← Table of contents
Parodieën

TENDENZ-ROMAN

Reading edition

“Mag ik het Rijksmuseum van u hebben, conducteur?”

“Zeker, meneer!”

De conducteur van lijn 10 schelde. De bestuurder remde.

De jonge dr. Hendrik van Bree, grijs deukhoedje, bruine covercoat, stapte uit, nog vóór de wagen geheel stopte, liep enkele passen met de alweer doorrijdende tram mee, nam toen bijna onmerkbaar zijn draai en betrad met energieke schreden de brug tusschen Weteringschans en Stadhouderskade. Hij liep onder het Museum door, de Jan Luykenstraat in, en was in de Van Baerlestraat.

“Alweer,” mompelde hij opeens in de P. C. “Zal deze verderfelijke gewoonte dan nooit uitgeroeid worden? Moeten de bacteriën steeds verder worden verspreid?” Hij zette de tanden op elkaar.

“Ik zal mijn leven wijden aan de bestrijding van dit kwaad.”

II.

Dr. Hendrik van Bree, de nieuwe arts, stond voor het raam van zijn vriendelijk huisje, Brinklaan 12, waarvan zijn voorganger hem de huur had overgedaan. “Maatje” zat bij de tafel en stopte zijn kousen. Zij wilde dit werk aan niemand overlaten—waren het niet de kousen van haar Hendrik?

Op eens sprong de jonge medicus op. Bezorgd, hoofdschuddend zag “maatje” hem na.

Bij het hek namen een boereknecht en zijn meisje afscheid, en kusten elkaar, niet ééns, maar herhaaldelijk. Hendrik trad op hen toe, groette vriendelijk, en bracht hun, in gematigde termen, het onhygiënische van hun daad onder de oogen. De man grinnikte, het meisje bloosde, maar ze eindigden met mopperend heen te gaan.

Toen de jonge dokter dien avond de brug over liep, hoorde hij van alle kanten gemompel.

“We meugen onze maid niet soene, saat-ie!”

“Wat goat ’t zoan an?”

“Wie het ’t ooit zoo op de vieul heure speule?”

“Wat ’n mal meroakel! Laat ie van ’t durp weggoan!”

Toen hij terug ging, stond er een groep opgeschoten kerels klaar, dreigend.

“Doar het je die bemoeial!”

“Loat ie zich met z’n aige soake bemoeie!”

Een steen vloog, en nog één. Zijn hoed werd geraakt, en viel af. Hij raapte hem kalm op. Er vlogen meer steenen. Met een gat in zijn hoofd kwam Hendrik thuis!

III.

Een jong meisje had van het balcon bij burgemeester Vink den aanval met verontwaardiging aangezien. Het was Bertha Vink. Sympathie leidt tot liefde.... en verloving.

De eerste dagen van zaligheid waren voorbij.

Toch was het alsof er in Bertha iets onrustigs was gekomen. Eerst zag hij het niet; haar handdruk was warm en stevig als altijd, haar lach even teeder.

Maar wat was er in haar oogen dat hem soms bevreesd maakte, dat alles niet was zooals het zijn moest?

En op een goeden dag zeide zij het aan “maatje.” De oude mevrouw zuchtte; het verraste haar niet.

Dien avond brak zij het nieuws aan haar zoon.

Bertha was niet sterk genoeg gebleken in den strijd.

Hendrik begreep. Hij waagde nog een laatste poging. Hij schreef een brief vol liefde en teederheid, maar ook vol vastheid. “Je moet kiezen tusschen mij en de bacteriën,” schreef hij. “Hoe lief ik je ook heb, ik kan mijn beginsel niet verzaken, om geen ziektekiemen over te brengen als de hond en de vlieg.” Hij deed zelf den brief op de bus.

Hij wachtte. Eén dag, twee, drie dagen. Er kwam geen antwoord.

Hij was vrij. Om den strijd te strijden dien hij gekozen had. Om zijn eenzamen, moeizamen weg te gaan.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings