← Table of contents
Van de Noordpool naar den Aequator

EEN WOORD VOORAF VAN Dr. HORST BREHM.

R. E. de (Romke Everts) Haan translation

Reeds zes jaren dekt de koele aarde van Renthendorf het stoffelijk hulsel van mijnen onvergetelijken vader, die voor allen, die hem liefhadden en vereerden, te vroeg de oogen sloot. Het was eene wonderbare beschikking van het lot, dat hetzelfde, weinig beteekenende plaatsje in het groene Thüringerwoud, alwaar hij het levenslicht aanschouwde, ook den man zag sterven, die gedurende zijn werkzaam, veel bewogen leven vier werelddeelen had gezien en onderzocht.

Slechts vijf en vijftig jaren mocht hij tellen, toen zijn welbespraakte mond zich voor altijd sloot, en de pen ontviel aan de hand, die haar zoo meesterlijk wist te voeren. Hij was nog vervuld met groote plannen, en te betreuren is het, dat de bouwstoffen, door hem nagelaten, meerendeels zoo fragmentarisch zijn, dat geen vreemde hand daaruit een geheel zou kunnen opbouwen. Toch bevatten de nagelaten schrifturen nog zooveel merkwaardigs, dat ik het mij tegenover mijn vader zoowel als tegenover alle vrienden eener ernstige natuurbeschouwing, ten eereplicht rekende, die schatten voor de lezende wereld toegankelijk te maken. De volgende bladen zijn daarvan de eerste en ongetwijfeld de beste proeve; zij bevatten Alfred Edmund Brehms overal met graagte genoten en zoozeer gewaardeerde voordrachten, in zooverre deze door hem op schrift zijn gebracht. Ik meen daarmede velen een dienst te bewijzen en heb het niet noodig geoordeeld de uitgave dier voordrachten met een woord van aanbeveling vergezeld te doen gaan; zij mogen voor zich zelf getuigen, en doen zulks reeds, hetgeen bewezen wordt door de talrijke aanvragen van buitenlandsche boekhandelaren, die het vertalingsrecht wenschen.

Wel is waar kan het geschreven woord het levende niet geheel vervangen, en mijn vader, die steeds voor de vuist sprak, zal naar den eisch van het oogenblik veel van ’t geen in deze bladen voorkomt, in een anderen vorm hebben uitgesproken, hier verkortende, daar iets langer bij stil staande,—maar wie hem gehoord heeft, dien zal ongetwijfeld het beeld van den overledene weder duidelijk voor oogen staan, en het zal hem wellicht zijn, als hij deze bladen leest, als hoorde hij weder Alfred Brehms krachtige stem. De eigenaardige persoonlijkheid van den schrijver van „Illustrirtes Thierleben” en van het „Leben der Vögel” vinden wij in deze voordrachten weder terug, ja wij leeren haar van eene nog nieuwe en aantrekkelijke zijde kennen. Want meer nog dan in zijne andere werken spreekt daaruit mijns vaders veelheid van ervaringen, zijn alzijdige kennis, zijn ongewoon waarnemingsvermogen, en niet het minst de met zijn dichterlijken aanleg zoo nauw samenhangende eigenaardige opvatting der levende en levenlooze natuur, alsmede zijn gunstige, blijmoedige humor.

En zoo zend ik dan deze bladen de wereld in, vol vertrouwen, dat zij ’t aantal vrienden, waarin de schrijver zich bij zijn leven verheugde, nog zullen vermeerderen. Mochten zij ook aan de dierenwereld, die hij zoo innig lief had, en die hij zoo door en door kende, nieuwe onbevooroordeelde, hartelijke beschermers verzekeren! Mochten zij tevens in elk huis, waar de zin voor goede letteren en alzoo voor schoonheid in ’t algemeen wordt aangekweekt, ook voor de schoonheid onzer aller moeder, de Natuur, meer en meer hart en oogen openen—dan zou tevens de hoogste en edelste bedoeling in den geest des schrijvers bereikt zijn!

En zoo zij dezen bladen op hun weg heil gewenscht; een vroolijk welkom begroete hen, en waar zij eens vriendelijk werden ontvangen blijve hun voor lang eene eereplaats verzekerd!

Berlijn, September 1890.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings