← Table of contents
Reize naar Surinamen en door de binnenste gedeelten van Guiana — Compleet

NOOTEN

Reading edition

[1] Na den dood van den zee-braassem verwelkt dit blaauw, en word donker. (Aant. v. d. Franschen Vert.)

[2] Ik weet niet, dat men van deeze noodzakelykheid immer eene voldoende reden gegeven heeft: die slymige stof, die de vinnen of wieken bedekt, verhardt misschien zoodanig door de hette der zon en de werking van de lucht, dat alle beweeging voor hun onmogelyk word; of misschien kan deeze visch niet lang leven buiten het element, dat hem natuurlyk eigen is. De eene of andere van deeze vooronderstellingen wyst aan, waarom hy zoo dikwils, en als tegen zynen wil, op de Schepen, en in den bek van zyne vyanden, den Dolphyn, de Zeebraassem, enz. nedervalt.

(Aant. v. d. Schryver.)

[3] Guiana heeft ten minsten twee honderd mylen van het noorden tot het zuiden, en meer dan drie honderd van het oosten naar het westen. (Aardrykskundige Beschryving van Guiana.)

[4] Derzelver Kusten strekken zig uit van de Noord-Kaap, gelegen op omtrent twee graaden noorder-breedte, tot de groote uitloop van de Orenoco, die op agt graaden breedte ligt; maar in de lengte bevatten zy meer dan tien graaden, liggende de Noord-Kaap op twee-en-vyftig graaden dertig minuuten ten westen van den Parysschen middaglyn, en deeze mond van de Orenoco op twee-en-zestig graden; bevattende in dit vak meer dan twee honderd vyftig mylen aan zee-kusten. (Aardrykskundige Beschryving van Guiana.)

[5] CHRISTOPHORUS COLUMBUS, in den jaare 1498, zig zuidwaarts van de Antillische Eilanden begeven hebbende, ontdekte den 10 Augustus het Eiland la Trinidad, en des anderen daags kreeg hy kennis aan het naby gelegen vaste Land, het welk hy Terre de Paria noemde, naar den naam, door de Indiaanen van de Kust daar aan gegeven.

Het was op deeze reize, dat hem één der monden van de Orenoco bekend wierd, welke hy Bocca del Drago noemde, uit hoofde van 't gevaar, dat zyn Schip daar liep; maar zig westwaarts begeven hebbende, had hy geen kennis aan de Orenoco, nog aan Guiana.

In 't jaar 1499, landde ALPHONSUS OJEDA, een Spaansch Edelman, vergezelt door AMERICUS VESPUTIUS, een Florentyn, en JUAN DE LA COSA, de bekwaamste Stuurman die toen in Spanjen was, in het vaste Land van America aan, op tweehonderd mylen oostwaarts van de Orenoco, en doorreisde de geheele kust, het westen naderende. Maar deeze reize verschafte nog geene groote kennis van Guiana.

In 't jaar 1535, ondernam DIEGO D'ORDAZ, een Spanjaard, om in de monden van de Orenoco binnen te loopen; zyne pogingen waaren vrugteloos: hy verloor zelfs aldaar een gedeelte zyner Schepen en van zyn volk. Deeze dappere Spanjaard was op eene andere keer gelukkiger; hy kwam in de Orenoco binnen, en zeilde dezelve zeer hoog op, tot dat hy in den mond van de Meta, eene aanzienlyke Rivier, die zig, meer dan vierhonderd mylen van derzelver inkomen, in de Orenoco ontlast, ten anker kwam. Maar dit geschiedde niet zonder het uitstaan van veele zwarigheden en vermoeienissen; want hy verloor zyne Schepen, en byna al zyn volk, in de onderscheidene gevechten, die hy genoodzaakt wierd aan de Indianen te leveren: zoo dat hy in wanorde te rug keerde, zonder eenige bezitting te hebben kunnen vestigen.

In weerwil van deezen nadeeligen uitslag van der Spanjaarden onderneming, had zig een gerucht verspreid, dat, in het binnenste gedeelte van dit uitgestrekt Land, eene landstreek was, die men el Dorado noemde, en onmeetelyke rykdommen in goud en kostbaare gesteenten bevatte: men zeide dat 'er een Meir was, zoo groot als een zee, genaamt het Meir van Parimo, waar van het zand vol goud-poeder en goud-korrels was. Drie Spaansche Capitains, GONZALO PIZARRA, broeder van den geen die Peru veroverde, PEDRO DE ORDAZ, en GONZALO XIMENES DE QUESEDA ondernamen deeze ryke ontdekking: het was, zoo men weet, eene ingebeelde hoop.

Terwyl zy dit poogden tot stand te brengen, kwam DIEGO DE ORDAZ, die het eerst de Orenoco was opgevaaren, uit Spanjen te rug, met brieven van Keizer KAREL V, waar by deeze Vorst aan hem alleen het recht en de vryheid vergunde om de Dorado te gaan opzoeken, en de ontdekkingen van de Orenoco nader op te spooren. De geheele uitslag zyner onderneeming bepaalde zig tot het bouwen van eene Stad aan den oostelyken oever van deeze Rivier, meer dan zestig mylen van derzelver mond af, welke hy St. Thomas van Guiana noemde.

De Engelschen, over de ontdekkingen der Spanjaarden in Guiana jaloers zynde, en benydende den koophandel, welken de Franschen aldaar van toen af aan dreeven, waar van men wonderen vertelde, wilden daar in deel nemen. Een van hunne bekwaame zeelieden, de heer WALTER RALEIGH, was de eerste Engelschman, die den 6den February van 't jaar 1595 [*] vertrok, om in deeze ryke landen eenige onderneeming te beproeven: dus maakte men in Europa de Orenoco en Guiana bekend.

RALEIGH hield zig van het wezentlyk aanzyn deezer rykdommen zoo vast overtuigt, dat hy niet schroomt in het verhaal van zyne reize te zeggen: Dat hy, die Guiana veroveren zal, meer goud bezitten, en over meer volken heerschen zal, dan de Koning van Spanje en de Turksche Keizer. (Aardrykskundige Beschryving van Guiana.)

[*] Men zal opmerken dat onze Reiziger hier het volgende jaar 1596 noemt.

[6] SOMMELSDYK had het caracter van een dwingeland. Onder een godsdienstig uiterlyk, was hy oploopend, onbeschoft, een geweldenaar en wreedäart. Op zekeren tyd liet hy aan een hoofd der Indianen den kop afslaan, alleenlyk om dat dezelve aan eenig huislyk wangedrag schuldig stond.

Aant. v. d. Schryver.

[7] In den jaare 1667, zoo als ik hier boven gezegd heb, gaf Capitain ABRAHAM CRUISSEN aan deeze Stad den naam van Nieuw-Middelburg; maar zy behield altoos dien van Paramaribo, welken men voorgeeft een Indischen naam te zyn, en te beteekenen Bloem-veld. Dit is het algemeen gevoelen; maar ik vermeene, dat de punt Parham, de Para-Kreek, de Stad Paramaribo, en zelfs die groote uitgestrektheid van water, welke Golden-Parima genoemt word, hunnen naam ontleenen van Lord FRANCIS WILLOUGBY DE PARHAM, die één der eerste bezitters van deeze schoone landstreek was. De Hollanders geeven aan het grondgebied van Surinamen ook den naam van Provintie; maar men bedient zig in 't algemeen meer van den naam van Volkplanting of Bezitting.

Aant. v. d. Schryver.

[8] Men heeft naderhand by dit krygsvolk eenige jagers gevoegd.

Aant. v. d. Scryver.

[9] Men had ook een ontwerp gemaakt om jagthonden te leeren, de oproerige Negers in de bosschen op te zoeken en aan te vallen, maar zulks is nimmer aangenomen, uit hoofde van de moeielykheid om deeze dieren te geleiden.

Aant. v. d. Schryver.

[10] De kinderen volgen, in Surinamen, den staat van hunne moeder. Indien zy in slavernye is, behooren zy aan haaren meester, al was hun vader een Prins.

Aant. v. d. Schryver.

[11] Het is een plat vaartuig met vier of zes riemen, welks gedaante veel overëenkomst heeft met die van een schoen. Dan eens is het met een tent overdekt, dan eens niet.

Aant. v. d. Schryver

[12] De Kill-devill (een woord, zaamgestelt uit de woorden dooden en duivel, en het geen waarschynlyk zeggen wil: wie zou de duivel dooden,) is een zoort van rhum, die men maakt van schuim en droessem van suiker. Deeze drank is in de Volkplanting zeer gemeen, en de eenige, die men aan de Negers toestaat. De zuinigheid beweegt verscheiden Europeaanen, om daar van mede gebruik te maken; maar het is ten naasten by een langzaam vergift voor hun.

Aant. v. d. Schryver.

[13] Het schynt dat de vogel, waar van STEDMAN hier spreekt, is de Toucan van Caijenne met een witten hals, of het vrouwtje van den Toucan met een geelen hals.

Aant. v. d. Franschen Vert.

[14] Verscheiden beminnaars der Natuurlyke Geschiedenis, hebben aan deeze laatste herschepping getwyffeld. Het staat aan hunne beöordeeling, of het bewys, door onzen Reiziger bygebragt, gegrond genoeg is, om hun gevoelen te bepaalen. Mejuffrouw DE MERIAN, van wien hier gesproken word, was eene jonge Duitscheresse van Frankfort aan den Main, die, in 't jaar 1699, de reize naar Hollandsch Guiana deed, om aldaar insecten en kapellen af te teekenen.

Aant. v. d. Franschen Vert.

[15] De heer GREENWOOD, uit den omtrek van Leicester, heeft my verzekerd 'er één gedood te hebben van twaalf voeten lengte.

Aant. v. d. Schryver.

[16] Het schynt, dat het woord harwar is een bedorven spelling van het Engelsch en Hollandsch woord Haven. Dus zoude Devil's-Harwar beteekenen Duivels-haven.

Aant. v. d. Franschen Vert.

[17] "Het Kabinet van Natuurlyke Geschiedenis bezit het beruchte hoofd, te Maastricht gevonden, en zelfs eenige wervelbeenderen van zommige deelen van het geraamte, waar toe die kop behoord heeft…. Ik had dit beruchte hoofd, het welk myne nieuwsgierigheid had gaande gemaakt, doen afteekenen: het zelve is thans in het Magazin in 't koper gesneden.

"Het is gemakkelyk te zien in deeze versteening, dat 'er verscheiden koppen van beesten van één en het zelfde zoort zyn; maar welk is het zoort, waar toe deeze behoord? dit staat nog te beslissen; men heeft derzelver classe nog met geene zekerheid kunnen bepaalen….

"Dit stuk, eenig in zyn zoort, heeft de aandacht van veele waarneemers tot zig getrokken…. Het heerschend gevoelen tegenwoordig is, dat deeze kop tot een nieuw zoort van Krokodillen behoord". (Getrokken uit een brief van L. A. MILLIN aan Dr. HERMAN, ingelascht in 't Magazin Encyclopedique, 't 1ste jaar, 6de Deel, bladz. 34., alwaar men ook eene in 't koper gesnedene afbeelding van deezen zelfden kop vind, waar van de Burger FAUJAS-SAINT-FOND, Hoogleeraar in 't Museum der Natuurlyke Geschiedenis, eene beschryving belooft.)

Aant. v.d. Franschen Vert.

[18] Het is de Passiebloem. Mejuffrouw DE MERIAN noemt dezelve Marquias.

Aant. v. d. Franschen Vert.

[19] Dr. LABORDE zegt drie zoorten van Otters in Guiana te hebben waargenomen.

1º. De grootste, die van veertig tot vyftig ponden weegt, en wiens hair zwart, en byna kaal is; hy houd zig op in de Rivieren.

2º. Die geene, waar van de huid geel-achtig is, van de kleur der Gummi-gutta, en wegende twintig tot vyf-en-twintig ponden; hy bewoond insgelyks de Rivieren.

3º. De gryze, niet meer dan drie of vier ponden wegende; hy houd zig op in de gaten by de Rivieren, en is zeer gevaarlyk voor de honden.

Allen ontwyken zy het water, alwaar ebbe en vloed is, en houden zig alleenlyk op in zoete wateren, in de meiren, of boven in de Rivieren; zy gaan troepsgewyze naar de verdronken Savanen. Men maakt 'er jagt op, om hunnen buit te hebben, tot dit einde gaat men in eene hinderlaag aan den waterkant leggen. Zy zyn wild; en zoo men op hen schiet, terwyl zy zwemmen, zinken zy naar den grond, en zyn voor den jager verlooren.

De wyfjes werpen maar één jong, zelden twee; zy zyn minder vruchtbaar dan in Europa. Zy werpen haare jongen in de holen, die zy aan den waterkant graven. Op de landhuizen voed men deeze dieren op.

Aant. v. d. Franschen Vert.

[20] Dusdanige kruik houd vier pinten, Parysche maat.

Aant. v. d. Franschen Vert.

[21] Volgens Mejuffrouw MERIAN en LINNAEUS is STEDMAN in dit verkeerd begrip gevallen. De eijeren van de Pipal, uit het lichaam van het wyfjen uitkomende, worden door het mannetjen vruchtbaar gemaakt; op de zelfde wyze, als die van alle andere kikvorschen of padden. Het mannetje duwt ze te gelyker tyd onder zyn buik, en spreidt ze uit op den rug van het wyfjen: de eijeren kleeven aan de huid vast, en het vruchtbaarmakend vocht van het mannetje, het geen dezelve besproeit, doet de bekleedzelen van den rug opzwellen. De eijeren intusschen worden dik, de jongen broeien uit, komen uit hunnen dop, en een waarnemer, die hen op dit oogenblik ontmoet, zou gelooven, dat zy op den rug zelven van hunne moeder zyn voortgebracht.

Aantekening v. d. Franschen Vert.

[22] Men leest in de Beschryving der Dieren van den heer PENNANT, dat deeze zelfde ARSCOTT, een Engelschman, zoo verre gekomen is, dat hy eene gemeene padde eenigermaten heeft tam gemaakt. Dezelve was van eene ongemeene grootte; het was omtrent zes-en-dertig jaaren geleden, dat deeze padde zig voor de eerste maal aan den vader van ARSSCOTT vertoond had; hy had langen tyd onder een trap gehuisvest. De zorg, die men voor zyn onderhoud droeg, maakte hem tot een huisdier, zoodanig dat hy alle avonden, wanneer hy licht in huis bemerkte, voor den dag kwam, en de oogen opsloeg, als of hy verwagtte, dat men hem zoude opvatten, om op de tafel zetten. Aldaar vond hy zyn eeten klaar gemaakt; dit bestond uit wormen, van het zoort, zoo als men op bedorven vleesch ziet te voorschyn komen: men bewaarde dezelve voor hem in zemelen. De pad ging dezelve met aandacht na; en wanneer zig één van deeze wormen onder zyn bereik bevond, bespiedde hy dien met het oog, en bleef eenige oogenblikken onbeweeglyk; vervolgens wierp hy eensklaps zyne tong van verre op den worm, die 'er aan bleef hangen, door middel van een lymig vocht, waar mede dezelve aan het einde bestreeken was; deeze beweeging van de tong was zoo gezwind, dat 'er de toekyker geen oog op houden konde.

Het is waarschynlyk, dat deeze padde zeer lang geleefd zoude hebben, zoo niet een huis-raaf hem op zekeren tyd by den ingang van zyn hol had aangepakt. De pogingen, welke ARSSCOTT deed, om de padde aan zynen vyand te ontrukken, konden niet beletten dat deeze hem een oog uitpikte; schoon hy naderhand nog een jaar geleefd heeft, wierd hy treurig en kwynende. Hy had veel moeite, om zynen buit meester te worden, dewyl het verlies van zyn oog hem het vermogen benam, om denzelven juist te mikken.

Aanteeken. v. d. Franschen Vert.

[23] Indien men zommige reizigers gelooven mag, maakt de Trompetter zig meester van de voorplaats. Des morgens jaagt hy alle de kalkoenen, eendvogelen en andere huisdieren naar buiten; en des avonds noodzaakt hy dezelve om te rug te komen: hy zelf sluit zig niet op; hy slaapt of op het dak van de voorplaats, of op een naby staande boom.

Aant. v. d. Fransschen Vert.

[24] Deeze driehoeken hebben drie punten, zynde lang en met weerhaken, gelykende naar kleine dreggen, en die uit een yzeren halsband uitkomen.

Aanteek. v. d. Schryver.

[25] De Lepelaar, of Bécharu, is de Flamant van BRISSON, of de Flamant van BELON, en de Phoenicopterus der ouden. Men zegt, dat de laatstgemelde naam, afgeleid van den naam, dien de Grieken aan deezen vogel gegeven hebben, volgens deszelfs oorsprong beteekend, een vogel met vuur-kleurige vlerken, en schildert zeer wel den Phoenicopterus, wiens vlerken in de daad van een zeer levendig roode kleur zyn. De naam van Bécharu is hem gegeven uit hoofde van de byzondere gedaante van zyn bek, die gekromd is als het kromhout van een ploeg.

Deeze vogel is eenig in zyn zoort, en maakt een geslacht op zig zelf uit. Men vind die op 't oude vaste Land; en in Europa, op de kusten van Spanjen, Italiën, Provence, en Languedoc. De Americaansche Indianen maken, van zyne fraaije vederen, halsbanden, mutsen, gordels, waar mede zy zig vercieren. Het vleesch van den jongen Phoenicopterus wierd door de ouden als eene uitgezochte spyze beschouwd.

[26] Het schynt, dat dezelve de pacobe of bacove van Cayenne is. Men noemt de vrucht van den Bananen- en Plantain-boom doorgaans bananen; maar wy hebben dezelven, met den Schryver van dit werk, onderscheiden, door aan de vrucht van den laatstgemelden, den naam van plantain te geven. Dit was noodzakeiyk, want hy verwart ze niet, en spreekt dikwils van beiden te gelyk.

Aanteek. v. d. Franschen Vert.

[27] De Schryver van deeze reize verwyst hier den lezer tot de meer uitgebreide opgaven, door Dr. BANCROFT aangaande dit vergift gegeven in zyne natuurlyke Geschiedenis van Guiana, een werk, weinig of in 't geheel niet in Frankryk bekend.

BANCROFT begint met te verhaalen, het geen DE LA CONDAMINE voor hem nopens dit vergift gezegd heeft; zie het zelve hier: "De Yamcos zyn zeer afgericht op het maken van lange pylkokers, die het gewoonste jagt-wapen der Indianen zyn. Zy doen daar in kleine pylen van palmhout passen, welke zy, in plaats van met vederen, met een kleine kloen catoen voorzien, die de buis naauwkeurig vult. Zy werpen dezelve door blaazen dertig of veertig schreden ver, en missen byna nooit te raken. Een zoo eenvoudig werktuig vervult by alle deeze volken met zeer veel voordeel het gebrek van schietgeweer. Zy doopen de punt van deeze kleine pylen, als mede die van hunne bogen, in zulk een scherp vergift, dat het zelve, wanneer het versch is, in minder dan één minuut het dier doodt, het welk door den pyl gewond is. Schoon wy snaphaanen hadden, hebben wy, aan de Rivier, nooit wildt gegeten, het welk op eene andere wyze gedood was, en dikwils hebben wy de punt van den pyl onder den tand gevonden; daar by is geen gevaar hoe genaamd; dit vergif werkt niet, dan wanneer het onder het bloed koomt. Dan is het voor den mensch niet minder doodelyk, dan voor andere dieren. Het tegengift is het zout, en nog zekerder de suiker"—Op een andere plaats:

"Dit vergift is een uittrekzel, door middel van het vuur gemaakt, uit de sappen van onderscheidene planten, en in 't byzonder van zekere heestergewassen. Men verzekert, dat het vergift, ticunas genaamd, zynde het zelfde, waar mede ik de proef genomen heb, het welk onder de verschillende zoorten, die langs de Rivier der Amazonen bekend zyn, het meest geacht is, uit meer dan dertig zoorten van kruiden is zaamgesteld". (Verkort verhaal van eene reize door de binnen-lánden van Zuid-America gedaan.)

"De ticunas (dus vervolgt Dr. BANCROFT) wordt waarschynlyk gemaakt van de zelfde kruiden, als de wourara, een vergift, het welk zynen naam ontleent van het heestergewas, het welk 'er de grondslag van uitmaakt. Het vergift der Accawaus-Indianen, het welk voor het geweldigste gehouden wordt, bestaat slechts uit vyfderley kruiden, wel verre, dat het uit dertig zoude bestaan, zoo als de heer DE LA CONDAMINE van de ticunas opgeeft. Andere volken echter, en in 't byzonder de Arrawks, voegen 'er naar goedvinden de tanden en lever van een vergiftige slang, als mede roode peper, by; het laatste, om 'er de werking van te vermeerderen. De Worrows mengen 'er een grooter getal kruiden onder, misschien uit bygeloovigheid, of om dat zy zig door onkunde verbeelden, dat zy, meerder dingen onder elkander mengende, de verlangde uitwerking des te zekerder bekomen zullen.

"Zie hier het voorschrift van het vergift der Accawaus, het welk verscheiden van hunne Peji of Geneeskundigen my op verschillende tyden gegeven hebben: allen stemden zy over één met opzigt tot het zoort en getal der planten; zy verschilden alleenlyk in de hoeveelheid of gifte.

Men neemt van alle de kruiden, waar uit dit mengzel bestaat, even veel.

Men neemt zes deelen van de schil van den wortel van wourara, twee van de schors van warra cobba courra; één van de schil van den wortel van concassapi, één van balleti, en eindelyk één van hatchybaly.

Men schraapt alles fyn, doet het in een kruik, en giet 'er water op. Men zet deeze kruik op een matig vuur, zoo dat het na verloop van een vierde van een uur begint te koken. Dit gedaan zynde, moet men het sap met de hand uitdrukken, zorg dragende, dat de huid niet ontvelle. Men werpt de bast weg, en doet vervolgens het sap op een matig vuur uitdampen, tot op de dikte van pik en teer. Dan neemt men het af, en men doopt daar in kleine platte stukken cokarito hout, (een zoort van palmhout,) waar aan het vergift, wanneer het koud is, blyft hangen, en dan de gedaante heeft van een roodachtig bruine gom. Deeze stukken hout dus bestreken zynde, steekt men dezelve in groote holle rottingen, aan beide einden met een huid toegemaakt. Wanneer men een pyl wil vergiftigen, werpt men één van deeze stukken hout in 't water, of men houdt het zelve boven den rook van 't vuur, om door dien damp week te worden; in het eerste geval doopt men de pyl in 't water, en in 't tweede wryft men die tegen dit stuk hout. De kleinste hoeveelheid van dit vergift, door eene wonde in de bloedvaten van een dier gebragt zynde, doet het zelve in minder dan één minuut sterven, zonder eene blykbaare waare pyn, schoon men zomtyds ligte stuiptrekkingen op het oogenblik van den dood bemerkt.

De heer DE LA CONDAMINE zegt, dat de Indianen misdadige vrouwlieden tot het bereiden van dit vergift gebruiken, en dat, wanneer zy den geest geven, zulks een bewys is, dat het genoeg gekookt heeft: dit gelykt zeer naar een verdichtsel. De Indianen, die in den omtrek der Volkplanting van Demerary woonen, doen, hun vergift in de vrye lucht uitdampen, tot dat het zyne volkomene dikte verkregen heeft, en zulks zonder het minste gevaar.

"De kruiden, die tot het zamenstellen van dit vergift der Accawaus gebruikt worden, zyn heestergewassen van onderscheiden zoort.

"Ik heb 'er de proef mede genomen op dieren die ziek waren, en weinig bloed hadden; ik bevond, dat het een langzaamer uitwerking deed, dan op sterke en gezonde dieren.

Men weet geen zeker tegengift tegen dit vergift. Ik twyffel, of eenig geneesmiddel, langs den weg, tot de spysverteering geschikt, ingenomen, schielyk genoeg kan werken, om deszelfs verschrikkelyke gevolgen voor te komen. Om de uitwerking van de ticunas tegen te gaan, geeft DE LA CONDAMINE het zout, en als een zekerder middel de suiker op. De blanke inwooners van Demerary schryven dezelfde kragt aan het sap van het suikerriet toe, maar de Indianen zyn het daar mede niet eens, en ik heb geene enkele keer het bewys van deszelfs kragtdadige werking kunnen ontdekken. De zelfde reiziger spreekt van eene proeve, te Caijenne in tegenwoordigheid van den Bevelhebber genomen, aan een hoen, door eene vergiftigde pyl gewond, het welk men suiker deed inneemen, zonder eenig blyk van ongesteldheid te geven. Maar deeze proef te Leiden, in tegenwoordigheid van verscheiden Hoogleeraars in de Geneeskunde aldaar, hernieuwd zynde, was zonder het verlangd gevolg, schoon de koude van den winter ontwyffelbaar de werking van het vergift verzwakt had.

Wanneer één der watervaten door één van deeze vergiftigde pylen gekwetst is, volgt 'er eene koortsachtige ontsteeking op. Ik heb 'er een voorbeeld van gezien in een Indiaan, tot zekere Plantagie behoorende, die zig den voorsten vinger van de linke hand met één van deeze pylen ligtelyk ontveld had. Dewyl 'er geen bloed uit liep, vreesde hy niets; maar wel dra wierd zyne wonde pynlyk, zyne hand zwelde verbaazend op, en dienvolgende kwam deeze man my raadplegen. De uitwerking van dit vergift toen niet kennende, deed ik een Peji uit den stam der Arrawks roepen, die in de nabyheid was, en vroeg hem door een tolk, of hy eenig geneesmiddel tegen dit toeval had. Hy antwoordde my van neen; maar hy verzekerde my, dat de Indiaan 'er niet van sterven zoude, dewyl 'er geen bloed uit de ontvelling, die naauwlyks zigtbaar was, geloopen had. De uitwerkzels van het vergift wierden intusschen steeds geweldiger; en niet alleen zyne hand, maar zelfs de geheele arm was ontstoken. De pols was hard, schielyk, afgebroken; de ademhaling moeielyk, met eene koortsige hette, een brandende dorst, en de oxel-klieren waren gezwollen. De zieke wierd in tyds adergelaten. Men wond hem den arm in linnen, het welk in oly en azyn was nat gemaakt. Verscheide middelen, de ontsteeking tegengaande, wierden inwendig toegediend; maar ik zal ze niet opnoemen, want ik weet niet, of zy van eenig nut waren. In twaalf uuren verminderde het geweld der toevallen zichtbaar; en des anderen daags morgens was 'er geen blyk meer van overig.

"Ik zal 'er byvoegen, als eene andere uitwerking van dit vergift, dat wanneer een aap door eene vergiftigde pyl gewond is, hy op den grond valt; wanneer hy door eene gewoone pyl geraakt is, klimt hy op den top van den boom, en blyft aldaar; zelfs na dat hy reeds dood is".

De proeven van Dr. BANCROFT omtrent het door hem vermelde vergift, dezelfde zynde, als die van FONTANA aangaande de ticunas, zullen wy het besluit van deezen Natuur-kenner des aangaande opgeven.

Van de ticunas, of het Americaansch vergift.

"De reuk van dit vergift, wanneer het droog is, is geheel onschadelyk; en zoodanig zyn ook deszelfs deeltjens, die door de lucht in den mond of in de neus, en vervolgens in de long komen.

"De uitwaassemende dampen van het Americaansch vergift, (het zy men het op gloeiende kooien geworpen heeft, het zy men het in een pot heeft laten koken,) zyn onschadelyk, het zy men ze ruikt, het zy men ze inademt.

"Schoon het vergift, waar van ik my bediende, door ouderdom veel verloren had, had het egter zyne wezentlyke eigenschap behouden, om in zeer korten tyd, en in zeer kleine giften, zeer sterke dieren te dooden; en het was altyd zonder gunstig gevolg, wanneer ik deszelfs werking tragte te beletten door suiker en zout, welke ondertusschen de twee eigenäartige geneesmiddelen zyn van den heer DE LA CONDAMINE, die daar in het begrip der lieden van dit Land gevolgd heeft.

"Dit vergift ontbindt zig gemakkelyk en zeer goed in water, zelfs in koud water, als mede in zuuren uit het ryk der mineraalen en planten. Echter ontbindt het zig veel langzaamer in vitriool-oly, dan in andere zuuren, en het wordt 'er zoo zwart in als inkt: het welk met geene der andere zuuren gebeurt.

"Het maakt geene opbruisching, nog met zuuren, nog met loogzouten, en doet de melk niet schiften, geevende daar aan alleenlyk deszelfs natuurlyke kleur.

"Het verandert het radys-sap niet, nog in eene roode, nog in in eene groene kleur; en wanneer men het door het vergrootglas onderzoekt, ziet men 'er niets regelmatigs en zoutachtigs in; maar het schynt grootendeels uit zeer kleine onregelmatige rondachtige lichaampjes zaamgesteld, even als sappen van planten. Het droogt zonder barsten, verschillende daar in van het slangen-vergift: en op de tong gelegd zynde heeft het eene zeer bittere smaak.

"Uit allen deezen besluit ik, dat het noch zuur, noch loogzoutig is, en dat het niet bestaat uit zouten, die zigtbaar zyn, zelfs door middel van het vergrootglas.

"Het Americaansch vergift is geen vergift, wanneer men het op de oogen legt, zelfs na dat het in water ontbonden is; en het doet op deeze deelen geene werking.

"De heer DE LA CONDAMINE, en alle Americaanen gelooven, dat dit vergift, inwendig genomen, geheel onschadelyk is.

"Volgens verscheide waarneemingen, genomen aan dieren, die 'er van gestorven zyn, besluit ik als eene waarheid, dat het Americaansch vergift, inwendig genomen, een vergift is, maar dat 'er eene wezentlyke hoeveelheid verëischt word, om zelfs een klein dier te dooden.

"Andere, naderhand genomene proeven, zoo aan vogelen, als aan viervoetige dieren, hebben my doen befluiten, dat het Americaansch vergift, op de huid gelegd zynde, schoon dezelve naauwlyks door eene krabbing ontveld is, den dood kan veroorzaaken, hoe wel niet altyd, en in alle omstandigheden. De grootste dieren wederstaan de werking van dit vergift het gemakkelykst, en wanneer zelfs de zwakste dieren 'er niet van sterven, bevinden zy zig in korten tyd zoo gezond als te vooren.

"Men behoeft omtrent een honderdste gedeelte van een grein van dit vergift, om een klein dier te dooden, en het is noodig, dat dit vergift ontbonden zy, om den dood te veroorzaken, of tot eenige verwarring van aanbelang in de dierlyke huishouding gelegenheid te geven.

"Wanneer 'er weinig bloedvaten in het aangetast deel zyn, word het kwaad niet medegedeeld, of is ten minsten niet doodelyk.

"De pylen zyn veel gevaarlyker en doodelyker, dan het vergift, het welk in water ontbonden is, en eenvoudiglyk op het gewonde deel gelegd word.

"Het vergift der pylen is krachtiger, indien men ze vooraf in warm water doopt; en dan werken zy met meer zekerheid en gezwindheid. Deszelfs werkzaamheid is nog veel grooter, indien men de pylen doopt in het vergift, het welk in water tot de dikte van een drank gekookt is.

"Het Americaansch vergift verliest zyne doodelyke hoedanigheden, wanneer het in de drie zuuren uit het mineraalen-ryk ontbonden word; maar in rhum en azyn ontbonden zynde, behoudt het dezelve.

"Het schynt derhalven, dat de zuuren uit het mineralen-ryk aan het Americaansch vergift deszelfs schadelyke hoedanigheden ontnemen: ik zeg eenvoudig, dat dit zoo schynt, om dat men nog zoude kunnen denken, dat 'er een weinig zuur met het vergift vereenigd blyft, schoon men het heeft uitgedampt, en dat dit zuur op de vaten van de huid zyne werking doet. Het verschroeit dezelve, en byt ze eenigermaten weg.

"Schoon de zuuren de werking van het vergift beletten, schynt het, dat zy een nutteloos en gevaarlyk middel zyn, indien men ze op de vergiftigde spieren van het dier legt.

"'Er is een bepaalde tyd noodig, op dat het Americaansch vergift aan het dier worde medegedeeld. Deeze tyd is veel aanmerkelyker, dan die 'er tot de mededeeling van het vergift der slangen verëischt word. Deszelfs uitwerkingen op de dieren zyn veel onbepaalder en meer verschillende. Beiden kan men geneezen door het afzetten der deelen, wanneer zulks zonder doods-gevaar geschieden kan, en mits deeze afzetting in tyds geschiede.

"Het vergift, in het bloed gekomen zynde, doodt oogenblikkelyk: waar uit ontwyffelbaar blykt, dat, wanneer het uitwendig op een gewond deel van een levend dier gelegd word, het zelve groote wanorden in de dierlyke huishouding kan en moet veroorzaken, of zelfs den dood aanbrengen.

"Het vergiftigt de zenuwen niet; en is een onschadelyk sap, op welke wyze het dezelve ook aanraakt. Maar het is doodelyk, zelfs in de kleinste gift, indien men het door den strot-ader in het bloed brengt, even als het vergift der slangen doet. De geheele werking van dit vergift is dus op het bloed.

"De dood, die onmiddelyk volgt, zoo dra het vergift in 't bloed gekomen is, zoude kunnen doen denken, dat 'er in het bloed een werkzaamer, fyner, vlugger beginzel is, het welk aan het beste gezicht, en zelfs aan het vergrootglas ontsnapt. Dit beginzel zoude, in die veronderstelling, voor het leven noodzakelyk schynen; en op dit beginzel zelfs schynt het vergift onmiddelyk deszelfs werking te doen.

"Voor het nemen myner proeven, zoude niemand getwyffeld hebben, of het Americaansch vergift deedt zyne werking onmiddelyk op de zenuwen. Alle uiterlyke teekenen kondigden dit mede aan. Deeze teekenen gaan dus niet zeker; en de Geneeskundigen beschouwen dezelve ten onrecht als een bewys, dat de ziekte eene zuivere zenuw-ziekte is" (FONTANA, Memoire sur le poison Americain, appellé ticunas. Tom. II. pag. 83.)

Aanteek. v. d. Franschen Vert.

[28] Men vindt in het Kabinet van oudheden, in de Nationale Boekereije, eene merkwaardige reeks van kleederen en huisraad, door Asiätische, Africaansche, en Americaansche volken gebruikt wordende. Deeze dingen zyn, by gebrek aan plaats, onder de Grieksche en Romeinsche gedenkstukken ongelukkiglyk verward geraakt; maar men moet de Opzichters van dit Kabinet deswegens niet beschuldigen, daar zy liever verkozen hebben de voorwerpen op één te stapelen, dan ze verborgen te houden. Hun oogmerk, met die dingen in hun Kabinet te verzamelen, is, om na de gedenkstukken, die tot de geschiedenis der oude volken betrekking hebben, als daar zyn de Egyptenaaren, de Grieken, en de Romeinen, tevens aan de nieuwsgierigheid aan te bieden die geene, welke tot de geschiedenis der volken in afgelegene Gewesten behoord hebben, als de Chineezen, de Japoneezen, de bewooners van de Kust van Guinee, van de Landen in de Zuid-zee, van Peru, van Mexico, enz. Het was te wenschen, dat men de zaal afmaakte, die voor deeze gedenkstukken in de Nationaale Boekereije bestemd is, en dat men, overëenkomstig het verlangen der Opzichters, de even vermelde zaaken op ééne plaats by elkander voegde. Alles wat op deeze plaat vertoond word, is in het Kabinet der Boekereije te zien. Men ziet 'er bovendien een hut der wilden, waar in alle deeze werktuigen in 't klein met eene groote juistheid zyn nagemaakt, even als het verkleind model van onderscheidene gewerkte stoffen, het welk de gewezen Hertog van Orleans had laten maken, om in de bewaarplaats der konsten gezet te worden.

Aanteek. v. d. Franschen Vert.

[29] Zie hier het geen Dr. BANCROFT van deezen aap zegt: "De quato (of coïata) is groot, en geheel met lange zwarte hairen bedekt, uitgenomen het aangezicht, het welk kaal en gerimpeld is. Zyne ooren zyn breed, en hebben de gedaante van menschen-ooren, Zyne oogen zyn zeer ingedoken, en zyn neus gelykt naar die van een Neger; maar is veel kleiner. Zyn lichaam heeft by de twee voeten lengte, en agttien duimen in den omtrek, aan de borst gerekend. Deeze Aap heeft geen baard, en ook geen staart. De dieren van dit zoort worden gemakkelyk zeer gemeenzaam. Zy betoonen in alle hunne daden veel behendigheid, en een zoort van list, waardoor zy opmerkelyk worden. Wanneer men hun de voorpooten of handen agter op den rug bindt, loopen zy met het lichaam over einde, en op hunne agterpooten, geheele dagen lang, en met zoo veel gemakkelykheid, als of zy in hunnen natuurlyken stand waren. Indien men een quato slaat, klautert hy dadelyk op een limoen-, of orange-boom. Indien men hem aldaar wil vervolgen, werpt hy de limoenen of oranje-appelen op het hoofd van den aanvaller; hy tracht hem zelfs af te weeren, door hem zyne vuiligheid toe te werpen; en hy trekt te gelyker tyd allerleije wonderbaarlyke gezichten; hy maakt duizend kromme sprongen, die aan de toekykers een oneindig vermaak verschaffen. De mannetjes zyn zeer wellustig, en men betrapt hen meenigmaal op zaad-verspillingen". (Natural History of Guiana, pag. 131.)

Aanteek. v.d. Franschen Vert.

[30] Het is zeer waarschynlyk, dat ULLOA dit heeft overgenomen uit de Geschiedenis der West-Indiën van ACOSTA. Deezen doet men zeggen in eene vertaaling, in 't jaar 1604 gedrukt.

"Deeze aapen springen, waar zy willen; en om den sprong te doen, draaien zy de staart rondom een tak. Wanneer zy lust hebben, om verder te springen, dan zy in eens doen kunnen, gebruiken zy een vernuftig middel, daar in bestaande, dat zy zig met de staart aan malkander vast binden. Op die wyze maken zy een zoort van keten, en springen op een grooten afstand."

ACOSTA zegt, dat hy zelf geen getuige van dit gebeurde geweest is, maar hy staat in voor de waarheid van het volgende. Zie hier zyne woorden: "Ik heb aan 't huis van den Gouverneur van Carthagena een aap gezien, die zoo wel geleerd was, dat hy dingen deed, die ongelooflyk schynen. Men zond hem om wyn te haalen naar de herberg, doende hem de pot in de eene, en het geld in de andere poot nemen; en het was onmogelyk het geld van hem te krygen, eer men hem aan den wyn geholpen had. Indien hem op straat kinderen ontmoetten, en steenen naar hem wierpen, zette hy zyn pot op den grond neder, gooide de kinderen de steenen weder toe, tot dat zy den weg vry hadden gelaten; en dan keerde hy met zyn pot naar huis. Maar het sterkst van allen is, dat schoon hy veel van wyn hield, hy nooit den wyn aanraakte, dien hy t'huis bragt, zoo lang men 'er hem geen verlof toe gaf."

Aanteek. v.d. Schryver.

[31] Onze Reiziger zegt, dat de Franschen deezen boom Latanus-boom noemen: men weet, dat 'er twee van dien naam zyn. Hy heeft den eersten, die tot het geslacht der Palmboomen behoort, in het I. Deel, X. Hooftst. bladz. 308. beschreven. De beschryving van zynen Mauricy past op den tweeden niet. Verscheiden Natuurkenners, welken ik geraadpleegd heb, hebben hem geenen naam, die aan zyn zoort byzonder eigen was, kunnen geven; ik heb dus gemeend, zoo hier als op de Plaat, die hem vertoont, den naam te moeten behouden, welken hy in het oorsprongelyke heeft. Dr. BANCROFT spreekt, in zyne Natuurlyke Geschiedenis van Guiana, van den Mauricy niet; misschien is hy niet in de gelegenheid geweest denzelven te zien.

Aanteek. v. d. Franschen Vert.

[32] 'Er wordt hier waarschynlyk gedoeld op de amandel, welke men aard-pistache of aard-appel noemt, waar van de bloemen, uit welken zy voortkomen, naar den grond buigen, tot dat zy denzelven raaken. Wanneer de bloem heeft uitgebloeit, gaat de noot in den grond, werkt zig aldaar hoe langer hoe dieper in, en wordt een bultachtige, asch-kleurige, ronde en bogtige bol, van de grootte van een vinger, doorweven met draden, uit den wortel voortkomende. Deeze bol, die onder den grond ryp wordt, bevat twee of drie ronde roodachtige pitten, van de grootte van onze hazelnoten, en van denzelfden smaak.

Aanteek. v. d. Franschen Vert.

[33] Zie hier, het geen Mejuffrouw DE MERIAN ten deezen opzigte zegt:

"De roode, blaauwe en witte druif groeit weelig in het Surinaamsch Gewest; een wynstok, gesneden en in den grond gestoken zynde, brengt zes maanden daar na rype druiven voort; zoo dat men alle maanden plantende, het geheele jaar door druiven hebben kan. Het is te betreuren, dat 'er in dit Land geene lieden gevonden worden, die zig op het aankweeken van deeze plant toeleggen; want wel verre, dat het noodig zoude zyn, om wyn naar Surinamen te voeren, zoude deeze Volkplanting dien zelfs aan Holland kunnen leveren, dewyl men verscheiden malen 's jaars zoude kunnen oogsten". Men vindt, in de verzameling der afbeeldingen van deeze Juffrouw, een Surinaamschen druiven-tros. Iets verder spreekt zy ook van kerssen; maar zy zegt, dat ze niet goed zyn: misschien had men in haaren tyd pogingen gedaan, om verscheiden van deeze vruchten in de Volkplanting van Surinamen aan te kweeken, en het welk niet gelukt zynde, STEDMAN dezelve niet zal hebben kunnen vinden.

Aanteek. v. d. Franschen Vert.

[34] Men kan een slaaf van goed gedrag, in Surinamen, niet afzonderlyk verkoopen, zonder de toestemming van zynen vader, moeder, broeders en zusters.

Aantek. v. d. Schryver.

[35] Ik heb gezegd, dat JOANNA de dogter was van een fatsoenlyken Hollander, en dat het geslacht van haare moeder onder de aanzienlyksten op de Africaansche kust was.

Aantek. v. d. Schrijver.

[36] De Neger-Jagers hadden de gewoonte, om elken muiteling, dien zy doodden, de rechte hand af te kappen, en dan ontfingen zy vyf-en-twintig gulden. Men gaf hun vyftig gulden, wanneer zy 'er één levendig vongen, en duizend gulden voor het ontdekken van een gehucht of bezitting.

Aanteek. v. d. Schryver.

[37] De Negers hebben de onmenschelyke gewoonte, om de lyken hunner vyanden te verminken en te verscheuren; zommigen zelfs doen dit, even als de Caraïben, met hunne tanden.

[38] Men zie het Pourtrait van den Schryver, voor het eerste Deel van dit werk geplaatst.

[39] De Indianen maken de buitenste bast van deeze vruchten glad, na dat ze ledig gemaakt en gedroogd zyn, en doorvlammen dezelve op eene fraaije wyze met Roucoa en andere schoone kleuren, in acajou gom gemengd zynde. Hunne teekeningen, in 't wilde gemaakt, zyn vry juist voor lieden, die geene liniaalen noch passers hebben. Men ziet deeze werken nu en dan in de kabinetten van zeldzaamheden.

De inwooners der plaatsen, alwaar de Calebassen-boom groeit, beschouwen het vleesch van deszelfs vrucht als een algemeen geneesmiddel voor een groot aantal ziekten en toevallen. Zy gebruiken het tegen de waterzucht, buikloop, kwetsingen door vallen veröorzaakt, kneuzingen, ongemakken van wegen het steken der zon, hoofdpynen, zelfs om verbrandingen te geneezen. Zy maken 'er een geestryken drank van, naar onze limonade gelykende. Tegenwoordig heeft men het gebruik, om dit vleesch te laten koken, het afkookzel door een doek te gieten, vervolgens suiker daar in te mengen, en daar van eene buikzuiverende Syroop te maken, welke men op de Eilanden dikwils gebruikt, om geronnen bloed kwyt te raken: deeze Syroop word tans in Frankryk gemeen, alwaar men ze voor de borst gebruikt. Zy is bekend onder den naam van Calebassen-Syroop.

MILLER bericht ons, dat men, uit aartigheid, en met een goeden uitslag, den Americaanschen Calebassen-boom, in een broeikas van gematigde warmte, in Europa had aangekweekt; deeze boom vordert een ligten grond, en meenigvuldige besproeijingen. Men plant hem voort door stekken en versche korrels of pitten in den grond te steken.

Aanteek. v. d. Franschen Vertaler.

[40] STEDMAN zegt in eene aanteekening, by deeze gelegenheid, te gelooven, dat deeze slang tot het zelfde zoort behoort, waar van Dr. BANCROFT spreekt, die, in navolging van de Indianen, denzelven de kleine Labarra noemt, waar van de beschryving alhier volgt:

"De kleine Labarra heeft ten naasten by de lengte van veertien voeten, en de dikte van een gewoone zwanen-schacht. Hy is bedekt met kleine blinkende schubben van eene donker bruine kleur, en eene meenigte witte vlakken. Zyne staart is klein en spitsachtig toeloopende, zyn kop een weinig plat, en grooter dan het overig gedeelte van zyn lichaam. Een ongelukkig voorval, onlangs op de Plantagie la Conception, in de Volkplanting Demerary, gebeurd, bewyst de kwaadaartigheid van het gift van deezen slang. Hy, die daar van de doodelyke gevolgen ondervondt, was een Neger-slaaf, een timmerman van zyn ambacht. Aan zyn werk zynde, en een stuk hout willende omkeeren, beet een slang van dit zoort, die 'er onder verborgen lag, hem in dien voorsten vinger van zyne rechte hand. De uitwerking van dit vergift was allergezwindst. De Neger had naauwlyks den tyd gehad, om den slang te dooden, of hy konde het niet langer op de been houden, maar viel op den grond ter neder, en stierf in minder dan vyf minuten. Het bloed, eene zoo schielyke ontbinding ondergaande, liep uit de slagaderen, en deedt op alle de uitwendige deelen van het lichaam purper-vlakken te voorschyn komen. 'Er volgde ook eene bloedstorting uit neus, ooren en mond, enz. Ik ben van dit geval geen ooggetuige geweest, maar ik verhaale het volgens het gezegde van lieden, wier geloofwaardigheid niet in twyffel kan getrokken worden, en die 'er by tegenwoordig waren, toen het voorviel".

De andere slang, waar van STEDMAN in het vervolg spreekt, schynt de Cenco te zyn, en met de evengemelde veel overëenkomst te hebben.

Aanteek. v. d. Franschen Vertaler.

[41] Men vindt van dit dier, onder deeze benaming, eene beschryving in het Dictionn. d'Hist. Natur.

Aanteek. v. d. Franschen Vertaler.

[42] Men schoot het kanon af by het aannaderen van het gevaar; de nabuurige Plantagiën herhaalden telkens de schoten; het alarm verspreidde zig dadelyk van wederzyden der Rivier, en de hulp kwam van alle toeschieten.

Aanteek, van den Schryver.

[43] Deeze regels zyn uit het treurspel van Hamlet overgenomen.

[44] In het vierde deel der Natuurlyke Geschiedenis van BUFFON, pl. 83, vindt men één van deeze vledermuizen, die slechts drie klaauwen aan elke vlerk heeft.

Aanteek. van den Schryver.

[45] Zommige Schryvers noemen hem het Rivierpaard van Zuid-America. Ik zal dit dier op een geschikter plaats, beschryven.

Aanteek. van den Schryver.

[46] Dit was des te aanmerkelyker, om dat wy met alle de Indianen in vrede waren, en dat de Negers de gewoonte niet hebben om het zelve weg te nemen.

Aanteek. van den Schryver.

[47] Locust-tree.—STEDMAN noch BANCROFT geven den Latynschen naam niet op van deezen boom, welken de Engelsche woordenboeken, door my gebruikt, vertaalen door het woord Caroubier of Brood-boom De beschryving, welke zy beiden van deezen boom geven, koomt niet juist overëen met de beschryving van den boom, die onder den naam van Broodboom bekend is. Zie hier, wat de laatstgemelde, van den Locust-tree sprekende, zegt.

"Deeze boom, die dikwils zeventig voeten hoog is, en een omtrek van negen voeten heeft, behoort tot het geslacht der peulvrucht-dragende planten. Zyne schors heeft eene gryze heldere asch-kleur. Zyne takken, die alleenlyk aan den top uitschieten, zyn zeer talryk, en bedekt met eironde bladen, van omtrent drie voeten lang, en eene zeer donkere groene kleur. Dezelve zyn aan een enkele steel twee aan twee verspreid, en altyd in het midden door eene ribbe ongelyk verdeeld. In plaats van zyne bloemen, die veel van de gedaante van kapellen hebben, komen platte peulvruchten, van omtrent drie duimen lengte, en anderhalve duim breedte, van eene heldere bruine kleur, wanneer ze ryp zyn, en bevattende drie purperkleurige amandelen, die veel naar de Windsorsche boonen gelyken, maar veel kleiner zyn. Deeze amandelen zyn bekleed met eene meelachtige zelfstandigheid, van een suikersmaak en helder bruine kleur, welke de Indianen met graagte eeten, en die aangenaam en zoet is.—Uit de voornaamste wortels van deezen boom druipt eene harstächtige, heldere, doorschynende,geel- of rood-kleurige gom. Men vindt 'er stukken van in den grond tusschen deeze wortels. In overgehaalden brandewyn gesmolten zynde, (want in water laat zy zig niet ontbinden,) levert zy een vernis op, het Chineesch verlakt zelfs overtreffende. Het hout van den Brood-boom is van eene helder bruine kleur; het is hard, zwaar en duurzaam; maar het vergaat in het water, even als het hout van byna alle de boomen in dit Land" (BANCROFT, Nat. Hist. of Guiana.)

Aanteek. v. d. Franschen Vertaler.

[48] Alle de Matroosen, Soldaten en Negers zyn zeer ongelukkig, wanneer zy gebrek aan tabak hebben. Dit houdt hen, zoo zy zeggen, wel te vreden, en zommigen zouden liever gebrek aan brood hebben.

Aanteek. van den Schryver.

[49] Zommige natuurkenners beweeren tegen het gevoelen van onzen reiziger, dat dit dier deeze snuit naar willekeur kan uit en intrekken, byna op de manier van een Olyphants snuit, of den hoorn van een Rhinoceros.

De Zee-paarden, in de huizen te Caijenne opgevoed, zyn uittermaten gemeenzaam, en worden gaarne gestreeld en gekrabd; zy loopen over al heen zonder kwaad te doen. Op het eetens-uur ziet men deeze dieren aankomen, als of zy tot het huisgezin behoorden; zy vermoeien de lieden, die aan tafel zitten, zeer; zy vragen hun op eene lompe wyze met hun snuit, om eeten te hebben; zy loopen rondom de eetens-tafel; zy eeten brood, cassave, vruchten, en dikwils, eer zy heen gaan, wryven zy zig tegen het huisraad.

De Indiaansche wilden bereiden de huid van deeze dieren, door dezelve uit te spannen en in de zon te laten droogen; zy bekleeden 'er hunne rondassen of oorlogs-schilden en hunne stormhoeden mede: de pylen en kogels doordringen met moeite dit gedroogde leder, het welk zeer hard, zeer dik, en waar van het weefzel zeer vast en in één gedrongen is. Te Caijenne maakt men 'er schoenen van, die langer duuren dan schoenen van ossen-leder; het water doorweekt dezelven niet ligt.

Aanteek. v. d. Franschen Vertaler.

[50] Veele Reizigers maken melding van Zee-menschen, waar aan zy den naam gegeven hebben van Tritons, Nereïden, Sirenen, half visch, half vrouw, of Ambizen. Allen komen daar in over één, dat het zeemonsters zyn, naar menschen gelykende, ten minsten van het hoofd tot het midden toe.

Men leest in zeker boek, genaamd Delices de la Hollande, dat in het jaar 1430, na eenen zwaaren storm, die de dyken in Westvriesland had doorgebroken, een Meermin in het slyk gevonden wierd. Men bragt dezelve naar Haarlem; men kleede haar, en leerde haar spinnen; zy gebruikte ons voedzel, en leefde eenige jaaren, zonder het spreken te hebben kunnen leeren, en had altyd een trek naar het water behouden. Haar geluid had veel overëenkomst met dat van een stervend mensch.

Aanteek. v. d. Franschen Vertaler.

[51] Hy hieldt hardnekkiglyk staande, dat deeze gezouten spyzen uitmuntend voor de gezondheid waren; en met dit al had hy drie koks uit Europa medegenomen.

Aanteek. van den Schryver.

[52] In plaats van dezelve neemt men ook wel een schelp, een visch-graat, of tyger-tanden.

Aanteek. van den Schryver.

[53] Verscheiden Natuur-kenners zyn van dit gevoelen niet. Onder dit getal behoort BUFFON, die in zyne Natuurlyke Geschiedenis van den Mensch zegt:—"De witte of blanke kleur schynt de oorsprongelyke kleur der natuur te zyn, welke de luchtstreek, het voedzel en de zeden zelfs tot in het geele, bruine of zwarte doen veranderen, en die in zekere omstandigheden weder te voorschyn koomt, maar met eene zoo groote verandering, dat ze niet gelykt naar de oorsprongelyke witte kleur, die door de opgegevene oorzaaken in de daad van natuur veranderd is".

Aanteek. v. d. Franschen Vert.

[54] Ik heb reeds gezegd, dat de Indiaansche vrouwen zonder smart kinderen baaren.

Aanteek. van den Schryver.

[55] Dit is onder hen zeer zeldzaam, want 'er is geen vreedzamer volk, dan zy.

Aanteek. van den Schryver.

[56] De inwoonders van Nieuw-Zeeland noemen hunne knodsen patou patous, welke gelykluidende uitdrukkingen te merkwaardiger zyn, naar mate van den zeer verren afstand, die hen van elkander scheidt.

Aanteek. v. d. Franschen Vert.

[57] Ik begryp niet, hoe Mejuffrouw DE MERIAN van dit kruipend gedierte kan zeggen, dat het zyne jongen levendig werpt.

Aanteek. van den Schryver.

[58] De Staaten van Holland weigerden den Koning dit verzoek.

Aanteek. van den Schrijver.

[59] 'Er zyn jaaren van vier, andere wederom van zes schepen.

Aantek. van den Schryver.

[60] Ik heb reeds gezegd, dat men in deeze Volkplanting geen rhum maakt, en geen suiker raffineert.

Aanteek. van den Schryver.

[61] Men zie Plaat VIII, te vinden in het 1ste Deel van dit werk, tegen over bladz. 128.

[62] Schoon de Europeanen in de verzengde luchtstreek bleek worden, hebben de inboorlingen des Lands, en inzonderheid de Mulatten en Quarteron-Negers eene zeer frissche kleur.

Aanteek. v. d. Franschen Vert.

[63] Hier wordt misschien bedoeld het zoort van rozen-boomen, het welk bloemen voortbrengt, Caraïbische rozen genaamd, en waar van Mejuffrouw DE MERIAN zegt:—"Deeze rozen zyn uit het Land der Caraïben gebragt naar Surinamen, alwaar zy welig groeien. Des morgens, wanneer zy open gaan, zyn zy wit, des middags rood, en des avonds vallen zy af".—Zy is de Rosa Sinuensis van FERRARIUS.

Aanteek. v. d. Franschen Vert.

[64] De groote en kleine Zurzak, of Zursaka, zyn onder den naam van Anona in de plant-tuinen in Holland bekend.

Aanteek. v. d. Franschen Vert.

[65] Men weet dat verscheiden dieren, zoo als de konynen en muizen, die volmaakt wit zyn, oogen van eene bloedkleur hebben.

Aanteek. van den Schryver.

[66] Deeze boom groeit tot eene aanmerkelyke hoogte. Zyn dikke en rechte stam is omkleed met een gryze schors, met stekels bedekt. Zyne takken zyn zeer wyd uitgespreid, en zyne bladeren zyn klein en getand. Alle drie jaren brengt hy catoen voort, maar die niet overvloedig, en niet zeer wit is, en daarom weinig gezocht wordt. Deeze boom, die zeer veel overëenkomst heeft met den Engelschen eikenboom, overtreft denzelven echter uit hoofde der grootte en cierlykheid, waar mede hy zig vertoont.

Aanteek. van den Schryver.

[67] Deeze slang heeft van drie tot vyf voeten lengte, en is in 't geheel niet gevaarlyk. Hy is niet bevreesd, om zig, zelfs door den mensch, te laten aanraken. De weergalooze glans van zyne kleuren noopt zelfs de Negers, om hem aan te bidden.

Aanteek. van den Schryver.

[68] Het geval is in dit Land bekend, dat een Neger, die by zynen meester mishandeld was geworden, 'er op de volgende wyze wraak over nam.—Toen deeze met zyne vrouw was uitgegaan, sloot de Neger alle de deuren toe; en by hunne te rug komst, vertoonde hy zig met hunne drie kinderen op een plat dak boven op het huis. Zyn meester en meesteresse vroegen hem, waarom hy niet open deed, en tot antwoord, wierp hy de jongste hunner kinderen voor hunne voeten; zy dreigden hem, hy wierp de tweede; zy smeekten hem, hy wierp de derde, en allen vielen zy voor de voeten hunner ongelukkige ouderen dood ter neder. Deeze woedende Neger zeide hun toen, dat hy voldaan was; en vervolgens wierp hy zig zelven van boven neder op de straat.—Een andere Neger, om zig over zyne meesteresse te wreeken, doorstak den man, die hem niet beledigd had, en verklaarde wyders, dat haar dood hem de wraak van slechts een oogenblik bezorgen zoude; maar dat haar te berooven van het geen haar het liefste was, haar tevens veröordeelde tot eene eeuwigdurende straf, waar van het denkbeeld alleen voor hem genoeglyk was.

Aanteek, van den Schryver.

[69] Na het naauwkeurigst onderzoek, en het bekomen van overtuigende bewyzen, kan ik verzekeren, dat dit alles met de waarheid overëenkomstig is.

Aanteek. van den Schryver.

[70] Volgens eene wet, in den Raad van Jamaica vastgesteld, is de straf van eenen Neger gewoonlyk twaalf zweepslagen, maar kan nooit boven de negen-en-dertig gaan. Ik heb, in Surinamen, eene vrouw twee honderd slagen zien ontfangen, en ik was oorzaak, dat zy, op het zelfde oogenblik, die straf voor de tweede maal onderging.—Men zie hier boven het II. Deel, bladz. 89.

Aanteek. van den Schryver.

[71] In de maand October 1789, wierden in drie dagen tyds, op Demerary, twee-en-dertig Negers ter dood gebragt; zy trotseerden den dood met eenen gelyken moed als hy, wiens geschiedenis alhier door my is opgegeven.

Aanteek. van den Schryver.

[72] De volgende beschryving zal misschien deeze behandeling beter ontwikkelen.

"Men moet, om Indigo te maken, drie kuipen hebben, die op verschillende hoogten naast elkander geplaatst zyn. Men zet ze op een plaats, alwaar men onbekrompen water bekomen kan.

"De eerste kuip is doorgaans van vyftien tot agtien voeten lang, twaalf voeten breed, en drie of vier voeten diep. Men maakt dezelve anderhalf voet wyd, en volkomen digt.

"De tweede is gewoonlyk de helft minder groot, dan de eerste; en de derde is een derde gedeelte kleiner, dan de tweede. De drie kuipen zyn zoo ingericht, dat zy door openingen, die in den bodem gemaakt zyn, uit de bovenste het daar in vervatte vocht ontfangen kunnen.

"Men noemt de eerste kuip de Uitweek-kuip, de tweede de Slag-kuip, en de derde de Zink-kuip, naardien in dezelve, het geen uit de twee eerste koomt, bezinkt, en de Indigo daar in tot volkomenheid gebragt wordt."

"Het is van aanbelang, dat deeze kuipen wel bepleisterd zyn, en eene zekere dikte hebben, om de gisting, die daar in ontstaat, te kunnen wederstaan. Zy worden in gebakken of gehouwen steenen gemaakt."

Indien ze van uitgehold hout gemaakt worden, en dat men ze langen tyd wil doen duuren, moet men dezelve met zeer dun lood beleggen.

De Indigo van Cayenne is van een blaauwer kleur, dan die van St. Domingo. Zy is aan de rupsen zoo niet onderworpen. (Maison rustique de Cayenne.)

De ouden hebben den oorsprong van de Indigo in 't geheel niet gekend. PLINIUS gelooft, dat het een schuim van riet is, zig vast hechtende aan een zoort van modder, die zwart is, wanneer men ze wryft, en eene fraaije bruine kleur geeft, met purper gemengd, wanneer men ze weekt. DIOSCORIDES gelooft, dat het een steen is.

De Indigo plant koomt in Europa alle jaaren voort. Zie hier de manier, op welke men dezelve aldaar aankweekt. Men zaait ze in de lente, op een bed, en wanneer zy spruiten van twee of drie duimen hoog geschoten heeft, brengt men ze over in kleine kistjes, met goede aarde gevuld, en men zet deeze kistjes in een warm bed van rum. Wanneer deeze planten eenige kragt verkregen hebben, geeft men aan dezelve veel lucht, door de raamen der broeykassen open te zetten, en in de maand Juny brengen zy bloemen voort, die spoedig in peulen veranderen.

Aanteek. v. d. Franschen Vertaler.

[73] Het is een heestergewas of boompje van middelmatige hoogte. Het brengt één of meer stammen voort van een duim in den omtrek, die zes of agt voeten hoog groeijen, alvoorens takken te doen uitspruiten. Tot dat de stammen beginnen takken te schieten, zyn zy over haare geheele lengte van bladeren voorzien, die zy doorgaans na het vormen der takken laten vallen.

De stam van dit boompjen is langwerpig rond en grysachtig. De jonge uitspruitzels hebben eene groene schors met eenige weinige witte stippen; die van de takken is, in het eerste begin, van eene fraaije roode kleur naar het bruine hellende, en ouder wordende met eenige grysächtige lynen geteekend. De bladen groeiën wederkeerig, en bestaan uit drie of vier reijen van blaadjes zonder steelen, maar van eene eironde gedaante. Het Quacy-hout is zelden zonder bladeren.

Dit boompje is alleräangenaamst voor het gezicht, uit hoofde van de meenigte zyner roode bloemen, en de verscheidenheid van kleuren in deszelfs bladeren. De wortel, het eenige gedeelte van den boom, het welk gebruikt wordt, is ligt, en geheel van week hout; deszelfs schors is fyn, grys en knoestig, en op zommige plaatsen als gespleeten. Deeze wortel is, even als de geheele boom, uittermaten bitter. Men oordeelt dit hout zeer balsemächtig te wezen, en door zyne bitterheid geschikt, om zuure stoffen en verrotting te wederstaan. Men bedient 'er zig in America van tegen de tusschenpoozende, aanhoudende, kwaadäartige, en rotkoortsen. Men neemt het in als een poeder, en, om des te beter te werken, als een afkookzel in wyn of water. Het is nog maar weinige jaaren geleden, dat dit middel in Europa in de Geneeskunde is ingevoerd. Men bedient zig ook van een aftrekzel van dit hout in wyn, tegen de jicht, en om de maag te versterken. In één woord, het Quacy-hout kan het gebrek van de Kina vervullen.

Aanteek. van den Franschen vert.

[74] De koffy wierd in 't 1554. uit Arabië naar Constantinopolen overgebragt.—Omtrent in het midden van de zestiende eeuw wierd derzelver gebruik te London ingevoerd; en in 't jaar 1728, plantte de heer NICOLAAS LAWS de eerste Koffyboon te Jamaica.

Aanteek. van den Schryver.

Men heeft reden te gelooven, dat de Italianen de eerste onder de Christen volken zyn, by welken deeze beroemde drank is ingevoerd. Zy is vervolgens voor het jaar 1643 naar Parys overgebragt. 'Er zyn bewyzen, zegt AUBLET, dat geduurende de regeering van LODEWYK XIII, onder het kleine Gerechtshof te Parys, gekookte koffy verkogt wierd, onder den naam van cahové of cahovet. De Turken noemen dezelve cahveh, het welk koomt van het waord cahoah of cahoueh, waar door de Arabieren dien drank aanduiden, dien zy het eerst gekend en in gebruik gebragt hebben; schoon dit Arabisch woord allen drank in 't gemeen beteekent. Het is waarschynlyk, dat 'er niet zeer veel van verkogt wierd, en dat dit niet lang geduurd heeft.

Het jaar 1669, in onze Geschiedenis over bekend door het plechtig Gezandschap van SOLIMAN AGA, die door Sultan MAHOMET IV aan LODEWYK XIV gezonden wierd, moet gehouden worden voor het waare tydperk van de eerste invoering van het gemeene gebruik der koffy te Parys. Deeze Gezant, en zyn gevolg, boden, volgens de gewoonte van hun Land, deezen drank aan de Hovelingen, en verdere persoonen, die uit beleefdheid aan den Turkschen Minister een bezoek gaven, waar door veele inwooners deezer hoofdstad 'er smaak in kregen, en 'er zig aan gewenden.

Aanteek. v. d. Franschen Vertaler.

[75] Alle vrylating is, in de Volkplanting van Surinamen, aan de volgende bepalingen onderhevig: indien dezelve geschiedt ten voordeele van een manspersoon, is deeze genoodzaakt de Volkplanting tegen derzelver binnen- en buitenlandsche vyanden te dienen: de vrygelatene, van welke kunne die ook zy, kan geen getuigenis geven tegen zynen ouden meester; en indien hy in de Volkplanting koomt te sterven, erft zyn voorige meester het vierde gedeelte zyner nalatenschap.

Aanteek. v. d. Schryver.

[76] Daar de laatstgemelde zynen post kortlings heeft nedergelegd,heb ik het genoegen het Publiek te berigten, dat de Heer FREDERIK, die brave Officier, waar van ik zoo dikwils gesproken heb, en die, eenigen tyd bevoorens, onder het krygsvolk der Sociëteit van Surinamen te rug keerde, in het jaar 1792. tot Gouverneur der Volkplanting benoemd wierd.

Aanteek. van den Schryver.

[77] Deeze Officiers, welken men steeds als de waare vertegenwoordigers van de Schotsche Brigade beschouwde, zagen hunne braafheid beloond door het herstel van deeze oude krygsbende, onder bevel van den Generaal FRANCIS DUNDAS; en dezelve wierd naar Gibraltar in bezetting gezonden.

Aanteek. van den Schryver.

[78] Haar broeder HENDRIK, die zyne vryheid verkregen had, ondervond het zelfde lot.

Aanteek. van den Schryver.

[79] Exposé des moyens de mettre en valeur & d'administrer la Guiane.—Eén Deel in 8vo; met een Kaart: by DUPONT, rue de la Loi.

[80] Dit is geschreven in 't jaar 1786. De hoeveelheid van de voortbrengzels deezer Volkplanting is tegenwoordig ten minsten verdubbeld.

[81] De Hollandsche roede is van 12 voeten Rhynlandsche maat, het welk ten naasten by 11 Fransche voeten. (of 3 metres, 572,) uitmaakt.

[82] De groote verwagting, die men van Fransch Guiana had opgevat, deed aan het zelve eenigen tyd den naam geven van Middel-lynig Frankryk, of France Equinoxiale.

[83] De Burger LESCAILLIER ontvouwt dit verschynfel op eene voldoende wyze, in zyn werk, ten titel voerende: Exposé des moyens de mettre en valeur, & d'administrer la Guiane, &c. chez Dupont, imprimeur-libraire, rue de la Loi, Nº. 1231.

[84] PIERRE BARRERE, Correspondent van de Koninglyke Academie der Wetenschappen te Parys, en Genees-Kruidkundige van den Koning op het Eiland Cayenne.

[85] ANTOINE BIET, de opperste der Zendelingen, die toen naar Guiana vertrokken, verhaalt, dat elk der deelgenooten, welken men Seignieurs associés noemde, het bevel wilde voeren. ROIVILLE lag ziek, toen hy vermoord wierd. Hy scheen 't lot, het welk hem over het hoofd hing, te voorzien, en was zeer ontroerd van geest. Den 17 September 1652, omtrent middernacht, werd BIET door een zeer sterk geraas ontwaakt; en op het zelfde oogenblik hoorde hy een geroep: Werp dien schurk in de zee. Willende zien wat 'er gaande was, wierd hy te rug gestooten. Kort daar op deeden hem de moordenaars by hun komen. Hy beklom de hut, en schrikte op het zien van het bed van den Generaal, geheel met bloed besmet, en waar op twee bebloede baijonnetten lagen. Men verklaarde aan den Zendeling, dat de deelgenooten raadzaam geöordeeld hadden zig te ontdoen van eenen man, die het voornemen had hen allen van kant te helpen. BIET ging heen; maar des anderen daags liet men hem wederkomen, hem aanzeggende, dat hy den dood van den Generaal aan al het scheepsvolk zoude hebben bekend te maken. De Geestelyke was 'er zeer verlegen mede. Hy besloot echter te gehoorzamen, maar hy deed zulks, zonder den gepleegden moord te rechtvaardigen.

[86] Men kan niet zonder yzing aan den naam van Kourou denken, zegt de Burger LESCAILLIER; aan die plaats, alwaar 13000 menschen het leven lieten, en de slachtöffers werden van een ontwerp, het welk misschien uitvoerlyk geweest was, indien het met gematigdheid en voorzorge was aangelegd geweest; alwaar de Staat dertig millioenen aan onkosten verspilt heeft, met geen ander gevolg, dan dat, deeze ongelukkige Volkplanting een geruimen tyd haare achting verloren heeft; terwyl men aan den aart der luchtstreek toeschreef, het geen slechts de misslag der Regeering, en het gevolg van een verkeerd overleg was. (Exposé des moyens de mettre en valeur, & d'administrer la Guiane, an VI.)

[87] In de ver af gelegene Binnen-Landen zyn Indianen van eene verhevene gestalte, en sterk gespierd.

[88] Ik vermeene alhier, ter eere van deeze beide huwelyks verbintenissen, te moeten herïnneren, dat het geen de Burger LESCAILLIER gedacht en beproeft heeft, overëenkoomt met den raad, door RAYNAL gegeven, in zyne Histoire Philosophique des deux Indes, Liv. XIII. Tom. III. pag. 359. & suiv. Edit. in 4º.

[89] Zie RAYNAL, Livr. XIII. pag. 291. Edit. in 4º.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings