← Table of contents
Van vijf moderne dichters

VERZEN VAN DR. P.C. BOUTENS

Reading edition

Dr. P.C. Boutens
Dr. P.C. Boutens

O LIEFDE, LIEFDE, DIE ALS LIJDEN ZIJT

O liefde, liefde, die als lijden zijt,

Rijs in mijn oog met iedren nieuwen dag,

Dat ik de wereld en haar kindren mag

Zien in uw licht, een kind dat u belijd.

En laat mij niet alleen, maar in den nacht

Daal in de schaduw van mijn koele borst,

Dan zal ik veilig slapen als een vorst,

Die rust in 't midden van bevriende wacht.

Zoo moog ik zijn als dun albasten vaas,

Boordevol bloed van uwen rooden wijn;

In 't nachtehart als een weekgele schijn,

In donkre nis weenlichtende topaas;

Maar in den dag een levende fontein,

Die stroomt den dorstenden zijn zoet solaas.

(

Verzen

)

O, ELKEN DAG BEGINNEN

O, elken dag beginnen

Dit broze bezinnen

Als hartdoorgloedenden wijn,—

Iederen nacht vergeten

Dit vorstlijk weten,

Dat gij zijt mijn.

Door diepe droomedalen

Eenzamen nacht verdwalen

Als arm man zonder wijk,—

In morgenpaleizen

Den dag zien rijzen

Over eigen wonderrijk.

Met avond sterven,

Een Koning zonder erven,

In koelen nachtedood gebed,—

Met morgen rijden

In feesttocht van verblijden

Ter kroning naar uw lichtdoorvlagde stad.

Uit iedren nacht herboren,

Tot iedren dag verkoren,

Een godgeroepen kind zoo vroom,

Dat met diepopgetogen

Jongheilige oogen

Mag opgaan tot steeds nieuwen dagedroom.

(

Praeludiën

)

IK DENK ALDOOR AAN ROZEN

Ik denk aldoor aan rozen,

Rozen wit en rood,

Tot al gepeinzen overblozen

Uw eigen voetjes warm en bloot.

Ik hoor den heelen dag als vogelenkelen,

Als fluiten ver, dat krimpt en zwelt,

Tot vlak bij huis uw lippen woordespelen

En al geluid versmelt.

Ik zie aldoor als blanke sterren stralen

Door 't donkerzware middagblauw,

Totdat uw oogen naar mij dalen

Van boven de'avonddauw.

Van u kan maar bij deelen droomen

De lange dag die u verwacht;

En wonder blijft uw volle komen

Straks aan de hand der jonge nacht.

(

Praeludiën

)

INVOCATIO AMORIS

Dien de blinden blinde smaden,

Daar uw glans hun schemer dooft

Waar de kroon van uw genaden

Weêrlicht om één sterflijk hoofd:

Door de duizenden verloornen

Aangebeden noch vermoed:

God dien enkel uw verkoornen

Loven voor het hoogste goed....

Door de kleurgebroken bogen

Van de tranen die gij zondt,

Worden ziende weêr mijn oogen

Als in nieuwen morgenstond:

Zien de matelooze wereld

Stralen nog van zoom tot zoom;

Heel de matelooze wereld

Bleef uw ongerepte droom!

Laat mij onder uw beminden,

't Zij gij zegent of kastijdt:

Blijf mij eeuwiglijk verblinden

Tot het kind dat u belijdt.

Lust en smart in uwe banden

Werd hetzelfde hemelsch brood:

Eindloos zoet uit uwe handen

Laav' de laatste teug, de dood.

(

Vergeten Liedjes

)

NAMEN

Wat is u of mij een naam,

Werelds prijs of werelds blaam,

Als de ziel de dingen weet en mint

Dieper dan hun naam, mijn kind?

Elk ding krijgt zijn gouden naam

Eens in schoonheids vol verzaam

Als al schoone dingen zijn

Zonneklaar en zonder schijn.

Daar vervalt het schoone woord

Hem wien reeds de zaak behoort,

Die haar diepst heeft liefgehad

Zonder dat.

(Vergeten Liedjes)

AVONDWANDELING

Wij hebben ons vandaag verlaat!

Pas bij de laatste brug

Waar 't voetpad tusschen 't gras vergaat,

Daar keerden wij terug.

Achter ons dekt de witte damp

De schemerende landen.

Zóó zijn wij thuis. Wij zien de lamp

In looveren warande ...

Wat gingen wij vanavond ver,

Het werd alleen tè laat:

Nog verder dan de gouden ster

Aan blauwe hemelstraat!

Zoo saam doen twee een korte poos

Over een wijd gebied!...

Nog liggen wegen eindeloos

Voor morgen in 't verschiet!...

O konden we eens zoo samen staan

Aan de allerlaatste brug,

En saam en blij er overgaan—

Wij kwamen nooit terug!

(Vergeten Liedjes)

BIJ EEN DOODE

Lief, ik kan niet om hem weenen

Waar hij stil en eenzaam ligt

In het schoon doorzichtig steenen

Masker van zijn aangezicht

Dat de dingen er om henen

Met zijn bleeke toorts belicht.

Lief, ik kan geen tranen vinden

Als mijn hart hem elders peist,

Waar zijn ziel met de beminde

Sterren van den avond rijst

En ons, dagelijks verblinden,

Hooger wegen wijst.

Naar de heemlen van de lage zoden

Stijg' de gouden offervlam!

Wie kan weenen naar de vroeg vergoden

Die de dood ons halen kwam?—

Tranen, lief, zijn enkel voor de dooden

Die het leven nam.

(Vergeten Liedjes)

MAANLICHT

Het maanlicht vult de zuivre heemlen

Met glanzende geheimenis,

De luisterblauwe verten weemlen

Van Die alom en nergens is.

Alleen de groote zonnen hangen

Als feller kaarsen in dien schijn:

De ziel herdenkt heur lang verlangen

In nietsverlangend zaligzijn.

Alsof van achter diepe slippen

Haar dolend tasten eindlijk vond

Met hare warme blinde lippen

Nog lichter lust dan uwen mond.

Weg boven dood en leven zweven

Wij op in duizelhellen schrik:

O kort en onbegrensd beleven

Van eeuwigheid in oogenblik!...

Het maanlicht vult de zuivre heemlen

Met glanzende geheimenis,

De luisterblauwe verten weemlen

Van Die alom en nergens is.

(Vergeten Liedjes)

HERDENKEN

Nimmer zal de ziel vergeten

Schoone wereld waar zij leerde

Wat gemis niet had geweten

Dat zij de eeuwen lang begeerde:

O te lachen, o te weenen,

Zich in lach en tranen geven,

Tot te lachen of te weenen

Wordt der lichte ziel om 't even:

O te weenen, o te lachen

Tot de neevlen zijn doorschenen,

En haar weenen wordt als lachen,

En haar lachen is als weenen:

Land van lachen en van schreien

Tot de stille dood haar strekte,

Waar haar smart en haar verblijen

Al de zuivere echo's wekte,

Nimmer zal de ziel vergeten

Schoone wereld waar zij leerde

Wat zij zelf niet had geweten

Dat zij de eeuwen lang begeerde.

(Vergeten Liedjes)

NACHT-STILTE

Stil, wees stil: op zilvren voeten

Schrijdt de stilte door den nacht,

Stilte die der goden groeten

Overbrengt naar lage wacht ...

Wat niet ziel tot ziel kon spreken

Door der dagen ijl gegons,

Spreekt uit overluchtsche streken,

Klaar als ster in licht zoû breken,

Zonder smet van taal of teeken

God in elk van ons.

(Vergeten Liedjes)

STERRENHEMEL

Nu kunt gij veilig slapen gaan,

Nu al de heemlen openstaan:

Ziel, wier verlangen eiken donkren wand

In ster aan ster doorzichtig brandt,

En in de schoonheid van dit tijdlijk land

Al minnen moet uw eeuwig lot,

Daar uw verrukking uitziet tot

Den troon van God.

(Vergeten Liedjes)

NIETS BINDT ZOO ONGELIJKEN

Niets bindt zoo ongelijken,

Blijden en droeven,

Armen, en rijken,

Als dit gedeeld behoeven,

Dit, onbewust van geven,

Aldoor ontvangen

Tot alle leven

Verging in één verlangen

Dat niet meer zijn kan zonder

Zijn alle dagen

Vernieuwde wonder

Van zegen niet te dragen

En zoo verlicht ontstijgen

Aan elkander

Dat het moet neigen

In deernis naar den ander

Die leek omlaaggebleven,

Maar rijst ons tegen

In blind ontzweven

Naar ongekende wegen.

(Lente-maan)

ALLE HEEMLEN VULT DE ZOETE ROKE

Alle heemlen vult de zoete roke

Van een nooit in bloesem uitgebroken

Knoppenzwellende geheimenis:

Zon en regen van de lage luchten

Voelen wij haar wekken en bevruchten

Uit haar beidende bezwijmenis.

Door het licht-en-donkere verglijden

Dezer doelloos wisslende getijden

Streeft een nieuw en vast seizoen;

Achter branden van nabije zonnen

Is de groote dageraad begonnen

Van een andren, blinden noen.

En de ziel in elk besterft tot luistren

Naar het heimlijk lenteluwe fluistren

Van een vreemde stem die lokt en vleit:

Die het liefste met elkander deelen,

Rijzen stil als bloemen op haar stelen

In gescheidene verzonkenheid.

Tot hun oogen straks weêr samenneigen

En de spiegel van hun eenzaam zwijgen

Voor het voorgevoel bezwijkt

Dat een nieuwe meester in 't beminnen

Ieders hart afzonderlijk komt winnen,

En in 't eind dezelfde blijkt.

(Lente-maan)

AAN DE SCHOONHEID

Kom niet, Schoonheid, eer we u zijn bereid

In ons huis, in ons te ontvangen;

Kom niet vóór de Wereld openleit

Breede bedding uwer heerlijkheid;

Kom niet eerder: ons verlangen

Is sterker dan de tijd!

Niet zoolang aan aardes blonde brood

Wij ons vloek en smaadheid eten;

Niet zoolang met maat van veler nood

De overvloed der enklen wordt gemeten;

Niet vóórdat ons aller jeugd den dood

Om het blijde leven kan vergeten!

Als een zuivre zelfverlichte

Zegenzware wolkkolon

Doemt gij in de diepe vergezichten

Achter zeeën maan en zon:

Geen gedachte die met felste schichten

Ooit uw glans bereiken kon,

Maar geen hart dat zich naar simple blijdschap richtte

En uw milden dauw niet won!

Van al templen u gebouwd

Uit de marmeren gedachten

Van de schooner levende geslachten,

Is er géén die u besloten houdt:

Als voor steen en goud

U de volkren offer brachten,

Vond en zong u 't eenzaam smachten

Van een kind in lentewoud!

Alwier oogen smartverklaard

Aan den einder hunner dagen

Uw bestendig weêrlicht zagen,

Vreugdes morgen over schemeraard,

Hebben vrij en onbezwaard

't Donker menschenhart gedragen:—

Al hun lijden is melodisch klagen

Dat gij niet voor allen waart.

Bidden niet en handenwringen

Lokt de goôn;—

Waar een hart het uit moet zingen,

Daalt het ongebeden loon,

Neigt de naaste van de hemelingen

Zich tot haar bestemde woon.

O wij weten wel wat lentedag

Al de stille sneeuw die gadert,

Van uw bergen dooien moet;

Dat zijn uur door de eeuwen nadert,

Dat geen hart ontbreken mag

Tot zijn gloed!

Vochte koelte zoeft door 't bruine riet;

Sappen gisten in het dor geraamte—

Overval ons niet in onze schaamte:

Schoonheid, kom nog niet!

(Stemmen)

LETHE

"Hoe over 't brandend blind bazalt

Vind ik den weg naar Lethe?—

O alles te vergeten

Eer de avond valt!

"Ik weet dat dood en donker komen

Als dit schel daglicht is gebluscht,

Maar ik wil diepe klare rust

En zonder droomen.

"Voor wie als ik van kind tot knaap,

Van man tot grijsaard derven,

Voor die is dood en sterven

Maar verontruste slaap....

"De zoete macht tot lach of traan

Gaf mij en nam mij 't leven.

Alleen mijn oogen bleven

Kijken, mijn voeten gaan.

"Hoe vaak sindsdien waar 'k zat en ging,

Is langs mijn wakende oogen

De lange trein getogen

Van aller lust herinnering.

"Wat moet ik aldoor zien wat 'k weet?

Al 't reddeloos volbrachte,

Al 't reddeloos gedachte:

Gelijk is wat ik liet en deed!

"O eer de dood mijn leden bind'

En hen voor eeuwig bedde,—

Wat zal mijn oogen redden

Van dezen droom die immer nieuw begint?:

"O blanke ziel, o roode bloed,

O hart verdwaald daartusschen,—

Wie zal in slaap u sussen

Tezamen en voorgoed?

"Mijn voet kan vóor den avondval

Nog vele mijlen reizen,

Wil één den weg mij wijzen

Naar Lethe's dal.

"Wie over 't brandend blind bazalt

Brengt mij naar Lethe?—

O alles te vergeten

Eer de avond valt!"

(Stemmen)

LIEFDES UUR

Hoe laat is 't aan den tijd?

Het is de blanke dageraad:

De diepe wei waar nog geen maaier gaat,

Staat van bedauwde bloemen wit en geel;

De zilvren stroom leidt als een zuivre straat

Weg in het nevellicht azuur;

En morgens zingend hart, de leeuwrik, slaat

Uit zijn verdwaasde keel

Wijsheid die geen betracht en elk verstaat,

Vreugd zonder maat,

Vreugd zonder duur....

Hoe laat is 't aan den tijd?

't Is liefdes uur.

Hoe laat is 't aan den tijd?

De zon genaakt de middagsteê:

In diepte van doorgloede luchtezee

Smoort de akker onder 't bare goud;

De vonken sikkel snerpt door 't droge graan;

De schaduw krimpt terug in 't hout;

In hemel-en in waterbaan

Geen wolken gaan;

Alleen de wit-doorzichte maan

Blijft louter in het blauwe hemelvuur ...

Hoe laat is 't aan den tijd?

't Is liefdes uur.

Hoe laat is 't aan den tijd?

't Is de avond: in zijn rosse goud

Wordt schoon en oud

Der wereld dagehel gezicht;

Snel aan den hemel valt het water van het licht;

En al de windestemmen komen vrij;

De laatste wagen wankelt naar de schuur;

De dooden wenken aan den duistren Oostermuur;

En boven glansbeloopen

Westersche schans in groene hemelwei

Straalt Venus' gouden aster open

Zoo plotseling en puur ...

Hoe laat is 't aan den tijd?

't Is liefdes uur.

LEEUWERIK

Blijft gij nooit éen blanken uchtend,

Leeuwrik, zingen hier beneên,

Die uw nachtlijk nest ontvluchtend

Door de zilvren neevlen heen

Vleuglings vindt de gouden wegen

Waar uw aadmen juichen wordt,

Tot uw zang in vuren regen

Naar de koele vore stort;

Zingt gij nooit de roode smarten

Van den duistren aardenacht,

Wordt het bloeden onzer harten

Wel gestelpt, maar nooit verklacht?...

In het ijle blauw verloren

Volgt mijn oog niet meer uw vlucht,

Maar uw antwoord dwaast mijn ooren

Met zijn zaligend gerucht:

Steeds, uit vreugd of smart gerezen,

Heeft de ziel uw vreugd verstaan,

En tot uwe vreugd genezen,

Ons gemeen geheim geraên:

Alle smart omhooggedragen

Meerdert vreugdes gouden schat:

Slechts de vleuglen die ons schragen,

Zijn van aardes tranen nat.

(Carmina)

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings