III.
Reading edition
Den 26sten Maart kwamen wij te Kikoka, een dorp, of liever een verzameling van strooien hutten, waar wij den nacht doorbrachten. De weg, dien wij gevolgd waren, en die vóór mij nog door geen blanke was betreden geworden, had ons door eene schoone, afwisselende landstreek gevoerd: velden, bosschen, heuvelen, valleien. Ook toen wij den volgenden morgen onze reis voortzetten, behield het landschap dat eigenaardig, bekoorlijke karakter, dat mij aan een groot engelsch park denken deed. Weldra begon de grond zich met gelijkmatige golvingen te verheffen, eindelijk vertoonden zich enkele heuvelen met struikgewas en riet bedekt. Op een dier heuvelen, door dicht en doornig kreupelhout omgeven, ligt Rosako. Op korten afstand ligt een ander dorp, evenzeer door een bij kans ondoordringbaren gordel van mimosas beschut. Tusschen de beide dorpen breidt zich eene vruchtbare vallei uit, waardoor een beek kronkelt.
Rosako ligt op de grens van Oekoeéré; wij trokken het dorp binnen, en sloegen midden tusschen de woningen ons kamp op. Reeds hadden wij sedert eenigen tijd de vierde afdeeling onzer karavaan ingehaald. Toen wij den volgenden morgen op het punt stonden van te vertrekken, kwam Maganga, de aanvoerder dier bende, mij berichten dat drie van zijne pagazis ziek waren. Ik liet de bende te Rosako achter, en vervolgde met mijn eigen gezelschap den tocht. Maar weldra begon ik mij over dit achterlaten te verontrusten en liet halt houden. Wij bevonden ons juist nabij de bijkans uitgedroogde bedding eener beek, waarin nog enkele plassen stonden. Nauwelijks hadden wij ons kamp opgeslagen, of wij werden met schrik gewaar hoezeer het op deze plek van insecten wemelde, vooral van vliegen, waarvan ik drie soorten onderscheidde, die al gonzende, bij groote scharen, door mijne tent rondvlogen. De tegenwoordigheid dier lastige en venijnige gasten beviel mij volstrekt niet. Ik herinnerde mij, wat de heer Kirk had verteld van de verderfelijke tsétsé, die in deze streken te huis behoort. De inboorlingen verzekerden mij dat al deze vliegen de gezworen en zeer gevaarlijke vijanden waren van het vee, hetgeen ook de bijna volstrekte afwezigheid van runderen, in eene streek zoo rijk aan weilanden, verklaarde. Ik onderzocht deze vliegen zoo nauwkeurig mogelijk. De grootste, die bijna drie duim lang was, hield ik voor de afrikaansche paardenvlieg. De tweede kwam meer overeen met de beschrijving, die men mij van de tsétsé gegeven had. Zij was zoo vlug, dat mijne lieden meer dan een uur werk hadden, eer zij er eene gevangen hadden. Zoodra men haar aanvatte, stak zij met alle macht, en hield met hare aanvallen niet op, voor haar een speld door het lijf was gestoken. De derde maakte minder gerucht dan de beide anderen, maar was veel geduchter; de paarden en ezels, door haar gestoken, steigerden en sloegen van pijn, terwijl hun het bloed langs het lijf liep. Later heb ik ontdekt dat zij inderdaad de beruchte tsétsé was.
Reeds waren er twee dagen voorbijgegaan, zonder dat wij iets van Maganga hadden vernomen. Ik liet hem zeggen, dat hij zich wat moest haasten, en dat ik hem aan de volgende halt zou afwachten. Daarop vertrokken wij naar Kingaroe, in eene nauwe moerassige vallei, door hooge boschrijke heuvelen omringd, gelegen: een ware bakermat voor de koorts. Het was dan ook een bij uitnemendheid ongezond oord, vooral nu de regentijd zich reeds begon aan te kondigen door geweldige stortbuien. Ik had nog geen twee dagen hier vertoefd, of reeds waren mijne beide paarden bezweken; Selim kreeg de koorts, toen de kok, toen diens bediende, toen de kleermaker. Van mijne vijf-en-twintig manschappen, waren er tien ziek.
Eindelijk den 4den April, verscheen Maganga, dien ik nu weder vooruit liet trekken. Den volgenden morgen hervatten ook wij den tocht, die ditmaal weder zeer bezwaarlijk was. Onze weg voerde ons door een bijkans ondoordringbaar dicht kreupelhout, waar de uitwasemingen van rottende planten ons schier deden stikken; het pad, dat tusschen twee hooge muren van stekelige doornen voortliep, was niet veelmeer dan een voet breed; en men kan zich moeielijk voorstellen wat het in heeft, langs zulk een weg, zeventien zwaar beladen ezels door zeven mannen te doen voortdrijven, te meer daar de scherpe doornen elk oogenblik in de bagage bleven haken. Toen wij, na een uiterst vermoeienden tocht, te Msoehoea aankwamen, moesten wij daar uitrusten, om menschen en beesten weder eenigszins op hun verhaal te laten komen. Het opperhoofd van het dorp gaf mij een zijner vetste schapen en vijf maten sorgho ten geschenke, wat mij zeer gelegen kwam. Van mijne zijde schonk ik hem acht ellen katoen, en liet hem mijne wapenen, en vooral mijne revolvers zien, die in de hoogste mate zijne bewondering opwekten.
Voorbij Msoehoea werd de weg aanmerkelijk beter, zoodat wij onze reis door eene schilderachtig schoone, heuvelachtige landstreek, zonder bezwaar konden vervolgen, en den 17den April te Moehalleh aankwamen, waar ik Selim-ben-Râshid aantrof, die met driehonderd olifantstanden uit het binnenland kwam. Hij schonk mij eene hoeveelheid rijst, en gaf mij ook, wat nog [99] meer waard was, eenige berichten aangaande Livingstone. De brave Arabier had hem te Oedsjidsji achtergelaten, waar hij, gedurende veertien dagen, in eene hut naast die van Livingstone had gewoond. “Hij is zeer ziek geweest, zeide Selim, en ziet er uit als een grijsaard: zijn gelaat is vervallen en zijn baard bijna wit.”
Den volgenden morgen gingen wij verder de vallei in, en trokken langs de muren van Simbamoeënni, de hoofdstad van Oesegoehha. De aanblik dezer stad, aan den voet der bergen van Oeroegoeroe, in eene prachtige, door twee rivieren besproeide vallei gelegen, trof mij. Zij telt ongeveer vijfduizend inwoners; de huizen zijn naar afrikaansche wijze, maar in den besten stijl gebouwd; de stad is volgens het arabisch-perzische stelsel versterkt. Aan iederen hoek van de steenen omwalling verhief zich een massief steenen toren; de muur had vier poorten, naar de vier windstreken gericht, die met zware houten deuren gesloten werden. Het koninklijk paleis was een langwerpig gebouw met eene veranda en een steil oploopend dak, dat ver buiten den muur uitstak. Dit paleis werd bewoond door eene sultane, dochter van zekere Kisabengo, een handigen schurk, die bij zijn leven de schrik van zes gewesten was geweest. Van lage afkomst, maar met eene buitengewone lichaamskracht begaafd, vlug ter taal, sluw en handig, had Kisabengo zich een grooten invloed weten te verwerven op de weggeloopen slaven, die hem als hun hoofd erkenden. Door de justitie achtervolgd, was hij naar ’t binnenland gevlucht, en had daar op groote schaal zijne roof- en plundertochten voortgezet: met dat gevolg dat hij eindelijk de Voeakami gedwongen had, hem eene uitgestrekte landstreek in hunne prachtige vallei af te staan. Op de fraaiste plek dier streek had hij zijne hoofdstad gebouwd, waaraan hij den naam gaf van Simbamoeënni, dat wil zeggen Leeuwenstad. Tegen het einde van zijn leven, had de oude bandiet zijn naam van Kisabengo voor dien zijner stad verruild; en bij zijn sterven had hij gewild dat zijne dochter, die hem in de regeering opvolgde, dienzelfden koninklijken naam zou voeren.
Vier mijlen van Simbamoeënni, aan den oever der rivier, sloegen wij ons kamp op. Wij waren midden in den regentijd; en zeer spoedig werd ik gewaar, dat mijn verblijf in de moerassen van Arkansas mij nog niet had gehard tegen de beproevingen van de afrikaansche masika. Ik kreeg de koorts; maar het gelukte mij, die spoedig, althans voor een tijd, te verdrijven. Intusschen was het onmogelijk den volgenden dag te vertrekken, zooals ik mij had voorgenomen. De Oengerengeri, in het droge jaargetijde een onbeteekenend rivierke, wordt in den regentijd een geweldige stroom, die het water van de naburige bergen ontvangt, en met geen mogelijkheid te doorwaden is. Bovendien regende het aanhoudend: een dier vervelende regens, die u dwingen in huis te blijven en u uit uw humeur maken; geen stortbuien, maar een voortdurend bad van lauw water, met vochtigen nevel doormengd.
De plek waar wij ons kamp hadden opgeslagen, mocht inderdaad een kweekplaats voor de pest worden genoemd; de onreinheden, daar door vele opvolgende geslachten van dragers achtergelaten, hadden gansche zwermen van kruipende en wriemelende ongedierten gekweekt: de grond, de boomen, de struiken, de lucht wemelden er van. Het was hier niet uit te houden, en met vreugde maakten wij van den eersten helderen dag gebruik, om onze bagage naar de overzijde der rivier te vervoeren. Dit ging niet gemakkelijk, want wij moesten ons behelpen met eene brug, die voor ieder ander dan negers of akrobaten van beroep onbegaanbaar was. Zulk eene afrikaansche brug is niet anders dan een boom, die van den eenen oever tot den anderen reikt; ge begint nu met van den oever op een der takken te springen, die zeer dikwijls half onder water ligt; dan scharrelt ge voort tot aan het andere einde, en moet dan weer een sprong wagen om den vasten grond te bereiken. Met een vracht van zeventig pond op den rug, is dat geene lichte zaak. Somwijlen heeft men de voorzorg gebruikt, van eene liane, naast de zoogenaamde brug, bij wijze van leuning, over de rivier te spannen: maar deze weelde is verre van algemeen. De overtocht duurde vijf uur, maar liep zonder ongelukken af.
Wij trokken nu noordwaarts voort, en bereikten eindelijk den voet van een heuvel, waar wij een zoogenaamde khambi, een kamp, vonden, waarvan de hutten in een goeden staat verkeerden. Deze plek heette Simbo. Van den top des heuvels overzagen wij eene wijde vlakte, de vallei van de Makata, die wij nu moesten doortrekken. Deze uitgestrekte moerassige vlakte, door eene menigte nullahs (greppels, of liever beddingen van beeken) doorsneden, die nu vol water stonden en met riet en biezen waren begroeid, heeft bij mij alleen de herinnering achtergelaten aan een vervelenden, uiterst vermoeienden marsch van tien uren, waarin wij niet meer dan even zooveel mijlen hadden afgelegd. Het was bijna middernacht, toen onze kar, door vier haast van vermoeienis bezwijkende mannen begeleid, in het kamp, dat wij in deze woestijn hadden opgeslagen, aankwam. Bombay, die medekwam, verhaalde mij dat zijne bagage hem ontstolen was, toen hij die had nedergelegd om de kar uit den modder, waarin zij bleef steken, te helpen trekken. Naar zijne meening behoorden de dieven tot den stam der Vouashensi, die de karavanen volgen met het doel om de achterblijvers uit te plunderen. Onder de verloren voorwerpen bevonden zich een groote amerikaansche bijl, een tent, een pistool en een hoorn met kruit van de beste kwaliteit. Ik maakte mij zeer boos, en beval Bombay, bij het krieken van den dag dadelijk op weg gaan, om zijn pak op te sporen.
Tevens zond ik drie mijner soldaten naar Simbamoeënni om graan te koopen, en den kok te halen, die reeds den vorigen dag was vertrokken en niet teruggekomen. Drie dagen gingen voorbij, eer mijne manschappen terugkeerden. Eindelijk verscheen Bombay: hij had niets gevonden. Ik ontnam hem zijn titel van hoofdman, en zond Shaw uit om te onderzoeken wat er van de anderen geworden was. Hij keerde nog denzelfden avond, met een geweldige koorts op het lijf.
Evenwel bracht hij mijne soldaten mede, die hij onderweg had ontmoet. Zie hier wat hun overkomen was. Onderweg hadden zij vernomen dat een witte [100] ezel, zoo en zoo opgetuigd en beladen, door twee mannen weder over de rivier was gevoerd. Niet twijfelende of dit was de ezel van onzen kok, waren zij haastig naar Simbamoeënni teruggekeerd, en hadden tegen de mannen, die de poort bewaakten, gezegd, dat twee Vouashensi de stad waren binnen getrokken met een ezel, wier meesters zij vermoord hadden. Voor de sultane gebracht, hadden mijne soldaten hun bericht nog eens herhaald; en daar de poortwachters inderdaad de twee Vouashensi hadden zien voorbijgaan, had de sultane twintig musketiers uitgezonden, om de dieven op te sporen. Weldra had men hen gevonden, en met den ezel en al de bagage naar de stad teruggevoerd. Deze beide mannen verhaalden dat zij den ezel aan een boom vastgebonden hadden gevonden, zonder dat er iemand bij was, en dat zij het dier hadden medegenomen. Den kok hadden zij niet gezien. Intusschen was de diefstal uitgemaakt, en de sultane wilde dit vergrijp niet ongestraft laten voorbijgaan. Zij zeide tot de beide dieven dat zij hen naar den sultan van Zanzibar zou zenden, om daar hunne straf te ondergaan; en vroeg daarop aan mijne soldaten, waarom ik de verschuldigde schatting niet betaald had. Deze, die niet wisten dat de eerste afdeeling der karavaan ook reeds voor alle volgende had voldaan, konden daar niet op antwoorden. De waardige dochter van Kisabengo had hun daarop toegevoegd dat zij zich zelf betalen zoude, niet alleen door den ezel met de bagage te behouden, maar ook door hunne wapenen af te nemen; bovendien zouden zij zelf in boeien geklonken worden, tot hun meester hen kwam verlossen.

Zanzibar.
Zij had hare bedreiging ook uitgevoerd; en sedert zestien uren waren mijne drie soldaten op de markt geboeid ten toon gesteld, ten spot der menigte, toen een Arabier, dien ik te Kingaroe ontmoet had, de sheik Thani, hen gelukkig herkende. Hij had zich naar de sultane begeven, had haar een sterk gekleurd tafereel van mijne macht opgehangen; haar onder het oog gebracht, aan welk gevaar zij zich blootstelde, en haar eindelijk bewogen, mijne soldaten in vrijheid te stellen. Zelfs werd de ezel met de bagage en een der drie geweren teruggegeven; ook had men hun vergund, een genoegzamen voorraad koren te koopen, om al mijne manschappen gedurende vier dagen te onderhouden. De goede Arabier had de vrijgelatenen naar Simbo geleid, en Shaw had hen in zijn kamp teruggevonden.

Zanzibar.
[102]
Ondanks geweldige stortregens, braken wij ons kamp op en vervolgden onzen tocht. Aanvankelijk vonden wij een drogen weg of dijk, maar weldra bevonden wij ons weder in de vlakte, waar de grond week en kleverig was als lijm. Shaw was ziek; op mij alleen rustte de zorg voor het bestuur onzer karavaan. Elk oogenblik bleef een der ezels in den modder steken: en als het ons eindelijk met groote moeite gelukt was het arme dier weder op de been te helpen, zonk weer een ander in den zachten grond, en zoo ging het telkens. Daar kwam bij, dat wij bij herhaling rivieren moesten doorwaden, die in dit seizoen meest allen geweldige watermassa’s medevoeren; vooral de Makata, van eene nederige beek tot een machtigen, onstuimigen, snelvlietenden stroom aangegroeid, die verre buiten zijne oevers was getreden, en niet dan met de grootste inspanning en wezenlijk gevaar was te doorwaden.

Aan den oever van het meer Tanganjika.
De noodlottige tocht door deze moerassige, half overstroomde, ongezonde vlakte duurde drie dagen. Wij plasten letterlijk door het water, dat somwijlen tot aan de borst en de schouders kwam. Mijne manschappen waren uitgeput van vermoeienis, de meesten waren ziek. Shaw had voortdurend de koorts; een der soldaten had de pokken; Bombay leed aan hevige krampen in de borst; Mabrâk, een stevige jonge neger, klaagde over misselijkheid; de kleermaker had geen kracht om iets te doen; de anderen waren allen evenzeer van streek. Zij gingen eenvoudig in den modder liggen, en ik moest de toevlucht nemen tot de zweep, om hen tot voortgaan te bewegen. Dit middel hielp: de kwalen weken met verwonderlijke snelheid, en de uitgeputte krachten kwamen even spoedig terug. Onze ezels bezweken bij twee en drie per dag: er bleven eindelijk maar vijf over, die haast niet meer voort konden. Soldaten en dragers leden vreeselijk; ik zelf was dood ziek. Toch hadden wij slechts twee slachtoffers te betreuren: een pagazi, en mijn hond, mijn armen Omar, die mij sedert mijn vertrek uit Indië had vergezeld.