V. Schaamte.
Reading edition
De welopgevoede Europeesche mensch schaamt zich zijn naaktheid. Tegenover de logica en tegenover de natuur is die schaamte onredelijk, even onredelijk als de angst en de afschuw dien de menschen koesteren voor een geraamte, terwijl zij toch weten dat zij zelf zulk een geraamte in zich omdragen. Toch schijnt zij als een neiging in de ziel van ieder mensch te zijn gelegd en doet zij zich gelden met een kracht, die soms de kracht der zinnelijkheid zelf schijnt te overtreffen.
Waarom schamen wij ons?
Niet om daarin een soort beveiliging te vinden tegen de macht der zinnelijkheid, maar om ons nog machteloozer tegenover deze natuurdrift te maken! Ook het sexueele schaamtegevoel staat in directen dienst der zinnelijkheid. Het is in ons de verraderlijke bondgenoot van de andere sexe. De schaamte prikkelt en onderhoudt de zinnelijkheid. Het is hier weer hetzelfde spel van schijn en wezen, dat het geheele sexueele zijn van den mensch omgeeft, en dat er naar streeft steeds den schijn te wekken van het tegenovergestelde der werkelijkheid.
“Het eerste wat men de vrouwen geleerd heeft, zegt Diderot (Sur les femmes) is: het vijgenblad, dat haar oudste stammoeder haar heeft nagelaten, smaakvol en coquet te dragen. Alles wat zij de eerste kinderjaren te hooren krijgt komt neer op de vermaning: Mijn dochter, let toch op je vijgenblad! Je vijgenblad zit goed, je vijgenblad zit slecht.”

Het oordeel van Paris.
Schoonheidsidealen der 15e eeuw. Naar de schilderij van Nikolaus Manuel gezegd Deutsch (1484–1530), Stedelijk Museum, Bazel.
Photo Hanfstaengl, München.
Volgens Debay (Physiologie des trente beautés de la femme) is het schaamtegevoel een natuurlijk instinct van de vrouw, dat haar zoeken doet naar middelen om de teugellooze begeerte van den man van haar af te leiden. Debay heeft hier zeer kernachtig het tegenovergestelde van de werkelijkheid geformuleerd!
Het geldt bij het geheele blanke menschenras als iets vanzelfsprekends, dat beide geslachten buitenshuis alleen gezicht, hals en handen onbedekt laten, al het overige wordt met kleederen aan het gezicht onttrokken en wie meer laat zien doet iets onbetamelijks en onfatsoenlijks. Diezelfde menschen, die hun eigen en anderer naakt lichaam onfatsoenlijk vinden, bewonderen het naakte lichaam in de kunst. En ook schaamt men zich niet voor zijn naaktheid als men alleen is. Uit een en ander schijnt reeds te blijken, dat de schaamte met de naaktheid op zichzelf niets uitstaande heeft.
Waar in dit hoofdstuk het woord schaamte wordt gebezigd, wordt het steeds bedoeld in zijn beteekenis van naaktheidsschaamte. Het woord schaamte toch duidt een heele reeks zeer uiteenloopende gewaarwordingen aan.
De schaamte in dezen zin is een dier vele schijnbare tegenstrijdigheden, zooals het sexueele leven van den mensch er zoovele te zien geeft. Het is een uiterst veranderlijke, ten volle individueele gewaarwording, die met naaktheid en zedelijkheid niets gemeens heeft. Men kan naakt gaan zonder begrip te hebben van schaamte daarvoor. Het is geheel iets anders, of een Europeesch philosoof dan wel een inboorling van Brazilië of van den Bismarck-Archipel zijn naaktheid toont. De naaktheid is het niet die van nature het schaamgevoel kwetst, zoo min bij de nog op primitieven trap van beschaving staande volken als bij onze Europeesche kinderen in de eerste levensjaren.
De oorsprong van het schaamtegevoel is gelegen in de natuurlijke neiging van het vrouwtje om voor den blik van het mannetje hare geslachtskenmerken te verbergen, nu eens om zich voor een ongewenschte benadering te beschermen, dan weer om de begeerte sterker te prikkelen of uit vrees afkeer en walging op te wekken. Het verborgene trekt sterker aan dan het zichtbare, het onbekende prikkelt de nieuwsgierigheid, terwijl het bekende onverschillig laat. In deze zucht tot verbergen heeft zoodoende de Natuur de vrouw van een zinnelijk machtsmiddel temeer tegenover den man voorzien. En de vrouw heeft ten allen tijde van dit machtsmiddel een ruim gebruik gemaakt. Door het hanteeren van het wapen der dusgenaamde schaamte heeft de vrouw het vermogen meer en langer interessant te zijn voor de mannelijke zinnelijkheid, en deze op te voeren tot de gewenschte hoogte, dan van eenvoudige naaktheid redelijkerwijze ware te verwachten. En gelijk in de natuur neigingen zoowel als organen meerdere functiën vervullen, zoo ook met het sexueele schaamtegevoel: het werpt hinderpalen en beletselen op tegen te groote agressiviteit van den man, en werkt als stimulans bij te geringe agressiviteit van den man.
Algemeen zijn physiologen zoowel als psychologen het er over eens, dat het schaamtegevoel geen oorspronkelijk instinct bij den mensch is, maar een verworven eigenschap. Daarvoor pleit ten eerste het verschijnsel, dat het schaamtegevoel zich onder de menschen in alle denkbare richtingen heeft ontwikkeld, zoodat de manieren waarop, of juister nog, de lichaamsdeelen waarvoor men zich schaamt, zeer verschillend zijn. Er is nauwelijks een lichaamsdeel op te noemen, waarop niet hier of daar in de wereld het schaamtegevoel zich heeft neergezet. Een natuurlijk instinct nu is niet zoo verplaatsbaar. Een tweede bewijs tegen het aangeboren zijn van het schaamtegevoel is het volkomen ontbreken daarvan bij jonge kinderen. Het kind, dat nog vrij is van de sexueele zinnelijkheid, kent de schaamte niet. Eerst met het ontwaken van de zinnelijkheid, ontwaakt ook de schaamte. Bij ieder menschelijk wezen herhaalt zich zoo de Paradijslegende—de zinnelijkheid roept de schaamte voor de naaktheid wakker.
De natuur is altijd naakt, de onschuld is het evenzeer; bij ieder vergrijp jegens de natuur en bij iedere ontwijding der onschuld werpt de mensch het beeld der liefde nieuwe hulsels om de schouders, zegt Mantegazza.

43. De Naakte Maja.
Naar de schilderij van Francesco Goya y Lucientes (1746–1828), Prado-Museum, Madrid.
Photo Bruckmann, München.
En als met de intrede der geslachtelijke rijpheid het schaamtegevoel zich doet gelden, dan schaamt het kind zich juist precies voor dezelfde lichaamsdeelen als waarvoor het zijn omgeving zich ziet schamen. Evenals het kind moet leeren spreken, moet het zich leeren schamen en het komt daarin onder gewone omstandigheden nooit buiten de desbetreffende opvattingen van zijn naaste omgeving. Zoo kan men evenals van een moedertaal ook spreken van een moederschaamte en even verschillend als de talen is ook het schaamtegevoel.
Schaamte is in hinderlaag liggende zinnelijkheid. Zij staat in directen dienst van de zinnelijke lokking. Als zoodanig is zij het sterkst ontwikkeld bij de vrouwelijke sexe, wier rol in het sexueele leven juist bestaat in aanlokken. De pure naaktheid lokt minder dan de zich beschaamd verbergende naaktheid. Omdat schaamte ten slotte hierop uitloopt, dat zij de vrouw begeerlijker maakt, daarom zorgt de vrouw onmiddellijk bij het tot rijpheid komen, dat zij zich schaamt, naar dit in haar omgeving betaamt, nooit anders. Die schaamte geldt dan altijd in de allereerste plaats lichaamsdeelen, die op de mannelijke omgeving de sterkste erotische aantrekking blijken uit te oefenen. Waar dit de voet is, daar zit de schaamte in den voet, waar het ʼt aangezicht is, daar zit de schaamte in het aangezicht, en zoo voort. De vrouwelijke schaamte gaat op en neer met de mannelijke zinnelijkheid. Waar de schaamte haar doel voorbij schiet, d.w.z. als zij zoo goed slaagt in haar wel schijnbaar, maar niet werkelijk beoogd doel: het erotisch offensief der mannen te keeren—daar wordt zij onmiddellijk gecorrigeerd en in de gewenschte richting gewijzigd en men haast zich het zoo schaamachtig verborgene desnoods openlijk aan de blikken prijs te geven. Wat het sterkst de mannelijke zinnelijkheid prikkelt, dat wordt bewust of onbewust als regel toegepast. Is dit de ingetogen schaamte, dan schaamt men zich ingetogen; wordt met luchtige opvattingen meer effect verkregen, dan worden die luchtige opvattingen gehuldigd. De schaamte is grootendeels modezaak en het is dan ook de mode die uitmaakt hoe en waarvoor men zich schamen moet. Blijkbaar denken ook de vrouwen er zelf ongeveer zoo over. “De reden, waarom de menschen zich hun naaktheid schamen,” zegt Marie Bashkirtseff in haar Journaal, “is deze, dat zij hun kleine gebreken kennen. Was men er zeker van, geen vlekje op de huid noch een slechtgevormde spier of een misvormden voet te hebben, dan zou men zonder zich te schamen, naakt loopen. Men geeft zich hiervan geen voldoende rekenschap, en toch is dit en niets anders de oorzaak van onze schaamachtigheid. Hoe zou men ook kunnen aarzelen iets werkelijk schoons, iets waarop men trotsch kan zijn, te vertoonen? Wie heeft ooit sinds den tijd van koning Candaules, die zijn gasten met de onverhulde heerlijkheid zijner schoone vrouw verrukte, een schat of schoonheid bezeten en zich daarop niet beroemd? Even licht als men tevreden is met zijn aangezicht, even angstvallig en behoedzaam is men ten opzichte van de gebreken van het overig lichaam. Wie zich volmaakt weet kent de schaamte niet, de schoonheid is almachtig, ook tegenover de schaamte. Schaamte is vrees voor kritiek op de schoonheid van het lichaam.”
De sexueele schaamte is een erotisch lokmiddel. Dit lokmiddel is als zoodanig oorspronkelijk alleen der vrouw eigen en bij haar een natuurlijke neiging. Het ligt geheel in de lijn van de vrouwelijke rol in het geslachtsleven, die in schijnbaar afweren bij werkelijk lokken bestaat. Ook thans nog is het sexueele schaamtegevoel sterker ontwikkeld bij de vrouw dan bij den man. In den loop der tijden is de schaamte tot gewoonte geworden, een gewoonte zoo sterk, dat zij zich ook nog doet gelden in die momenten, waarin zij het minst op haar plaats lijkt. In de sexueele zeden en de sexueele moraal neemt deze gewoonte gewoonlijk het karakter aan van een deugd, waardoor haar voortbestaan ook van dien kant voldoende is gewaarborgd.
Naaktheid wordt door natuurvolken nimmer als naaktheid gevoeld, zij weten niet dat zij naakt gaan; bij hen is de naaktheid natuurlijk en schaamte daarvoor is hun onbekend. Eerst als men het bekleeden van het lichaam heeft leeren kennen, ontstaat de schaamte over naaktheid. Waar naaktheid gewoonte is, werkt zij niet erotisch. Waar bekleeding gewoonte is, werkt reeds de minste ontblooting in hooge mate erotisch. En de bekleeding zelf werkt ook erotisch. Waar dit wordt ontdekt of begrepen, daar begint men zich onmiddellijk te gewennen aan kleeding en kiest terstond het dubbele erotische voordeel der kleeding boven de naaktheid.
Men schuwt derhalve in beginsel de naaktheid niet uit schaamte, maar wijl daarvan onvoldoende erotische aantrekking uitgaat. Men grijpt naar kleeding niet uit schaamte voor de naaktheid, maar om de naaktheid begeerlijker te houden.
Er is allerlei naaktheid: de nooit bekleed zijnde of natuurlijke naaktheid en de ontbloote of zinnelijke naaktheid. Verder nog artistieke naaktheid, die welke de kunst phantaseert.
Aangezien de rol der vrouw in het liefdeleven bestaat in het passief uitoefenen van erotische aantrekking op de andere sexe, is de kleeding voor het vrouwelijk geslacht in meerdere mate een erotische kwestie dan voor den man, wiens rol van actieven aard is. Overal en ten allen tijde interesseert dan ook de vrouw zich veel meer voor kleeding dan de man. De hartstocht der vrouw voor kleeding is daarom, zij het veelal onbewust, van zinnelijken aard. Door haar kleeding verhoogt zij hare zinnelijke aantrekkingskracht, terwijl de natuurlijke zinnelijke bekoring der naaktheid er eveneens door verhoogd wordt. Ook als zoodanig vervult het sexueele schaamtegevoel getrouw zijn dubbele functie—het is tegelijkertijd het buitenste bolwerk der bedreigde kuischheid, en de uiterste voorpost in het gebied van de tegenpartij.
Het schaamtegevoel brengt er toe de naaktheid te bedekken. Daardoor ontneemt het echter aan de naaktheid niet haar zinnelijke bekoring, maar onderhoudt die juist. De gewoonte, naaktheid te zien, verstompt zeer snel voor den zinnelijken prikkel daarvan. Door het schaamtegevoel blijft dus de zinnelijke bekoring van de naaktheid behouden.

De Wijsheid.
Schoonheidsideaal der 15e eeuw. Naar de schilderij van Hans Baldung Grien (1480–1545), Alte Pinakothek, München.
Photo Bruckmann. München.
Het schaamtegevoel doet tevens voorwendsels aan de hand, om de natuurlijke zinnelijke bekoring van het lichaam tot in het onbegrensde te verhoogen. En wel door de kleeding. De kleeding, schijnbaar het middel om de naaktheid te bedekken, staat in werkelijkheid geheel en al in dienst der zinnelijke lokking, en vervult die rol onberekenbaar beter, zekerder en aanhoudender, dan de bloote naaktheid zou kunnen. Het schaamtegevoel, dat gebiedt de naaktheid te bedekken, stelt daarmee tevens instaat, de gebreken dier naaktheid te verbergen, de werkelijkheid te corrigeeren, omtrent die werkelijkheid in elke gewenschte richting volkomen om den tuin te leiden, al wat de zinnelijkheid maar verlangen kan te fingeeren.
Zoo bezit speciaal de vrouw in het schaamtegevoel het voorwendsel om zich met alle ten dienste staande middelen begeerlijker te maken. Zoodoende dient haar het schaamtegevoel niet om het andere geslacht op kuischen afstand te houden en de gevaarlijke aandacht der licht ontvlambare zinnelijkheid van het andere geslacht af te leiden, maar juist om de phantasie van de andere sexe te prikkelen en nieuwsgierigheid op te wekken naar het schijnbaar zoo angstvallig verborgene.
De schaamte prikkelt de zinnelijkheid ook door de aarzeling, die zij bij het verleenen van de eerste tot de laatste gunst doet betoonen. Het is toch het eigenaardige in het wezen van het geslachtsleven, dat elk beletsel, elk uitstel, iedere tegenstand de begeerte verhoogt en versterkt. De geslachtslust vereischt voor zijn bevrediging, zelfs dat aanvankelijk de bevrediging hopeloos schijnt. Alleen wanneer de voldoening stap voor stap nader komt, en de vesting stelling na stelling onder allerlei moeielijkheden wordt genomen, waarbij de eindoverwinning lang onzeker blijft, alleen dan wordt de eindelijke zege zoo genoten dat zij bevrediging schenkt. Naarmate de citadel gemakkelijker capituleert, wordt de overwinning minder op prijs gesteld. En tot dit gansche spel van zich stap voor stap en van gunst tot gunst te laten veroveren, wordt de passieve partij voor een groot gedeelte in staat, gesteld door het schaamtegevoel, dat aan dit spel tevens de natuurlijkheid verleent, die het effect ervan nog verhoogt.
Schrijvers als Bachofen en anderen hebben uit de geschriften der klassieke oudheid een menigte mededeelingen verzameld, waaruit blijkt, dat bij tal van volken de geslachtelijke schaamte zich zelfs niet uitstrekte tot de handeling der geslachtsgemeenschap. Wij leeren daaruit volken kennen, die reeds een zekere mate van beschaving bezaten, en wier sexueele zeden op volgens onze begrippen nog zoo lagen trap stonden, dat zij in het openbaar en voor aller oogen geslachtsgemeenschap hadden. Zenobius verhaalt, dat de Berg-Massageten het iets heel gewoons vonden, op de publieke straat geslachtsgemeenschap te hebben. Strabo en Herodotus vermelden hetzelfde van andere Tartaarsche rassen. Apollonius, Xenophon en Diodorus hebben zulke zeden waargenomen bij de bergbevolking ter zuidkust van de Zwarte Zee. Wij mogen hieruit besluiten, dat er menschenmaatschappijen hebben bestaan, in wier beschaving schaamtegevoel voor sexueele dingen onbekend was.
De schaamte heeft ook nog een anderen psychologischen ondergrond, ten minste bij den geciviliseerden mensch. Deze schaamt zich min of meer voor zijn geslachtelijke neigingen, wijl ze weinig in overeenstemming schijnen met zijn bewustzijn van waardigheid en superieuriteit. Het zwichten voor de zinnelijkheid schokt het met zooveel zorg gekweekte besef van verre verheven te zijn boven den “alledaagschen” mensch. Het zich vatbaar weten voor de paardrift brengt den eigenwaan aan het wankelen, want het dwingt tot de vernederende erkenning dat men zich trots alle zelfverheffing nog evenmin als wie ook heeft kunnen emancipeeren van de dierlijkheid. De maskers der beschaving en der inbeelding vallen af, de gedroomde meerderwaardigheid blijkt denkbeeldig; men blijkt nog altijd evenzeer dier te zijn als wie ook onder de verachten uit de omgeving. En dit alles wekt bij den geciviliseerden mensch een gevoel van vernedering en van schaamte tegenover zichzelven en tegenover anderen. Men voelt zijn waardigheid wankelen onder het besef dat men zwak is, hoe sterk men ook moge schijnen; dat men willoos tegenover de begeerte het andere geslacht naloopt, terwijl men den schijn aanneemt zooiets beneden zich te achten; dat men in het openbaar van esthetiek spreekt en van zelfbeheersching en zelfbedwang en deze in het geheim in het gezicht slaat. Nergens zoozeer als op het gebied der zinnelijkheid wordt de mensch, wat hij zich ook inbeeldt, zoo vernederend met den neus neergedrukt op het feit van zijn zwakte tegenover de natuur. Op geen enkel ander gebied drijft de natuur zoo den spot met ʼs menschen hoogmoed en trots, en wordt zijn fierheid ieder oogenblik zoozeer geknakt en verootmoedigd. Op geen ander gebied bevindt de mensch zich zoozeer een willoos werk- en speeltuig van redelooze natuurkrachten. En zelfs al slaagde hij erin, deze voor een tijd of voor altijd te overwinnen, dan zou hij wel iets hebben verloren, maar niet iets hebben gewonnen.

44. Typische Stand eener ontkleede Europeesche.
Dr. G.H. Stratz, “Die Frauenkleidung”.
Al deze overwegingen kunnen tot een zekeren afkeer van de geslachtelijke dingen leiden, tot minachting en tot schaamte over het feit, dat men niettemin dat verachte niet missen kan en niet missen wil, dat men doet wat men niet zou willen doen en evenmin zou willen laten, en dat men ten slotte evenzeer als het dier zijn schatting betaalt aan de natuur die in haar eischen geen verschil kent tusschen den mensch en het dier, en den mensch alleen den schralen troost laat van de mogelijkheid, bedoelde schatting te betalen in het geheim.
Een ander merkwaardig verschijnsel bij het schaamtegevoel is de zeer verschillende localisatie van zijn hoofdzetel. Geen neiging is aan het lichaam zoo verplaatsbaar als de schaamte, geen aandrift kiest zich zoo grillig zijn zitplaats als deze.
Het schaamtegevoel toch heeft volstrekt niet zijn zetel in de eigenlijke erotische sferen van het lichaam. De Mohammedaansche vrouw schaamt zich vooral voor haar aangezicht. In ongekleeden staat verrast is zij er alleen op bedacht haar aangezicht te verbergen. En zoo vertoont het schaamtegevoel naar tijd, ras en zeden, de zonderlingste wisselingen en ook daaruit blijkt dat het geen natuurlijk instinct is, maar een uitvloeisel van zede, gewoonte en opvoeding. De plaats aan het lichaam, waar de schaamte haar hoofdzetel heeft, is louter een kwestie van mode. Een absoluut schaamtegevoel bestaat niet, het is veranderlijk en van allerlei invloeden afhankelijk.

45. Verlegenheid der Schaamte bij een Europeesche.
Dr. C.H. Stratz, “Die Frauenkleidung”.
In vele streken was of is het schaamtegevoel bijvoorbeeld gelocaliseerd op den voet. De ontblooting van den voet gold daar voor de vrouw als iets, wat de grenzen der coquetterie overschreed, dus als onfatsoenlijk en onbetamelijk. Wijl het schaamtegevoel altijd zetelt aan gedeelten van het lichaam waarvan sterke erotische bekoring uitgaat, of waaraan tenminste bijzondere erotische beteekenis wordt gehecht, mag men aannemen, dat daar, waar het schaamtegevoel der vrouw was neergestreken op den voet, de mannen op een óf anderen grond zich speciaal erotisch bezighielden met den voet. Wat toch voor de eene sexe erotische bekoring heeft, wordt door de andere sexe onmiddellijk schaamachtig verborgen gehouden. Vermoedelijk heeft men bij deze erotische belangstelling voor den voet der vrouw te doen met een verschijnsel van masochistisch servilisme, d.i. erotisch genieten in zelfvernedering voor de vrouw. En de vrouw, als gewoonlijk zonder zich al te veel rekenschap te geven van het wezen van het verschijnsel, was er met des te meer ijver op bedacht, het erotisch te exploiteeren. Men schaamde zich voor den voet minstens even sterk als voor de geheimste verborgenheden der genitale sferen. De coquetteerende voet werd zorgvuldig bekleed en verborgen gehouden en kwam slechts als bijzondere gunst uit zijn schuilhoek te voorschijn.
De galante abbé Brantôme bericht: “In den vroegeren tijd had een mooie voet zooveel verleidelijks, dat kuische Romeinsche vrouwen en allen die kuisch wilden schijnen, beschroomd waren, hem openlijk den blikken prijs te geven, zoodat zij hem zooveel zij konden onder haar lang kleed verborgen hielden, waardoor haar gang zoo terughoudend en afgemeten was, dat hij nooit onder het kleed zichtbaar werd; en ook thans nog doen in navolging van dien ouden tijd desgelijks nog in Italië vele vrouwen”. Gravin dʼAulnoy deelt van de Spaansche vrouwen der 17e eeuw mede: “Hare rokken zijn van voren en aan de zijden zoo lang, dat zij slepen, van achteren echter slepen zij niet. Zij dragen ze tot op den grond reikend, zoodat ze er bij het loopen op trappen, opdat men hare voeten niet zien kan, want deze lichaamsdeelen zoeken zij op het zorgvuldigst te verbergen. Naar ik verneem komt een dame eerst dan, als zij een heer reeds alle mogelijke tegemoetkomingen heeft betoond, er toe hem haar voet te toonen, als uiterste blijk van haar genegenheid; dit noemt men hier (in Spanje) de laatste gunst der liefde. Men moet toegeven, dat niemand zulke snoezige voetjes heeft, haar schoentjes zijn niet grooter dan onze poppenschoentjes. Die schoentjes zijn van kleurig marroquin, zonder hak, en omsluiten den voet even nauw als een handschoen. Als zij loopen, schijnt het of zij zweven; in geen eeuw zouden wij Françaises die manier van loopen kunnen leeren”. Deze zelfde gravin vertelt ook, dat zij eens een voorname dame bezocht, die nog te bed lag, en alvorens op te staan, haar verzocht de deur af te sluiten, om verzekerd te zijn niet te worden verrast op bloote voeten.
Een Duitsch auteur der 18de eeuw schrijft hieromtrent: “Zoo vrijgevig de Spaanschen waren met het exposeeren van de schoonheden van het bovendeel van haar lichaam, zoo angstvallig verborgen zij de onderste uiteinden. Eerbare vrouwen hielden haar beenen en voeten voor zoo ongenaakbaar en heilig, dat zij liever haar leven zouden gelaten hebben dan ze prijs te geven aan de blikken van een vreemd manspersoon. Opdat de voet nooit door een spiedenden blik kon worden ontwijd, droegen de Spaanschen een kleed dat zoo lang was, dat de voeten bij het loopen steeds geheel onzichtbaar bleven. Behalve de uiterste gunstbewijzen, die een vrouw vermag te schenken, was dit de grootste, dat de geliefde den minnaar haar voet toonde. De voeten en beenen der koninginnen waren zoo hoogheilig, dat het reeds een misdaad was er aan te denken; men begrijpt dus wat het zou geweest zijn er van te spreken. Toen prinses Maria Anna van Oostenrijk als bruid van Philips IV naar Spanje kwam, bood men haar in een stad waar groote fabrieken van zijden kousen waren, een aantal paren der kostbaarste dameskousen aan. De majordomus der toekomstige koningin wierp ze echter met verachting van zich met den uitroep, dat een koningin van Spanje geen kousen noodig had, daar zij immers geen beenen mocht hebben. De koninklijke bruid, dit hoorende, barstte in tranen uit en gaf te kennen dat ze naar Weenen terug wilde, want dat men er haar onkundig van had gelaten, dat een koningin van Spanje de beenen moesten worden afgezet. De zaak werd haar toen duidelijk gemaakt en men verhaalde het geval aan den koning, die zich niet weerhouden kon er om te lachen—het was een der drie keeren dat hij in zijn leven gelachen heeft.”

Venus en Amor.
Vrouwelijk schoonheidsideaal der 15de eeuw. Naar de schilderij van Lucas Cranach (1472–1553), Ermitage, Petrograd.
Photo Bruckmann, München.
De geschiedenis der sexueele zeden kent ook een geval, dat de voetschaamte tengevolge heeft gehad dat van een geheel ras bij iedere vrouw de voeten van kindsbeen af volkomen worden verminkt. Dit is het geval bij de Chineezen. Deze zede is vooral in de Zuidelijke deelen van het uitgestrekte Hemelsche Rijk in zwang en inzonderheid bij de vrouwen der hoogere standen, zooals trouwens elke erotische zede het volledigst en tot haar uitersten in de hoogere kringen tot ontwikkeling kan komen—overal toch kan de vrouw haar erotische rol alleen dan ten volle vervullen, als zij niet behoeft te werken en zich kan laten bedienen. De voetverminking begint bij het vierde of het zevende levensjaar. Met verbanden worden de voeten zoo omwikkeld, dat ze bijna worden afgebonden. Daardoor wordt de groei niet alleen gestuit, maar de geheele voet schrompelt ineen tot een vormeloozen stomp. Zooveel mogelijk ontziet men daarbij den grooten teen. Hoe lang deze zede al bestaat, is niet bekend. Marco Polo en Ibn Batuta, die in de 13de en 14e eeuw China hebben bezocht, maken er met geen woord gewag van; maar volgens de Chineesche annalen is het gebruik al overoud. Waarschijnlijk is het ʼt allereerst in zwang gekomen onder de allervoornaamste vrouwen, die de reizigers natuurlijk niet te zien kregen—bij ongeciviliseerde en halfbeschaafde rassen worden de erotische pronkjuweelen altijd voor vreemdelingen angstvallig verborgen gehouden. Omtrent de bedoeling dezer verminking verkeerde men vroeger geheel en al in het onzekere. De oorzaak is natuurlijk hierin gelegen, dat de Chineezen deze, volgens onze begrippen afschuwelijke voeten, schoon vinden en de Chineesche vrouw verminkt haar voeten omdat zij daardoor over een erotisch machtsmiddel temeer beschikt.
Matignon schrijft hieromtrent in de “Archives dʼAnthropologie criminelle” (1898): “Het trok mijn aandacht, hoe groote liefhebbers de Chineezen zijn van pornografische afbeeldingen. En op ongeveer alle Chineesche pornografieën ziet men de mannelijke partij een vrouwelijken voet liefkoozen. Als een bewoner van het Hemelsche Rijk een vrouwenvoet in de hand neemt, dan is, vooral als hij bijzonder klein is, het effect hetzelfde als bij den Europeaan het betasten van een jeugdigen frisschen boezem. Alle Chineezen die ik hieromtrent ondervroeg, antwoordden mij eenstemmig: Heerlijk, een kleine voet! Jullie Europeanen kunnen niet begrijpen, hoe heerlijk, hoe verleidelijk, hoe onweerstaanbaar dat is! De aanraking van een kleinen vrouwen voet brengt den Chinees letterlijk in een erotischen roes en voert zijn zinnelijk verlangen op tot den hoogsten graad. Niet zelden klagen Chineesche christenen in de biecht over hun zwakheid tegenover de vleeschelijke bekoring, die den aanblik van vrouwenvoeten op hen uitoefent.”
Morache deelt mede, dat in China geloofd wordt, dat het verminken der voeten sterke vetafzetting aan den schaamheuvel, mons veneris, veroorzaakt; en ook aan de schaamlippen, zoodat zeer kleine voeten zeer weelderige ontwikkeling der geslachtelijke heerlijkheden aankondigt. Ook zou men in China gelooven, dat het niet kunnen loopen een verhoogden bloedsaandrang naar de schaamstreek veroorzaakt, zoodat kleine voeten het erotisch temperament en bijgevolg het vermogen geslachtsgenot te schenken, in sterke mate verhoogen. In elk geval weet men thans met volkomen zekerheid, dat de voetverminking der Chineesche vrouwen een erotischen grond heeft. Het schaamtevoel der Chineesche zetelt dan ook in hoofdzaak in haar voeten.

46. Gesluierde Turkin in Wandelcostuum.
Dr. C.H. Stratz, “Die Frauenkleidung”.
Wij hebben boven reeds gezien, dat de localisatie van het schaamtegevoel in den voet niet uitsluitend bij de Chineezen is voorgekomen, maar elders is terug te vinden. Zoo is voorheen ook in Rusland de vrouwenvoet een voorwerp van erotische aanbidding der mannen geweest. P. Jacoby verhaalt omtrent Oost-Rusland: “Op heete dagen kan men de vrouwen hier zich onbeschroomd zien bewegen met ontblooten boezem, ja zoo goed als geheel ongekleed. Maar men zal ze nooit met bloote voeten zien en ook de naaste mannelijke bloedverwanten krijgt nooit den voet en het onderdeel van den voet der vrouwen te zien. Deze vrouwen hebben haar schaamte in de voeten en ook haar coquetterie. Den voet eener vrouw te ontblooten is hier voor den man de inleiding tot het uiterste en de aanraking van de voetbekleeding veroorzaakt bij hen dezelfde gewaarwordingen als bij den Europeaan het aanraken van een van het lichaam nog warm corset. De schoonheid der vrouw concentreert zich voor deze mannen in den voet. In de minnezangen der Mordwijnen is de voet de vrouwelijke bekoorlijkheid, die het meest geprezen en het vurigst bezongen wordt. Den voet tegenover een persoon van het andere geslacht te ontblooten geldt als een hoogst ongepaste sexueele daad en is zooveel als het symbool der sexueele overgave. Daardoor is de kous en de voetbekleeding daar een zinnebeeld van het huwelijk, evenzoo als elders de trouwring. Tegenwoordig nog is er in Oost-Rusland een traditioneel lied, dat jonge meisjes zingen bij het raden naar haar toekomstigen echtgenoot. Het thema van dat liedje is: kom en trek mijn kousen uit. Bij de volken in het Russische Noorden en Oosten moet de bruid zulks in den huwelijksnacht herhaaldelijk voor den bruidegom doen, elders is het de taak van den bruidegom; en dat heeft dan niet de beteekenis van een echtelijk gunstbewijs, maar van een echtelijke ceremonie. Bij de welgestelde burgerij en den kleinen adel stoppen de ouders van een bruidspaar geld in de kousen hunner kinderen als een cadeautje voor de andere partij, waarbij dan stilzwijgend wordt aangenomen, dat de jonggetrouwden elkander de kousen uittrekken als teeken van sexueele overgave en bezitneming.”

47. Witgeschminkte Chineesche Dame.
Dr. C.H. Stratz, “Die Frauenkleidung”.
Het verminken van den voet met erotische oogmerken is ook onder de geciviliseerde volken zeer algemeen, hoewel men de zaak hier niet zoo tot het uiterste drijft als de Chineezen. Om de illusie te kunnen wekken van een kleinen voet te hebben persen ook de Europeesche vrouwen haar voeten gaarne in te nauw schoeisel. Met het gevolg, dat ook in Europa de vrouwen inplaats van fraaie, meest misvormde voeten hebben, met over elkander geschoven teenen en ontsierd door leelijke en pijnlijke eksteroogen. Vandaar schaamt ook de Europeesche vrouw zich haar voeten bloot te toonen, doch hierbij heeft men bij uitzondering te doen met schaamte die niet zinnelijke bekoring beoogt. De meeste vrouwen weten zeer wel dat zij leelijke voeten hebben; en zoo graag zij met het snoezig, bevallige laarsje coquetteeren, zoozeer schuwen zij het, den voet ontbloot te toonen. Aan badplaatsen behooren badpantoffels dan ook tot de onontbeerlijke bestanddeelen van het badtoilet. De ontgoocheling der ontblooting is wel het sterkste bij den voet.
Doordat het schaamtegevoel zich zoo verschillend uit, worden volksstammen, die zich anders schamen dan wij, veelal voorgesteld als geen schaamte te bezitten. Met dit oordeel moet men echter uiterst voorzichtig zijn. Zelfs bij natuurvolken, die nog staan op den laagsten trap van geestelijke ontwikkeling, zijn sporen van een meer of minder ontwikkeld schaamgevoel te vinden. Zeer algemeen wordt gemis van kleeding, naakt-gaan, met gebrek aan schaamtegevoel verward. De geheele of nagenoeg geheele naaktheid van vele volksstammen is zeer wel vereenigbaar met een hoog-ontwikkeld schaamtegevoel; omgekeerd is het zich bedelven onder kleeding volstrekt geen waarborg voor het bestaan van het meest elementaire begrip van betamelijkheid en decentie.
Aan den anderen kant schijnt het schaamtegevoel, waar het eenmaal bestaan heeft, wel voor verzwakking vatbaar, maar niet voor algeheele uitroeiïng. Zelfs bij de meest verdierlijkte prostituées blijkt altijd nog eenig spoor van schaamte overgebleven, hoe ook hare gedragingen het tegendeel schijnen te verkondigen. “Slaat men ze slechts wat nauwkeuriger en in bepaalde omstandigheden gade, zegt Parent-Duchatelet (in Zedenbederf der Parijsche vrouwenwereld), dan blijkt, dat zelfs de grootste moreele ontaarding dit gevoel toch niet geheel en al heeft kunnen vernietigen en dat er bij velen ten minste nog sporen van zijn overgebleven. Komt b.v. een vreemde in de visitatiekamer der prefectuur of der gevangenissen, op het oogenblik dat zij ontkleed staan voor het onderzoek, dan ziet men ze oogenblikkelijk de armen over de borst kruisen en zich zooveel mogelijk bedekken. Schaamteloos gedragen zij zich alleen jegens hare minderen, dat zijn hare mannelijke bezoekers, maar voor anderen leggen zij dikwijls een bijna normaal vrouwelijk schaamtegevoel aan den dag. Niet zelden ziet men ze blozen, wanneer ze gedwongen zijn zich voor meerdere mannen te ontblooten. Bij het reglementaire onderzoek wenden zij zich gaarne altijd tot denzelfden arts, zij komen alleen op de uren waarop zij zeker zijn dezen te zullen vinden. En wie zulks heeft meegemaakt, weet welk een diepen indruk het onderzoek en de demonstratie harer geslachtsziekten voor een talrijk auditorium op deze vrouwen maakt. Allen, zonder uitzondering, ook de meest schaamteloozen, worden tijdens zulk een onderzoek slag op slag vuurrood en blijkbaar is het voor haar een marteling.”
Ook uit deze schaamte der schaamteloozen van beroep blijkt de zinnelijke ondergrond van het schaamtegevoel. Zoodra de naaktheid blijkt onverschillig te laten of zelfs walging en afkeer te wekken, keert het schaamtegevoel onmiddellijk terug, als een poging der natuur om het gebroken evenwicht te herstellen.

De drie Gratiën.
Schoonheidsidealen der 16e eeuw. Naar de schilderij van P.P. Rubens (1577–1640), Prado-Museum, Madrid.
Photo Bruckmann, München.
Een andere eigenaardige kant van het schaamtegevoel bij de geciviliseerde volken is, dat het zich niet uit tegenover alle soortgenooten, maar voornamelijk tegenover standgenooten. Vooral is dit het geval met het vrouwelijk schaamtegevoel. Tegenover den huisknecht werkt bij de voorname dame het schaamtegevoel haast even weinig als tegenover den huishond. Men acht het beneden zich, men schaamt zich, tegenover zoo iets als de knecht zich precies zoo te schamen als jegens den maatschappelijk gelijke. Duidelijk straalt hier weer de zinnelijke ondergrond van het schaamtegevoel in door: schaamte veronderstelt de mogelijkheid van begeerd te worden, en alleen reeds de gedachte daaraan beleedigt den maatschappelijk meerdere.
Zeer sterke voorbeelden van gemis aan schaamte bij voorname vrouwen jegens personeel zijn bekend uit alle tijden en streken, waar bijvoorbeeld slavernij of lijfeigenschap heeft bestaan, voor zoover daarvan tenminste kultuurhistorische bijzonderheden bekend zijn. Slaven en lijfeigenen, die geen personen maar slechts dingen waren, kende men geen schaamte toe, en men schaamde zich ook niet voor hen. Een der meest krasse voorbeelden daarvan verhaalt Masson in zijn Mémoires secrets sur la Russie. Een Russische edelvrouw ging met een Française wandelen in een voor het publiek toegankelijk park. Twee lijfeigenen, lakeien, volgden op eenigen afstand. Onderweg moest de Russin aan een natuurlijke behoefte voldoen. Zij wenkte hare lijfeigenen, ging een weinig van den weg af, liet zich door de beide mannen de rokken lichten, en verrichtte, op hen steunend, de affaire. Op de ontstelde vraag van de Française, die iets van mannenoogen stotterde, antwoordde de Russin met eenige bevreemding, dat het toch maar slaven en geen mannen waren.
Ditzelfde beneden zich achten van schaamte tegenover den mindere openbaart zich op velerlei manieren bij ongeveer allen voor wie bediend te worden door gewoonte tot een recht is geworden. Tegenover huisknecht of dienstmaagd acht men het zelden noodig pikante geheimpjes al te zeer te verbergen. Bij het toilet onttrekt men zich zorgvuldig aan de blikken van standgenooten, maar bekommert zich weinig om het personeel, en voor het kamermeisje heeft men in het geheel niets te verbergen. Evenzoo ten opzichte van het negligé en tal van andere dingen.
Er ligt voor vele naturen, in het bijzonder voor zinnelijk verruwde gemoederen, een hevig erotisch genot in het beleedigen van anderer schaamtegevoel. Dit verschijnsel wordt veel meer bij mannen waargenomen dan bij vrouwen, en de meest algemeene vorm waaronder het optreedt, is het bezigen van woorden en uitdrukkingen, die op geslachtelijke dingen betrekking hebben, het vermaakscheppen in wat men verstaat onder liederlijke taal, het zingen van vuile liederen, het vertellen van pornografische aardigheden. Een ander veelvuldig voorkomende vorm is het schrijven van woorden of uitdrukkingen van sexueelen aard op plaatsen waar ze velen noodzakelijk onder de oogen moeten komen. Voor velen schijnt het een sadistisch genot, vrouwen luid een obsceen woord toe te roepen.
Een andere vorm is de dusgenaamde exhibitie. Deze bestaat hierin, dat men met erotische oogmerken om anderer schaamtegevoel te kwetsen, lichaamsdeelen, waarop het schaamtegevoel gelocaliseerd is en wat de schaamte dus gebied te verbergen, exhibiteert (tentoonstelt, zien laat). Dit kan geschieden zoowel in natura als met afbeeldingen en voorstellingen.
Waar zulks uit strafrechtelijk oogpunt gewaagd kan worden, grijpt de neiging tot exhibitie alle mogelijkheden aan—ontblooting der genitaliën en der nates, naaktloopen, openlijke onanie en dergelijke. Doch zulks nadert dan reeds het gebied van het geslachtelijk abnormale.
Exhibitie bezielt ook de vrouwen, die elke gelegenheid aangrijpen om kunstenaars als model te dienen of die zich telkens en telkens weer door artsen laten onderzoeken. Ook de voorstellingen van worstelaars, athleten enz. hebben een sterk exhibitischen bijsmaak. De echte exhibitie is trouwens mannen misschien nog meer eigen dan vrouwen.

48. Amor Exhibiteert.
Naar de schilderij van Francesco Mazzola Parmeggianino (1503–1540), Museum, Weenen.
Phot. Bruckmann, München.
Min of meer schijnt ieder mensch, man zoowel als vrouw, van nature neiging te bezitten tot exhibitie; de vrouw die met haar decolleté coquetteert, en de man, die een zoo nauwen pantalon draagt dat alle lijnen daarin scherp uitkomen, exhibiteeren. De medische wetenschap leert, dat de exhibitie bij sommige individuen ten volle den bijslaap kan vervangen en geslachtelijke bevrediging ten gevolge kan hebben. Ongetwijfeld speelt hierbij echter geslachtelijke nerveusiteit een groote rol.
Het exhibiteeren veronderstelt opzet om het schaamtegevoel te beleedigen, of om uiting te geven aan een werkelijke of voorgewende erotische spanning. Niet dus het eenvoudig zichtbaar laten of toonen is exhibitie. Een en dezelfde handeling bijvoorbeeld kan voor de een exhibitie zijn, terwijl zij het voor de ander niet is. Zulks hangt geheel af van de opvattingen van het milieu en de daarin gehuldigde sexueele moraal. “Een zielszieke, zegt Stoll, die met ontbloote penis voor het raam staat om de aandacht van passeerende vrouwspersonen te trekken, en kerels, die, als er geen politie in de nabijheid is, voor voorbijgaande meisjes en vrouwen hun penis ontblooten en daarmee onanistische manipulaties bedrijven, plegen exhibitie, maar de Negers van de kust van Mozambique, die vroeger geen andere schaambedekking hadden dan een soort suspensoir om den penis, worden door de vrouwen van hun stam in het minst niet van exhibitische bedoelingen verdacht, daar zij van der jeugd af aan den aanblik daarvan gewoon zijn.” De prostituée der Europeesche bordeelen, die in laag uitgesneden robe haar borsten tentoonstelt voor een ieder, die de oogen maar op wil slaan, beoogt exhibitie; de meisjes van de tallooze volksstammen in tropische gewesten die gewoon zijn het bovenlichaam geheel onbedekt te laten, doet weliswaar hetzelfde in nog sterker mate als bedoelde prostituées, maar met geen zweem van exhibitische oogmerken. De danseres onzer Europeesche balletten, die bij hare evoluties voor de tooneelkijkers van kaalhoofdige schouwburg-habitués haar beenen opgooit en bij oogenblikken in de wolken van gaas en kant de lijnen van haar dijgewricht ter observatie geeft, simuleert exhibitie; maar der inboorlinge van het Gazellenschiereiland op Nieuw-Pommeren, die geheel naakt en zelfs met geëpileerd schaamhaar ter markt komt, is elke gedachte aan exhibitie vreemd. In de landen der strengste Mohammedaansche orthodoxie zou een vrouw, die zich ongesluierd op straat vertoonde, in de oogen harer geloofsgenooten exhibitie begaan, gelijk dit bij de Egyptische danseressen dan ook inderdaad het geval is, als zij bij haar optreden haar gezicht vertoonen. Daarentegen zou het belachelijke onzin zijn bij de Europeesche, die hetzelfde doet: haar gelaat onbedekt laten, exhibitische bedoelingen te veronderstellen, terwijl het zoo geliefkoosde decolleté en het ontblooten der armen (anders dan bij den arbeid) weer niets dan exhibitie is. Zoo hangt het geheel van de heerschende sexueele zeden en opvattingen af, of het toonen van welk lichaamsdeel ook, exhibitie bedoelt of niet. Met lichaamsdeelen die sexueel volkomen indifferent zijn, kan elders de grofste exhibitie worden bedreven.

49. De Rol beider Sexen.
Satyrs aangelokt door badende Nymphen. Detail der Phineusschaal, Ionische kunst, Museum Würzburg.
Photo Bruckmann, München.