II. BLONDKOPJE
Hermanna translation

Er was eens een lief kind, dat wel iedereen gelukkig zou willen maken. Hij had groote, blauwe oogen en zulk mooi, blond haar, dat men hem in ’t heele land niet anders dan Blondkopje noemde.
Dikwijls was hij er verdrietig over, dat hij nog niet groot en sterk genoeg was, om nuttig te zijn en wanneer hij er naar verlangde een man te worden, was ’t alleen, om de macht te hebben veel goeds te doen. Hij zou de wereld bewogen hebben, als hij ’t gekund had.
Zulke kleine kinderen zijn er niet veel, dat is waar! Tòch ontmoet men ze wel eens; als een bewijs hiervan kan ons Blondkopje gelden.
In die dagen leefde er een groot toovenaar, met wien de goede feeën zeer bevriend waren. Zij schreven [57] hem brieven uit alle oorden der aarde. Deze briefwisseling ging al heel gemakkelijk in z’n werk. Je moet weten, dat de feeën ieder in ’t bezit waren van een tooverdoos met een gaatje er in; zij schreven nu op een stukje papier, wat zij den toovenaar te zeggen hadden, lieten het door ’t gaatje in de doos glijden en—hiermee was de zaak afgeloopen. Het stukje papier kwam vanzelf op zijn bestemming aan; niemand had er verder iets voor te doen. Je kunt denken, hoe geriefelijk dit voor de feeën was en hoe gemakkelijk ook voor den toovenaar, om op de hoogte te blijven van wat er in alle landen voorviel.

Het stukje papier kwam vanzelf op zijn bestemming aan.
Hij vernam op deze manier ook wat Blondkopje hinderde en werd er zóó door getroffen, dat hij zich beter voelde worden—dat wil zeggen: machtiger, want hij behoorde tot de toovenaars, wier macht wies met hun goedheid.
“O, o,” zei hij, “daar hebben we nu een kind, dat machteloos meent te zijn en mij toch al veel sterker heeft gemaakt dan ik was. Ik moest hem maar eens [58] een beetje te hulp komen.”
Hij bracht zijn kijker, waarmee hij op tweehonderd mijl afstands kon zien, in de juiste richting en begon met een blik in ’t huis van den kleinen jongen te slaan.
’t Was maar een gewoon huis, dat zich door niets van de andere huizen der lange straat onderscheidde en dus geheel in de massa opging. De straat zelf verdween in de uitgestrektheid der groote stad, die toch niet eens de belangrijkste van het land kon genoemd worden en het land, aanmerkelijk groot als ’t was, scheen op zijn beurt toch maar een stipje op den aardbol te zijn. Je kunt je dus zoo eenigszins voorstellen, wat voor een plaatsje ons arm, klein ventje daar op innam.

Begon met een blik in ’t huis van den kleinen jongen te slaan.
Hij zat op dit oogenblik geheel alleen in de kinderkamer voor een boek, dat hem niet erg scheen te boeien. Je zag ’t hem aan, dat zijn aandacht telkens afdwaalde en hij zich veel liever bij zijn zusjes zou hebben gevoegd, die bezig waren een groote schaal aardbeien van de steeltjes te ontdoen. [59] Moeder zou gelei maken: een gebeurtenis van belang voor ’t heele gezin en niet ’t minst voor de kinderen.

Aardbeien van de steeltjes te ontdoen.
Om je de waarheid te zeggen, was Blondkopje wel wat lui. De toovenaar bemerkte dit dadelijk aan de manier, waarop hij zijn boek heen en weer draaide, zoodat ’t meest ondersteboven vóór hem kwam te liggen. Zijn gedachten waren klaarblijkelijk meer bij de gelei, dan bij zijn les. Daarbij kwam nog, dat ’t kind vlugge beentjes had, die ’t geen minuutje in rust konden uithouden. Op een keer hadden de groote-menschen het er in zijn bijzijn over gehad, dat men vogeltjes en kleine kinderen maar vrij moest laten rondspringen, daar dit een wet van den goeden God is. Nu, dit was bij hem aan geen doovemans oor gezegd. Hij paste het op de ruimst mogelijke wijze toe en zag er dan ook hoegenaamd geen bezwaar in, ieder oogenblik even weg te wippen van dat vervelende lessenboek, om een bezoek aan twee vroolijke sijsjes te brengen, die even lustig door hun groote kooi sprongen, als hij door de kamer. [60]
Of wel, hij liet zijn boek in den steek, om eens naar zijn “tuin” te gaan kijken, een pot vol aarde, waarin hij op een winter, met zijn zusjes, sinaasappelpitten had geplant. ’t Waren nu al heele “boomen” geworden van drie duim lengte, die duizendmaal meer gekoesterd werden, dan die der vorsten in hun orangerieën.
Dit alles zou echter niet veel tot den loop der wereld kunnen toe- of afdoen.——
“Ik zal dat lieve ventje de meest belangrijke persoonlijkheid op aarde maken,” sprak de groote toovenaar. “Telkens als hij een overwinning op zichzelf zal behalen, zullen alle menschen desgelijks doen.”

Met pruiken op, vergaderd.
Hij bracht zijn kijker nu weer in een andere richting en ging eens zien, wat er in zeker koninklijk paleis voorviel. Daar was een groote menigte staatslieden met pruiken op, vergaderd, om er plechtig en breedvoerig over te beraadslagen, van welke kleur de japon zou zijn, die de vorstin op den kroningsdag zou dragen.
Ons Blondkopje hield dus, van nu af aan, zonder het te weten, het lot van ’t gansche menschelijke geslacht in zijn handjes.
Hij leerde er zijn les echter niet beter om. [61]
Toen hij bemerkte, dat zijn dierbare sinaasappel-“boomen” min of meer droog stonden, gaf hij hun, druppelsgewijs, een glas water te drinken, ’t Was een toer dit zonder morsen te doen en zoo heel vlug kon hij ’t ook niet klaarspelen. Dit vond hij evenwel niet erg; zijn boek liep immers niet weg?
Nog was hij met zijn tuin bezig, toen een lieve, kleine fee, die ’t op zich had genomen een man van hem te maken, zonder kloppen de kamer binnentrad.
“Wel jongeheer,” zei ze, wat ontevreden, “leeren we zóó onze les?”
“O, maar ik kon mijn sinaasappelboomen toch niet laten verdrogen. Ze hadden zoo’n ergen dorst.——Ik heb al een heel eind van mijn les geleerd.”
“Zeg dat dan eens op!”
Blondkopje probeerde ’t, maar stond weldra met zijn mond vol tanden.
“Kind, je doet mij verdriet,” sprak de kleine fee en ging heen, terwijl ze een traan wegwischte.
Blondkopje keerde beschaamd naar zijn boek terug en begon nu met ernst te leeren. Hij deed zijn best niet meer aan andere dingen te denken en zijn beentjes in rust te houden. De sijsjes sprongen nog lustig heen en weer, maar zij waren er ook niet voor geschapen om wat te leeren, die arme, kleine diertjes!
Een kwartier later kende Blondkopje zijn les en prompt ook. Hij was dolblij en liep de goede fee achterna om ’m voor haar op te zeggen.

“Leeren we zóó onze les?”
Onderwijl had er een groote ommekeer op de heele aarde plaatsgehad. Al de kleine straatjongens, die [63] langs de wegen zwierven, hadden daar hun knikkers en steenhoopen laten liggen, om, zoo hard ze konden, schoolwaarts te loopen. Al de menschen, die in hun jeugd weinig of niets hadden geleerd, waren met schaamte tot inzicht van hun onwetendheid gekomen, zoodat de boekverkoopers, op ’t onverwachtst overvallen door een ongeduldige, weetgierige menigte, er mee verlegen waren welke boeken ze te voorschijn zouden halen, om aan zoovele verschillende aanvragen tegelijk te kunnen voldoen.

Zoo hard ze konden, schoolwaarts te loopen.
Zij, die niets wisten, voelden zich door een onweerstaanbaren leerlust aangegrepen en zij, die iets wisten, door den drang tot meer studie. De grootste sterrekundigen zag je b.v. haastig naar de boekwinkels loopen, om er naar allerlei handboeken over aardrijkskunde te vragen.
Het was een algemeene omwenteling, en een gelukkige, in het rijk des geestes en dit alles had Blondkopje alleen bewerkt door zijn les goed te leeren.
Als persoonlijke belooning kreeg hij een flinken kus op iedere wang en mocht, toen ’t uurtje voor ’t vesperbrood [64] was gekomen, aan een feestelijk onthaal deelnemen, dat uit een grooten stapel boterhammen met de aardbeien, die aan de vruchtenpan waren ontsnapt, bestond. Een dame, die veel belang in de kinderen van dit gezin stelde, had er hun, tot opluistering, een heelen pot room bij gestuurd.
Er ging een gejuich op, toen zij deze traktatie zagen.
Niets geeft je meer trek, dan flink te hebben gewerkt.

Had laten meedeelen.
Blondkopje, die niet precies een gulzigaard was, koos met zorg een lekkere boterham uit—een met knappende korstjes, waarvan hij zooveel hield. Hij was toch zoo blij, dat hij zijn les goed had gekend en babbelde vroolijk, tusschen de hapjes door, terwijl hij zijn mooiste aardbeien bedachtzaam op zij legde, om ze met den room voor het laatst te bewaren.
Zijn jongste broertje, wiens eetlust geen grenzen kende, had reeds alles op, toen hij ternauwernood halverwege met zijn portie was gekomen. Het ventje keek eerst met een begeerigen blik naar de rest van de lekkere boterham, de dikke aardbeien en het schoteltje room en wou er toen volstrekt wat van [65] hebben. Daar hij er vreeselijken trek in had, zou er stellig een huil- en schreeuwbui op gevolgd zijn, als de oudste geen medelijden met het hongerige kereltje had gekregen en hem goedhartig had laten meedeelen.
’t Zou Blondkopje anders niets geen moeite gekost hebben alles alleen op te eten. Hij had ’t zoo met zorg en overleg klaargemaakt en ’t smaakte hem zoo heerlijk.
De moeder der kinderen was onderwijl binnengekomen; zij verblijdde zich over ’t geen zij zag en glimlachte tegen haar jongen, die daardoor ruimschoots voor zijn opoffering beloond was.—

Met levensmiddelen beladen.
Maar hij kreeg daarenboven nog een heel andere belooning. Terzelfdertijd maakten de menschen, in alle landen van de wereld, zich eensklaps ongerust over hen, die honger zouden kunnen hebben. Iedereen liep naar zijn provisiekamer of kelder en begaf zich dan, met levensmiddelen beladen, op weg, om overal naar hongerigen en nooddruftigen te zoeken.
Je zag niets anders op straat dan groote brooden, [66] schotels vleesch, zakken aardappelen en manden fruit, die men naar de woningen van behoeftige gezinnen wilde brengen. Wie er een ontdekt had, haastte zich er den overvloed binnen te laten treden en werd door de anderen om zijn vondst benijd.
De arme menschen konden hun oogen niet gelooven. Kinderen, die nog niet wisten wat een koekje was, maakten nu kennis met dit merkwaardige product van menschelijk vernuft en, wat nog nooit gebeurd was, niemand ging dien dag zonder eten naar bed.
Wat een triomf voor Blondkopje! Maar hij wist er niets van.
Een groot vraagstuk nam hem op dit oogenblik geheel-en-al in beslag. Blondkopje was een knap kereltje; dit had hij de kindermeid, die hem verafgoodde en dolgraag met hem pronkte, tenminste vaak genoeg hooren zeggen.
Na de feestelijke boterham zouden de kinderen, om de pret te volmaken, naar een speeltuin gaan, die druk door de jeugd van deze stad bezocht werd. Zoo gauw de bordjes dus leeg waren geweest, waren zij naar boven geloopen om zich klaar te maken voor den tocht.
Ons Blondkopje bezat een zwart fluweelen pakje, waarin hij er, volgens ’t oordeel van de kindermeid, uitzag om te stelen. Zij kreeg ’t dan ook bij elke gelegenheid uit de kast om het hem aan te trekken, hoewel ’t feitelijk alleen voor bijzondere feestdagen bestemd was. De kleine jongen liet er zich maar al te graag voor vinden, zoo’n ijdeltuit! Zijn moeder [67] knorde er over, maar het kwaad was geschied—zoo trotsch als een pauw liep hij rond, als hij zijn mooie pakje aan had.
Vandaag haalde de kindermeid ’t ook voor den dag, tot groot plezier van Blondkopje.
Hij had er al één arm in, toen zijn groote zus binnenkwam.
“Blondkopje,” zei ze, “dàt pakje moet je niet aandoen; je daagsche blouse is goed genoeg om er mee in ’t zand te spelen.”
“Daar zit ik haast met mijn ellebogen door,” pruttelde ’t kind; “’k zie er mee uit als straatjongen.”
“Kom, wees nu eens lief! Je weet wel, dat moeder ’t niet graag heeft.”

Hij had er al één arm in.
Toen drong Blondkopje er niet verder op aan. Voor de vrees zijn moeder verdriet te doen, moesten al de bedenkingen van hoogmoed en ijdelheid zwichten. Hij trok dus zijn arm terug en deed gehoorzaam zijn daagsche blouse aan, waarin hij zich straks kostelijk in den speeltuin zou vermaken.
Nauwelijks had hij zijn zuster gehoorzaamd, of onmiddellijk vloog de hoogmoed de wereld uit.
De aanzienlijkste, deftigste dames begonnen, zonder [68] te weten waarom, de eenvoudigste burgervrouwen te groeten. De heeren van het hof voelden zich genoopt in ’t voorbijgaan de boeren, die van de markt terugkwamen, goedendag te zeggen. De menschen zochten in hun hoofd naar de redenen, die zij tot nu toe hadden gehad om op elkaar neer te zien en elkaar te verachten, en.. konden ze niet meer vinden. Je kunt er je geen denkbeeld van maken hoe ’n algemeene verteedering er plaats had.—

De eenvoudigste burgervrouwen te groeten.
Ook voelden de kleine jongens, die nummer één van de klas waren geworden, zich bevrijd van de dwaze waanwijsheid, die hen zoo belachelijk maakte.
Wat deed ons Blondkopje onderwijl?
Na dien prettigen middag was hij aan ’t kibbelen geraakt met het zusje, dat een jaar ouder was dan hijzelf. In zijn hart hield hij veel van haar, maar weet je wat zoo vervelend was? Ze had een gebrekje, waaraan zulke kleine juffertjes wel eens meer lijden... [69] zij was een echt spotvogeltje, dat niets liever deed dan plagen.
Sedert haar broertje een paar maal in haar bijzijn verkondigd had, dat hij dokter wou worden, noemde ze hem niet anders meer en had hem nu ook, gedurende de heele wandeling naar huis, met dit groote woord vervolgd, dat zij uitsprak met haar mond zoo wijd opengesperd als zij maar kon.
“Neen, ik heb er nu geen zin meer in dokter te worden,” zei de arme jongen eindelijk; “ik wil bisschop worden.”
Maar dit maakte de zaak nog maar erger... “mijnheer de bisschop” was immers nog een veel mooiere benaming! Zij maakte er dan ook zoo’n ruim gebruik van als maar mogelijk was en liet ’t “mijnheer de bisschop” regenen op den kleinen jongen.
“Wanneer zal ik “mijnheer den bisschop” om zijn zegen kunnen vragen?” vroeg zij ten laatste en maakte een heel diepe buiging voor hem.
“Dien kan je dadelijk krijgen,” riep Blondkopje, bij wien het nu de spuigaten uitliep, haar driftig toe, terwijl hij een liniaal greep, die juist binnen zijn bereik lag, en er allerlei dreigende bewegingen voor de oogen van zijn plaaggeest mee ging maken.
Deze, die even rap met de hand als met de tong was, had weldra een andere liniaal gepakt. Daar stonden ze nu tegenover elkaar. Als kemphaantjes zetten zij zich in postuur en sloegen er ijverig op los, waarbij zij echter zorg droegen niet de tegenpartij zelf, maar alleen z’n wapen te raken. [70]
Op zeker oogenblik liet Blondkopje de zijne evenwel door een onhandigen slag op de vingers van zijn zusje neerkomen, wat haar een kreet van pijn deed slaken.

Alleen z’n wapen te raken.
Dadelijk was zijn drift bedaard. Hij gooide de leelijke liniaal, die haar bezeerd had, ver van zich af, sloeg zijn armen om haar hals en zei, met tranen in de oogen: “’t spijt me zoo erg, zus; ik zal ’t niet meer doen en hoor eens, je mag me net zoo vaak “mijnheer de bisschop” noemen als je maar wilt.”—
Hun vader, die de beste vader van de wereld was, kwam op ’t geluid van den strijd aanloopen en meende al heel boos te moeten worden.—Hoe groot was echter zijn blijdschap, toen hij, bij ’t binnenkomen, deze hartelijke omhelzing van broer en zus aanschouwde. [71] Hij drukte het tweetal aan zijn hart en prees zich gelukkig, zulke lieve kinderen te hebben.—
Er werden toentertijde groote oorlogen op de aarde gevoerd. De menschen overtroffen elkaar in ’t uitdenken van de vreeselijkste moordtuigen, die allerwegen dood en vernieling moesten brengen. Dezen hadden de samenstelling van ijzeren torens uitgevonden, die zich nog sneller verplaatsen konden dan een galoppeerend paard. Als je daar in zat, was je volkomen tegen elken aanval beveiligd, terwijl je zelf ongehinderd den vijand kon dooden. Genen hadden machines verzonnen, waarmee je brokken steen, zoo groot als halve bergen, mijlen ver weg kon slingeren om er de soldaten van de tegenpartij bij duizenden, als vliegen, onder te verpletteren. Iedere nieuwe uitvinding werd met groote uitbarstingen van geestdrift door de strijders begroet, ’t Was te voorzien, dat er weldra niemand anders meer in ’t leven zou zijn, dan de uitvinders van die moordtuigen,—totdat ’t gezegende oogenblik aanbrak, waarop Blondkopjes liniaal de vingers van zijn zusje trof.

Zoo had er alom een algemeene verbroedering plaats.
Zoo gauw had het kind niet zijn wapen neergelegd, of deze hoog oplaaiende oorlogswoede zakte als door tooverslag ineen. De menschen ontdekten eensklaps, dat zij wel mal waren geweest, elkaar te dooden, om te weten te komen wie gelijk had en besloten zich op ’t oordeel van hen, die den strijd gadesloegen, te beroepen. Zoo had er alom een algemeene verbroedering plaats, van de generaals af, tot aan de soldatenkinderen toe, die elkaar nu niet meer bij ’t uitgaan [73] der scholen van leer gaven, zooals ze het vóór dezen hadden gedaan.

Ons Blondkopje ging dien avond met een tevreden hartje naar bed, na wel duizend liefkoozingen van de gansche familie te hebben ontvangen, en vroeg zich bij ’t inslapen nòg af, wanneer hij toch wel zoo groot en sterk als een man zou wezen.
Op ’t zelfde uur gaf de aarde, nu van Onwetendheid, Ellende, Hoogmoed en Oorlog bevrijd, zich aan de meest geestdriftige uitingen van algemeenen jubel en blijdschap over en op al de bergen, van Noorwegen tot in ’t land der Patagoniërs, werden zulke groote vreugdevuren ontstoken, dat men ze van de maan af zien kon.

Jubel en blijdschap.
De groote toovenaar is er niet meer, kinderen, om zooveel gewicht te geven aan de overwinningen, die jullie op jezelf kunt behalen. Toch is er nog iets van overgebleven: ook tegenwoordig nog—gelooft het maar vrij—zijn de kinderen sterker dan de menschen om het goede te doen. Terwijl je ouders soms verplicht zijn zich geheel op te offeren, om te verhinderen, dat [74] je ongelukkig wordt, kan jullie hen reeds met de kleinste opofferingen volkomen gelukkig maken. Al wordt de wereld er niet eensklaps door veranderd, zooals in Blondkopjes tijd, deze kleine daden van zelfverloochening—weest daarvan maar overtuigd—zullen toch nooit voor haar verloren zijn. Alle druppels water, die er vallen, vinden elkaar in de zee terug.— [75]