II. Zinnelijkheid.
Reading edition
Tegenover de liefde als het heilige vuur, dat de sexen in reinheid tot elkander drijft, pleegt men als het onheilige vuur de zinnelijkheid te stellen, die men daarbij voorstelt als te bestaan in louter onrein, dierlijk lijfsbegeeren. In deze dualistische opvatting is de liefde het sexueele goed en de zinnelijkheid het sexueele kwaad, de eerste het hoogere geestelijke, de laatste het lagere materieele. Naast deze opvatting van de zinnelijkheid zijn er nog tal van andere, die hierin overeenstemmen, dat zij liefde en zinnelijkheid aanmerken als twee tegen elkander indruischende of aan elkander ondergeschikte, in elk geval geheel verschillende grootheden.
Bij de dichters en romantici der oude sentimenteele school vinden wij de zinnelijkheid even diep verafschuwd als de liefde door hen wordt verheerlijkt. Het zijn in hunne voorstellingen zooveel als de twee polen van het liefdeleven, de twee verst van elkander gelegen mogelijkheden in het verkeer der sexen. Van de liefde vernemen wij niets dan schoons, heerlijks en edels, van de zinnelijkheid niets dan leelijks, inferieurs en schandelijks.
Zulke meeningen zijn niet louter dichterlijke en literaire overdrijvingen. Zij weerspiegelen opvattingen die werkelijk in de voorstelling veler menschen leven. De vraag, wat liefde is en wat zinnelijkheid, beantwoordt men zich algemeen in dezen zin, dat de liefde louter een reine gemeenschap der zielen schept, en dat de zinnelijkheid alleen vleeschelijk genot, lichamelijken wellust zoekt en beoogt. Deze opvattingen beheerschen vrij algemeen de denkbeelden omtrent het leven der sexen en zij hebben op de sexueele zeden een zeer ingrijpenden invloed.
In werkelijkheid vloeien beide factoren—indien men aan het denkbeeld van twee factoren in het liefdeleven wil vasthouden—zoo onontwarbaar ineen, dat het onmogelijk is de juiste verhouding, waarin beide in een bepaald geval aanwezig zijn, aan te geven. Dit staat echter wel vast, dat rekenkundig uitgedrukt elke liefde altijd een zeker percentage bewuste of onbewuste zinnelijkheid bevat, en dat in zinnelijkheid veelal een grooter of kleiner gehalte aan liefde verborgen is. En vaster nog staat dit, dat louter liefde, zonder zinnelijk begeeren, dus zonder lichamelijk verkeer, nutteloos en doelloos zou zijn en in laatste instantie onvermijdelijk zou moeten voeren tot uitsterving van het menschdom. Zinnelijkheid zonder liefde kan schijnbaar wel tot het door de natuur beoogde doel leiden, maar in werkelijkheid wordt ook in dit geval dat doel in den regel niet bereikt. Want door zinnelijkheid die niets zoekt dan lichamelijk verkeer is de prostitutie ontstaan.

9. Najaden, den Hoorn des Overvloeds vullende.
Naar de schilderij van P. P. Rubens en Jan Brueghel de oude. Den Haag, Mauritshuis.
Photo Bruckmann, München.
De door de natuur gewilde toestand schijnt dus wel deze te zijn, dat liefde steeds vermengd zij met een zekere dosis zinnelijkheid, en dat zinnelijkheid steeds haar oorsprong neme uit liefde. De mate waarin beide factoren meewerken aan de door de natuur verlangde uitkomst hangt dan waarschijnlijk geheel af van individueele eigenschappen en eigenaardigheden. En waar beide factoren even onmisbaar mogen worden geacht, mogen beide ook in gelijke mate aanspraak maken op erkenning van te zijn even superieure, niet minder- en meerderwaardige, maar gelijkwaardige krachten. Achter het gansche spel toch van liefde en zinnelijkheid schijnt zich weer een wondervol doelmatige arbeidsverdeeling te verbergen, waarbij een deel van den noodzakelijken arbeid is opgedragen aan wat men noemt geestelijke krachten, en het andere deel aan stoffelijke krachten, zoo, dat alleen harmonische samenwerking van deze beide bereiking van het gestelde doel garandeert, terwijl eenigerlei abnormaal overwicht van een van beide factoren onmiddellijk dat doel bedreigt en in gevaar brengt.

10. De Zinnelijkheid, Heerscheres in het Heelal.
Allegorie, Holl. gravure, 1659.
Evenals ieder levend wezen is ook de mensch onderworpen aan de natuurwet, die aan al wat leeft slechts een tijdelijk bestaan toestaat. Maar gedurende dat tijdelijk bestaan heeft ook de mensch het vermogen zich in een gelijkvormig wezen te reproduceeren. Deze reproductie, waarvan het voortbestaan van het menschdom afhangt, vereischt de samenwerking van twee individuen van verschillende sexe. Deze samenwerking wordt door de liefde voorbereid en veredeld, maar zij wordt in en door de zinnelijkheid voltrokken.
En hoe etherisch de liefde van twee romantisch minnenden ook moge zijn, ten slotte zal er een oogenblik komen, dat twee blijven niet langer kan en het vuur der zinnelijkheid hen in elkanders armen drijft en hen vereenigt tot een twee-eenheid, waarboven Amor zegevierend zijn pijlbundel zwaait.
Zoo zijn liefde en zinnelijkheid twee factoren in het geslachtsleven, waarvan elk zijn zeer bepaalde functie heeft te vervullen en die beide onmisbaar zijn te achten voor het normaal, dat is het door de natuur gewilde verloop van de geslachtelijke verhouding tusschen man en vrouw.
“Om de betrekkingen tusschen man en vrouw te kunnen begrijpen, zegt Dr. Julius Weiss (vertaling van Dr. B. C. Goudsmid in Man en Vrouw), moet men teruggaan tot de alleroudste geschiedenis der menschheid, tot den oorsprong van alle leven, tot de dierenwereld, tot aan de laagste vormen, en zelfs tot het plantenrijk en de eencellige organismen. Paring, voortplanting en vermenigvuldiging is verbonden aan al wat leeft. Samensmelting en deeling bestaat tot bij de eencellige wezens toe. Reeds bij de klokdiertjes vindt men twee verschillende soorten van individuen, die als mannelijke en vrouwelijke kunnen worden beschouwd. Hoe hooger we stijgen in de reeks der dieren, des te duidelijker wordt het verschil en des te scherper treedt de wet op den voorgrond, dat die twee individuen die in vorm verschillen, met elkander in betrekking trachten te komen. Duizendvoudig zijn de bijzondere vormen waarin zich het elkander begeeren en het elkander vinden afspeelt. Terwijl het echter bij de lagere diersoorten slechts de instinctmatige aandrift is, die de betrekkingen tot mannelijk en tot vrouwelijk element doet ontstaan, komt er bij den mensch nog de werkzaamheid der hersenen bij, welke op die betrekkingen een belangrijken invloed uitoefent. Geestelijke krachten komen in het spel, die onzichtbare draden spannen tusschen den man en de vrouw; deze draden winden zich vast om de beide geslachten en ketenen ze aan elkander—bij de dierlijke aandrift voegt zich de liefde.”—
De zinnelijkheid staat dus niet lager dan de liefde, maar zij is het doel van de liefde.
Uit heel de levende natuur gaan aanhoudend stemmen op om al wat leeft, ook den mensch, in de liefde te onderrichten. De natuur wil dat de mensch beminne, en dat hij beminne in zinnelijkheid. Daarvan spreken tot hem al de tallooze stemmen waarover de natuur beschikt. Daartoe dringen hem, evenals Serge en Albine in het Paradou, de bedwelmende geuren der bloemen, geuren die hem verhalen van den bruiloft der rozen, van den bruidstijd der viooltjes, van al de weelderige zinnelijkheid van het vurige leven. Uit de boomgaarden voert de wind den geur aan van rijpe vruchten, een geur zwaar van vruchtbaarheid en beladen met prikkelende specerijen, vanille en muscaat. Uit de velden en weilanden verheft zich het zoete gefluister der millioenen grassen, de gedempte liefkozingen eener ontelbare paarzieke menigte. Aan de oevers buigen zich de wilgen in hevig verlangen, zich spiegelend in de naaktheid der stroomen, wier oppervlakten huiveren onder het liefkozend kussen der zon. In het bosch suist geheimzinnig de tragische hartstocht der eiken en van al het hooge geboomte, waar bij het geritsel der takken in de heiligdommen van het gebladerte duizenden liefdestooneelen zich afspelen, terwijl de heesters omlaag onder luidruchtig stoeien zich om elkander strengelen om liefdes-gunstbewijzen te rooven met de onverzadigbaarheid van uitgelaten gelieven.

De leerschool van Amor.
Naar een Italiaansche gravure (17de eeuw).
Duidelijker nog verkondigen de stemmen uit het dierenrijk, dat de algemeene levenswet is beminnen. De krekels in het gras sjirpen van liefde tot stervens toe. Kleurige vlinders wisselen al fladderend voor onze oogen hun begeerige kussen. In de takken ruischt het zoete geritsel der nesten, vol trillend leven. In het bosch, op het veld, overal gloeien vurige oogen, glinsterend van onverzadigbare paardrift. Waar men den blik wendt ontwaart men naar bevrediging hunkerend liefdesverlangen. Waar maar een wijfje is, is een mannetje, huilend van begeerte of hijgend van uitputting. In de wateren zijn het de dartele visschen, die hun versch-bevrucht kuit toevertrouwen aan de broedende koestering der zon. In sloot en in plas klinkt het minziek gekwaak der kikvorschen bij hun dagenlangen wellust. Op donkere plekken liggen paarsgewijs in elkander gekronkeld sissende slangen, schier bezwijmend van genot en rillend van verrukking. Onder ieder blaadje wordt een insect bevrucht, onder elk grasje vermenigvuldigen zich familiën, alles ademt voortplanting en teeldrang—de gansche natuur is één algemeene levenverwekking.
De liefde laat den mensch in een mensch van de andere sexe zijn beter en hooger ik aanschouwen. Zij voert twee wezens met differente krachten en hoedanigheden tot elkander, om gezamenlijk de taak der bestendiging van het leven te vervullen. Zij is daarbij de bovennatuurlijke wijding der door de natuur gewilde ontwijding, de geestelijke voorbereiding tot de stoffelijke gemeenschap. De liefde is de wolk van poëzie rondom de verrichtingen der dierlijkheid—zij dekt het laagste met het hoogste.
Zonder liefde leeft de mensch gemakkelijker, maar nutteloozer. Waar het wonder der liefde tot volle ontplooiing komt, daar is zij de schitterende kroon des levens. In de liefde worden man en vrouw elkanders verlosser en heiland, elkanders haven der rust in de stormen van het woelige leven.
Maar de liefde, om niet in doelloosheid te verzinken, behoeft als levenwekkende factor het vuur van de zinnelijkheid. In zinnelijkheid, uit liefde geboren, is niets onreins meer. De in liefde begeerende mannelijke zinnelijkheid ziet in de vrouw niet meer louter het wijfje, minder nog enkel een voorwerp van wellust-voldoening, maar zij is hem opgegaan als een verheven zinnelijke macht, de moeder van komende geslachten—zij is den zoo begeerende geen erotisch verbruiksartikel, maar het liefelijkst wonder der schepping. En hierin komt dan bij het schijnbaar dierlijke de engel weer boven, die volgens Pascal is in den mensch.
Liefde zonder zinnelijkheid is onbestaanbaar of zoo al bestaanbaar, doelloos. Zinnelijkheid zonder liefde is een surrogaat of een karikatuur van de liefde.

11. Mars en Venus.
Kopergravure van Aliamet naar Cochin fils uit Tito Lucrezio Caro Delle Natura delle Cose Marchetti, Amsterdam 1754.
Liefde is het middel der natuur om de zinnelijkheid geconcentreerd te houden op een bepaald individu. De vatbaarheid voor zinnelijke liefde is, evenals de begeerte naar het zinnelijk genot, bij beide geslachten verschillend. Voor zinnelijkheid zonder liefde is de man veelal wel vatbaar. De vrouw zelden. De zinnelijkheid der vrouw ontvlamt in den regel eerst door liefde, en is daarvan bijna onafscheidelijk. Hare zinnelijkheid is in hooge mate subjectief, die van den man daarentegen objectief. De zinnelijkheid der vrouw gaat als regel uitsluitend uit naar den geliefden man; de zinnelijkheid van den man richt zich op de vrouw in het algemeen; vandaar dat de man zich gemakkelijker tevreden stelt met surrogaat, in den vorm van bordeelbezoek als anderszins. Nog in tal van andere opzichten verschilt de zinnelijkheid van beide geslachten in zeer sterke mate, gelijk wij in het volgend hoofdstuk nader in het licht stellen.
Het bovenbedoelde verschil in de zinnelijkheid van man en vrouw schijnt mede een der redenen, waarom de vrouw, in de jeugd tenminste, meer neiging bezit tot dwepende, reine, onzinnelijke liefde, dan de man. “In tegenstelling met de mannen, zegt Stendhal, zijn nagenoeg alle vrouwen vatbaar voor dwepende liefde. Van den eersten roman af, dien het jonge meisje van vijftien jaar in het geheim leest, wacht zij in stilte op de komst van den liefdes-hartstocht, zonder zich in het minst bewust te zijn van het zinnelijk element harer verwachting. Alleen een groote hartstocht heeft waarde voor haar. Dit dwepend verlangen wordt nog sterker tegen het twintigste jaar, als zij de eerste teleurstellingen des levens heeft ondervonden, en nooit sterft dat liefdes-verlangen geheel weg uit haar ziel, terwijl de man op zijn dertigste jaar de liefde voor iets kinderachtigs, onmogelijks of belachelijks houdt.”

12. Zegevierende Liefde.
Hollandsche kopergravure van Hendrik Goltzius (16e eeuw).
Wat ten slotte de zinnelijkheid van den man zich doet richten op een bepaald individu der andere sexe, dat zijn de uiterlijke bekoorlijkheden, die dat individu bezit, en die zich aan zijn zinnelijkheid voordoen als schoon en begeerlijk. In alle belangstelling van den man jegens een vrouw is als regel van het eerste oogenblik af een hoog percentage bewuste zinnelijkheid. De ontroering, welke den man overvalt bij den aanblik eener vrouw wier uiterlijke persoonlijkheid hem aantrekt, en hem gemeenschap met haar voorspiegelt als het hoogste geluk, is niets dan ontvlammende geslachtslust, “niets dan een wellustige waan, zegt Schopenhauer, die den man doet gelooven, dat hij in de armen van juist die vrouw, op wier uiterlijk schoon zijn zinnelijkheid reageert, intenser genot zal vinden dan in die van welke andere ook, of dat het bezit van juist dat vrouwelijk individu hem een bijzonder geluk zal verschaffen. Het is alleen het instinct dat hier werkt.”
De gansche levende natuur is naar wij boven reeds hebben geschetst doortrokken van zinnelijkheid. Ook de menschenwereld, neen, vooral de menschenwereld. Elke verhouding tusschen een man en een vrouw bevat eenige procenten zinnelijkheid. Er is geen enkele intieme betrekking tusschen twee normale personen van verschillende sexe, die geen erotischen ondergrond heeft, of waarbij zich niet vroeg of laat de geslachtelijke aantrekking doet gelden—afgezien dan van betrekkingen tusschen bloedverwanten en tusschen personen die in leeftijd zeer ver van elkander staan. De Platonische, reine, onzinnelijke liefde, waarmee romantische zielen zoo gaarne dwepen, is geïdealiseerde zinnelijkheid, die de natuur aan enkele bevoorrechte wezens voor korten tijd vergunt, maar zij wil niet en duldt niet, dat die liefde van blijvenden aard zij. Voor het natuurlijk doel der liefde is die phase eigenlijk tijdverlies. De zinnelijkheid is als onweerstaanbare neiging gelegd in alles wat leeft, teneinde de eeuwigheid van het leven te verzekeren. Zinnelijkheid is toekomstig leven. Onzinnelijke liefde, consequent volgehouden, beteekent uitsterving. De natuur wil bestendiging van het leven, zij wil geen uitsterving—zinnelijkheid is daarom natuurlijkheid en onzinnelijkheid verheven-romantische onnatuur.
In de meeste gevallen duurt in de menschenwereld het romantisch voorspel der Platonische liefde maar zeer kort; of wel het blijft geheel achterwege. Niet zelden ook is het dwepend minnen zonder zinnelijkheid zelfbedrog of humbug, waarbij de sexueele terughoudendheid, velen van nature eigen, voor sexueele reinheid doorgaat.
In het leven der sexen is liefde, die volstrekt ontoegankelijk blijft voor zinnelijk begeeren, uitzondering; en liefde, die bewust wordt gedragen door verlangen naar lichamelijke gemeenschap, regel.
Het overgroote meerendeel der menschen beschouwt het andere geslacht niet met den dweepzieken blik der Platonische liefde, maar met het vurig oog der dadelijk-begeerende zinnelijkheid. Alle zinnelijkheid met voorkeur voor een bepaald individu is reeds liefde in natuurlijken zin en voor het doel der natuur volkomen voldoende. Deze liefde komt dan ook het meeste voor. Vooral is dit het geval in die kringen, die vrij zijn gebleven of zich vrij hebben gemaakt van de conventies der beschaving en in het vrijelijk zich uitleven niet door den schijn dier beschaving worden gehinderd. Bij dezulken pleegt de geprikkelde zinnelijkheid zich te uiten in de duidelijkste woorden en daden en men geeft vrijwel onmiddellijk op de ondubbelzinnigste wijze te kennen waarnaar de begeerte uitgaat. Hier zoekt men niet te verbergen, dat de lichamelijke heerlijkheden van het andere geslacht het middelpunt zijn van alle denken en voelen, en dat het ideaal, dat men zoekt in de liefde, is het zinnelijk genieten. En dit geldt niet alleen van den man, maar, zij het in anderen, in verzachten vorm, ook van de vrouw, wier natuurlijke rol in het liefdeleven, waarover later, haar als van zelf tot meer vertoon van ingetogenheid dwingt—zelfs de schijnbare tegenstand van de vrouw is als regel een natuurlijk lokmiddel harer zinnelijkheid.

Zinnelijke Liefde.
Hollandsche Kopergravure van J. Mathorn, (1571–1631). Prentenkabinet, Berlijn.
Dat trouwens ook de vrouw ten deze openhartig kan zijn, indien er geen reden aanwezig is die het tegenovergestelde verkieselijker maakt, daarvoor zijn de bewijzen maar voor het grijpen. Een treffend en min of meer officieel voorbeeld hiervan willen wij hier aanhalen uit het in 1785 verschenen, thans zeer zeldzame werkje van den Engelschman R.P. Knight over den Priapusdienst. Daarin tracht de schrijver aan te toonen, dat de heidensche eeredienst van Priapus, den griekschen god der vruchtbaarheid, voor wien men in wijnbergen, tuinen enz., beelden placht te plaatsen, in het Christendom onder andere vormen is herleefd. En hij beschrijft ten bewijze daarvan een processie, die hij in 1780 te Isernia bij Napels heeft bijgewoond. Hij voegt er aan toe, dat de burgemeester van het plaatsje voor de waarheid van het verhaal instaat. Bij die processie dan, die den heiligen Cosimo gold, aan wien de kerk daar ter plaatse was gewijd, verkochten kooplui langs den weg aan de deelnemende vrouwen en meisjes phallusfiguren in was, om deze aan den heilige te wijden. Evenals men anders wasfiguren van handen, voeten en verdere lichaamsdeelen, waarvoor men genezing komt afsmeeken, aan den beschermheilige opdraagt, offerden de vrouwen en meisjes hier phallusfiguren, om verlossing van onvruchtbaarheid, herstel van potentie of krachtiger potentie voor hare mannen af te smeeken. Een jonge vrouw offerde den heilige een bijzonder grooten phallus. Blijkbaar bestond voor deze jonge vrouw het eenige ideaal, dat zij in de liefde zocht, in den wensch den geliefde in staat te vinden hare zinnelijkheid op de krachtigste wijze te bevredigen.

13. Venus en Amor.
Gravure van C. Normand naar Correggio.
(Galérie des Peintres les plus célèbres.)
Dit geval staat trouwens allerminst op zichzelf. In vele kerken en kapellen der katholieke wereld vindt men sporen van gelijksoortige zeden. Ook na het uitsterven van den officieelen heidenschen phallusdienst is de phallus in de vrouwelijke phantasie blijven voortspoken. Nog moet er tusschen Brussel en Mons een kapel bestaan, waarbinnen een heiligenbeeld met zeer forschen phallus vereerd wordt door onvruchtbare vrouwen, die daarheen bedevaarten doen om van hare steriliteit te worden genezen. Bij Nivelles moet een aan Petrus gewijde kapel zijn, waar bedevaartgangsters heentrekken om haar echt gezegend te zien.

14. De Opvoeding van Amor.
Gravure van C. Normand naar de schilderij van Correggio (1494–1534).
(Galérie des Peintres les plus célèbres.)
De beschaving, voor zoover zij zich inlaat met het sexueele leven, heeft de zinnelijkheid niet verminderd; zij heeft ze alleen leeren verbergen, ze heeft den weg naar het einddoel verlengd en daarop tallooze hindernissen en belemmeringen geplaatst, maar zij heeft de zinnelijkheid niet verzwakt en minder nog uitgeroeid. De schaal der zinnelijkheid is bij den primitieven, onbeschaafden mensch eendeelig en zijn erotisch program bevat niets dan het directe geslachtsgenot. Bij den beschaafden mensch is die schaal daarentegen verdeeld in tallooze graden, doch zij is daardoor alleen gecompliceerder en delicater geworden.
Terwijl de poëzie en in het algemeen de literaire kunst gaarne en bij voorkeur passielooze liefde verheerlijkt, idealiseeren de beeldende kunsten bij voorkeur de zinnelijkheid. Het wezen dezer kunsten is zinnelijkheid, zij zijn zichtbaar geworden zinnelijkheid. Tusschen kunst en zinnelijkheid bestaat een onverbrekelijk verband—zinnelijkheid is de scheppende natuurdrift die leven uit leven voortbrengt; kunst stelt die levenwekkende drift zichtbaar voor oogen in haar hoogsten en edelsten vorm.
Ook in de zinnelijkheid der kunst weerspiegelt zich het verschil, dat in het liefdeleven de beide sexen spelen. De rol der vrouw in het liefdeleven is passief, ontvangend en verder-ontwikkelend; die van den man actief, verwekkend en scheppend. Evenzoo is het in de kunst. De scheppende artistieke kracht van de vrouw is, in vergelijking met die van den man uiterst gering. Niet ten onrechte wordt dit voor een deel gesteld op rekening harer voor scheppende werkzaamheid zooveel ongunstiger omstandigheden en haar mindere vrijheid. Maar de eenige reden kan dit niet zijn. Er zijn volken, het Engelsche bijvoorbeeld, waar de vrouwen, der hoogere standen tenminste, sinds vele eeuwen ongeveer dezelfde maatschappelijke vrijheden genieten als de mannen. En niettemin heeft ook het Engelsche volk eigenlijk geen enkele geniale vrouw voortgebracht. Daarentegen is den zonen van het proletariaat door alle eeuwen heen in alle landen vrijwel alle gelegenheid onthouden om de in hen sluimerende geestelijke krachten tot ontwikkeling te brengen. Niettemin zijn uit dat proletariaat tal van genieën opgestaan: Spinoza, Fichte, Goya, Edison, Rembrandt, Thorwaldsen en zoovele anderen.

15. Eva, Adam verleidend.
Gravure van Adr. Zucchi naar de schilderij van Tintoretti. (16e eeuw).
Een eigenaardigheid van ieder tijdvak is, dat het zich beschouwt als bijzonder overgegeven aan de zinnelijkheid. Daarnaast verrijst dan voor de verbeelding het verre verleden, toen de menschen in reinheid van zeden en heilige onnoozelheid kuischelijk voortleefden. Van die vroegere reinheid van zeden is den geschiedvorscher echter niets bekend. In elk tijdperk vindt hij onder veranderde omstandigheden en verhoudingen en in gewijzigde vormen den mensch slaafs onderworpen aan de zinnelijkheid. Nergens geeft de geschiedenis te aanschouwen een menschdom in een toestand van “oorspronkelijke reinheid”; de “oorspronkelijke” of wilde mensch is evenmin rein als de geciviliseerde dito. De zinnelijkheid is een natuurdrang. Zij moge individueel verschillen in graad, en min of meer onder bedwang zijn te brengen van een krachtigen wil, van buitenaf regelen of aan banden leggen laat zij zich niet. Volken en kringen met zeer strenge sexueele zeden kweeken dan ook heel weinig reinheid van harte, wel echter brengen zij onvermijdelijk kat-in-ʼt-donker-knijpende brave-Hendrik-gehuichel voort. De vermeende reinheid van den natuurstaat is niets dan een droombeeld eener hersenschimmige gouden eeuw.
Voor de christelijke traditie, die de beschaving van een groot deel van den aardbol nog volkomen beheerscht, begint de geschiedenis der sexueele zeden met den zondeval van Adam en Eva in het paradijs. Bij den val van het eerste menschenpaar der bijbelsche overlevering treedt Eva, de vrouw, op als de verleidster. Deze voorstelling is der vrouwenwereld in de hoogste mate noodlottig geworden. Want aan die voorstelling heeft men het recht ontleend, de vrouw te beschouwen en te behandelen als een onrein wezen, althans als een onreiner wezen dan het beklagenswaardig slachtoffer van de verleidingskunst der vrouw: de man. Over den oorsprong der Mozaïsche paradijslegende, waarbij wij hier, om haar onberekenbaren invloed op de denkbeelden inzake geslachtelijke dingen, een oogenblik moeten stilstaan, is door de geleerden eeuwenlang getwist. Daarmede hebben wij ons hier niet in te laten. Het is ons hier natuurlijk volkomen onverschillig of Mozes zijn inspiraties voor het boek Genesis uit de overleveringen van het volk Israel of wel, tijdens zijn verblijf aan Pharaoʼs hof, uit de leer der Egyptische Isispriesters en uit de bij hen opgedane kennis van de religieuse mythen van andere volken, heeft geput. Evenmin is het hier van belang of het verhaal van de schepping en den zondeval van het eerste menschenpaar in den ons bekenden vorm van Israelietischen oorsprong is en van de Joodsche religie is overgegaan in die van andere volken, of omgekeerd. Maar wel is van belang het feit, dat in de voornaamste godsdiensten der wereld dat verhaal van onberekenbaren invloed is geweest op de begrippen aangaande de vrouw en inzake het geslachtelijk verkeer in het algemeen. Dat verhaal toch stelt de sexueele gemeenschap voor als de eerste zonde, terwille waarvan het aardrijk vervloekt is, en waardoor de rein geschapen mensch is vervallen tot een wezen dat geneigd is tot alle kwaad. En het was de vrouw, die het eerst viel; zij bezweek voor de lokstem van de slang, en verleidde vervolgens den man. En toen zij gezondigd hadden zagen zij dat zij naakt waren.
De strekking van dit verhaal is te laten uitkomen, dat de vrouw ten opzichte van de zinnelijkheid, die meteen als zonde wordt gekwalificeerd, zwakker is dan de man en dat zij diens verleidster is. De vrouw is, met andere woorden, de zedelijk minderwaardige, de eigenlijke oorzaak van ʼs menschen verdorvenheid; zij is zelf zonder weerstandsvermogen tegen de zinnelijkheid en de verleidster van den man.

De schepping van Eva.
Naar de schilderij van Francesco Albani (1578–1660), Museum, Dresden.
Photo Bruckmann, München.
Deze opvatting beheerscht alle beschavingen voor welke de Bijbel goddelijk gezag heeft, en zij heeft in alle samenlevingen, die dit boek als grondwet van hun geestelijk leven hebben aanvaard, de positie der vrouw en de denkbeelden omtrent hare zedelijke waarde, bepaald, in de eerste plaats dus van het Jodendom en van het daaruit voortgekomen Christendom. Met den banvloek, dien Mozes God in den mond legt: Uw man zal heerschappij hebben over u! heeft hij de vrouw in deze godsdiensten voor altijd onder de heerschappij van den man gesteld.
De paradijslegende komt ook in andere godsdiensten voor. Wij vinden haar in het Brahmanisme der Indiërs, nog voor de hervorming van dien godsdienst door Buddha, die circa 600 jaar vóór Christus leefde. De Brahmaansche paradijslegende verloopt in hoofdzaak precies zoo als in het Bijbelverhaal wordt geschilderd. Alleen treedt in de plaats van de paradijsslang de draak Tiamat. Voor diens overredende woorden bezwijkt de Brahmaansche Heya evenzeer als de Mozaïsche Eva, en Hadami blijkt even weinig bestand tegen de verleiding der vrouw als de Bijbelsche Adam. Hier treft de vloek voor de zonde in hoofdzaak echter slechts den draak. Heya wordt niet met de erfzonde beladen, maar de Godheid schenkt haar vergiffenis, wijl zij niet uit egoïsme zondigde, maar uit liefde jegens haar vriend, dien zij door het eten van de verboden vrucht nader tot de Godheid wilde brengen en hem boven de hemelgeesten wilde verheffen. De Brahmaansche variant op de paradijslegende bevat dus een geheel andere ethische kern.
De reden waarom Mozes dit motief van verzoening, dat de barmhartigheid der beleedigde Godheid op den voorgrond stelt, heeft vervangen door een eeuwige wraakoefening aan alle schuldige partijen—slang, vrouw en man—is wellicht deze, dat hij als staats- en godsdienststichter een mannelijk en krachtig volk noodig had en geen zweem van vrouwenheerschappij kon dulden, en dat hij daarom de vrouw bij voorbaat tot een door God vervloekt en tot eeuwige dienstbaarheid veroordeeld onrein en minderwaardig wezen brandmerkte en haar zoodoende op den achtergrond zocht te dringen en van allen invloed op het openbare leven onverbiddelijk uit te sluiten. Hij is hierin op de meest volkomen wijze geslaagd, zijn vonnis over de vrouw werkt tot nu toe door.
De Talmoed vult het Bijbelverhaal omtrent Adam en Eva op even origineele als interessante wijze aan en tracht tevens eenige onklaarheden daarin op te helderen. In Genesis 1 : 26 vat God het plan op menschen te maken en in vers 27 wordt dat besluit ten uitvoer gelegd: “En God schiep den mensch, man en vrouw schiep hij ze”, zonder dat blijkt, dat hierbij een andere manier werd gevolgd dan bij de scheppingen op de voorgaande dagen. Hier schijnt het dus, dat ook de mensch is geschapen door een eenvoudig: Er zij! Maar in het tweede hoofdstuk vers 7 en verder wordt de schepping van den mensch opnieuw en uitvoeriger verhaald. Daar echter wordt onder mensch alleen verstaan de man, Adam. Deze wordt in den hof Eden gesteld, om dien te bouwen en dien te bewaren, onder verbod van te eten van den boom der kennis des goeds en des kwaads. En als Adam alle dieren hun namen heeft gegeven en zich alleen begint te gevoelen, krijgt hij Eva tot gezellin. Hier schijnt dus een aanmerkelijke tijd te zijn verloopen tusschen de schepping van de twee eerste menschen, terwijl men uit hoofdstuk I zou opmaken, dat zij gelijktijdig werden geformeerd. Wat eerst slechts mensch wordt genoemd, heet bij de schepping van Eva plotseling Adam; en Eva heet aanvankelijk alleen vrouw; eerst na den zondeval noemt Adam haar Eva, dat is: leven, of: de levengevende moeder. Alles wijst er op dat hier twee lezingen min of meer slordig door elkander zijn gewerkt.

16. De Zondenval.
Kopergravure naar G. de Lairesse (1640–1711).
Een tweede leemte in de Mozaïsche ontwikkelingsgeschiedenis van het menschdom komt er reeds aan het licht bij de tweede sexueele verhouding die op aarde onder de menschen zou hebben plaats gehad. Na de verdrijving uit het Paradijs vernemen wij, dat Eva twee zonen baarde, Kaïn en Abel. Kaïn vermoordt zijn broeder en zal tot straf op aarde dolende en zwervende zijn. Hij wordt echter gerust gesteld, dat de bloedwraak niet aan hem zal worden voltrokken en hij gaat daarop naar het land Nod, ten oosten van Eden. Hier blijkt hij eensklaps een huisvrouw te hebben, die hem een zoon schenkt, onderwijl de tot dolen en zwerven gedoemde reeds bezig is de eerste stad op aarde te stichten.
De vraag dringt zich op voor de bloedwraak van wie Kaïn bevreesd kan zijn geweest en vanwaar de huisvrouw kwam, die hem in het land Nod een zoon baarde, en wie de stad moesten bevolken welke Kaïn in dat land bouwde. Aan de hand van het Mozaïsch verhaal is maar één, en een zeer onwaarschijnlijk, antwoord op die vraag te geven, n.l. dat de nakomelingen van Adam in weinige jaren reeds de gansche omgeving van den hof Eden hadden bevolkt.

17. Verdrijving uit het Paradijs.
Naar de schilderij van Daniël Vertangen (17e eeuw), Museum, Dresden.
Photo Bruckmann, München.
Hier treedt de Talmoed echter ophelderend tusschenbeide. Deze verhaalt, dat Adam dadelijk bij zijn schepping reeds een gezellin kreeg, Lilith geheeten, met wie het hem vergund was sexueele gemeenschap te hebben. Uit Adamʼs gemeenschap met deze zijn eerste vrouw, die wij ons als een wezen tusschen mensch en engel, dus van hooger orde als de mensch, hebben voor te stellen, werd een geslacht van reuzen geboren, die in hun overmoed en op aansporing van Lilith zich tegen de hemelgeesten en daarmee indirect tegen God zelf keerden. Zij werden overwonnen en als demonen verbannen, evenals hun moeder, die zich over de nederlaag wreekte door voortaan in het verborgen, onder allerlei gedaanten zooveel kwaad te doen als in haar vermogen was. Zij was het die uit ijverzucht haar opvolgster, Adamʼs tweede vrouw, Eva, in de gedaante eener slang verleidde om te eten van den boom der kennis des goeds en des kwaads. Doch dan wordt weer onaannemelijk dat hiermee symbolisch de sexueele gemeenschap wordt bedoeld, gelijk men zoo gaarne aanneemt. Wel echter heldert de Lilithlegende het na korten tijd zoo bevolkt zijn van de omgeving van den hof Eden eenigszins op—men kan dit toeschrijven aan de ongemeene vruchtbaarheid van Adamʼs eerste vrouw, die als half mensch en half engel wordt voorgesteld. Mozes zelf schijnt op deze Lilithlegende te zinspelen, als hij in Genesis 6 vers 2 klaagt, dat Gods zonen de dochteren der menschen aanzagen en zich vrouwen namen, terwijl in vers 4 wordt medegedeeld, dat daaruit reuzen geboren werden en dat dit de geweldigen waren, die er van ouds geweest zijn. Met deze zonen Gods kunnen dan de nakomelingen van Lilith bedoeld zijn, geen engelen, want de mededeeling wordt gedaan als een klacht, en gemeenschap met engelen had het menschdom in zedelijk opzicht wel kunnen verbeteren maar niet verslechteren.
Als Adam na de schepping van Eva ontwaakt en haar ziet, roept hij uit: Deze is ditmaal been van mijne beenen enz. Ook hieruit valt af te leiden, dat hij reeds eerder een gelijkvormig wezen had gekend, n.l. Lilith, doch dat deze tweede hem meer gelijk was dan de eerste.
Blijkbaar heeft Mozes om maar de vrouw voor zijn boven aangegeven doel een trap lager te kunnen stellen dan den man, de verschillende legenden, waarvan hij zich bij het samenstellen van zijn scheppingsverhaal bediende, geweld aangedaan. De eerste vrouw moest als verleidster, als minderwaardige fungeeren, daarom moest de halfengel Lilith, de eigenlijke eerste vrouw op aarde volgens zijn gegevens, maar voor zijn opzet minder bruikbaar, uit zijn Genesis verdwijnen. Hij heeft echter niet zorgvuldig alles weggelaten, wat op de Lilithlegende betrekking heeft, en door die slordigheid zijn epos der schepping tamelijk verward gemaakt.
Het paradijsdrama is door de beeldende kunst in tallooze variaties voorgesteld. Op vele dier voorstellingen heeft de verleidende slang een menschenhoofd. Waar dat het geval is wil de kunstenaar blijkbaar doen uitkomen, dat Evaʼs verleidster niemand anders was dan haar wraakgierige en ijverzuchtige voorgangster Lilith, die op die manier den vrede van het eerste menschenpaar tracht te verstoren en hen in het ongeluk te storten.
Dat de vrucht, welke de verleidster Eva deed eten, een appel was, wordt in Genesis niet gezegd. Volgens de oud-Hebreeuwsche traditie was die vrucht geen appel, maar een vijg, of wel een noot. De appelboom is vermoedelijk slechts door een woordspeling aan zijn voorname rol als boom der kennis gekomen: malum kan zoowel appel als het booze beteekenen. En de noodlottige vrucht van dien eersten appelboom zou Adam bij het eten in de keel zijn blijven steken, wat de oorzaak zou zijn, dat de man een sterker vooruitspringend strottenhoofd heeft dan de vrouw. De schepping van Eva uit de ribbe uit Adamʼs zijde genomen, is het zinnebeeld geworden van de eenheid van man en vrouw, en de christelijke scholastiek heeft dit uitgelegd als een symbool van Jezusʼ wonde in de zijde, waaruit als de bruid van Christus de nieuwe Eva, n.l. de christelijke kerk, is voortgekomen.

De eerste Zonde.
Naar de schilderij van Raffael (1483–1520). Vaticaansch Museum, Rome.
Photo Alinari, Florence.
Op gelijke subtiele wijze is de geheele paradijslegende uitgesponnen en deze is daardoor de bron geworden van verachting en achteruitzetting van de vrouw. De priester werd voor haar later zelfs te rein en te heilig geacht, en het huwelijk werd hem om die reden verboden,—de vrouw werd daardoor vernederd tot een wezen van lagere orde dan de man. En in het algemeen werd de vrouw aangemerkt als de oorzaak van alle kwaad op aarde, als een van oorsprong onrein en gevaarlijk wezen, dat in gemeenschap stond met booze geesten en kwade bovenaardsche invloeden, die zich van haar bedienden om den onschuldig-reinen man in de eeuwige verdoemenis te storten. Wij herinneren in dit verband aan het heksengeloof der middeleeuwen, waarover later meer. En ook thans, in onze dagen, heeft de voorstelling nog volstrekt niet afgedaan, dat de bekoorlijkheden der vrouw niets zijn dan een lokmiddel van Satan om de zielen ten verderve te voeren. Zoo bleef de Paradijsvloek, door Mozes uitgesproken om redenen van staat, de vrouw de eeuwen door vervolgen en hij heeft over de schoone en zwakke sexe nameloos leed gebracht. En met deze opvatting der vrouw als dogma vooropgesteld, kan de man zich nog altijd boven de vrouw verheven wanen, want nog iederen dag, elk uur worden er Adamʼs en Evaʼs geboren, die door de “zwakheid” van den man tegenover de “verleiding” der vrouw een tastbaar Eden veroveren of een gedroomd paradijs verliezen.

18. Allegorische Voorstelling der Zinnelijkheid

19. Bacchante en jonge Satyr.
Haut-relief van Bertel Thorwaldsen (1770–1844).
N. Photo-Gesellschaft, Berlijn.