IV. WOUD, WILD EN JACHT IN SIBERIË. (continued 2)
R. E. de (Romke Everts) Haan translation
Allerlei verhalen zijn in omloop van ongewenschte ontmoetingen met beren. Een, enkel met zijn erwtenbuks gewapend jager ziet in het bosch een grooten beer; hij waagt echter geen schot, omdat hij weet, dat zijn lood voor zulk wild niet zwaar genoeg is. Hij blijft dus rustig staan ten einde den beer niet te vertoornen. De laatste komt naar hem toe, gaat voor hem op de achterpooten staan, beruikt hem het gelaat en geeft hem eindelijk een slag, die den jager bewusteloos ter aarde doet vallen. Hierop verwijdert bruintje zich ijlings, even alsof hij zich bewust is, dat hij een dommen streek heeft uitgevoerd.
Twee Zweden, Aberg en Erland jagen in den Oeral op hazelhoenders; de eerste nadert een braamstruik, waaruit tot zijn niet geringe verbazing een groote beer, in plaats van een hazelhoen opspringt, die hem zonder bedenken gaat aanvallen. Aberg ziet in dat vluchten niet baat en legt onverwijld zijn schrootgeweer aan de wang, mikt op het oog van den beer, geeft vuur, en is zoo gelukkig het ondier een oog uit te schieten. Woedend van pijn dekt de beer het bloedende oog met den poot, brult luid en gaat nogmaals op den onverschrokken jager los. Deze vat koelbloedig het andere oog in ’t vizier en schiet met even goed gevolg als de eerste maal. Nu roept hij zijn makker en beiden vuren afwisselend op den blinden beer, tot zij hem gedood hebben.
De vermakelijkste geschiedenis viel voor op een veld bij het dorp Tomski Sawod in de buurt van Salair. Een boer uit die streek rijdt met een lading piniolen door het woud, zonder te merken dat er zaden uit een der zakken vallen. Een beer, die achter den wagen door het woud wandelt, en dwars over den weg komt, waarop de boer rijdt, vindt eenige dier zaden, zoekt de andere op, en volgt, zonder door den boer gezien te worden, den wagen. De boer verlaat eenigen tijd later paard en wagen, terwijl hij het paard gebiedt stil te blijven staan, en slaat een zijweg in om nog een zak met piniolen te halen, die daar is blijven staan. Voor hij met zijn last terug is gekeerd, heeft de beer den wagen ingehaald, en dien beklommen om zich nu naar hartelust te goed te doen aan zijn lievelingsgerecht. Verschrikt ziet de teruggekeerde voerman dat zulk een passagier zich bij hem heeft opgedrongen; hij waagt echter tegenover dien ongenooden gast niets en laat paard en wagen in den steek. Het paard, dat reeds angstig is geworden, kijkt eindelijk om, herkent den beer en rent met den wagen weg zoo snel het draven kan; de ongewenschte beweging echter verschrikt op zijne beurt den beer zoodanig, dat deze niet van den wagen af durft springen; hij houdt zich zoo goed mogelijk vast en geeft middelerwijl zijn vrees door een luid gebrul te kennen. Natuurlijk lokt dit gebrul een nog snelleren draf van het paard uit, en hoe meer de beer woedt en hoe bevreesder hij wordt des te sneller loopt het paard in de richting naar het dorp. Hier staat men echter reeds verscheidene uren op den bisschop te wachten en heeft in feestgewaad voor de deuren post gevat om het hooge personage terstond bij zijn komst te kunnen begroeten; men heeft zelfs scherpziende jongens boven op den toren geplaatst en hun opgedragen, wanneer zij den gevierden man in ’t oog krijgen, terstond aan alle klokken te trekken.
Daar dwarrelt in de verte een stofwolk op; de knapen trekken aan de klokketouwen, mannen en vrouwen scharen zich in rijen, de pope treedt met het wierookvat voor de kerkdeur, en iedereen maakt zich gereed om den kerkvorst naar waarde te ontvangen. En nader ratelt de wagen; midden door de feestelijk gestemde dorpelingen jagen ros en koetsier, het eerste proestende en met stof en zweet bedekt, de ander brullend en snuivend, en eerst op het erf van den eigenaar eindigt de dolle rit. In plaats van het zoo schoone Russische kerkgezang klinken schrille kreten van schrik uit den mond van half bewustelooze vrouwen door de lucht, in plaats van deemoedig buigende gestalten, ziet men onthutste mannengezichten; alleen de klokken luiden zooals gewoonlijk. Voordat die tonen zijn weggestorven, heeft men de bezinning teruggekregen; men verzamelt en wapent zich, trekt paard en beer na en doodt den laatste, die geheel verbijsterd scheen, op den door hem zelf gekozen troon.
Wie met den berenaard bekend is, moet toestemmen, dat zoo iets wezenlijk gebeuren kan, alhoewel wij eerder geneigd zijn het zoo even geschilderd verhaal eene plaats aan te wijzen onder de verdichte jachtgeschiedenissen. Ook in den mond der ernstige en eerlijke boschbewoners worden waarheid en verdichting wel eens dooreengemengd, wanneer zij verhalen van het woud, het wild en de jacht in Siberië.