← Table of contents
Stanley's tocht ter opsporing van Livingstone

Iets over Khiwa.

Reading edition

Naar het zich laat aanzien is thans aan Khiwa, betrekkelijk het kleinste en onaanzienlijkste der khanaten of vorstendommen van Turkestan, de beurt gekomen om door de steeds meer naar het zuiden voortdringende russische macht te worden verzwolgen, en zijne eeuwenoude onafhankelijkheid te verliezen. Aan de oevers van den Oxus (Amoe-Darja) gelegen, waar deze rivier zich noordwestelijk naar het meer Aral richt, bedraagt de geheele lengte van het khanaat ternauwernood vijftig geographische mijlen; de grootste breedte van het meestal aan den linkeroever gelegen bebouwde land zal in de omstreken van Koektshek, niet veelmeer dan zes mijlen bedragen. De voor bebouwing vatbare streek is niet groot: het eigenlijke Khiwa strekt zich niet verder uit, dan het water van den Oxus, hetzij door natuurlijke, hetzij door kunstmatig aangelegde kanalen, in het binnenland kan doordringen en den grond vruchtbaar maken. Verder op begint de woestijn. [112]

De rechteroever van den Oxus ligt veel hooger dan de linker, en grenst onmiddellijk aan een onafzienbaar steppenland, eene onbeheerde wildernis; vandaar dat, voor zoover wij weten, aan dien rechteroever nooit beschaafde bevolkingen hebben gewoond, en dat land ook nu alleen door nomaden wordt bezocht, die er hunne kudden laten weiden. Als wij van Khiwa spreken, denken wij daarbij altijd aan den linkeroever, waar landbouw, welvaart en ontwikkeling in de eerste plaats afhankelijk zijn van den ijver en de kunst, waarmede de bewoners de levenbrengende wateren door het land weten te verspreiden. In de middeleeuwen moet Khiwa of Kharesm, zooals het toen heette, een veel uitgebreider en beter onderhouden net van kanalen en waterleidingen hebben gehad dan tegenwoordig: want niet alleen bezat het destijds eene driemaal sterker bevolking, maar het was ook wegens zijne hooge beschaving door geheel het Oosten beroemd. Nog vroeger, in de vóór-islamitische tijden, was het oude Kharesm een brandpunt van geestelijk leven en ontwikkeling.

Nadat de landen aan den Beneden-Oxus met geweld tot den islam waren bekeerd geworden, openbaarde zich met den triomf der vreemden, weldra de innerlijke tweespalt. De Tahiriden, die tot het einde der negende eeuw als vreemde dynastie den troon bekleedden, hadden maar al te dikwijls het welzijn des lands aan hunne eigene heersch- en hebzuchtige plannen opgeofferd; onder de opvolgende vorstenhuizen werd dit nog erger. Weldra begon eene onafzienbare reeks van oorlogen. De horden der Mongolen overstroomden het land, alles te vuur en te zwaard verwoestende, overal dood en verderf verspreidende. En ook nadat de wateren van dezen zondvloed waren afgetrokken, keerde de vrede niet. Nu eens kwamen de verwoestende oorlogen van buiten, zooals van Bokhara, toen dit machtig genoeg geworden was om de verovering van den westelijken nabuur te beproeven; of wel innerlijke verdeeldheden en burgerkrijgen verscheurden het ongelukkige land. Waar eene landbouwende bevolking, aan bijna alle zijden, door talrijke roof- en krijgslustige nomaden is ingesloten, daar kan eigenlijk van rust en vrede geen sprake zijn. De nomaad, die huis noch hof bezit, geen arbeid of bestendige bezigheid kent, is uit den aard der zaak hebzuchtiger dan de vreedzame landbouwer; en daar hij zich voor de ontberingen van zijn werkeloos leven schadeloos tracht te stellen met de vruchten van den arbeid zijns buurmans, zoo zijn rooftochten, plunderingen en veroveringen van gansche landstreken telkens voorkomende zaken. Niet zelden is het den roofzieken nomaden gelukt, de gezeten bevolking geheel aan zich te onderwerpen: en zoo zien wij dan ook, gedurende de drie laatste eeuwen, de stammen der Kalmukken, Kasaken, Karakalpaken, Jomoeten en Oezbeken achtereenvolgens den schepter over Khiwa zwaaien.

Het thans heerschende ras, de Oezbeken, is een eenvoudig, werkzaam, verstandig volk, dat zich in menig opzicht gunstig van zijne naburen onderscheidt. Hunne gelaatskleur is zeer blank, vooral bij de vrouwen, die, de ovale oogen uitgezonderd, wel eenigszins op hare zusters uit zuidelijk Duitschland gelijken. De mannen zijn krachtig en gespierd, met een groot hoofd, een breed voorhoofd en dunnen baard. In hun voorkomen hebben zij iets plomps en slaperigs, waartoe ook de kleeding—een groote pelsmuts, een dik gewatteerde lange jas of kaftan, en een paar groote hooge laarzen, met linnen of stroo opgevuld—veel bijdraagt. Eene zekere deftigheid, een onverstoorbare ernst en kalme waardigheid kenmerkt de Oezbeken in den omgang, vooral met vreemden; in denk- en spreekwijze openbaren zij het echte oostersche karakter, hier te sterker uitkomende, daar deze stammen in het hart van Azië tot dusverre nooit den invloed der europeesche beschaving, van westersche begrippen en zeden, ondervonden.

Waarschijnlijk is de dag niet meer verre, dat het Westen, door Rusland vertegenwoordigd, hier zijne heerschappij zal vestigen. En wanneer de Tartaren van Khiwa voor het verlies hunner onafhankelijkheid schadeloos worden gesteld door de vestiging eener rechtvaardige en verlichte regeering, in de plaats van het grenzenloos willekeurig despotisme, dat thans het land ten geesel is:—wie zal zeggen, dat het volk bij dien ruil verloren heeft?

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings