ROMEINSCHE ROMAN
Reading edition
Het was dien morgen een ochtend van ideale schoonheid en atmosfeer. De keizerlijke Villa lijnde zich uit als een droom van marmor, als een eindeloos uitgemeten stuk groen biljartlaken spreiddede zich het grasveld, als een architecturale fabula volgden portico’s op portico’s, schakelden nymfea zich aan nymfea, ronddeden zich de immense exedra als cathedra voor pedagogen van titanen.
Langs den oever van de rivier, die zich strekte als een eindeloos uitgeplette reep blik, op het strand dat naar de zon duiddede als een lange vieil-or-kleurig-gehandschoende voorvinger, promeneerden de matronae in stola en palla, de meritrices in palla en stola, stroomden zij uit de Thermen, nog na-boudeerend over de duurte van de tesserae, die zij betaald hadden aan de ostiari, en de patriciërs, nog mopperend over de foia die zij volgens de mos hadden moeten aanbieden aan de capsarii in het frigidarium of het nog prijziger tepidarium, waar zij hun corpus hadden gebaad en geodorificeerd. Hier ontmoetteden de jonge Aanzienlijken de matronae en de virginae, groetteden hoffelijk, wisselden met geëffaceerde galanterie of geaffineerde venijnigheid epigrammen, tot de slik van een carpenta met één of twee paarden hen bespattede, zoodat zij haastig scheiddeden en zich voortspoeddeden, anathema’s van vernuftig-stekelige vinding werpend naar de menners, welke hiervan, hooggezeten, niets vermoeddeden. Daartusschen scharrelden de straatjongens, etende hun oliebollen, buitelende over hun caput, of elkaar slaande op hun tabernaculum, hun testimonium, hun tonitrus, hun fulmen of wel hun animus. De vermetelsten verstoutteden zich wel eens achter den rug van de Aanzienlijken een langen naso te trekken, of de lingua uit te steken. Bij afwisseling bestookten zij elkaar met sputum of zelfs faecaliën.
Over de blik-blanke rivier gleed een navicula, in voorname wiegeling. In dat bootje, geroeid door Ethiopische zwarte slaven, zaten twee Aanzienlijken, en onderhielden zich, hoffelijk, in kunstvol geciseleerd Latijnsch.
De één was een vijftiger, treffend aristocratisch, met artificieel klein geknepen mond, een kale calva en donkere oogen, verborgen achter groote lunettae, in onberispelijk Romeinsch avondtoilet gehuld. Hij sprak met kalme hooge stemme het zoetklinkende accent der residentie. De ander was een godschoone knaap, met slanke, als broze leden, fijn, doch athletisch, een roomkleurig teint en een heerlijken, fraai bewerkten haardos.
“Waart gij bij den Augustus, Edele Gigio?” vraagde de laatste.
“Ja” antwoorddede de ander met elaboraten glimlach.
“Hoe was de Salutatio?”
“Quatio.”
Beiden zwegen. Er liepen gouden glansen over de zweetdruipende zwartheid van de slaven, als verguld ebbenhout glommen zij soms in den Sol.
De beide Aanzienlijken leunden, nauwelijks genietend hun mollige kussens, peinzend over het factice leven.
De stad was blank onder blauwe lucht.
Gigio droomde. De welverzorgde hand met slechts enkele, niet overdreven bejuweelde ringen, rusttede op den rand van het bootje, het schuim dat zich daarlangs afteekende, zachtkens fijnknijpend.

“Hoe was de salutatio?”
Hij droomde van en over zich zelf en anderen, van goden en keizers en dichters en hetaeren. Hij bevond zich op den weg der vreugde en richttede zich vol majesteit op, want vóór hem rees een berg van licht. Over lichtende drempels trad hij in extase, God en Goden, maar ook kleine zielen en comedianten voorbijgaand en bereikte, langs lijnen van geleidelijkheid, Babel. De hooge troeven uitspelend van een stille kracht die geen illusie was, overwon hij zijn noodlot. Het was een metamorfose zijner psyche. Een lent van vaerzen zong in hem. Het was of de wereldvrede gekomen was. En Fidessa waarde rond, orchideeën in het hair, een kluwen in de hand. “Wil is winde!” bad zij. Heracles, hoffelijk, strekte reeds de hand uit. Maar Dionysos was den ongelukkige voor. Op eens hadden zij de gestalten van oude menschen aangenomen, van dingen die voorbijgaan, van reisimpressies. Doch daar was Eline. Zij was jong gebleven ....

Dionysos was den ongelukkige voor
Het donkerde. De bonte menigte op de promenada was henen. Alles was stil. Alleen vedelden fel de krekels, die rekels.
Plotseling woei ziltere bries.
Gigio sloeg de oogen op. Zij rustteden met welgevallen op zijn godschoonen metgezel. De jongeling beantwoorddede zijn gefaneerden glimlach.
“Wat peinst gij, lieve vriend?” vraagde Famulus, ter onderscheiding van zijn beroemden bloedverwant, den arbiter elegantiarum, de jongere genaamd.
“Famulus,” antwoorddede Gigio, en zijn oogen, half gesloten, blikten met gesupprimeerde flonkering van weemoed op den jongeling, terwijl zijn vingers in distractie een vlok felwitten schuim verknepen. “Ik weet het nauwelijks. Van de jaren die vlieden, ... van de boeken, die nog komende zijn ... van den bijval der menigte ... van het cameleontische verleden ... van roode dorpen onder grauwe lucht... van schoone woorden en booze moorden ... van romantiek in antiek ... van antiek in romantiek ... van den Paljasso in het Palazzo ... Endymion ... van het obscene, maar ongemeene ... Sappho ...
“Van nieuwe titels?” vraagde Famulus belangstellend.
Gigio antwoorddede niet.
De slaven ziegezaagden met hunne roeiriemen.
Donker de rivier, en dieper, lichter de lucht en hooger, het lichtst de heuvelen... Alleen geeuwden helsch de meeuwen.
Wiegewagend wigde het bootje door de golven.
“Dat is wel mooi!” wees Gigio.
“En wel groot hé... ?”
“Héél groot alles...!”
“Mooi...!”
“En óf!”
“Maar niet te groot?”
“Beslist niet!”
“Niet te mooi ook?”
“Kan niet bestaan!”
“Heb je honger?”
“Of ik honger heb?”
“Ja!”
“Ja en neen!”
“Lekkere honger?”
“Juist.”
“Lig je goed?”
“Zalig.”
“We zijn er haast.”
“Ben je daar blij om?”
“Ja en neen.”
“Hoezoo?”
“Blij om het maal, niet blij om het heerlijke liggen.”
“Heu daar, wij zijn er!” sprak Gigio nu.
De slaven hielden. De beide Aanzienlijken strekten de knieën, ontspanden de kuiten, rekten de armen en de kaakspieren lang en behagelijk, met geprolongeerde keelgeluiden. Zij stonden op hun pedes posteriores. En Gigio wuifde den slaven een gebaar, dat zij zouden wachten.

De Serenissima
Aan de trappen eener exedra, door den cubicularius geleid, verscheen de serenissima.
Groot, donker van haar en van oogen, in koker-enge stola, de nauwe palla omgietende het lichaam, de zona, gordel die de borst omgaf, breed. Zij zelf een weinig crassa: strak spande de stola... Gigio waardeerde de serenissima, hield van haar habitus.
Was zij niet zijn vriendin? Had hij haar niet in de ziel gelezen? Hield zij niet, als hij, van fraaie woorden, van het artificieele, het geëffaceerde, het gefaneerde, het geaffineerde, van hoffelijkheid, van reverentia en révérences, van elaborate epigrammen, van tea’s en petits-fours?
Was zij daarom niet zijn vriendin?
“Gegroet, edele Gigio, gegroet, lieve vriend Famulus, Vale,” sprak de serenissima.
Hoffelijk bogen de beide Aanzienlijken en kusten de hand die flonkerde van robijnen.
De cubicularius boog slechts.
Men ging naar binnen. De Serenissima nam Gigio bij de hand. Famulus volgde. Hem volgde de cubicularius op eenigen afstand.

“Serenissima est servita”
Men vlijde zich op de rustbanken.
Op een wenk der Serenissima verwijderde zich, onhoorbaar, de cubicularius.
“Het verschaft mij hooge eere dat gij, edele vrienden, wilt komen aanliggen aan mijn nederige tabula”, zeide de gastvrouwe, terwijl zij met eigen hand drie glazen goud-fonkelende oude clara inschonk.
“Onzer is de eere!” zeide Gigio buigend. Hij hief het glas.
“Nostrorum Sanitas!” sprak hij.
“Idem!” beaamden de beide anderen. Zij klonken.
Een vrijgelatene, strak-correct, pink op de naad van de tunica, verscheen.
“Serenissima est servita!” sprak hij.
Men legde zich om den disch. Slaven slopen onhoorbaar met de gerechten aan. Men at een gans, gekookt op de Romeinsche wijze, in een saus, samengesteld uit peper, coriander, muntkruid, ansjovis en olie. Vooraf ging de calucacabia of Romeinsche soep, waarin kaas, pijnappels, azijn, honig, eieren, komkommers, uien en kippenlevers gemengd zijn. Men deed zich nog te goed aan andere spijzen, allen toebereid met min of meer olie en honig.
“Hoe smaakt het?” zeide de Serenissima.
“Goed,” zeide Gigio.
“En u, Famulus?”
“Goed.”
De schoone knaap at veel, te veel. Gigio weinig. De Serenissima, gewoon. Zij sprak veel, Gigio weinig, de schoone jongeling in het geheel niet.
Want aldoor at en vrat, de knappe fat.
De conversatie begon tegen het dessert, dat bestond uit geroosterd papaverzaad met honig, aan te wakkeren, maar de Serenissima moest wel opmerken, dat Gigio al minder sprak en al minder eetlust had. Slechts de wijn, de zacht gouden Syciliër, uit den eigen wijngaard der gastvrouw, werd door hem gewaardeerd.
“Gij zijt stil, lieve vriend Gigio,” zeide de Serenissima eindelijk, het hoofd rustend op de sculpturale armen.
Gigio schuddede zich wakker.
“Ja,” zeide hij, “de Augustus ....” Hij voltooide den zin niet.
De vrijgelatene trad ongeroepen binnen, doodsbleek.
“Wat is er?” vraagde de Serenissima.
“De Augustus, Titianus ....”
“Heu,” riep Gigio uit, “wat is er van den Augustus?”
“Is vermoord!”
Allen zwegen. Slechts knapte krak, het krappe stola-pak. De godschoone knaap maakte den gordel losser.
Buiten was het volk saamgeloopen. De mare had zich door de stad verspreid.
Men riep het elkaar toe:
“De Augustus is dood!”
“Is de Augustus dood?”
“Ja, de Augustus is dood!”
“Hij werd vermoord!”
“Wee, hij werd vermoord!”
“Vermoord?”
“Vermoord!”

“Gij zijt stil, edele Gigio!”
De lucht, azuur, strekte ongevoelig boven de ontroerde menigte.
“Door wien is hij vermoord?”
“Door een tribuun.”
“Neen, door een vrijgelatene.”
“Nietwaar, door een tribuun!”
Men was het er niet over eens.
Uit de ramen, halver lijve, lagen wijven met hun vijven, te kijven:
“Ik zeg, dat het een tribuun was!”
“Ik zeg: een aedile.”
“Nu nog mooier: een officier!”
“Och, kom, een officier!”
Er kwam nog een oude vrouw bij.
Het gesprek werd vreedzamer.
Nu gingen, met haar zessen, die oude besten aan ’t kletsen.
Langzamerhand voldeed het haar niet meer, uit het raam te roepen.
Zij kwamen naar buiten, op de via.

De Augustus viel...
De lucht was vol rumoer van stemmen. In de eetzaal der Serenissima was het stil.
Gigio peinsde. De gastvrouwe deed haar siësta.
Alleen schrokte en slokte, de godlijk goudgelokte.
Buiten bleef men roepen:
“De Augustus is vermoord!...”
“Titianus regeert niet meer!”
“De Caesar, Antoninus is nu de Augustus!”
“Ja, hij is nu de Augustus.”
“Wie vermoordde Titianus?”
“Een vrijgelatene Beneventus vermoordde den Augustus!”
“Hem doodden de aedilen!”
“Ja, de aedilen doodden den moordenaar!”
Gigio schonk zich nog eens in. Hij peinsde. Hij zag den Augustus, dien morgen, boos, achterdochtig, de salutatio opheffen. Hij zag hem liggen, in zijn weelderig paleis, aan den disch, de oogen wild, den lach pervers, zinnend op nieuwe genietingen, woester, wreeder dan de vorige. Hij zag een vrijgelatene naar voren komen en steken met den dolk; bloed, geen gouden bloed, maar purperen keizersbloed spoot uit de wonde. De Caesar was een cadaver. De artsen stroomden toe, wijze mannen, vol occulte wetenschap. Zij schuddeden het hoofd.
“Hij is mortibus,” sprak de een. “Hij is ad patres,” sprak de ander. Zij bedoelden hetzelfde.
Gigio zuchtte. Zóó is het leven: een Augustus sterft, een andere Augustus volgt hem op. En zóó is het leven: men schenkt zich nog eens in en denkt eraan, wat men bij de ludi funebres dragen zal.
Gigio keek om zich.
De godmooie jonkman lag voor miraculum.
De Serenissima had de zale verlaten. Gigio stond op en naderde het venster. De oude wijven, dik en dun, tanig en purper, kaal en ruig, bespraken nog den casus. De lucht koepelde staalblauw over de puntige olijfgroene cypressen. De rivier kronkelde als een zweep en glinsterglom in het zilveren licht der maan. In de verte glansden, als oud goud, de bezweete huiden zijner zwarte slaven, wachtend bij het bootje. Overal heerschte silentium.
Alleen kwebbelden schel de heksen.
