VIII.
Reading edition
Doch langzaam aan begon de rijke, gouden zomer tot het bruine bronskleed van den herfst te tanen en de dagen werden korter en de nachten koel. Weldra woeien de dorre bladeren als zwermen verschrikte vogels uit de hooge kruinen weg, of droppelden in stille, gele tranen neer, heel langzaam, een voor een, met zuchtgeritsel door de naakte twijgen.
Al spoedig zouden de koeien voor den ganschen winter uit de weide worden weggehaald. Al spoedig ook zouden de regeerende kasteelen, thans nog zoo trotsch in luisterrijke najaarspracht boven op hun heuvel, voor maanden lang gesloten en verlaten worden. En de vroolijk-joelende koewachtertjes zouden uit elkaar gaan en zooals kouwelijke winterbeestjes voor elkaar verdwijnen, de een hier, de andere daar, verwijderd en onzichtbaar voor elkander, totdat de zachte lenteluwte hen weer bijeenbracht. Zij zaten ’s winters op de verre boerderijen, in mist en slijk en regen, of zij hielpen in de stille, leemen hutjes zwingelen het vlas der rijke zomeroogsten, bij het eentonig snorren van den tredmolen, van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat, in kou, en stof, en grijzigheid.
En hij was wel steeds vooruit bekend in ’t dorp, de afscheidsdag van de regeerende kasteelen. Mevrouw de gravin ging rond, en mevrouw de barones ging rond, tot in de verste arme huisjes, en overal gaven zij iets, als hulp en onderstand voor den langen, guren winter.
Fonske wist het al dagen te voren: mevrouw de gravin was reeds bij de ouders van Rietje Koarelkes en Feelke Brouwers geweest en mevrouw de barones bij die van Mielke Katoor en Dolfke van de Wiele, en hij twijfelde niet of ook bij zijn moeder zou weldra iemand komen.
En er kwam iemand! Er kwam, zooals Fonske wel had durven hopen en verwachten, jonkvrouw Elvire met haar gouvernante.
Fonske was thuis toen zij kwamen. ’t Was op een grijzen November-ochtend en zij stonden daar ineens voor ’t kleingeruite raampje, waardoor zij even aarzelend naar binnen keken.
—Toe, Fons, doe open, ze zijn daar! riep de moeder gejaagd.
Fonske ging haastig open doen en de twee meisjes traden binnen.
De Engelsche kende tè weinig Vlaamsch om met de menschen een gesprek te kunnen voeren en daarom nam de jonkvrouw zelve het woord.
Zij stak de hand uit naar een pakje, dat de gouvernante droeg, en gaf het met een aarzelend-bedeesden glimlach aan de moeder:
—As ’t ou blieft, vreiwe, dat es veur de winter.
—O, merci, mejonkvreiwe, ge zij wel bedankt, wel duuzen keers bedankt. Zet ou, mejonkvreiwe, zet ou, ieffreiwe. En zij bood stoelen aan.
Het meisje en de gouvernante gingen zitten. De Engelsche glimlachte zwijgend, met schitterenden tandenmond; jonkvrouw Elvire keek naar Fonske, die bij het raampje had zitten te teekenen.
—Goat ’t goed? vroeg ze zacht.
—Heel goed, mejonkvreiwe, merci, antwoordde Fonske, schuchter-blozend.
—Zij-de aan iets nieuws bezig?
—’K tiekene ’t meuleken uit, van hier.
—Mag ik ne keer zien? glimlachte zoet het meisje.
Fonske liet het haar zien.
—’t Es scheune, zei ze. En ook de Engelsche kwam kijken en glimlachte met een dweeperig “very nice indeed”.
De moeder, die met het pakje door een binnendeur verdwenen was, kwam gansch ontroerd weer in ’t armoedig keukentje. Zij had tranen in haar oogen, zij vatte alle bei ’s jong meisjes handen, boog bijna knielend tot haar neer en stamelde bevend:
—O, mejonkvreiwe, wa zij-je toch goed, zeuveel scheune, woarme klieren en zeuveel geld, mejonkvreiwe. Es dat toch amoal wel veur ons, mejonkvreiwe? Hedde gij ou somwijlen nie gemist? O, mejonkvreiwe, Fons moe ou toch ’n heule greute scheune schilderijnge moaken en ik zal heul de winter ’s morgens en ’s oavens veur ou bidden.
Het jeugdig kasteelmeisje bloosde gegeneerd. Schuchter keek zij op naar Fonske, die vuurrood, met stroef gezichtje voor haar stond, als schaamde zij zich voor de tè rijke aalmoes, die ze daar gebracht had. Er heerschte iets onuitgedrukt-benauwends tusschen de twee kinderen. Er was toenadering van zachtheid en genegenheid, en meteen was er een afstand als een afgrond, de onoverschrijdbare kloof tusschen armoede en rijkdom.
’t Meisje was opgestaan. Zij stond daar even, penibel glimlachend, alsof zij iets verkeerds had gedaan. Zoo mooi van frissche jeugd en weelde, tegenover Fonske, die halsstarrig zijn blikken ten gronde hield geslagen. Toen stak zij hem tot afscheid een bevend handje toe. Fonske merkte ’t niet. Zij kwam een stapje nader en meteen zag zij stille tranen over ’s knaapjes wangen rollen. Schrikkend trok zij zich terug.
De moeder bromde:
—Fons, gie loeder, zie-je gij niet da mejonkvreiw ou ’n hand wil geven.
Bevend en gedwee stak Fonske zijn hand uit en het jong meisje drukte die vlug en zenuwachtig. Maar Fonske keek haar zelfs niet aan. Heel stil rolden aldoor de tranen over zijn roode wangetjes, tranen zoo helder en zoo zuiver als de kristallen droppeltjes van een levende bron.
Zij waren weg. ’t Deurtje was dichtgeslagen en even werd het kleingeruite raampje door twee voorbijzwevende schaduwen verduisterd.
’t Was gedaan. Nu zou alleen, voor maanden lang, de droeve, grijze winter heerschen.