle toeschouwers gevoelen zich aangedaan op ’t zien van den eerwaardigen grijsaard. Maar meer dan allen te zamen was hij zelf ontroerd; zoo geheel geeft zich de oude man over aan de kracht zijner verbeelding, zoo hevig grijpen hem zijn gewaarwordingen aan, dat hij, te zwak om haar geweld te weêrstaan, bewusteloos nedervalt in zijn stoel, op het oogenblik dat hij zijn dochter herkent. Eerst dacht men dat zijn flauwte slechts geveinsd was, en bewonderde men de wijze, waarop de kunst de natuur wist terug te geven. Maar men begon eindelijk te vinden, dat het lang genoeg duurde en zoo waarschuwden hem Chatillon, Nerestan en Zaïre, dat het tijd was, voort te gaan. Hij opent even de oogen, sluit ze weêr en valt terug in zijn leuningstoel zonder een woord te spreken: hij strekt nog eens de armen uit—en die beweging was zijn laatste levensstuip.
Mejuffrouw Bourgoin, die in de eerste helft dezer eeuw eene der bevalligste tooneelspeelsters was aan de Comédie française, en die misschien nog enkele ouderen van dagen, als ik, zich herinneren zullen, in 1811, toen Napoleon Amsterdam bezocht, met Talma, Damas en Duchesnois op ’t Leidsche plein te hebben zien spelen, had te Parijs haar hôtel naast dat van de Princes X. Nu gebeurt het, dat de kat der tooneelspeelster op roof uitgaat, in de kamer der Princes dringt en haar kanarievogel opsnoept. De Princes, hierover verstoord, schrijft een vrij kras briefje aan de aktrice om zich te beklagen, en teekent dat briefje: X. De andere antwoordt in gelijken stijl, vertelt, dat zij de kat niet bij zijn staart kan houden, dat de Princes dan beter zorgen moest, haar vogelkooi dicht te houden, enz. enz., en teekent: Bourgoin. Groote verontwaardiging bij de Princes, die een tweeden en nog scherper brief schrijft, maar deze reis onderteekent: Princes X. Maar de tooneelspeelster, die juist dien avond een princesserol in een van Racine’s meesterstukken te vervullen had, wil voor de degelijke Princes niet onderdoen en teekent haar wederantwoord: Iphigénie en Aulide.
Van denzelfden aard is hetgeen zich, niet zoolang geleden, een andere Parijsche aktrice veroorloofde. Op de groote Tentoonstelling van 1867 was er om de ruimte, waarin die gehouden werd, binnen te treden, eene poort, die alleen toegang verleende aan vorstelijke personaadjen. Daar vertoont zich aan de poort een prachtige équipage, met vier paarden bespannen, en waarin een fraai gekleede vrouw was gezeten. De portiers, die alle gekroonde hoofden kenden, hielden het rijtuig, dat wilde doorrijden, tegen; doch met majesteit riep zij hun toe: „la Grande-Duchesse de Gérolstein,” en eerbiedig trad men rechts en links ter zijde—voor Mlle Schneider, die alle avonden gezegde rol in het Theâtre des Variétés vervulde.
Tucht.—P. Krassus, Konsul in Aziën zijnde, had aan een Griekschen krijgsbouwmeester bevel gezonden om hem den grootsten van twee masten toe te zenden, die zich te Athenen bevonden, en waar hij zeker oorlogswerktuig van wilde doen vervaardigen. De andere echter vond goed, hem den kleinsten mast te brengen, als naar zijn oordeel beter geschikt voor het doel, dat Krassus zich voorstelde. Krassus, zijn gronden vernomen hebbende, liet hem dapper met roeden slaan, als meenende dat het belang van de krijgstucht van meer gewicht was dan het belang van het voorgenomen werk. Intusschen is het aan bedenking onderhevig, of niet die onbepaalde gehoorzaamheid alleen dan betracht moet worden, wanneer het bevel stellig en ondubbelzinnig is, en of niet Krassus, aan een man van ’t vak schrijvende, en hem meldende tot welk einde hij den bedoelden mast behoefde, hem scheen uit te noodigen over de zaak na te denken en naar zijn beste weten te handelen?
Vaderlandsliefde.—De Spartaan Pedaretes had zich als kandidaat gesteld voor den regeeringsraad, die uit drie honderd leden bestond. Hij wordt niet gekozen en keert huiswaarts, zich verblijdende, dat Sparta drie honderd mannen bezit, waardiger dan hij.
Een Spartaansche vrouw had vijf zonen bij ’t leger en wachtte tijding van den geleverden slag. Bevende vraagt zij dit aan een Heloot, die van ’t leger keert. „Uw vijf zonen zijn gesneuveld,” zegt de slaaf. „Ellendeling!” voegt zij hem toe, „is dat wat ik u vroeg?” Hij herneemt: „Wij hebben gezegevierd.” De moeder gaat naar den tempel en brengt den Goden dank.
Een andere Spartaansche vrouw ziet bij een beleg haar zoon, die ergens op post stond, door een pijl geveld, aan haar voeten nedervallen. „Roept zijn broeder,” zegt zij, „om hem te vervangen.”
Porsenna, Koning van Hetruriën, belegerde Rome in ’t jaar 246 harer stichting en had de stad reeds tot het uiterste gebracht. Een jonge Romein, Mutius genaamd, weet onder een vermomming in ’t vijandelijk leger, ja zelfs tot binnen Porsenna’s tent te dringen, waar hij met zijn dolk, wanende Porsenna te treffen, diens Sekretaris doorsteekt. Hij wordt gevat en de Koning bedreigt hem met de felste folteringen. „’t Is vruchteloos,” zegt Mutius, „dat gij mij schrik zoekt aan te jagen. Bewust, welk lot mij te wachten stond, heb ik mij vrijwillig opgeofferd voor mijn Vaderland en, om u het bewijs te geven, dat geen vrees voor uw foltertuigen mij weerhouden kon, zie hier,” en meteen steekt hij zijn rechterhand in de vlam, die op een daar aanwezig outer brandde, en blijft met onbeweeglijk oog de werking van het vuur, dat haar wegschroeit, aanstaren. Porsenna, over zulk een onversaagdheid verbaasd, laat hem van ’t altaar afhalen en stelt hem in vrijheid. „Ik wil u,” herneemt Mutius, „de grootmoedigheid, die gij mij betoont, vergelden en u thans vrijwillig een geheim mededeelen, dat anders al uw dreigementen mij niet ontrukt hadden: weet, dat wij met ons driehonderd Romeinen zijn, die gezworen hebben, u om hals te brengen, of te sterven.” Volgens de historieschrijvers werd Porsenna door deze mededeeling zoodanig getroffen, dat hij het beleg opbrak.
De tot hiertoe vermelde gezegden en feiten werden in vroegeren tijd, en vooral in ’t laatst der vorige eeuw, hemelhoog geprezen en als voorbeelden ter navolging gesteld. Tegenwoordig denkt men daar anders over en kan men geen hulde meer brengen aan een onvrouwelijke, onmoederlijke en onnatuurlijke kalmte, als door die Spartaansche moeder aan den dag gelegd werd, en evenmin zal men toegeven dat, hetzij vaderlandsliefde, hetzij eenig ander gevoel, dat loffelijk is op zich zelf, een moord kan wettigen: zoodat dan ook de meesten van hen, die in de laatste jaren een rol als die van Mutius hebben willen spelen, verre van lof te behalen, afkeer verwekt hebben, en ’t vrij algemeen is goedgekeurd dat de galg of ’t schavot hun loon werd. Meer onverdeeld is de lof aan de bewijzen van vaderlandsliefde, die ik thans vermelden ga.
In 1396 verdedigden de Zwitsers bij Sempach hun onafhankelijkheid tegen de Oostenrijkers. Deze laatsten, in ’t staal geharnast, vormden een muur van ijzeren lansen, die ondoordringbaar scheen aan de lichtgewapende bergbewoners. Toen besloot Arnold von Winkelried, een Edelman uit Unterwalden, zich aan zijn Vaderland ten offer te brengen. „Vrienden!” zeide hij tot de Zwitsers, „ik bezorg u de overwinning ten koste van mijn leven. Draagt slechts zorg voor hen die ik achterlaat. Volgt mij nu en gedraagt u naar mijn voorbeeld.” En toen den Zwitsers hun gelederen hebbende doen schikken in den vorm van een driehoek, plaatste hij zich zelf aan de spits en liep op het centrum van den vijand in. Daar gekomen omvatte hij met beide armen zoovele der op hem gerichte lansen als hij maar grijpen kon, en wierp zich daarmede op den grond, aldus aan hen die volgden een doortocht openende om in ’t hart dier ineengesloten falanks te dringen. Zoo was de muur verbroken en ’t kwam nu tot een strijd van man tegen man, waarbij de Oostenrijkers te kort schoten, daar nu ’t gewicht hunner wapenrusting hun noodlottig werd.
In 1346 werd Calais belegerd door Koning Eduard III van Engeland, en zag zich, na een langdurig beleg, op den 3den Augustus van ’t volgende jaar tot de overgave gedwongen. Vertoornd over den hardnekkigen wederstand, die hem geboden was, weigerde Eduard in ’t eerst eenige gunstige voorwaarden aan de ingezetenen toe te staan, en bepaalde hij, dat de eene helft omgebracht en de andere op rantsoen gesteld zou worden. Van dit wreede besluit werd hij echter door zijn legerhoofden teruggebracht, die hem niet zonder reden voorhielden, hoe zulk een gestrengheid de Franschen zou aansporen, hun gevangenen op gelijke wijze te behandelen, en hij zeide daarom zich tevreden te zullen stellen met den dood van zes personen, die hem, blootshoofds en met den strop om den hals, de sleutels der stad zouden brengen. Toen Mauny uit zijn naam aan de inwoners van Calais deze laatste bevelen zijns meesters kwam overbrengen, verzocht de Stadskommandant, Jean de Vienne, hem te blijven, en tegenwoordig te zijn bij het besluit dat dien overeenkomstig zou genomen worden. De markt stond volgepropt met lieden uit de stad, die er met pijnlijk ongeduld stonden af te wachten, hoe de veroveraar over hen beschikken zou. Toen zij dit hadden vernomen, heerschte alom een stille neerslachtigheid, en de een zag angstig den anderen aan, als om te vragen, wie onder hen een der zes ter dood gedoemden wezen zou. Hier en daar gaf zich de smart in hoorbare zuchten of in snikken en tranen lucht; de Kommandant, hoe dapper hij in de bres gestreden had, schreide als een kind; Mauny zelf was met dit schouwspel innig bewogen. Toch moest men tot een besluit komen; want aan verzachting van ’s Konings eisch viel niet meer te denken. Daar kwam Eustatius de St. Pierre midden uit de burgers voor den dag en zeide: „Heeren, groot en klein! ’t zou een bittere ramp wezen al dit arme volk door honger of anders te laten omkomen, als er middel tot uitkomst is, en ik voor mij heb zoo groote hoop vergiffenis mijner zonden van onzen Heer te verwerven, als ik sterf tot rantsoen van deze allen, dat ik de eerste wil zijn.”—Zoo getroffen waren de omstanders door deze schoone taal, dat elk om ’t eerst zich aan zijn voeten wierp, en zoo krachtig was het voorbeeld der deugd, dat terstond Jean d’ Aire, Jacques en Pierre Wissant en twee anderen (wier namen de Geschiedenis, die er zoovele van groote schelmen in aandenken houdt, ons niet bewaard heeft) zich bereid verklaarden, met hem te sterven. De Kommandant deed hen uitgeleide tot aan de stadspoort, waar hij hen aan Mauny overgaf, met verzoek in hun voordeel te spreken bij den Koning. Voor dezen verschenen, boden zij hem de stadssleutels aan, terwijl al de hovelingen, door zoo veel grootmoedigheid getroffen, den Koning naar de oogen zagen in de hoop, dat hij een milder uitspraak doen zou. Doch Eduard bleef onbewogen, en in weerwil dat zijn zoon, de Prins van Wallis, zich voor zijn voeten wierp, gaf hij last dat de beul zou geroepen worden. ’t Was met die ongelukkigen gedaan geweest, ware niet ter goeder ure ’s Konings gemalin, Filippa, zuster van onzen Graaf Willem den Goede, verschenen, die zich aan ’s Konings voeten wierp en hem smeekte, den luister zijner overwinning door geen wandaad te bezwalken. „Ach, Mevrouw!” zeide hij eindelijk, „’t ware mij liever geweest, indien gij elders dan hier geweest waart; doch gij bidt mij zoo ernstig, dat ik u niets kan afslaan. Neem ze met u, ik schenk ze u.” Terstond leidde hen de Koningin naar haar verblijf, bezorgde hun kleederen en spijzen, en zond ze naar de stad terug, aan elk hunner zes goudstukken schenkende, om in hun behoeften te voorzien.
Verachting van den Dood.—Toen Filippus van Macedoniën met zijn leger den Peloponnezus was binnengerukt, zeide iemand tegen Damindes, dat de Lacedemoniërs wèl zouden doen, zich tijdig te onderwerpen, dewijl zij anders ’t ergste te vreezen hadden. „Eiwat, bloodaard!” antwoordde deze: „wat kunnen zij te vreezen hebben, die niet bang zijn voor den dood?”—en inderdaad toen Filippus hun schreef, dat hij al hun ondernemingen verijdelen zou, was hun antwoord: „zult gij ons ook beletten te sterven?”
Toen men aan Koning Agis vroeg, hoe een man vrij kon leven, antwoordde hij: „door den dood te verachten.”—
Uit deze gezegden blijkt, dat beide deze Spartanen van oordeel waren, dat men des noods zijn einde verhaasten mag, ja verplicht is, zulks te doen, om een erger leed, als b. v. schande of slavernij, te ontwijken. Trouwens, dit werd dien hardvochtigen volksstam van jongs af ingeprent, getuige die Lacedemoonsche knaap, die, door Antigonus gevangen en als slaaf verkocht zijnde, zijnen meester, toen deze zeker verachtelijk dienstbetoon van hem vorderde, toevoegde: „Ik zal u toonen wien gij gekocht hebt, en hoe ik, de vrijheid in mijne macht hebbende, mij schamen zou te dienen,” en meteen sprong hij het plat van het huis af en viel te pletter.
Ook de oude Germanen stelden den dood boven de slavernij, en edel was het antwoord, dat Bojaculus, een hunner aanvoerders, aan den Veldheer van Keizer Tiberius gaf: „wij kunnen gebrek hebben aan land om op te leven; maar het zal ons nooit aan land ontbreken om op te sterven.”
En dat diezelfde vastberadenheid ook bij de verre nakomelingen der oude Germanen niet was verloren gegaan, bleek uit de schoone woorden, die onze Stadhouder Willem III in 1672 sprak, toen men hem te kennen gaf, dat er voor onze landgenooten, door Frankrijk, Engeland en Munster bestookt, geen uitkomst meer bleef: „Ik weet een middel om den vijand te ontkomen,” zeide hij, „dat is te sterven bij de verdediging van de laatste gracht.”
De regel echter, dat men den dood verkiezen moet boven hetgeen erger is dan de dood, heeft van ouds reeds aanleiding gegeven tot verheerlijking van den zelfmoord. Ieder weet, hoe Kato van Utika door de Latijnsche schrijvers geprezen werd, omdat hij, toen Cezar zegevierde, de vrijheid van zijn Vaderland niet wilde overleven. Niet minder roemen zij Boges, die, door Xerxes tot bevelhebber van Eione aangesteld en geen kans meer ziende om de plaats tegen de overmachtige Atheners, onder Cimon, te verdedigen, de schande van een post, hem door zijn meester toevertrouwd, te verliezen, niet begeerde te overleven, maar den hem aangeboden eerlijken uittocht weigerde, en, toen al de voorraad verteerd en alle verdere afweer onmogelijk was, eerst in de rivier Strymon al het goud en wat verder de begeerlijkheid des vijands wekken kon, liet werpen, waarna hij een groote houtmijt deed oprichten, zijn vrouwen, kinderen en dienaren en eindelijk zich zelven den vlammen prijs gaf.
Maar ook de zelfmoord ter ontwijking van tegenspoeden van minder beteekenis, ja van ziekten en gebreken, werd bij de Ouden loffelijk geacht. Diogenes, den wijsgeer Speusippus ontmoetende, die, door waterzucht gekweld, zich in een draagbaar liet rondrijden en hem goeden dag wenschte, gaf hem tot antwoord: „U wensch ik geen goeden dag, die laf genoeg zijt om in een toestand als de uwe te blijven leven.”—En inderdaad ontnam kort daarna Speusippus zich het leven, dat hem tot een last was geworden.
De oude niet alleen, ook de nieuwe geschiedenis is vol voorbeelden van menschen, die zich ombrachten om een gelijke of nog zonderlinger reden. Lucius Aruntius doodde zich om de toekomst en het verledene te ontvluchten. Grunius Silvanus en Statius Proximus, na eerst door Nero ter dood te zijn veroordeeld en toen vergiffenis ontvangen te hebben, deden hetzelfde omdat zij geen genade van zulk een dwingeland begeerden. Nog opmerkelijker is de zelfmoord van de vrouw van Fulvius. Deze Fulvius, een der gunstelingen van Augustus, had een geheim, dat de Keizer hem had toevertrouwd, aan zijne vrouw medegedeeld, en deze had het verder verteld. Augustus was er achter gekomen en had hem er ernstig over onderhouden; waarop de hoveling, vreezende de gunst zijns meesters voor altijd verbeurd te hebben, wanhopend naar huis liep en aan zijn vrouw zeide, dat hem nu niets anders overbleef dan zich om hals te brengen. „En daar zult ge zeer groot gelijk aan hebben,” zeide hierop zijne vrouw: „gij wist dat ik een langtong ben, en hadt beter moeten oppassen mij niets toe te vertrouwen; maar laat ik mij zelve nu eerst straffen,” en meteen, zijn degen nemende, stootte zij zich dien in ’t hart.
Sixtus Pompejus, naar Aziën trekkende, deed het eiland Cea aan, juist op het tijdstip dat een aanzienlijke vrouw aan hare medeburgers de redenen had ontvouwd, waarom zij besloten had zich van het leven te berooven. Zijn komst vernomen hebbende, liet zij hem verzoeken haar sterven met zijn tegenwoordigheid te vereeren; waarop hij zich onmiddellijk tot haar begaf en met klem van allerlei redenen trachtte haar van zulk een wanhopig besluit terug te brengen; doch al zijn preêken was vruchteloos. Hij moest toegeven dat zij haar zin deed. De vrouw, die reeds negentig jaren telde en gezond was van lichaam en geest, ontving ter bestemder ure hem en de overige genoodigden, terwijl zij fraai gekleed op haar rustbed lag, en sprak hem op deze wijze toe: „De Goden, o Sixtus Pompejus, en nog meer zij, die ik achterlaat, dan zij, die ik ga zoeken, mogen u dank weten, dat gij mij tot bepleiter van mijn leven en tot getuige van mijn dood hebt gestrekt. Wat mij betreft, altijd door voorspoed gehad hebbende, wil ik de kans niet loopen, dat de zucht om langer te leven mij een tegenovergestelde ondervinding liet opdoen, en ik acht het wijzer, aan mijn ziel een gelukkige standverwisseling te bezorgen, terwijl ik twee dochters en tal van achterneven nalaat.”—Dit gezegd, de haren tot vrede en eendracht vermaand en de huisgoden aan hare oudste dochter bevolen hebbende, nam zij met vaste hand den beker met vergif, bad Merkuur, haar in de andere wereld naar een gelukkig hoekje te geleiden, en dronk toen rustig den beker ledig. Dit gedaan hebbende bleef zij zich nog met de aanwezigen over de werking van het gif onderhouden, hun vertellende, hoe zij achtereenvolgens al haar ledematen voelde verstijven, totdat zij eindelijk, ontwarende dat het gif haar hart genaakte, haar dochters tot zich riep om haar de oogen te sluiten.
Hoe gemeenzaam de zelfmoord bij de Ouden was, kan men o. a. opmaken uit hetgeen van Timon den Menschenhater verteld wordt, die een vijgeboom in zijn tuin had, waar zich de Atheners, als zij ’t leven moede waren, bij voorkeur aan kwamen verhangen. Op zekeren dag sloeg hij op een paal de aankondiging aan, dat hij voornemens was gezegden boom te doen omhakken en alzoo zijn stadgenooten uitnoodigde, zich te haasten alsnog van de schoone gelegenheid gebruik te maken.
Of de oude schrijvers ons alleen die voorbeelden van zelfmoord hebben nagelaten, waar een min onedele reden daartoe geleid heeft, weet ik niet; maar zeker is ’t, dat ik nergens bij hen heb gelezen van iemand, die zich van kant maakte omdat zijn geld op was: wat echter in latere dagen de meest gewone aanleiding is tot zulk een wanhopige daad.
Voorbeelden daarvan zou ik bij duizenden ook uit onzen leeftijd kunnen aanhalen. Ik bepaal mij tot een paar, die nog al treffend zijn.
Richard Smith, een Engelschman, was zijn ongeluk moede. Hij was rijk geweest, en arm geworden. Hij was gezond geweest en zat vol kwalen. Zijn vrouw leed er evenzeer onder als hij, ook vooral om het kind, dat hun was overgebleven. Zoo besloten zij, zich van het leven te berooven, en na elkander teederlijk omhelsd en hun kind vaarwel gekust te hebben, wurgden zij eerst dat onnoozele wicht en hingen zich toen aan hun bedstijlen op. In een brief, dien zij aan hun neef Brindlay schreven, gaven zij hun hoop te kennen, dat God hun vergiffenis zou schenken, en verklaarden dat zij het leven verlaten hadden, omdat zij geen uitkomst meer wisten, en aan hun zoontje den dienst hadden bewezen van hem voor een gelijk lot te bewaren. Tevens bevalen zij hunnen neef hun hond en hun kat aan, zeker van oordeel zijnde, dat men gemakkelijker hier beneden het geluk van een huisdier dan dat van een menschelijk wezen verzekeren kan.
Een rijke en kinderlooze Weduwe had in haar huis een daglooner aan ’t werk, die een vrouw en een kindje had. ’t Waren eerlijke lieden, ordelijk en werkzaam, doch die naauwlijks in hun meest dringende behoeften konden voorzien. Eens gebeurde het dat de vrouw van den werkman bij de Weduwe kwam en haar vriendelijk verzocht, haar kind tot harent te laten, terwijl zij een boodschap ging doen. De Weduwe stemde er in toe. „Maar, beste Mevrouw,” zei de arme vrouw, „ik beveel hem u wel aan: laat het arme schaap toch goed verzorgd worden, tot ik terug ben.”—De Weduwe verzekerde haar dat zij er alle zorg voor dragen zou, waarop de moeder vertrok. Men zag haar dien dag niet terug, noch ook den vader. Eerst na drie dagen vernam men, hoe beiden zich in den Teems verdronken hadden. De Weduwe achtte zich nu door haar gegeven woord verbonden en voedde het kind als het hare op.
Een Engelsch meisje, door de armoede tot radeloosheid gebracht, wierp zich in den Teems; een voorbijganger sprong haar na en redde haar. Dan, in plaats van hem dank te weten, zeide zij dood bedaard tot hem: „Nu gij mij de eenige uitkomst, die mij overbleef, hebt ontnomen, zijt gij gehouden mij schadeloos te stellen. Ik ben ten prooi aan de ijselijkste ellende; gij wilt dat ik leev’, geef mij dan de kost.”—
Over ’t algemeen levert Engeland talrijke voorbeelden van zonderlinge zelfmoorden. Philip Mordaunt, neef van den beroemden Graaf van Peterborough, was zeven-en-twintig jaren oud, schoon, welgemaakt, door zijn liefste teeder bemind en met de schitterendste uitzichten voor zich. Het leven begon hem te vervelen, hij betaalde zijn schulden, schreef aan zijn vrienden brieven tot afscheid, en maakte zelfs eenige dichtregelen, waarvan de laatste, overgezet, aldus luidden:
Zoo de opium den wijzen Gewenschte diensten doet, Een zakpistool en moed Zijn hooger nog te prijzen.
En naar dit voorschrift schoot hij zich voor den kop, tot reden alleen deze gevende, dat zijn ziel zijn lichaam moede was, en dat men een huis verlaat, waarin men zich verveelt.
Lord Scarborough scheidde van het leven met dezelfde kalmte als van zijn bediening als Opper-Stalmeester. Men verweet hem in het Hoogerhuis, dat hij ’s Konings zijde voorstond, omdat hij eene hooge betrekking had ten hove. „Mijne Heeren,” zeide hij, „om u te toonen dat mijn politieke meeningen niet afhankelijk zijn van mijne bediening, zend ik onmiddellijk mijn ontslag in.” Iets later, moetende kiezen tusschen een minnares, die hij liefhad, en een andere, die trouwbeloften van hem had, maakte hij zich van kant om zich uit de verlegenheid te redden.
Niet zoo snel kwam Robeck tot dat besluit. Niet alleen overwoog hij de zaak, maar hij schreef zelfs een boek, dat heel dik, heel geleerd, heel droog en heel vervelend was en, daarin betoogd hebbende, dat de zelfmoord geoorloofd is, maakte hij van dat verlof voor zich zelven gebruik.
In December 1761 was een arme man hout gaan sprokkelen in Hydepark, toen hij een welgekleed heer zag, die met een zwaarmoedig gelaat de laan op en neder ging. De arme man, denkende dat het een Officier was, die hier een tweegevecht kwam houden, dook achter de struiken weg. Hij zag toen, hoe de onbekende een papier voor den dag haalde, dat hij met blijkbare ontroering las en toen verscheurde. Daarop haalde hij een pistool uit zijn zak, zette ze tegen zijn voorhoofd en trok den haan over. Het zwam ontbrandde; maar het schot ging niet af. Nu sprong de man uit zijn schuilhoek te voorschijn en ontrukte het moordgeweer aan den zelfmoordenaar, die, zijn degen trekkende, er zijn redder mede wilde doorsteken. „Stoot toe,” zeide deze, „ik ben evenmin bevreesd voor den dood als gij; maar ik heb meer moed. ’t Is nu vijf-en-twintig jaren, dat ik in armoede en kommer leef; maar ik laat aan God de zorg over om een einde te maken aan mijn lijden.” De andere, over dit antwoord getroffen, bleef een oogenblik stokstijf staan, trok toen zijn beurs en gaf die aan den braven grijsaard, wien hij beloven deed, geene pogingen aan te wenden, om achter zijn naam te komen.
Het is buiten twijfel, dat die man het aan ’t rechte eind had, en zoo er wijsgeeren geweest zijn, die den zelfmoord op den straks aangevoerden grond verdedigden, anderen zeiden met recht, dat iemand die zich zelf niet heeft doen geboren worden, ook geen recht heeft zich te doen sterven, en dat niemand zijn post verlaten mag zonder last van dengene, die hem daarop gesteld heeft. Het toont meer ware geestkracht, zijn keten te slepen dan die te verbreken, en Regulus toonde meer waren moed dan Kato. ’t Is de flaauwhartigheid, niet de deugd, die iemand de slagen der fortuin in een graf doet ontwijken.
Terecht zei daarom Kleomenes, toen hij bezweek in den strijd, na vruchteloos den dood getart te hebben, tegen iemand, die hem aanspoorde zich zelven van kant te maken en de schande der neêrlaag niet te overleven: „Tot zulk een uiterste kan men altijd komen; doch niet zoolang er nog een zweem van hoop overblijft: te blijven leven is soms een daad van moed en volharding, en zal een zelfmoord loffelijk zijn, dan moet hij dienst doen aan het Vaderland.”
Niemand weet vooraf, ook in den grootsten tegenspoed, hoe de kans nog te zijnen voordeel kan keeren. Josefus, met zijn makkers in een spelonk verborgen, bleef alleen nog hoop voeden, toen al de anderen wanhoopten en elkander om ’t leven brachten. Hij volgde dat voorbeeld niet, en zag zich beloond doordat het lot hem voortaan gunstiger werd. Kassius en Brutus daarentegen deden de laatste overblijfselen der Romeinsche vrijheid te gronde gaan, door de overhaasting, waarmede zij, na een verloren veldslag, zich ontijdig van ’t leven beroofden. Montaigne vertelt dat de hertog van Enghien, ter gelegenheid van den slag bij Sérifolles, (in 1544), tot twee malen zich het staal op de borst zette, als wanhopende aan de uitkomst van den strijd, die hachelijk stond aan de zijde waar hij streed, en zich door te groote overhaasting bijna had verstoken van het genot der overwinning.
Er bestaat een onuitgegeven vertoog van Bilderdijk, over den zelfmoord, waarin hij beweert, dat het eigenlijk dwaas is over het al of niet geoorloofde daarvan te twisten, want dat niemand er ooit toe gekomen is, dan door een macht, waar hij vergeefs weêrstand aan zocht te bieden.
Antigonus, een zijner soldaten opgemerkt hebbende, die zich door buitengewone kloekmoedigheid onderscheidde, gelastte zijn geneesheeren hem te genezen van een langdurige en pijnlijke kwaal, waaraan hij lijdende was. Later, toen de genezing volbracht was, bespeurende, dat de man zich vrij wat minder wakker kweet dan te voren, liet hij hem komen, en vroeg, wie hem dus van een dapperen kerel in een bloodaard veranderd had. „Gij zelf, o Koning,” was het antwoord; „want gij hebt mij van een kwaal verlost, die mij het leven zonder waarde deed zijn.”
Verliefdheid.—Iemand, die recht verliefd is, is doorgaans tot alle handelingen in staat, die hem de gunst van ’t beminde voorwerp kunnen doen verwerven, en laat zich door zijn hartstocht even goed tot het volbrengen van de wakkerste daden als van de grootste buitensporigheden vervoeren. Brantôme vertelt, hoe de schoone Agnes Sorel, ’t niet kunnende verduren, dat Karel VII een lui en vroolijk leven leidde zonder zich over zijn land te bekommeren, naar hem toeging en hem zeide, dat een sterreziener haar in haar prilste jeugd voorspeld had, dat zij bemind zou worden door den dappersten en kloeksten Vorst van ’t Kristendom; toen haar ’s Konings liefde ten deel viel, had zij gemeend, dat hij de bedoelde persoon was, doch nu zag zij in, hoe zij zich bedrogen had, en dat die dappere Vorst niet Karel VII was, maar de Koning van Engeland, die hem zoo vele steden afnam,—en dat zij daarom den laatste zou gaan opzoeken. Deze verwijtende taal trof Karel VII zoozeer, dat hij, zijn vermaken vaarwel zeggende, zich geheel aan den oorlog wijdde en zoo wel zijn minnares als zijn koninkrijk behield.
Een andere vertelling, door denzelfden schrijver bewaard, toont nog sterker het vermogen aan, dat in zijn tijd de vrouwen op haar minnaars hadden. Een meisje had er een, die een groote babbelaar was, en lei hem een volstrekt stilzwijgen op, dat hij gedurende twee jaren zoo trouw bewaarde, dat ieder hem beschouwde als zijn spraakvermogen door ziekte verloren te hebben. Eens in een vol gezelschap, beroemde zijn minnares zich er op, dat zij hem met één woord genezen zou, ’t welk zij deed, door eenvoudig tot hem te zeggen: „Spreek.”
De liefde wordt met recht blind afgebeeld: immers waar zij eenmaal in iemands hart wortel heeft geschoten, doet zij hem of haar zoo wel de lichamelijke als de zielsgebreken van ’t beminde voorwerp over ’t hoofd zien. Men sprak tot een Koning van Persiën over de liefde van Leïla en Meynoum. De Koning liet dezen laatste tot zich komen, en vroeg hem of hij inderdaad zijn liefste zoo zeer beminde als men beweerde. „Men moet haar zien,” antwoordde Meynoum, „om te beseffen, hoe lief ik haar heb.”—De Koning ontbood haar en zag een mager en leelijk vrouwtje: „Hoe!” riep hij uit, „is dat nu het voorwerp eener zoo teedere min? De minste slavin uit mijn harem is schooner dan zij.”—„Oordeel dan, hoe lief ik haar heb,” zei Meynoum: „dewijl zij even schoon is in mijne oogen als leelijk in de uwe.”
Een vrouw werd door haar minnaar in de armen van zijn medevrijer verrast, en dorst niettemin het feit te loochenen. „Hoe nu!” zeide hij: „gij durft de onbeschaamdheid zoo verre drijven?”—„Ha, trouwelooze!” riep zij, zeker ook wel bewust, hoe de liefde blind maakt: „ik zie het wel, gij bemint mij niet meer; want gij gelooft uw oogen meer dan mij.”
Een meisje, dat drie maanden van haar minnaar gescheiden was geweest, ontmoette hem onverwachts op de wandeling. Niet minder verheugd dan zij, gaf hij zich aan de teederste verwelkoming over, toen er plotselings een regenbui opkwam. Dit hinderde den jonkman, die zich tegen de druppels zocht te beveiligen. „Hoe nu!” riep het meisje verontwaardigd uit, „gij zijt drie maanden afwezig geweest, gij bemint mij, gij ziet mij, en gij bemerkt dat het regent!”
Antiochus, zoon van Seleukus, Koning van Syriën, was doodelijk verliefd van zijn stiefmoeder Stratonice en dorst aan niemand het geheim van zijn hartstocht verklaren, dien hij niet in staat was te overwinnen. Hij besloot eindelijk zich ziek te houden en zich bij gebrek aan voedsel te laten sterven. De Geneesheer Erasistrates, tot hem gezonden, deed al zijn best om de oorzaak uit te vorschen van een kwaal, die zoo raadselachtig was, en bleef daarom geheele dagen in ’s Prinsen slaapsalet, al zijn bewegingen en blikken gade slaande. Ten leste merkte hij, welken indruk de tegenwoordigheid van Stratonice op den zieke te weeg bracht, hoe, als hij haar zag, zijn kleur verschoot, zijn stem heesch en zijn pols ongelijk werd, hoe een mat floers zijn oogen overdekte, zijn leden aan ’t beven sloegen en het koude zweet hem uitbrak. Dit was een lichtstraal voor den Arts, die, nu begrijpende, wat het eenig geneesmiddel kon zijn, dat hier baat zou brengen, zich ten taak stelde, den jongeling te redden, door hem aan dat middel te helpen. Hij begaf zich naar den Koning, en zeide: „Ik heb ontdekt waar uw zoon aan lijdt: hem kwelt een hevige liefde, maar die, helaas! onmogelijk voldoening kan vinden.”—„Hoe!” riep Seleukus, verbaasd: „en welke vrouw is er dan, die niet gevleid zou zijn met de liefde van den Prins, of zoo wreed om hem te versmaden?”—„Wat zal ik zeggen?” hernam de Geneesheer: „een vrouw moet in allen gevalle vrij zijn: en dat is hier het geval niet; want, om de waarheid te zeggen, de Prins is verliefd op mijne vrouw.”—„Op uwe vrouw!” herhaalde de Koning: „en zoudt gij, die zoo aan mijn huis gehecht zijt, dan weigeren hem die af te staan.”—„Hoor!” zei Erasistrates: „stel u in mijn geval: indien ’t op Stratonice was, dat hij zijn zinnen gezet had, zoudt gij dan genegen zijn, afstand van haar te doen om zijn minzieke gril te voldoen.”—„Gave het de Hemel!” riep Seleukus, „niet alleen Stratonice, mijn halve Koninkrijk zou ik geven, om zulk een dierbaren zoon te redden.”—„Dan is de zaak in orde,” hervatte Erasistrates, „en het behoud van uw zoon hangt alleen van u af. Hij is verliefd op Stratonice, hij kwijnt, hij blaakt, hij sterft voor haar:—en het geneesmiddel is in uw macht.”—Seleukus aarzelde niet, en, zijn Rijksgrooten samengeroepen hebbende, gaf hij hun zijn voornemen te kennen om Antiochus tot Koning van het Aziatische Bovenrijk te maken en hem Stratonice tot vrouw te geven.
Rousseau, te Venetiën zijnde, legde een bezoek bij den Goeverneur van een jongen Engelschman af. ’t Was winter en zij zaten bij ’t vuur te praten. Juist kwam de post aan en de Goeverneur kreeg zijn brieven van huis, waarvan hij er een aan zijn kweekeling hardop voorlas. Rousseau, die geen Engelsch kende, verstond er niets van, maar zag met niet weinig verbazing, hoe de jongeling een paar fraaie kanten lubben, die hij droeg, heimelijk een voor een verscheurde en op ’t vuur smeet. Toen de brieven gelezen waren, wees Rousseau den Goeverneur de ontbloote polsen van zijn kweekeling, en vroeg hem, wat zulks beteekende. De Goeverneur, ziende wat geschied was, begon te lachen, knikte zijn kweekeling goedkeurend toe, en gaf, na diens toestemming verkregen te hebben, de navolgende verklaring van ’t voorgevallene. „De lubben,” zeide hij, „die Lord John verscheurd heeft, zijn een geschenk, hem onlangs door een Signora hier uit de stad gedaan. Nu is Lord John verloofd aan een Juffrouw bij ons te lande, die zijn liefde dubbel waardig is. Deze brief is van de moeder van zijn aanstaande en bevat de mededeeling, die aanleiding gegeven heeft tot hetgeen gij gezien hebt; zij luidt vertaald als volgt: „Lucy is nog altijd even hard bezig aan de manchetten voor Lord John. Gisteren namiddag was Betsy Holsam bij haar te bezoek en wilde met alle geweld haar helpen aan haar werk. Van morgen was Lucy veel vroeger dan gewoonlijk opgestaan, en toen ik wilde weten waarom, ontdekte ik dat het alleen was om weêr alles los te tornen wat Miss Betsy geborduurd had. Zij wilde niet, dat zich aan haar geschenk een enkele steek zou bevinden, die van een andere hand was dan de hare.””
Iemand zeide aan Zeno, dat het een wijsgeer niet betaamde, verliefd te wezen. „Indien dit zoo ware,” antwoordde Zeno, „dan zou ik de vrouwen beklagen, zij zouden zich dan met de liefde der domöoren moeten te vrede stellen.”
Verschil van opvatting.—Dionysius had aan Plato een kleed gezonden naar den Perzischen smaak, lang, met bloemen geborduurd en van fijne geuren doortrokken. Plato weigerde het, zeggende, dat hij, een man geboren zijnde, zich niet als in een vrouwejapon wilde steken. Aristippus daar-en-tegen nam het geschenk aan, zeggende, dat een vast gemoed in elk gewaad hetzelfde blijft.
Toen Dionysius dien zelfden Aristippus in ’t aangezicht gespogen had en zijn vrienden hem verweten, dat hij zich zulks niet aantrok, antwoordde hij: „De visschers laten zich wel van ’t hoofd tot de voeten door ’t zeeschuim bespatten om een ellendig bliekje te vangen.”
Diogenes was bezig kool schoon te maken, en zeide tot Aristippus, die voorbijging: „Indien gij u met kool wist tevreden te stellen, zoudt gij geen dwingeland het hof behoeven te maken.”—„En gij,” antwoordde Aristippus, „zoudt geen kool behoeven schoon te maken, indien gij met uw medemenschen wist om te gaan.”
Vleierij.—De Thraciërs, eenige weldaden willende vergelden, hun door Agezilaus bewezen, kwamen hem vertellen dat zij hem heilig verklaard hadden. „Waarlijk!” zeide hij, „heeft uwe Natie het vermogen, van wien zij wil, een God te maken? Eilieve! maakt dan een God van een uwer, en als ik zie dat ’t hem goed bekomen is, zal ik u dank weten voor uw beleefdheid.”
Vriendschap.—Eudamidas van Korinthe lag op sterven, en, wetende dat hij aan zijn moeder en aan zijn dochter niets naliet, maar tevens de harten zijner vrienden naar het zijne beoordeelende, maakte hij dit testament: „Ik vermaak aan Arethus het voorrecht om voor de voeding en het onderhoud mijner oude moeder te zorgen, en aan Charixenes dat om mijn dochter uit te huwelijken en haar een zoo ruimen bruidschat mogelijk mede te geven, en, mocht een van beiden komen te sterven, dan stel ik den anderen tot zijn plaatsvervanger voor dit gedeelte mijner erfmaking aan.”—De beide vrienden toonden zich het in hen gestelde vertrouwen ten volle waardig. Arethus nam de moeder van Eudamidas tot zich en behandelde haar als of het de zijne was, en Charixenes huwde des overledenen dochter op denzelfden dag als de zijne uit, aan elk een gelijk deel van zijn vermogen medegevende.
Een Magistraatspersoon te Parijs, van wien het jammer is dat Sedaïs in zijn Discours sur les qualités qui constituent la beauté de l’âme ons den naam verzwegen heeft, verliest een vriend, die bij zijn dood niets nalaat dan schulden en twee onverzorgde kinderen. De nagebleven vriend verkoopt zijn huis, schaft zijn rijtuig af, gaat in de voorstad wonen, en komt van daar alle dagen, te voet, zijn ambtsplichten aan ’t gerechtshof vervullen. Straks is de laster aan ’t werk, men beschuldigt hem van gierigheid, van slecht gedrag, enz. Na twee jaren keert de man terug in de groote wereld: hij had een som van 20,000 pond gespaard, die hij nu ten voordeele der kinderen van wijlen zijn vriend plaatst.
De ware vriendschap boezemt niet dan edele gevoelens in. Kallisthenes van Olanthus, die Alexander den Groote had verzeld op zijn zegetochten, was van hoog verraad beschuldigd en op last van dien Vorst in een ijzeren kooi gesloten, die ’t leger volgde. Lyzimachus, een van Alexander’s veldoversten en de getrouwe vriend van Kallisthenes, liet niet na, hem te komen bezoeken. Herhaaldelijk smeekte hem de gevangene dit na te laten, en zich des Konings toorn niet op den hals te halen. „Ik heb,” voegde hij er bij, „genoeg aan mijn eigen leed, laat mij niet nog het verdriet hebben, van het uwe er bij te dragen.”—„Ik zal,” zei Lyzimachus, „alle dagen bij u komen. Indien de Koning zag, dat brave lieden u aan uw lot overlieten, hij zou geen berouw gevoelen over de behandeling, die hij u heeft aangedaan, en geloof slaan aan uwe schuld; hij moet het genoegen niet hebben, te zien, dat de vrees van in zijne ongenade te vallen, mij een vriend heeft doen verlaten.”
Op gelijke wijze antwoordde d’Aubigné aan Hendrik IV van Frankrijk, die hem verweet, dat hij den Heer de la Trémouille, wien ’t Hof ontzegd was, bezoeken bleef: „Sire! de la Trémouille is ongelukkig genoeg, nu hij uw gunst verloren heeft; en ik heb gemeend, hem niet te mogen verlaten op het tijdstip dat hij mijn vriendschap ’t meest behoeft.”
Voiture, een der vernuften, die onder Lodewijk XIII in Frankrijk bloeiden, had 200 pistolen met het spel verloren en kon ze niet betalen. „Ik heb,” schreef hij aan zijn vriend, den abt Costar, „onmiddellijk behoefte aan 200 pistolen; hebt gij ze, zoo zend ze mij, hebt gij ze niet, leen ze dan; ’t ga hoe ’t ga, gij moet ze mij bezorgen, en gij moogt niet gedoogen, dat een ander u deze schoone gelegenheid om mij te verplichten ontroove; het zou mij leed doen voor u, en, voor zoo verre ik u ken, zoudt gij er u moeielijk in kunnen troosten; verkoop dus liever wat gij hebt eer u zulk een ongeluk treffe. Gij ziet, welk een heerschzuchtig vriend ik ben: ik schep er vermaak in dus met u te handelen, en ik zou er nog een grooter gevoelen, indien gij ’t met mij deedt; maar gij zijt een bloodaard.—Ik zal aan den man, die mij ’t geld brengt, mijne schuldbekentenis meêgeven. Vaarwel.”—Costar antwoordde: „Het doet mij een onbeschrijfelijk genoegen, u den kleinen dienst te bewijzen, dien gij van mij vordert; ik had nooit gedacht dat men zulk een genoegen kon hebben voor 200 pistolen. Nu ik dat ondervind, beloof ik u altijd eene kleine kas ter uwer beschikking te zullen hebben, wend u dus tot mij zoo dikwerf gij ’t noodig acht; gij zult geen grooter vermaak hebben in ’t bevelen dan ik in ’t gehoorzamen. Niet te min, hoe onderworpen ook aan uwen wil, zal ik in opstand komen zoo dikwijls gij mij zoudt willen dwingen een schuldbekentenis van u aan te nemen.”
„Een vriend, die mij mijn feilen toont, Gestreng bestraft en nooit verschoont, Heeft op mijn hart een groot vermogen—”
zei Van Alphen, en datzelfde gevoelde ook reeds in zijn tijd Filippus van Macedoniën. Bij gelegenheid van een verkoop van gevangenen, in een min voegelijke houding gezeten zijnde, werd hij daarvan door een hunner gewaarschuwd: „Stelt dien man in vrijheid,” zeide hij, „ik wist niet dat hij een vriend van mij was.”
De volgende edele vriendschapstrekken worden verhaald van den Engelschen geneesheer Mead, die in 1754 overleed. Zijn vriend Friend, die lijfarts was der Koningin, had in 1722, als Lid van ’t Parlement, zich heftig tegen het Ministerie verklaard. De Minister, hierover gebelgd, had hem van hoog verraad beticht en in den toren van Londen doen sluiten. Een half jaar later werd de Minister ziek en liet Mead halen, die, na zich omtrent den aard der ziekte te hebben vergewist, tot den zieke zeide, dat hij voor diens genezing instond, maar dat hij hem zelfs geen glas water zou voorschrijven, zoolang Friend in den kerker zat. De Minister aarzelde eerst hieraan te voldoen, doch na eenige dagen erger wordende, zorgde hij voor de in-vrijheid-stelling des gevangenen. Niet vroeger echter wilde Mead zijn taak bij den Minister aanvaarden, dan toen Friend aan de zijnen was teruggegeven en de aanklacht ingetrokken, waarna hij aan zijn vriend omstreeks 5000 guinjes bracht, die hij verdiend had met het verplegen der patienten van den anderen, gedurende diens gevangenschap.
Weelde.—Zeleukus, de Wetgever der Lokriërs, dacht een geestig middel uit om zijn stadgenooten te genezen van de buitensporige weelde, waartoe zij vervallen waren. Hij vaardigde namelijk een bevelschrift uit, dat geen vrouw van vrije geboorte, als zij uitging, meer dan eene dienstmaagd mocht achter zich voeren, ten zij in geval zij dronken was: noch ook gouden vercierselen op haar lijf of een geborduurden tabbaard dragen, wat alleen aan vrouwen van slechten naam vergund werd: voorts dat geen man, behalve boeven en ruffianen, gouden ringen aan den vinger, noch gewaden van fijne Milezische stof mocht dragen.—Dewijl nu noch vrouw, noch man gerekend wenschte te worden tot de uitzonderingen te behooren, miste de verbodsbepaling haar uitwerking niet.
Woordhouden.—Sommigen beweeren, dat de dood ons ontslaat van alle verplichtingen; die leer is intusschen somtijds op zonderlinge wijze toegepast. Hendrik VII, Koning van Engeland, was met Koning Filips den Schoone overeengekomen, dat deze den Hertog van Suffolk, die tegen hem krijg gevoerd had en naar de Nederlanden geweken was, in zijne handen zou stellen, nemende hij, Hendrik VII, aan, dat hij gezegden Hertog het leven en de vrijheid laten zou;—doch bij zijn uitersten wil gelastte hij zijn zoon hem terstond na zijn dood te doen ombrengen.
Evenzeer een letterknecht, doch in edeler zin, toonde zich de Graaf van Egmond, toen hij, te gelijk gevangen en gevonnisd zijnde met den Graaf van Hoorne, die door hem, onder verzekering dat hem niets kwaads zou overkomen, naar Brussel was gelokt, met grooten aandrang verzocht, het eerst onthoofd te worden, opdat zijn dood hem de belofte kwijtschold, door hem aan Hoorne gedaan.—’t Komt mij intusschen voor, dat de dood den Koning van Engeland niet van zijn gegeven woord ontsloeg en dat Egmond daarvan ook buiten den dood ontslagen was. Niemand kan instaan dan voor hetgeen afhangt van zijn wil en van zijn macht; en welke verplichting Egmond ook jegens Hoorne had aangegaan, hij was daarvan ontslagen zoodra een sterker macht dan de zijne hem in de onmogelijkheid bracht die na te komen. Hendrik VII daar-en-tegen is er niet meer om te verschonen, dat hij ’t verbreken van zijn woord uitstelde tot zijn dood; of liever, hij verbrak het, nog levend zijnde, toen hij, bij zijn testament, den moord van Suffolk gelastte.
Zelfbedrog.—Even als sommige ouders het meeste zwak hebben voor diegenen onder hunne kinderen, die ziekelijk, mismaakt of stompzinnig zijn, en men schrijvers ziet, die bij voorkeur roem dragen op hun minst gelukkig geslaagde werken, schijnen in ’t algemeen de lieden eigenschappen, waar zij in uitmunten, gering te schatten om zich te verheffen op andere, waarin zij slechts breekebeenen zijn—vermoedelijk meenende op die wijze een nieuwe aanspraak op roem te verwerven bij die, welke zij reeds verworven hebben. Zoo gewaagt Plutarchus van Periander, die een treffelijk geneesheer was, doch zulks weinig scheen te tellen, en daar-en-tegen stofte op zijn verzen, die erbarmelijk slecht waren; ’t zelfde deed Dionysius de Oude, die als Veldheer groote verdiensten had, doch zich meer liet voorstaan op zijn dichterlijke gaven, die niets beteekenden. Cezar geeft zich in zijne Gedenkschriften ontzaglijk veel moeite om zijn bekwaamheid als krijgsbouwkundige op den voorgrond te stellen, breedvoerig uitweidende over de verschansingen, die hij opgeworpen, over de bruggen, die hij gebouwd heeft, terwijl hij daar-en-tegen zeer kort is waar hij van zijn wapenfeiten gewaagt. Zeker oordeelde hij, dat zijn naam als uitnemend Veldheer genoegzaam was gevestigd, en het er nu op aankwam, den lezer ook zijn verdiensten als ingenieur te doen opmerken. De Prins van Kaunitz, die onder Keizerin Maria Therezia en haar beide opvolgers als eerste Staatsdienaar zich een grooten roem verwierf en de „koetsier van Europa” werd bijgenaamd, pochte in het laatst van zijn leven op zijn voortreffelijke rijkunst; ofschoon hij niet dan met moeite op zijn paard geholpen kon worden en niet verder reed dan zijn eigen manege rond; en ik herinner mij een Rechtsgeleerde, die, een openbare boekerij bezoekende, vol werken over zijn vak, daar geen acht op sloeg, maar op den toon van een deskundige den verkeerden samenstel ging berispen van een wenteltrap, die er heen geleidde en die toch het werk was van een beroemd Architect.
Zelfverloochening.—Er is misschien geen daad, die moeilijker valt, dan den lof, dien men zelf behalen kon, op te offeren ten einde de eer of goeden naam van anderen te bevorderen.—Zoo handelde Lelius, die zich als luitenant van Scipio in diens veldtochten steeds met zooveel beleid en wakkerheid gekweten had, dat, naar veler gevoelen, hem de voornaamste eer toekwam van de behaalde overwinningen, doch die steeds allen lof deswegen afwees, beweerende nooit anders geweest te zijn dan de uitvoerder van Scipio’s bevelen.
Toen Karel V in 1537 besloten had, Provence binnen te trekken, raadde Antonio de Leyva, hoezeer van oordeel zijnde, dat die tocht zijn meester tot groote eer verstrekken zou, hem dien ten sterkste af, en dat met geene andere bedoeling, dan dat de Keizer, de onderneming tot een gelukkig einde gebracht hebbende, er te grooter lof door zou inoogsten, als men wist, dat hij die tegen het gevoelen zijner raadslieden begonnen had.
Toen de Thracische Gezanten Achilonide, moeder van Brazidas, over den dood van haar zoon kwamen troosten, en onder andere loftuitingen beweerden, dat hij zijns gelijke niet had, wees zij die lofspraak af, zeggende: „Zoekt mij zoo iets niet te doen gelooven, ik weet dat Sparta vele burgers bezit, grooter en dapperder dan hij was.”
Toen men Theopompus, Koning van Sparta, prees, dat alles zoo goed ging onder zijn regeering en dat zulks alleen daar van daan kwam, dat hij zich zoo goed wist te doen gehoorzamen, antwoordde hij: „Daar ligt het niet aan, maar daaraan, dat het volk zoo goed weet te gehoorzamen.”