BERICHT VOOR DEN BINDER.
Reading edition
XVII. Wachtpost van Vrydenburg, aan de Rivier Maroni.—Mitsgaders gezicht van drie Legerplaatsen, aan de Wana-Kreek: te plaatsen tegen over [20]
XVIII. Gezicht van de Reede en Stad Paramaribo [40]
XIX. Platte grond der Stad Paramaribo [44]
XX. Eene Slavin, behoorende tot het geslacht der Quarteronnés Slaven [54]
XXI. Eene Samboe Slavin, wier lichaam door zweepslagen is van één gereeten [88]
XXII. Eene Indiaansche Familie, tot het geslacht der Caraïben behoorende [158]
XXIII. Wapenen, Huisraad en Cieradiën der Indianen [206]
XXIV. Gezicht van den Wachtpost de Hoop, en van de Plantagie Klarenbeek, beiden aan de Commewyne [212]
XXV. De Aapen, genaamd Coiata, en Saki-Winki [224]
XXVI. Tak van den Roucou- of Arnotta-Boom.—Riviervisch, genaamd Dago-Faisy.—En de New-Mara [236]
XXVII. Een Surinaamsch Planter, in zyn morgen-gewaad [282]
XXVIII. De Koolboom; en Palmboom, Mauricy genaamd [302]
XXIX. Post van Maagdenberg, aan de Tempaty-Kreek.—En Post van Calais, aan de Cassivica-Kreek [306]
XXX. Een oproerige Neger, op Schildwacht staande; te plaatsen tegen over 4
XXXI. Het doorwaden van een Moeras, in Guiana, door het krygsvolk. 22
XXXII. Platte grond van de Hoofd-legerplaats, tusschen de Rivieren Cottica en Maroni; benevens de manier, om in de bosschen van Surinamen te legeren. 52
XXXIII. Gezicht der legerplaats aan de Java-Kreek:—als mede by Jerusalem. 134
XXXIV. Eene Indiaansche Vrouw, tot het geslacht der Arrowoukas behoorende. 156
XXXV. Het Colibrietje of Bromvogeltje. 188
XXXVI. Een huisgezin van Loango-Neger-slaven. 236
XXXVII. Speeltuig der Negers. 274
XXXVIII. Gezicht van de Savane der Joden:—mitsgaders van den Berg Parnassus, of blaauwen Berg. 284
XXXIX. Manier om in de bosschen van Surinamen te slapen.—Boeren-hut, tot een buiten-verblyf. 326
XL. De beruchte GRAMAN-QUACY; te plaatsen tegen over
XLI. De Haay en Zuigervisch
XLII. Kaart van een gedeelte van Fransch Guiana