← Table of contents
Van vijf moderne dichters

VERZEN VAN MARGOT VOS

Reading edition

LENTELUST

Zoo in den zingenden hof

Met de merels en madelieven

Met het blijmoedige lof

En de harige honigdieven,

Zoo als een doeniet den dag

Uit den zondronken hemel te kijken,

Dwars door het feestlijk gevlag

Der bloeiende appelrijken,

Vind ik de zaligheid weer

Die de wereld verloren waande,

Ben ik bevrijd van begeer,

Houd ik den hemel staande

Op mijn gezuiverd bloed

Waarover de winden wimp'len,

Ben ik van blijdschap gevoed:

De simpelste onder de simp'len.

Boven mijn hoofd sluit de tijd

Zijn eeuwig-bloedende wonde,

Heft mij in 't zorgeloos krijt

Van de fluitende vagebonden,

Houdt mij van schoonheid omschuimd,

Van zil'vren zangen volzongen,

Stuwt de groot-golvige ruimt'

Aan 't klein eiland mijner longen.

Mijn wordt het gansch gewelf;

Daar is geen raadsel, geen wonder.

Ik ben de schepper zelf,

De wereld duikt in mij onder.

De dagen stijgen uit mij

Als hel-klapwiekende duiven,

De nachten komen in mij

Den zomersenen wierook wuiven.

Ik draag de wel en de wolk,

Ik draag de ster en de rozen,

Ik draag 't opstandig volk

Van winden en waterhoozen.

Aan mij de zachte borst

En de zwarte vlerken der eeuwen

Aan mij de levensdorst

En het eindloos stille sneeuwen.

Zoo is het evenwicht

Over mijn tweelingoogen,

Zoo is al last en licht

Even zwaar uitgewogen.

Zoo is er geest noch stof,

Wijsheid noch wereldweten,

Zoo in den zingenden hof

Ben ik van God vergeten.

ONTWAKING

Onder de zon wordt een wonderdroom,

Weidsch als een waaierboog.

Merkt ge onzen machtigen onderstroom?

Wij heffen de zee omhoog!

Zwaar rollen de golven, aan ruischingen groot,

Als de storm die te nacht in den horen stoot.

Al wat we zagen was eeuwig grijs.

Binnen gesloten schulp

Werden we en wiesen we op ééne wijs;

Ons rijk was de smalle stulp!

Wat dreef ons begeeren naar ruimer gewelf?

De groei onzer ziel, ons ontwaakte zelf!

Boven ons wijken de wolken weg,

Zeilen de zon voorbij.

Keert ons nog heden het oud beleg,

Toch worden we morgen vrij.

Toch zullen we morgen ontbonden staan

En ver boven 't kleine de vleug'len slaan!

HET IS MEI

O de zonne de zonne die danst op de wei

En de leeuw'rik die danst in de lucht,

En de perelaars breiden zoo breidelloos blij

Naar den hemel hun sneeuw-witte vlucht!

En het rozige schuim aan den appelaar ruischt

Of de zee door zijn juichende takkenschaar bruist;

En de zonne de zonne die danst op de wei ...

Het is Mei, het is purperen Mei!

O de zefir de zefir die zingt in het licht

En de bij zingt de bloei-hagen door;

Over stekel en naald, tusschen dorens en blad

Zoekt zij zoemend het goudgele spoor.

En het honingzwaar huis aan den stengel dat juicht

Van geluk als ze binnen zijn vensteren buigt,

Waar de blonde kaboutertjes oop'nen den rei

Van den Mei, van den purperen Mei!

O de beke de beke die huppelt voorbij,

Of 't een spelensreê makkertje waar',

Dat met grillige kransen van schaduw en licht

Heeft doorvlochten het goudelend haar!

En heur kirrelend lachje dat luidt er zoo zoet

Of een torteltje roept uit den perelenvloed

Met een perelenkeeltje, zoo zorgeloos vrij:

"Het is Mei, het is purperen Mei!"

O de zonne de zonne die danst in de wei

Op de maat van den lustigen wind,

Die de bloemekens zoent op de blozende wang

En den wolken den gordel ontbindt!

En geen boom in het veld waar geen vreugde-doen huist;

Slechts de knotwilg bolt grimmig zijn zwart-bruine vuist

Tegen 't twijgjen dat sprong uit zijn greep met een blij

"Het is Mei, het is purperen Mei!"

GRAUW WEDER

Zonne zonne, zet aan, zet op!

Steek toch die taaie slemp in tweeën!

Stoot uw goudzwaard de wolken in

Dat ze bloeden als roode zeeën!

Zend uw rankvoetige stralekens

Met de starren in 't glinsterhaar!

Laat ze kloppen en wederkloppen

Aan de weerbarstige winterknoppen,

Groot wond're wonderkens liggen daar

In vast versloten schalekens....

Zonne zonne, zet aan, zet op!

Dinder die wonderkens uit den dop!

Zonne zonne, waar zit ge toch!

Hadde ik uw gulden riddersporen,

'k Sprong de grauwe almachtigheid

Dwars door naar uw verstoken toren.

'k Luidde al lustig het belleken

Tegen de karmozijnen poort:

Ik zou klinken en wederklinken

Heel het hemeldom oprinkinken

Van Oost tot West en van Zuid tot Noord

In één hooveerdig relleken....

Zonne zonne, waar zit ge toch?

Zijn uw oogschellen geloken nog?

Zonne zonne, zet op, zet aan!

Word toch de wereld welgenegen!

Laat uw doorluchten levenslust

Over de aarde flikkervegen.

Tik met uw blinkende hamerkens

Hier en ginds en in al 't getij;

Laat ze springen en wederspringen

Op en neer, tot vermetel zingen

De lucht doortrilt als een sterk en blij

Gejoel van vrije kramerkens!

Zonne zonne, zet op, zet aan!

Zet ons midde' in de Meiebaan!

AVONDZWIJGEN

Ik weet niet wat de' avond zoo stil doet zijn....

Komt het van 't zwijgen der wilde merels,

Of van de peinzende sterreperels,

Of doet het de stervende zonneschijn

Die zachtkens zachtkens de kim toespreidt

Zijn vlinderteêre doorzichtigheid?

Ik weet niet wat de' avond zoo stil doet zijn....

Liggen de luide dingen versloten

Achter verzegelde zilveren sloten

Die over de verten genageld zijn?

't Is al zoo zwijgend omneêr gegaan

En weggeborgen en afgedaan.

Ik weet niet wat de' avond zoo stil doet zijn,

Als had ze een heerlijk kind verloren

En roerloos zat in heur blauwen toren

Van eenzaamheid bij heur roode pijn

Die dieper dieper vervloeien ging

Tot zwaarmoeds-duist're herinnering.

Ik weet niet wat de' avond zoo stil doet zijn....

Worden de zonden zoo zwaar gewogen

Dat neêrwaarts neigen de trotsche bogen

In donker-purperen deemoedslijn

En wacht doodstil het ontroerd heelal

Of de genade ook komen zal?

WAT LOK JE

Wat lok je,

Wat mok je,

Wat glans en gok je,

Klein stommetje uit het oogeland!

Als 'n klokje,

'n Klein klokje,

'n Glinstervlokje,

'n Blauw blommetje van het hooge zand.

Wat vlei je,

Wat blij je,

Wat spelemei je;

Wat oogel je uit dat blond kozijn!

Als leien

Te vrijen

In rozeweien

Blauw vogeltjens met den zonneschijn.

Wat blink je,

Wat pink je,

Stout smeekelinkje;

Princesseke bedelt erbarmen maar.

Want 'n vinkje,

'n Klein vinkje,

'n Heel klein vinkje

Wil nestelen in mijn armenpaar.

BOETEGANG

Het belken klept de kerstenrij

Uit held're verten naderbij....

Aan 't altaar is 't zoo vroom en stil

Bij 't kindeke en de vrouwe zoet;

En 't kleen bescheiden keerske brandt

Zijn wond'ren, zacht-zachtblauwen gloed....

Aan 't altaar heerscht zoo hooge rust

Die 's werelds wee al overwaakt

En staeg de wonde voeten kust

Van Christus, nederig en naakt.

Daar ruischt een volte in de poort

Die aan Maria's ruste stoort....

Een weelderige kleurenvloed

Golft door Gods heilig bruidsvertrek

En purper en sameet beschaamt

Het kindeke in zijn poover dek.

't Is of het kleine keersken bangt,

Van schitteringen overblaakt,

Of armer aan het kruishout hangt

De Christus, nederig en naakt.

Gaat zoo de ootmoedigheid ten zoen

Om donk're zonden af te doen?

Zoekt zoo de ziel de ijle sfeer

Der godd'lijkheden, overberst

Van pronkselen en wereldpraal

Die loodzwaar op de vlerken perst?

Hij zwerft wel ver van 't vrome land

Die goudzwaar ter ontferming naakt!

Hoe luttel weegt de lendenband

Van Christus, nederig en naakt!...

DE MAAIERS

De maaiers komen in de blauwe kielen

Met de vroegzon vreugd'loos uit het heideland,

Met loome lijven en verslapen zielen,

Met de hooge zeisen aan den gordelband.

De gele haver zal geen avond vieren

Maar gesikkeld liggen in het late licht;

De moede maaiers als gedreven dieren

Gaan zich woordloos wijden aan hun zwaren plicht.

En ze maaiemeien en ze zwaaiezweien

Als witmolenwieken door het volle graan;

En het ritselruizelt aan hun struische zijên

Of windvlagen wiss'lings langs hen nederslaan.

Zoo vroeg in de koelte en in groeiende zoelte

Gaan ze felgebogen door den flikkerdag,

Tot de zeise zwijgt en het goudgewoel te

Verstarren ligt van zijn laatsten slag.

En de maaiers trekken in hun blauwe kielen

Met de avondstarre naar het heideland,

Met versloopte lijven en versloerde zielen,

Met de hooge zeisen aan den gordelband.

CANTECLEER

Bonte trompetter,

Bloeiender lust

Blinkende ketter,

Kort is uw rust.

Steekt g' in de luchtsmoor

Brandende taal,

Schemering vlucht voor

Uw hoornsignaal.

Relt ge de belle,

Wekkert een vlucht

Klinkende schellen

Wakker de lucht,

Woelt er een stoutvlerk,

Hemelgenoot,

Al het schoon goudwerk

Open en bloot.

Zilveren schalen

Storten in 't land;

't Regent koralen,

't Regent briljant.

Waar is de muiter,

Waar is de dief?

Vang je, hoogfluiter,

Gouden gerief?

Bonte trompetter,

Boven den tijd

Wekt uw geschetter

Werelden wijd!

Wekt ze, tot leven,

Zonnig en blond,

Boven den beven-

-Den horizont!

STORMLIEDEREN

I

Zie, de luchten waaien tot een duister ruim

En de wind wordt vrijheer van den vloed

En de bladers dansen op z'n dolle luim

De muziek der regens tegemoet.

Uit de zomerstilte barst het herfstjolijt:

Elke boom een feestzaal vol gedruisch,

Elke beek een doorgang vol bedrijvigheid,

Ieder dal een open lustig huis.

In z'n Oostersch tooisel trekt de laatste trein

Van genot en leven door den dag;

'k Zie de vlinders varen op het stormrefrein

Onder rijke overzeesche vlag.

Schelle najaarskelken bloeien wild en bont

Aan de zwarte steilten van den dood,

Of de laatste leefkracht door hun koop'ren mond

Op uitdagend zingen henenvlood.

Dit is heerlijk einden, dit is nedergaan

Zonder ijd'le klacht en zonder spijt

Op de donkre hobo's van den nachtorkaan

Tot den diepsten burcht der eeuwigheid.

II

De stormbruid ruit de bladers op

Tegen het oude woudgezag:

Beter in één roes te vergaan

Dan te verdruilen dag aan dag.

Hoor je dat ruischen, breed en frisch?

Hoor je dat golven, zwaar en groot?

Dat is de opstandigheid die luid

Aan de verstarring weerstand bood.

Wie nu niet tot de daad ontwaakt

Moet tot de pit verschimmeld zijn.

Daar is geen lust, geen droefenis

Te machtig voor dit hoog gedein.

Daar is geen enk'le ziel te zacht,

Daar is geen enk'le borst te broos;

Daar is maar één meesleepend lied

Van stormgeluk, al eindeloos.

En wat nog nooit gevlogen heeft

Schiet slank en snel de wolken in;

En wat nog nooit bewogen heeft

Rukt van zijn vastgeroeste pin.

En uit de vlakte en den vloed

En over zee en bergbazalt

Borrelt en breekt de bende baan

Die duisternis en nevel spalt.

Waarheen dit luisterrijke spel,

Waarheen dit weergaloos gewiel?

Tot d'opperste vollustigheid,

Tot de bestemming van de ziel;

Tot stillen hermelijnen nacht,

Volmaakt van lijn en tinteling,

Waar alles alles is gevuld

Van glanzende verzadiging.

III

O groote ruischelaar,

Snelwiekig wonder;

Hoe wordt de kranke dag

Zevenmaal gezonder

Als g'uit de wolken scheert,

Als g'aan de vlakte veert,

Als ge de golven keert

Over en onder.

O groote ruischelaar,

Breedvlerkig wezen,

Nauw staat de hemel vol

Regen gerezen,

Of met een schuddering

Van uw gezwaaiden zwing

Zwiept gij de zonnesching

Over de vreezen.

Wolkenrot, wintergod,

Waar werpt g'uw anker?

Zeeën zijn veel te klein,

Bergen te wankel.

't Sterrenheir stilt u niet,

Nachtdonker drilt u niet,

Maanvreê vermildt u niet,

Bandlooze zwanker!

Doch zijn uw wegen ook

Wild, woest en woedig,

Ergens in 't ongezien

Wordt ge vroom en vroedig.

Splijt u een sterker wil,

Siddert uw albedil,

Staat gij gebogen stil,

Eindloos ootmoedig.

IV

Hoezee! daar jaagt het heksenspan

Der dolle regenbenden an!

Ze dragen sneeuwen hoozen,

Een rok van waterrozen,

Een schel blazoen, een felle speer,

Aan ied're steek een raveveer....

Ze blikken op noch omme,

Lijk een bezeten dromme

Ze suizen over struik en blom

En slaan de bange boomen krom....

Berg weg, berg weg uw leven!

Het is haar àl om 't even.

En wilt ge niet, al goed, al goed,

Ze rijde' u schaat'rend onder heur voet!

De vaart schiet zwarte vlerken aan,

Wil uit zijn donker bed vandaan

En heft zich boven 't gele riet

En huilt zijn eigen zegelied

En werpt zijn brosse schuimen

Lijk uitgewaaide pluimen

En steigert aan den steilen wal

En slaat terug in boozen val

En dindert op in stroomen

En kan niet hooger komen;

De rosse ruiters daav'ren rond

En springen in zijn zwarten mond

En dansen op zijn duister oog

En spannen hem een zilverboog

En roetsen voort en verder

Lijk kudden zonder herder....

De luchte leeft van perelsop,

Het klettert van heur speren op,

Ze klirren met heur sporen

Weerszijên van den toren

En steken hem in éénen klap

In grauw-geweven nonnekap.

En voort en voort geschuierd!

De molen moet gesluierd!

O zie dat kleene huisken staan!

Het krijgt een wollen buisken aan.

Hoor hoor dat druischen, drusten

Lijk opgebarsten fusten....

Hoessa! de appel ploft terneer:

Een bobbel bloed in 't regenmeer.

Hoessa! de peer scheurt van den tak:

Een klompe goud in 't parelvlak!

Hoessa! de noot is 't verste,

Zij tuimelt blankgebersten....

En immer immer holder aan;

Daar is geen tijd voor stille staan!

Ze donderen maar schots en schol

En plonderen de grachten vol,

Verdrinken kruid en zode

En rennen zich ten doode;

Ze zuigen in het taaie slik

En juichen er heur laatsten snik.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings