← Table of contents
Spaens Heydinnetie

Aenmerckingen

Reading edition

Op het wonderbaer° houwelick voren geroert.

1. Oorspronck van de lant-loopers, die wy heydens noemen.

2. Of men uyt een pols of ader-slagh weten kan of yemant verlieft is, dan niet: dat is, offer een sekere beweginge 1435 in de slagh-ader te vinden is die eygentlick op de liefde past*.

3. In de hant te kijcken, ende daer yemants geluck ofte ongeluck uyt voor te seggen, van wat kracht het zy.

4. Van de Physiognomie; en of uyt yemants wesen ofte 1440 gelaet syn innerlicken aert te seggen is. En by die gelegenheyt een sonderlingh trou-geval tusschen beyde in-gevoert.

5. Of het geoorloft is op houwelicksche ofte andere toe-komende saken ondersouck te doen. 1445

6. Of het een Christen mensche geoorloft is met een heyden in houwelicke te treden.

Philogamvs. Wel hoe, Sophronisçe? is mijn huys een haven om soo voor-by te zeylen met een loopende spriet?* 1450

Soph. Ick en had u niet ghesien, Philogame, dan juyst als ick u stemme hoorde, en recht voor u deure quam.

Phi. Soo was dan u voornemen niet, naer ick hoore, om my de eere van u versouck* te geven. 1455 Dan ick en wil nu des geen vorder ondersouck doen, behoudens dat ghy met my binnen treet, en dat ghy (naer ons laetste af-scheyt) my nu openinge wilt doen van uwe in-vallen* op het selsaem houwelick van den Spaenschen edelman met het heydinneken. 1460

Soph. Eerlicke lieden zijn ghewoon haer beloften gestant te doen, schoon het haer by wijlen ongelegen is. Wel aen, treet binnen, en seght my daer wat ghy van my versouckt.

Phi. Op de gelegentheyt* van de voornoemde geschiedenisse, 1465 wilde ick voor eerst (soo het u wel geviele) een weynigh verstaen*, wat ghy hout* van dese lant-loopers, die men heydens noemt, en van waer de selve haer begin en oorspronck hebben genomen; want sulcx dunckt my aenmerckens weert te 1470 wesen.

Soph. Daer wert verscheydenlick van gevoelt, lieve Philogame. Ghy siet* hier van E. Pasquier in syn 4. bouck in’t 17. cap. van het Ondersouck van Vrankrijk; die verhaelt uyt d’oude schrijvers, dat 1475 dese menschen in ’t jaer 1427. in Vrankrijck eerst zijn gesien, en dat de selve alsdoen verklaerden gesproten te zijn uyt het laegh Egypten, onlangs t’onder-gebracht van de Christenen, en gedwongen het Christen geloove aen te nemen: datse sulcx hebbende belooft korts 1480 daer na weder van de Saraçijnen waren verwonnen, sonder tegens de selve eenigen sonderlingen* tegen-weer te hebben gedaen: vervallende alsoo weder van het Christen gheloove aen de Saraçijnen. Dat sulcx gekomen zijnde tot kennisse van de Christen vorsten, 1485 dat sy luyden wederom zijn aen-getast ende verwonnen, en de Saraçijnen verdreven; niet willende de Christen vorsten toe-staen (vermits haer lichtveerdigheyt ende ontrouwe) dat de selve in haer landt souden blijven, ten ware sy haer eerst hadden vervought 1490 na Roomen, om aldaer van den Paus t’ontfangen soodanigen ordre als daer goet soude gevonden werden hun te geven; dat de selve daer op kleyn en groot na Roomen waren vertrocken, en dat de Paus (alles gehoort ende overwogen hebbende) de selve 1495 hadde op-geleyt, tot haer boete en beteringe, seven jaren langh te mogen* gaen dwalen door de werelt, sonder middelertijt op bedden te mogen slapen; lastende* hun even-wel, om eenighsins hun te mogen generen, dat yder kruys-dragende* Bisschop ofte Abt 1500 hun soude hebben te geven voor eenmael thien ponden tournois.* Datse in den voorsz. jare 1427. in den Oughstmaent tot Parijs komende verhaelden vijf jaren alreede te hebben gedwaelt. Pasquier verhaelt vorder uyt het vertellen van die gene die sulcx 1505 als doen gesien hebben, dat de mans gansch swart waren, met swart gekrult hayr, hebbende in elck oir een ofte twee silvere ringekens: dat de vrouwen mede voor het meerendeel mismaeckt ende leelick waren, met hayr geheel swart, als een peert-steert, 1510 gansch slordigh ende ongedaen in haer kleedinge, een lappe lakens om ’t lijf gebonden hebbende met koorden vast gemaeckt; ende in ’t korte een vreemt gespuys van menschen. Noch wijders, datse veel haer werck maeckten van de lieden in de hant te 1515 kijcken, ende yder te seggen wat hun voor geluck ofte ongeluck gebeuren soude, ofte alreede gebeurt was: datse veel onruste tusschen man ende wijf verweckten ende vreedsame houwelicken vol twist maeckten, de mans in-beeldende* dat de vrouwen quaet 1520 garen sponnen;* van gelijcken datse door quade kunsten het gelt uyt de* lieden beurse in de heure konden doen komen: ende eyntelick dat de Bisschop van Parijs ten lesten sigh tegens de selve stelde, ende een deftige* predicatie tegens haer bedrijf dede doen door 1525 een prediker monick geaemt le petit Iacobin, de welcke onder andere seer berispte alle de gene die sigh in de handen van dit volck hadden sien laten, en de selve gheloof waren gevende°: en tot besluyt datse van daer spoedelick mosten vertrecken ende 1530 haren wegh nemen nae Pontoise. Munsterus verhaelt datse in Duytslant eerst zijn gesien anno 1417. En soo ghy breeder bescheet hier van souckt te weten, mooght den selven met andere schrijvers nae sien, soo ’t u gelieft, te weten Camerar. hist. medit. 1535 part. I. cap. 17. Gesner. in Mitridat. Æneam Sylvium &c.

Phi. Ick sal my derhalven vergenought houden met dat ick van u gehoort hebbe, en wil nu komen tot de geschiedenisse selfs.

Ick hebbe voor eerst gelet in ’t lesen van het 1540 eerste deel deser geschiedenisse, dat Pretiose (soo het scheen) behendelick wiste uyt te vinden saken die selfs een doctor in de medeçijnen niet en konde bemercken; te weten, dat Giralde door liefde vervoert moeste wesen, en dat sulcx d’oorsake was van hare 1545 sieckte. Nu by dese gelegentheyt wilde ick wel onder-recht wesen, ofte nae de kunsten der medeçijnen, 2 ofte van de ondersouckers der naturen,* offer een sekere bysondere slagh van pols zy, of eenige gewisse teyckens in de slagh-ader daer uyt yemant 1550 (die de kunste verstaet) sekerlick soude konnen weten ofte een jonge deerne verlieft ofte met liefde bevangen is, dan niet. want indien sulcx gheleert konde werden, ick wildet my wel gelt en tijt laten kosten om sulcx te weten, om redenen die ick daer toe meyne 1555 te hebben. Ten anderen soo ben ick begerigh te weten, of men door waer-seggers, of diergelijcke soorte van menschen ondersoeck magh doen op houwelickse ofte andere toe-komende saken.

Soph. Dit is een vrage die het geheym en verborgentheyt 1560 van de medeçijnen raeckt, en die midtsdien best by de meesters van de selve kunste beslecht soude konnen werden: niet-te-min om u niet verlegen te laten, en vermits ick al somtijts mede een weetgierigh oogh hebbe laten gaen over boucken van die 1565 gelegentheyt, soo kan ick seggen dat eenige van de ervarenste in die wetenschap, en by namen de geleerde Avicenna, en met den selven Franciscus Valesius lib. 3. Controvers. Philos. & medic. cap. 14. Iaques Ferrand Argenois de la maladie d’Amour ou melancholie 1570 Erotique.) een groot Spaens doctor, met verscheyde andere van de gheleerste in die kunste vast stellen, datter geen bysondere ader-slagh en is, oock geen sekere teyckens in de selve, waer door die sieckte eygentlick bekent soude konnen werden. En 1575 voor reden wort by de selve in-gebracht, dat de liefde, soo lange die in de palen van de redelickheyt blijft, is een genegentheyt die in het breyn haer woonplaetse is houdende°: maer buyten ofte boven reden en regel gaende, dat de selve dan in de lever ende niet 1580 in het herte sigh onthout, ende dien volgende* dat uyt de pols ofte slagh-ader° (die uyt het herte haer beweginge heeft) geen vaste teyckenen en konnen werden genomen*, om te weten of yemant met de minnekoortse gequelt is, dan niet; en noch min, wie daer 1585 van d’oorsake mochte wesen.

Phi. Gewisselick het is my leet dat de kunste soo verre niet en gaet, en dat de geesten in soo scherp-sinnigen eeuwe, als wy beleven, (daer ’t al schijnt ondersocht te werden) noch soo hooge niet en 1590 zijn geklommen; te meer vermits ick bemercke, dat al lange in voorlede tijden een groot deel van dese kunst is ondeckt° geweest, even by oude vrouwen die wat geslepen waren. Ick sie dat Canace in dit gast-huys sieck leggende klaer uyt seyt (als Ovidius 1595 verhaelt)

Mijn voester heeft den brant van mijn bedeckte wonden, Wt° ick en weet niet wat, behendigh ondervonden*; Die seyde my in ’t oir: Ick sie het datje mint, 1600En dat u jeughdigh hert tot vrijen is gesint.

En dat alsoo zijnde, soo dunckt het my vreemt dat alle onse groote doctoren hier in noch maer als mollen en zijn, daer een oudt wijf al van doen af soo klaer in sagh.

Soph. Al sachtjens, lieve jongelingh. want al ist 1605 soo, dat ick uyt de getuygenissen van de geleerde hebbe geseyt datter geen eygen pols-slagh en is die juyst op de liefde past, soo en volcht daer niet uyt dat de kunstenaers* uyt andere gelegentheden* (jae oock uyt de pols selfs) niet al merckelicke* dingen en 1610 souden konnen ontdecken, daer uyt men yemants gestalte* soude konnen weten. jae ick segge u in tegendeel, datter veel ervaren medeçijns eertijts zijn geweest ende noch zijn, die door middel van de kunst ten klaersten hebben weten t’ondervinden*, dat yemant 1615 van die wespe gesteken was. Avic. lib. 3. cap. de amore. En noch meer als dat, Soranus van Ephesen (als in het leven van Hippocrates te lesen is) ondeckte klaerlick de liefde die de koningh Perdiccas drough tot Phyla, een by-sit van syn vader; en dat even 1620 op de selve maniere gelijck Erasistratus uyt-vont de brandende genegentheyt van Antiochus tot Stratonice syn stiefmoeder. (Val. Max., l. 5 cap. 7.) Galenus in syn bouck, daer hy handelt van de gene die den sieckaert maken*, beroemt sigh te hebben 1625 konnen ondervinden den heymelicken minnebrant van een Romeynschen ridder, die de selve geset en gewet* hadde op de by-sit van een van de groote aldaer. Van gelijcken roemt de selve Galenus te hebben weten na te sporen de liefde van een voornamelicke* jonckvrouwe 1630 tot eenen schoonen jongelingh Philades genaemt. Iaques Ferrand, een geleert Frans medeçijn, seyt in den jare 1604. behendelicken ondervonden te hebben de malle minne-driften die een jongh student (een groot edelman zijnde) heymelick drough tot een 1635 schoone jonge deerne een kamer-maeght in der huyse daer hy sigh onthiel, daer van hy de vordere geschiedenisse breeder verhaelt in syn bouck by hem op dese stoffe beschreven.

Phi. Wel, na dese exempelen uyt-wijsen, soo en 1640 soude men door de kunst niet alleen konnen uytvinden of yemant liefde drough, maer oock tot wien. Ick bidde segh my doch hoe dat toe gaet; want my dunckt dat sulcx een jonghman van myne ghelegentheyt* van grooten gebruyeke soude konnen wesen. 1645

Soph. Wel aen, dewijle ghy des soo begerigh schijnt te wesen, soo wil ick u seggen ’t gene icker van bemerckt hebbe. Wilt ghy weten of yemant met liefde is bevangen, en op wien (’t zy dan man of vrouwe; maer ick sal nu van de persoon van een 1650 vrouwe spreken) soo siet dat ghy soetelick en behendelick in u hant krijgt de hant van de gene daer ghy de preuve° van nemen wilt, ende leght dan u vinger al sachtjens op hare pols, ende daer na soo brenght in u reden te passe den naem van de gene 1655 die ghy meynt dat haer meest aen ’t herte leyt; spreeckt van den selven, loffelick prijsende des selfs schoonheyt, geestigheyt, ofte andere goede gaven, en t’elcken als ghy dien naem noemt, let dan neerstelick wat veranderingh ghy in haer oogen, wesen, 1660 ende sonderlinge* aen haren pols-slagh sult gevoelen: daer is geen twijffel aen, soo de minnepijl haer recht ghetroffen heeft, of ghy sult een ongelijcken dril*, ende een veranderlicken pols gewaer worden, die geen regel of slagh en sal houden. (Paul. Æginet. 1665 lib. 3. cap. 17. de amore.) Ghy sult oock meer andere teyckenen uyt haer wesen, en sonderlingh uyt haer oogen, konnen af-nemen*, die eer zijn te mercken, als te schrijven. Maer dan loopter noch wat op* dat vry aen-merckens weert is, en van grooten 1670 ghebruycke; maer daer van op beter gelegentheyt.

Phi. Ick bidde u en spaert doch geen broot voor de vrienden, ende en laet niet onder u tonge ’tgene ick soo seer begeere te horen als yet dat ick nu ter tijt weet.

Soph. Neen, vrient, soo plagh men een boer syn 1675 kunst af te vragen: alle dingen en dienen niet uyt geseyt aen soo grage gasten als ghy en uws gelijcken zijt; En dusdanige verborgentheden en willen soo op een bot* en met eenen adem niet geleert wesen.

Phi. Ghy en hebt even-wel dit geenen dooven 1680 geseyt; Ende nu ick den draet hebbe, ick hope het kloen* wel te sullen vinden. Ick kan oock lesen (God danck) en hebbe u schrijvers hooren noemen die te vinden zyn, ick meyne die nae te sien en te letten watter in steeckt. want ick sie alreede wel soo veel, 1685 dat dit ondersouck niet alleen by de medeçijnen, maer by de gene die wat kennisse van saken hebben, kan gedaen werden. Het komt my nu binnen* dat ick gelesen hebbe, dat Erasistratus (daer ghy te voren van gewagh deet) de liefde van Antiochus gewaer 1690 wiert, vermits hy vernam dat syn ader-slagh t’elcken veranderde als Stratonice syn stief-moeder in de kamer ofte ontrent het bedde quam, daer hy sieck lagh. De poëten hebben daerom wel geseyt,

1695Wie is die heeten° minne-brant Behendigh in syn boesem sluyt? De liefde past op geenen bant; Sy wil, sy sal, sy moeter uyt.

Soph. Dat is tot daer toe goet, soete jongelingh; maer ondertusschen isset geraden u niet te seer te 1700 willen vergapen aen de beweginge van de slagh-ader, om altijt daer uyt een besluyt te maken (als de selve buyten gewoonte verandert, en rasser of° harder slaet 3 op den naem ofte door de aenkomste van eenigh persoon) dat t’elcken een uytmuntende* liefde hier van 1705 de oorsake ware. Ghy sout lichtelick (soo doende) konnen vervallen in een selsame ongelegentheyt, als ick eens verstont een jonge doctor gheraeckt te zijn, uyt ghelijcke oorsake.

Phi. Hoe gingh dat toe, weerde Sophronisçe? 1710

Soph. De selve jongen doctor onder andere hebbende een wijle vergeselschapt een vermaerden medeçijn, als hy by de siecken gingh (als in Italien tot bericht* van de studenten veel geschiet) en gewaer zijnde gheworden, dat de doctor (als hy de pols van 1715 de siecken getast hadde) wiste te seggen waer door de sieckte was veroorsaeckt, als door eten van meloenen, noten, appelen, vijgen, ofte diergelijcken fruyt, bad ernstelick den man, hem te willen openbaren waer uyt hy sulcx wist, als hy seyde. De doctor, na des 1720 hem te hebben laten bidden, seyde hem, dat hy ontrent de siecken komende neerstelick was gewoon acht te nemen, of hy in of ontrent de kamer van de siecken niet eenige schellen van noten, meloenen, of diergelijcke vruchten en vernam; en die siende, 1725 dat hy daer op dan aengingh. De nieuwe doctor, dese lesse wel meynende onthouden te hebben, ende die willende in ’t werck stellen, was korts daer na geroepen over eenen schamelen arbeyder, sieck te bedde leggende; voor wiens hutte hy een vers eselsvel 1730 siende leggen, hadde daer op den patjent syn pols geraeckt, ende geseyt dat hy gansch swaerlick sieck was, en dat sulcx hem niet vreemt en docht, dewijle hy soo harden ende onverdouwelicken kost, te weten esels vleesch, hadde bestaen te eten. De 1735 siecke, des verwondert zijnde, seyde, dat de doctor geheel van den wegh was want (seyde hy) ick en hebbe in acht dagen en langer geen esel gesien, ten ware mijn heere den doctor. De misslagh van de jongelingh quam daer uyt, dat hy den regel dien 1740 hy gehoort hadde al te breet en sonder bescheydentheyt* in ’t werck stelde. En voor u, lieve Philogame, staet te letten, dat ghy niet in gelijcke dwalingen en valt.

Phi. Is daer voor te vreesen Sophronisçe? Ghy 1745 hebt my verklaert dat veel gheleerde medeçijnen vast stellen, dat indien op den naem van eenigh persoon de pols van een jonge juffer, en oock haer wesen, seer verandert, dat daer uyt vastelick te besluyten is datse van desselfs liefde bevangen is. 1750

Soph. Maer of het gebeurde dat yemant een jonge deerne onteert, en haer daer na verlaten, ofte andere schamperheyt* aengedaen hadde, ende dat sy daer uyt in quellinge zijnde gevallen, een doctor (als ghy) haer daer op quame te besoucken, en dat de selve 1755 sprekende van den voorsz. persoon, gevoelde de slagh-ader van de voorsz. jonghe deerne heftiger slaen, als te voren; soude hy niet een grooten misslagh doen daer uyt te besluyten, dat sulcx uyt liefde geschiede, daer het uyt het tegen-deel, dat is, uyt louteren 1760 haet, syn oorspronck soude hebben? ’T is seker, dat jae. Want dewijle het voren is vast gestelt, datter geen bescheyden* en eygen beweginge in de slagh-ader te vinden is die juyst alleen past op de minne-sieckte, en dat daerom met omsichtigheyt en 1765 vernuft alle omstandigheden moeten werden overwogen, eer men yet sulcx besluyten kan, soo siet ghy wel hoe los* u op-genomen* kunste gaet.

Phi. Ick sie wel ghy sout my geerne wederom van ’t stuck leyden; maer ick en meyn het daer by 1770 niet te laten, maer moet het vogeltjen (soo men seyt) onder de steert sien, en dan dagh en raet.* Maer wat is u gevoelen, of men uyt yemants hant ofte andere leden, uyt de strepen en linien van de selve, yet sulcx ofte andere saken, rakende yemants innerlicken 1775 aert, nae de kunste kan uyt-vinden? en of het een Christen geoorloft is syn handen te laten sien om eenige voorsegginge in ’t stuck van syn houwelick daer uyt te mogen verstaen*? of dat hy andere middelen vermagh te gebruycken, om van 1780 toekomende dingen de uyt-komste te weten? Mart. Delrio disq. Mag. lib. 4. cap. 5. Hier op wat berichts, weerde Sophronisçe.

Soph. Wat het eerste aengaet, ick weet datter geleerde gevonden werden die hier van groot werck 1785 maken*, en dese kunste (indiense weerdigh is soo genaemt te werden) oock met de schrifture willen bevestigen, daer toe treckende de plaetsen Iob. 37. 7. mitsgaders Exod. 13. 9. Dan de oversettinge van Hieronymus* spreeckt hier klaerder af als de onse 1790 doet, en dient daerom na-gesien. Even-wel Monsr. Pasquier° de recher. de Franc. lib. 17. cap. 39. verhaelt eenige sonderlinge dingen van dese gelegentheyt. Doch wat my aengaet (uyt-genomen alleen het gene dat in dese gelegentheyt uyt natuerlicke redenen duydelick 1795 kan besloten en bevestight werden) soo meyne ick dattet° al beuselingen zijn, daer ick geen tijt in en soude willen besteden, als alleenlick om de ydelheyt* van de menschelicke verstanden daer in te bemercken: anders* weet ick dat onder dit bejagh quade 1800 kunsten worden gepleeght, en daerom en wil ick niemant raden sich hier toe te begeven.

Phi. Maer sout ghy dan geheelick verstaen te verwerpen de kunste van Phisiognomie, dat is, de wetenschap om uyt het wesen, gestalte, ofte gelaet 1805 van een mensche, syn innerlicken aert te kennen? daer nochtans verscheyde wijse lieden veel van zijn houdende*°, daer oock d’ervarentheyt* vry wat van getuygen kan.

Soph. Dat is een geheel ander werck, als het 1810 gene waer van wy nu gesproken hebben, en ick en ben jegenwoordelick* niet gesint om in het ondersouck van het selve te treden. Maer in plaetse van sulcx 4 soo hebbe ick juyst hier nu by my een bysonder trougeval van onsen tijt, my onlanghs by een vrient 1815 ter hant gestelt, daer in te sien is datter lieden zijn die alleen op het gevoelen van de uyterlicke gestalte des lichaems, selfs sonder behulp van oogen, een vrouwe weten te verkiesen. . . . . . . . . . . . . . . .

[Onderhand Philogamus dit geval “bij hem selven” overleest, 1820 gaat Sophroniscus zijn zaken doen bij een vriend in de buurt. Het verhaal “Liefde sonder sien verweckt, en schoonheyt blindelinghs verkoren” (door Cats hier ingelast) is nauweliks uitgelezen of Sophroniscus is reeds terug, en vervolgt:] 1825

Wel aen dan, wat uwe vordere vrage belanght; te weten, of het geoorloft is op de uyt-komste van 5 toekomende dingen ondersouck te doen, en tot dien eynde aen waerseggers ofte hant-kijcksters raet te vragen, daer op segh ick rondelick, dat neen. Ick 1830 stae u toe* dat wijse en kloucke mannen, uyt ervarentheyt met lanckheyt van tijde* verkregen, door voor-teyckenen ende sonderlinge op-merckinge yet wes in dese gelegentheyt vermogen. Maer sulcx by spokers*, toovenaers, waer-seggers, of diergelijcken 1835 slagh van volck te willen gaen onder-vragen, is beyde by Goddelicke en menschelicke wetten opentlick verboden. Gods woort spreeckt klaer Deut. 18. De gemeene Rechten* van gelijcke: ende de redenen zijn, vermits het volck lichtelick door dusdanige 1840 voor-segginge gaende* wert gemaeckt, ende tot nieuwigheyt genegen zynde tot onruste van de staet wert gedreven. Doch soo ghy meer hier van begeert te lesen, soo siet Lips. in Exemplis & Monitis Polit. cap. 4. quæst. liceatne in eventus inquirere. 1845

Phi. Maer het bysonderste dat uyt dese gheschiedenisse in bedencken behoort te komen, is de vraghe, of yemant behoort, ofte vermagh een houwelick aen te gaen met wilde, woeste, ende rauwe menschen, ofte 6 met de gene die buyten het verbont wesende, afghesondert 1850 zijn van het ware Christelick geloove.* Op dit gewichtigh point u oordeel, weerde man.

Soph. Ick en wil my geensins ontrecken, goede jongelingh, hier op myn gevoelen rondelick te verklaren, alsoo het selve onder al dat wy te samen 1855 gesproken hebben als een hooft-stuck* behoort gerekent te werden. Ick segge daerom, nademael dat het houwelick is een onverbroken* bant, ende dat niet alleen de menschen, maer oock God door het selve kinderen werden verweckt: dat mede selfs de 1860 onderlinge verbintenisse tusschen den Heere Christum ende de Kercke, mitsgaders alle geloovige zielen, door het houwelick wert af-gebeelt;* soo moet noodelick* des Heeren mont in die gelegentheyt niet alleenlick om raet werden gevraeght, maer behoort oock 1865 de selve raet volkomelick te werden gevolght, ten eynde Godes vrede ons mochte by-woonen in onse huyshoudinge. ’T is nu kennelick dat in Godes woort (1. Corint. 7.) klaerlick wert bevonden ons te zijn bevolen te trouwen in den Heere: dat is, in de vreese 1870 des Heeren, ende volgens desselfs in-settinge: gelijck by het selve mede geboden wert geen jock te trecken* met den ongeloovigen, dewijle het licht met de duysternisse niet gemeens en heeft, noch Christus met Belial 2. Corint. 6. 14.15. Maer hoe kan yemant in den 1875 Heere geseyt werden te trouwen, die met syn trouwen selfs toont dat hy een verachter Gods is, ende als tot syne vyanden over-gaet? voorwaer indien men op eenige gelijckheyt in de saken van trouwen behoort te letten, de gelijckheyt in het stuck van den 1880 Gods-dienst is verre boven al te wegen, sonder eenigheyt in de welcke geen soetigheyt, ware vreughde, of vrede tusschen de getroude en is te verhopen*, geen over-een-komste in ’t op-voeden van de kinderen, maer dagelicx stoffe tot onruste ende oneenigheyt; 1885 alsoo dwalingen en waerheyt met den anderen* als erf-vyanden zijn, en staegh onderlinge gewoon zijn te worstelen; (Licet vir non oderit uxorem, error tamen odit veritatem. Salvianus.)* en in dien gevalle siet men dat den haet van de sake op de personen 1890 selfs koomt te vallen, dewijle elck het syne pooght voor te spreken. Arnis eus de jur. connub cap. 6. sect. 5. Heeft men niet gesien dat in dusdanige houwelicken de vrouwen zijn af-geraden geweest van de houwelickse gemeenschap met haren man te plegen, 1895 als aen de selve onreyn ende niet geoorloft zijnde? en dat de vrouwen oock sulcx in ’t werck hebben gepooght te stellen? en hoe kan in soodanigen huys-houdinge een kleyne kercke door gemeene gebeden en het lesen van Gods woort gehouden werden, gelijck 1900 sulcx onder de Christenen betaemt, en van Paulus in ’t huys van Philemon wert gepresen?* en hoe kan doch soodanigen houwelick (tot troost van de gehouden) geseyt werden te wesen een beelt en gelijckenisse van het verbont met den Salighmaker? 1905 (Molin au Traicté des Mariages illicites.) sekerlick in geender manieren. Ick segge daerom, indien yemant van edelen huyse wesende sigh tot kleynheyt* toerekent, indien men hem een houwelick soude vergen beneden de weerdigheyt van syn geslachte, dat des 1910 te meer in desen gevalle behoort in achtinge te komen, dat men dien geestelicken adel in de gemeenschap der heyligen niet en verkorte.

Phi. Ick bevinde uwe redenen van gewichte te wesen, weerde Sophronisçe; maer hoort men niet 1915 sodanigen houwelick goet te vinden, immers* te lijden, op hope dat een woest* en ongeloovigh mensche, door syn partuyr* tot sedigheyt* en tot het geloove sal werden gebracht, en datter alsoo winste van een ziele sal gedaen mogen werden?* 1920

Soph. Dit wort veel tot verschooninge van dusdanige houwelicken by gebracht, lieve Philogame: Maer segh my doch een reys, plagh men wel een houwelick aen te gaen met yemant die kael en beroyt is, op hope dat hy wel eens rijck soude mogen 1925 werden?

Phi. Neen sekerlick, weerde Sophronisçe, de lieden gelooven in dien deele datse sien en tasten, en anders niet: de hope wert maer waen geacht in dese gelegentheyt. men moet hier vry al vaster gaen. 1930

Soph. Wel indien men op hope van toekomenden tijdelicken rijckdom geen houwelick en wil gronden, naer onse maniere van leven; dient men dan wel sulcx te doen op hope van dien onwaerdeerlicken rijckdom in ’t geestelicke? 1935

Phi. Ick was daer gevat, weerde Sophronisçe, eer ick ’t recht gewaer wert. En, om de waerheyt te seggen, my dunckt dat uwe redenen al vry wat slots hebben.* Maer onderentusschen soude ick misschien wel by exempelen konnen bewijsen, dat de 1940 man het wijf, ende het wijf den man tot den waren geloove eyndelick heeft gebracht; het welck dan nootsakelick een groot vernugen*° moet geven ter wederzijden.

Soph. Ick en wil niet ontkennen, weerde Philogame, 1945 sulcx niet somwijlen geschiet te zijn, maer als het gebeurt soo doet God even het selve dat hy in de eerste scheppinge* gedaen heeft, treckende het licht uyt de duysternisse. Maar hier tegen is te bedencken, dat niet eenige voor-vallende saken, die somwijlen 1950 eens gebeuren, maer Gods gebodt een regel moet wesen van ons bedrijf. Het quaet en is niet te doen op datter goet van kome; en wat segen Gods heeft die te verwachten die Godes raet niet en volght? Waer by ick dan noch vrage, nademael het quaet 1955 (God betert) soo vruchtbaer is, als de ervarentheyt leert; of het niet te vreesen en staet, dat de geloovige van de ongeloovige eer beschadight soude mogen werden, als dat de ongeloovige door den geloovigen soude werden gebetert? Is sulcx niet gebeurt 1960 den wijsen ende machtigen koningh Salomon? (1. Reg. 11.) ghy weet dat wel, jongelingh, en wat sal dan gemeene* ende geringe verstanden niet konnen over-komen? De eerste eertzvaders die om hare uyt-nementheyts wille kinderen Gods van* Moyses genaemt 1965 waren, siende de dochteren der menschen datse schoon waren, onderstonden die ten wijve te nemen (Genes. 6. 3) en zijn alsoo vleeselick, ja vleesch geworden, en hebben na hen getogen den onder-ganck van den geheelen aert-bodem. En Iacob, die groote 1970 helt en Gods worstelaer, hebbende getrout de dochters Laban°, heeft hy niet gewaer geworden dat een deel van de afgoderije van de selve de syne heeft aengekleeft? Gen. 35. 4.

Phi. Ick vernoughe my uwer° redenen, weerde 1975 Sophronisçe, en ’tis (mijns oordeels) onnoodigh hier toe meer te seggen: het out spreeck-woort is hier en elders niet dan al te waerachtigh.

’T nachtegaeltjen op de peul 1980Dat vermagh te bijster veul.

Efficaces preces mulierum.*

Ick daerom uwe aen-merckinge op mijne gedaene vrage vast stellende*, sal u des ten hooghsten bedancken, en de selve in mijn boesem op-schrijven, ende door Godes genade sien in ’t werck te stellen. 1985

Illustration from Spaens Heydinnetie

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings