V. DE WAARHEIDSKETTING
Hermanna translation

Er was eens een klein meisje, dat jokte alsof het gedrukt stond.
Sommige kinderen jokken zonder blikken of blozen. Een leugentje, desnoods een groote leugen, schijnt hun de meest gewone zaak van de wereld toe en de meest gëoorloofde ook, als zij er maar door geholpen worden; ontheffing van een lastigen plicht of straf, ’t verkrijgen van een pleziertje, streeling van hun eigenliefde,——dat zijn allemaal dingen, waarvoor ze dadelijk zoo’n jokken bij de hand hebben.
Ons kleine meisje was daar ook heel sterk in. De waarheid bestond eenvoudig niet voor haar; alle uitvluchten waren wettig, mits zij ze ingang kon doen vinden. Langen tijd namen haar ouders alles voor goede munt aan, wat zij hun verkoos te vertellen, doch toen hun oogen er eindelijk voor gëopend werden, dat zij hun maar wat op de mouw speldde, hadden zij niet meer ’t geringste vertrouwen in haar. ’t Is wel treurig [116] als ouders geen geloof meer aan de woorden van hun kinderen kunnen hechten. Wat een verdriet moet dit voor hen zijn en wat een zorg ook voor de toekomst! Want hoe gaat ’t met leugenaars? Zij vervallen van kwaad tot erger. Een klein, oogenschijnlijk onschuldig jokkentje is misschien ’t begin, maar wie zal zeggen tot welke grove ondeugden ’t mettertijd voert? Hoe vreeselijk voor ouders zich dan voor hun kinderen te moeten schamen!—Hoe ontzettend toch, als kinderen schande over hun ouders brengen.——
Vruchteloos trachtten de vader en de moeder van deze kleine jokkebrok haar van haar gebrek te genezen. Na allerlei—helaas zonder gevolg—te hebben aangewend, besloten zij met haar naar den alom beroemden toovenaar Merlin te gaan, wiens waarheidsliefde spreekwoordelijk was.
Van alle kanten werden er kleine leugenaars en leugenaarsters naar hem toegebracht, om door hem van hun ondeugd afgeholpen te worden.
Toovenaar Merlin woonde in een glazen paleis, waarvan al de muren doorschijnend waren. Nooit kwam ’t hem in den zin een enkele zijner daden te verbloemen of, ’t zij door spreken, ’t zij door zwijgen, een titteltje van de waarheid af te wijken.
Je weet immers wel, dat je ook kunt jokken door te zwijgen, als je zoudt hebben moeten spreken?
Hij kon leugenaars al op een mijl afstands ruiken; denkt eens aan—en toen ’t kleine meisje zijn paleis naderde, werd hij zoo onpasselijk, dat hij azijn moest branden, om de lucht te zuiveren. [117]
De moeder van onze kleine jokkebrok begon met een hevig kloppend hart, blozend van schaamte, een vrij verward verhaal. Zij wilde hem uitleggen door welke treurige kwaal haar dochtertje aangetast was, doch geraakte zoo onder den indruk van de schande, die daarin lag, dat zij haar gedachten haast niet onder woorden kon brengen.

Azijn moest branden om de lucht te zuiveren.
Toovenaar Merlin viel haar echter al aanstonds in de rede.
“Ik weet er reeds alles van,” sprak hij. “Een uur geleden rook ik haar al; ’k heb het er door te kwaad gehad——dat is een eerste leugenaarster!”
De ouders van ’t kleine meisje bemerkten, dat de faam zijn kundigheden niet overdreven had. ’t Kind zelf wist zich van verlegenheid niet te bergen en trachtte zich in de plooien van den rok harer moeder te verschuilen. Deze wilde haar maar al te graag een schuilplaats geven, verschrikt als zij was door de wending, die ’t onderhoud nam, en haar vader ging vóór haar staan om haar, zoo noodig, te kunnen verdedigen, want het gelaat van den toovenaar scheen niets goeds te voorspellen. [118] Zij wilden allebei wel graag, dat hij hun kind van haar gebrek afhielp, maar ’t moest op een zachte manier gebeuren en kwaad mocht hij haar niet doen.
“Stelt u gerust,” zei Merlin, die hun angst zag, “ik gebruik geen geweld voor dit soort gebreken. Staat mij slechts toe ’t juffertje een geschenk aan te bieden, dat haar wel naar den zin zal wezen.”
Hij opende een kast en haalde er een prachtig halssnoer van onvergelijkelijk schoon gezette amethisten uit, dat door een agrave van diamanten van ’t zuiverste water, welker schittering verblindend was, gesloten werd.
Toovenaar Merlin deed het kleine meisje dit sieraad om den hals, terwijl hij haar ouders met een welwillend gebaar hun afscheid gaf.
“Weest verder niet bezorgd,” zei hij, “uw dochtertje neemt een zekeren waarheidswachter mee.”
Met een kleur van plezier wilde ’t kind hen volgen, verrukt als ze was er zoo goed afgekomen te zijn, doch Merlin riep haar terug.
“Over een jaar kom ik naar mijn ketting kijken,” sprak hij en zag haar aan met oogen, die geen gekheid verstonden. “Tot zoo lang moet je hem onafgebroken dragen. Wee over je, als je ’t waagt hem ook maar voor een enkele minuut af te doen; ’t ongeluk is dan niet te overzien.”
“O, ik wil hem veel te graag altijd om houden; hij is zoo mooi!”

Deed het kleine meisje dit sieraad om den hals.
Je moet weten, dat dit halssnoer niets meer of minder dan de beroemde waarheidsketting was—in oude boeken wordt hij meermalen genoemd—die ’t vermogen [120] heeft alle soorten leugens te ontmaskeren.
Toen onze leugenaarster thuis was gekomen, moest ze den volgenden dag weer naar school en daar ze lang afwezig was geweest, kwamen al de andere kleine meisjes schielijk op haar af en overstelpten haar met vragen, zooals ’t bij jullie op school in zoo’n geval zeker ook gaat.
Er was maar één roep over dien prachtigen ketting, dat kan je begrijpen!
“Wat ben je mooi! Hoe kom je daaraan? Waar ben je toch zoo’n tijd geweest?” weerklonk ’t van alle kanten.

Moest ze den volgenden dag weer naar school.
Jokkebrok paste er wel voor op haar kameraadjes te vertellen bij wien ze geweest was. Als je in dien tijd zei, dat je een bezoek aan toovenaar Merlin had gebracht, wist ieder dadelijk hoe laat het sloeg, want zijn vermaardheid als geneesheer der leugenaars was wijd en zijd verbreid.
“Ik ben lang ziek geweest,” gaf ze daarom brutaalweg ten antwoord, “en toen ik beter was, heb ik dezen mooien ketting gekregen.”
Er ging één kreet uit alle monden tegelijk op.
De diamanten van de agrave, die zooeven nog zoo prachtig fonkelden en schitterden, waren eensklaps glansloos geworden, en veranderden nu in stukjes waardeloos glas.
“Jazeker, ik ben ziek geweest. Vinden jullie dit zoo vreemd, dat je zoo’n misbaar maakt?”
Op deze herhaling van haar leugen veranderden de [121] amethisten op hun beurt in leelijke, geelachtige keisteentjes.
Een nieuwe kreet weerklonk er. Aller blikken waren op het halssnoer gericht.
Nu keek zij er zelf ook naar en beefde van schrik.
“Ik ben bij toovenaar Merlin geweest,” zei ze, in haar schulp gekropen, want zij begreep hoe de vork in den steel zat en durfde haar leugen dus niet langer vol te houden.
Nauwelijks had zij de waarheid bekend, of de ketting vertoonde zich weer in zijn vorige pracht, maar ’t gelach, dat rondom haar opsteeg, prikkelde haar zoo, dat ze er behoefte aan voelde dien vernederenden indruk zooveel mogelijk uit te wisschen en zich weer in haar eer te herstellen.
“Jullie behoeven niet zoo te lachen!” riep zij uit; “wat denk je toch wel? Hij heeft ons vorstelijk ontvangen, dàt zeg ik je; hij had ons zijn rijtuig reeds naar de naburige stad tegemoet gezonden om ons af te halen en wàt een mooi rijtuig was ’t, dat kan je maar gerust gelooven! Zes witte paarden, en kussens van roze satijn met gouden eikels er aan,—zonder nog van den koetsier—een bepoederden neger—en de drie deftige lakeien, die achterop stonden, te spreken. Toen wij aan zijn paleis kwamen, dat geheel van jaspis en porphyr opgetrokken is, zagen wij, dat hij al in de vestibule op ons stond te wachten. Hij liep ons tegemoet en geleidde ons naar de eetzaal, waar ons een keur van gerechten werd voorgezet, waarvan ik je de namen maar niet eens zal opnoemen, omdat je er stellig toch nooit van [122] hebt hooren spreken. Eerst was er——”

Al langer en langer geworden.
De lachbuien, die de kinderen, sedert ’t begin van dit mooie verhaal, al met moeite onderdrukt hadden, barstten op dit oogenblik met zoo groote luidruchtigheid los, dat zij plotseling midden in haar zin bleef steken. Onwillekeurig richtte zij den blik op den ongeluksketting en beefde weer van schrik en ontsteltenis. Bij iedere bijzonderheid, die zij verzonnen had, was hij, zonder dat zij ’t bemerkt had, al langer en langer geworden, zoodat hij nu reeds tot haar voeten kwam.
“Je maakt er een heeleboel bij!” riepen de kleine meisjes, gierend van pret, uit.
“Nu ja, stil maar; we zijn te voet gekomen en er maar vijf minuten gebleven.”
Het halssnoer nam onmiddellijk weer zijn gewone afmeting aan.
“En de ketting, de ketting, hoe kom je daaraan?” [123]
“Toovenaar Merlin heeft hem mij, zonder iets te zeggen, present gedaan; waarschijn——”
Zij had geen tijd er meer bij te voegen. Het noodlottige halssnoer kromp in, werd nauwer en nauwer, zoodat haar keel er door toegeknepen werd en zij ’t erg benauwd kreeg.

En zij ’t erg benauwd kreeg.
Zij haastte zich daarom, er, terwijl ze ’t nog kon, deze woorden uit te stooten: “hij heeft gezegd, dat ik een eerste leugenaarster ben.”
Aanstonds bevrijd van den druk, die haar bijna had doen stikken, vervolgde zij, schreiend van schaamte en verdriet: “Daarom heeft hij mij dezen ketting gegeven; ’t is een waarheidswachter, zei hij.—Ik was er nog wel zoo blij mee! ’t Is me wat moois!”
Haar kameraadjes hadden nu toch medelijden met haar. Lieve meisjes als ze waren, verplaatsten zij zich in haar toestand, en vonden de gedachte nooit meer een titteltje van de waarheid af te kunnen wijken, toch wel iets benauwends hebben.
Kunnen jullie daar ook voor voelen, of sta je zoo vast in je schoenen, dat je nooit, nooit een jokkentje gebruikt? “Je bent wel mal,” zei de slimste van het troepje.
“Als ik je was, hield ik den ketting niet om, hoor! Hij is wel mooi, maar ook vreeselijk hinderlijk. Wie belet je hem af te doen en weg te stoppen, dan heb je er geen last meer van.” [124]
’t Arme jokkebrokje hield zich stil.
Dadelijk begon ’t halssnoer te dansen, zóó te dansen, dat de amethisten en diamanten tegen elkaar aansloegen en een leven van belang maakten.
“O, je verzwijgt stellig iets!” riepen de kinderen, die weer opnieuw begonnen te lachen, ’t Was ook zoo’n koddig gezicht, die dansende ketting!

Al woester en woester werd de dans der edelsteenen.
“Och, ik heb er nu eenmaal geen zin in hem af te doen.”
Al woester en woester werd de dans der edelsteenen.
“Neen, neen, dat is de ware reden niet! Biecht ’t eens eerlijk op!”
“Nu, vooruit dan maar; ’t geeft toch niets of ik ’t al probeer iets voor jullie verborgen te houden. Hij heeft me streng verboden hem af te doen. Als ik ’t toch waag, zal er een groot ongeluk gebeuren.” [125]
Oogenblikkelijk hing de ketting weer zoo stil als te voren.
Je begrijpt nu wel, dat ’t, met zoo’n metgezel, die veranderde, als men de waarheid verdraaide, langer werd, als men er wat bij maakte, inkromp, als men er wat afliet en begon te dansen, als men wat verzweeg, een metgezel bovendien, van wien men zich niet kon ontdoen, zelfs voor de ergste leugenaarster niet meer mogelijk was, niet recht in den weg der waarheid te wandelen.

Kwam hij ’t halssnoer dus halen.
En toen zij er eenmaal maar goed van doordrongen was, dat elke leugen nutteloos zou zijn en op ’t oogenblik zelf reeds ontdekt zou worden, kostte het haar niet al te veel moeite geheel met haar slechte gewoonte te breken.
Wat was er ’t gevolg van? Na eenigen tijd geregeld de waarheid te hebben gesproken, omdat ze er toe gedwongen werd, ging zij weldra de leugen ook om haarzelfs wil verfoeien. Zij bevond er zich zoo goed bij, niet meer te jokken, haar geweten was zóó verlicht en haar hart zóó rustig, dat zij ook uit zichzelf [126] graag op dezen weg wilde voortgaan. Het werk van den ketting was hiermee dus afgedaan.—
Toovenaar Merlin wist dit, anders zou hij geen toovenaar geweest zijn, nietwaar? Hoewel ’t jaar nog niet verstreken was, kwam hij ’t halssnoer dus halen, om ’t voor een ander leugenachtig kind te gebruiken.——
Wat er van dezen merkwaardigen ketting der waarheid geworden is, heeft niemand mij kunnen zeggen. Na den dood van den grooten Merlin is hij verdwenen; men meent, dat de erfgenamen van den toovenaar, bang voor de verwoestingen, die hij op aarde zou kunnen aanrichten, hier de hand in gehad hebben, ’t Is mogelijk! Voor vele menschen en kinderen zou ’t stellig een ramp zijn, als men hun dit halssnoer eens ging om doen.—’t Praatje loopt, dat Afrika-reizigers, het om den hals van een negerkoning, die niet kon liegen, gezien hebben, maar zij hebben dit nooit kunnen bewijzen. Wat er van aan is? Ik weet ’t niet—men is er nog altijd op uit den waarheidsketting te zoeken en als ik een kleine jokkebrok was, zou ik geen gerust oogenblik meer hebben, want, verbeeldt je, dat men hem eens weer terugvond!
[127]