XVIII.
Reading edition
Hij had hem ook bovenal,—en voor het eerst, en heel wat sterker dan totnogtoe de woorden van zijn vrienden deden, zijn volle waardigheid als onafhankelijk mensch doen voelen en beseffen.
Hij was zooveel waard als een ander mensch: zooveel als meneer de graaf, zooveel als meneer de baron, zooveel als meneer Gaëtan, ondanks het verschil van maatschappelijken stand en fortuin. Hij mocht verliefd zijn op de jonkvrouw, evenals hij mocht verliefd wezen op Lisatje; dat maakte geen verschil: de eene was niet meer dan de andere. En hij had zelfs het recht verliefd te zijn op alle twee; het was geen schande, zooveel groote kunstenaars—dat had hij immers herhaaldelijk van Florimond en van Sylvain en ook van vele anderen gehoord—zooveel groote kunstenaars waren te gelijkertijd op meer dan ééne vrouw verliefd geweest, werden door meer dan ééne vrouw in hun voortreffelijkste werk geïnspireerd.
Wàs hij nu eigenlijk verliefd op de jonkvrouw? Ja, hij dorst het ten slotte aan zichzelf bekennen: hij wàs verliefd op haar!
Hij was verliefd op haar, als op het hoogste en schoonste, dat hij kende; verliefd op haar als op een beeld van inspiratie, dat men in een idealen droom aanbidt. Zij was dè Schoonheid zelve, de schoonheid van alles voor hem, en zijn aanbidding, die hij in zijn eigen diepste binnenste toch als iets gruwelijk-gewaagds, als iets misdadigs en bijna als iets wandadigs verborg, had feitelijk de naïeve, frissche reinheid van een kinderlijke poëzie. Hij waande zich groot-menschelijk, bijna tyrannisch-menschelijk in zijn dweepende liefde, en had hij haar maar één enkele maal die vereerende liefde in woorden mogen uitdrukken en éénmaal van haar hooren, dat zij hem ook zoo beminde, nooit zou hij iets anders of iets meer gewenscht en gevraagd hebben. ’t Was de romantische aanbidding van een herdertje voor zijn koningin!
Vreemd: van op een afstand, terwijl hij met zijn vrienden in de stad over haar sprak, scheen hem, wat hij als de verwezenlijking zijner liefde beschouwde, oneindig veel gemakkelijker te bereiken, dan wanneer hij dichter in haar nabijheid was. Zoo op een afstand stond ze meer in nuchtere realiteit, als gewoon mensch, als vrouw voor hem. De kameraadjes hielden hem graag een beetje voor den mal met zijn voorname liefde, en hij kon het nu best velen en ook even meelachen, gelukkig zelfs dat het gesprek zoo ongegeneerd over haar liep. Maar in het dorpje, onder de aristocratische bescherming der regeerende kasteelen, werd zij dadelijk weer de ongenaakbare godin, waarnaar hij zelfs niet op dorst kijken. Hij moest haar maar even van verre zien aankomen; hij moest slechts haar vader, haar moeder, of zelfs haar gouvernante zien, terstond gaapte de afstand, die anders niet meer bestond, hem als een afgrond aan en weer voelde hij zich het jongetje van niemendal, het koewachtertje, het slaafje, dat van haar weldaden leefde. En hij begreep heel goed dat alleen iemand uit haar eigen stand, zooals meneer Gaëtan, ooit op haar kon aanspraak maken.
Nog steeds werd er in ’t dorp verteld, dat die twee zeer zeker met elkander zouden trouwen. Men zag ze altijd samen, zij groeiden samen op, het kon bijna niet anders. Wel kwamen er ook dikwijls andere jongelui en jonge meisjes op de twee kasteelen, doch dat was maar tijdelijk: die bleven een poosje en verdwenen, terwijl de jonker en de jonkvrouw aldoor samen bleven. Fonske wist dat zoo goed als iedereen en soms dacht hij daaraan met stillen weemoed en liet zich in zijn droomen en gepeinzen gaan. Als hij nu eens meneer Gaëtan was in plaats van Fonske Vermaere! Rijkdom kon hem weinig schelen, maar jonkvrouw Elvire!.... O, wat zou hij gelukkig zijn! En hij aanzag meneer Gaëtan als een soort halve God op aarde, die wellicht den omvang van zijn eigen groot geluk niet eens kende. Langdurig kon hij den jonker staan nakijken, waar hij hem in het veld zag wandelen of door de straat zag gaan; hij ontleedde gansch zijn houding, kleeding en manieren; hij spande zich in om te begrijpen welke bekoring wel van zulk een man mocht uitgaan, en vergeleek dan met zichzelf en hoe hij er wel zou uitzien als hij zulke kleeren en manieren had als meneer Gaëtan. Het werd een imitatie: Fonske kocht zich een hoed en een das zooals meneer Gaëtan er droeg en eens, op een vroegen zondag-ochtend, vond zijn moeder hem in het slaapkamertje bezig met zich achter op het hoofd een “boulevard” te kammen.
—Ha moar jongen, wa peist-e gij! Ge kamt ou lijk menier Gaëtan! riep de vrouw verbaasd.
Fonske kreeg een heete kleur van schaamte en antwoordde kregel, haastig weer zijn haren platstrijkend.
—Och, moeder, zij-je nie wijs; ’t es omda ’k ’n beetse brand hé op mijn achterheufd.
—Ha joa joa, zei de vrouw gerustgesteld. ’k Miende dat-e menier Gaëtan wildet noardoen. Ge ’n zoedt nie meugen, jongen, ze zoên ’t ons kwoalijk nemen op ’t kastiel.
—Kwoalijk nemen! Kwoalijk nemen! Ne meinsch mag hem toch wel kammen lijk of hij wilt, pruttelde Fonske misnoegd.
De moeder ging daar maar liever niet verder op door.