Op het Balkan-schiereiland.
Reading edition
Naar het Engelsch van Majoor Percy E. Henderson.
In dezen tijd van reizen, nu de menschen er licht over denken, om eens een week of veertien dagen van huis te gaan, om nieuwe natuur te zien, of eenige sport te beoefenen of een beter klimaat op te zoeken, blijft het vreemd, dat zoo’n liefelijk en belangwekkend land als het westelijk deel van het Balkan-schiereiland nog zoo weinig bezocht wordt en bij zoovelen onbekend is.

Winkels in Ragusa.
Voor diegenen, die wel eens een nieuw veld wenschen voor hun uitspanning in den vacantietijd, hebben Bosnië, Herzegowina, Dalmatië en Montenegro veel te bieden. Ze bezitten de aantrekkelijkheid en den glans van het Oosten, de schitterende kleurenpracht van daar, de schoone kleederdrachten en ook het waas van geheimzinnigheid, en zijn toch van uit Londen gemakkelijk te bereiken, terwijl men er aan verkeersmiddelen en geriefelijkheden niet al te veel ontbeert.
Elk dezer landen heeft zijn eigen, niet te omschrijven bekoring en elk heeft eigenaardigheden, die het van de andere onderscheiden.
Van de vier is Bosnië zeker het schoonst. Het kan inderdaad best een vergelijking doorstaan met het mooie Kaschmir en heeft allerprachtigste wouden. Het is een romantisch land vol zonderlinge bouwwerken en kasteelen, die tot ruïnen zijn geworden op schijnbaar ontoegankelijke rotsen.
Verder heeft het reizen in het binnenland van Bosnië en Herzegowina al het boeiende en weinig van het ongeriefelijke, dat een tocht door Beneden Turkije kenmerkt.
Dalmatië is een zoo schilderachtig land, dat alle kunstenaars ervan moeten houden. En toch stellen veel menschen evenals wij, eer we er een bezoek brachten, zich de streek alleen voor als een land van wijn en honden! Ten minste de wijn moet goed bekend wezen bij allen, die in Oostenrijk zijn geweest of die gereisd hebben met een boot van de Oostenrijksche Lloyd. Wat de honden betreft, werden niet de gespikkelde honden, die zoo graag achter rijtuigen aan draafden, Dalmatiërs genoemd?
Bij een bezoek aan Fiume hoorden wij voor het eerst iets over Dalmatië, het echte, en van de honderd-en-één eilanden, die erbij behooren, de mooie fjorden en kanalen en de vele aantrekkelijkheden van het aardige binnenland, Bosnië en Herzegowina; alsook van de vreemde kleederdrachten en gebruiken van de bewoners dier landen. Er werd zoozeer op onze verbeeldingskracht gewerkt, dat we een plannetje maakten, en voor wie dat ook wil doen, is er werkelijk geen beter uitgangspunt dan Fiume.
Die stad is op zichzelf niet onbelangrijk voor een bezoek van een paar dagen. Er is een opleidingsschool voor kadetten bij de marine; dan een vrij goed bewaard gebleven middeleeuwsch kasteel, Tersato, dat de zetel is van een tak der edele iersche familie Nugent, waarvan vele leden zich hoogelijk onderscheidden in den oostenrijkschen krijgdienst in het laatste gedeelte van de achttiende eeuw en het begin van de negentiende.
De deftige badplaats Abbazia is dichtbij; veertig minuten per stoomboot en zeven mijlen gaans brengen u er. Aan dien weg ligt Whitehead’s wereldberoemde torpedofabriek.
De geschiedenis van die fabriek klinkt als een sprookje. De heer Whitehead was een engelsch ingenieur, die in dienst was van een firma in Triëst. Een oostenrijksch ingenieur vroeg hem, een denkbeeld van hem practisch uit te voeren, dat een soort van torpedo betrof. De heer Whitehead vond het idee van den Oostenrijker onuitvoerbaar, maar een heel ander denkbeeld kwam bij hemzelven op. Daaraan bleef hij werken en nam er patent op. Toen begon hij de tegenwoordige fabriek te Fiume, waar hij een groot fortuin vergaarde en een dochter uithuwelijkte aan prins Herbert Bismarck, een andere aan een oostenrijkschen graaf, terwijl hijzelf een landgoed kocht in Engeland en het bestuur der onderneming aan zijn zoon overliet. De fabriek is wel een bezoek waard. Abbazia is een plaats van hotels en pensions, een oostenrijksch Cannes, maar verschrikkelijk vervelend. Zijn voornaamste verdienste is gelegen in het gelijkmatige klimaat, gevolg van de beschutte ligging, die maakt dat er zoowel des zomers als des winters gasten zijn.
Eén of twee eilanden van den Archipel van Dalmatië liggen dicht genoeg bij, om van uit Fiume te worden bezocht en zijn interessant om hun oude gebouwen en kerken, die uit den tijd der venetiaansche overheersching afkomstig zijn. Een der belangwekkendste van die eilanden is Arbe. De ingang in de haven voorbij het klooster en een ouden klokketoren, die tot de mooiste van Dalmatië behoort, is uiterst schilderachtig. In de kathedraal zijn eenige gebeeldhouwde koorbanken, die in hun soort weergaloos schoon zijn. Een der kerken bezit een altaarstuk van Titiaan, en overal in de nauwe straten treft men deuren en poorten van venetiaanschen oorsprong.
Arbe heeft een bijzondere soort van visschersbooten, zoppolo genoemd, groote platboomde vaartuigen, voorzien van groote uitslagbladen. Die booten worden geroeid door een man, die staande met de lange riemen werkt, maar op een manier, die juist tegenovergesteld is aan de gewone wijze van roeien, namelijk van het midden van de boot uit.
De voornaamste te bezichtigen plaatsen van Dalmatië zijn Zara, Spalato, Ragusa en Cattaro met de Bocche. Maar het heele Dalmatië is een zuidelijk Noorwegen, vol kreken, fjorden, baaien en kanalen. Aan de oevers vindt men steden, waar de bewoners op hun hooge rotsen een nog primitief bestaan leiden. Vóór de kust liggen talrijke eilanden, een vijftigtal groote en eenige honderden kleine. Enkele zijn niets dan kale rotsen, maar al de grootere eilanden zijn bebouwd en bewoond. Eenige, als Lissa, waren eens volkomen kaal, maar zijn bewoonbaar gemaakt door er grond van elders heen te brengen. Braza, een der grootste eilanden, brengt wijn voort, die een uitstekenden naam heeft, en een paar hebben een aangenaam klimaat.
Zara bezochten wij niet, maar het moet een goed voorbeeld zijn van een dalmatisch-venetiaansche stad met een uitmuntend hotel. Het is het vaderland van de heerlijke maraskijn, en die likeur is er voor een paar stuivers de flesch te krijgen.
Uit die steden en eilanden recruteerde Venetië de kloeke Dalmatiërs, die de bemanning vormden van de vloot, welke de turksche versloeg in het gevecht van Lepanto en die Venetië den eerenaam bezorgde van de Koningin der Adriatische Zee.
Wij verlieten Fiume in den morgen met een der snelle Austro-Kroatische booten, die viermaal ’s weeks tusschen Fiume en Cattaro varen en bij de voornaamste plaatsen aan de kust stoppen. Toen we vertrokken woei er een hevige bora. De bora, waarvan de naam is afgeleid van het grieksche boreas, is een der onaangenaamste winden, die de Adriatische Zee in den winter en het voorjaar kwellen. Een zeeman van de Cunardlijn vertelde ons, dat op al zijn reizen naar Noord-Amerika hij nooit een storm had gehad van zulke snelheid of van zulk een lage temperatuur als de bora, waarmee hij kort geleden te Triëst had kennis gemaakt. Triëst heeft vooral veel van zijn woede te lijden. Als de bora blaast, worden er touwen gespannen langs alle kaden, om te beletten, dat de menschen in de havens waaien. Een andere wind, die bijna even onaangenaam is, is de sirocco. Daar hij van een hooger temperatuur is, gaat hij meest aan den regen vooraf; hij is neerdrukkend en ongezond en gaat somtijds vergezeld van een hooge zee.
Bij het maal midden op den dag aan boord van de stoomboot hoorden we veel geklaag van een dalmatisch ingenieur over de verwaarloozing van Dalmatië door Oostenrijk. Wij hoorden veel van het gesprek en kwamen tot het besluit, dat het meer zou baten, als de Dalmatiërs iets deden, om zichzelven te helpen dan enkel te klagen. Wij bereikten Spalato omstreeks middernacht en moesten onze kar met bagage naar het hotel volgen aan het andere einde der stad. Gelukkig hadden wij om een kamer getelegrafeerd en konden dus de laatst beschikbare verkrijgen in het eenige fatsoenlijke hotel der plaats. Onze vooruitziendheid gaf een stoot aan de berekeningen van een cholerischen, ouden, oostenrijkschen kolonel, dien wij vloekend en op den grond stampend aan zijn lot overlieten. En wat was het een kamer! De beste uit het heele hotel, vol meubels en vergulde versiersels. Wij werden erdoor aan de waarheid herinnerd, dat alles geen goud is, wat er blinkt en ontdekten in den morgen, dat er wel wat meer zeep en wat minder goud had mogen zijn, als het voor ons geriefelijk zou wezen.
Spalato is uit geschiedkundig oogpunt merkwaardig door het feit, dat Diocletianus er een paleis bouwde omstreeks het jaar 300. Tegenwoordig is het paleis van Diocletianus Spalato, want driehonderd jaren, nadat het gebouwd werd, vond de bevolking van Salona, die voor de Hunnen vluchtte, daar een schuilplaats en bouwde zich een stad binnen de muren. Daaruit mag worden afgeleid, dat het paleis een groote oppervlakte besloeg. In de geschiedenis van Spalato, die veel verscheidenheid biedt evenals die van de andere kuststeden, vallen sommige namen telkens weer in het oog en staan vermeld in steenen monumenten.
De eerste is die van Diocletianus, den romeinschen keizer, die in het jaar 305 van het purper afstand deed en zich naar Salona terug trok, om er kool te planten, maar die een goed gebruik van zijn tijd maakte blijkens de massa geld, die hij verzamelde en later voor zijn groote bouwplannen besteedde. Hij was het, die de muren van vijftig tot zeventig voet hoog bouwde, welke nog bestaan.
De tegenwoordige klokkentoren boven den prachtigen ingang van het keizerlijk mausoleum werd er in christelijke tijden aan toegevoegd, en men was bijna drie eeuwen, van de veertiende tot de zeventiende, bezig met de voltooiing. Hij werd gerestaureerd ten tijde van ons bezoek. Bij het prachtige mausoleum zal die toren, als hij gerestaureerd is, een der architectonische wonderen der wereld wezen.
Omstreeks het jaar 700 werd het mausoleum veranderd in een christelijke kathedraal, een daad, die den heidenschen Diocletianus, den vervolger der Christenen, zich in zijn graf moet hebben doen omdraaien. De kerk is cirkelvormig met een koepeldak en is, naar men zegt, het eenige groote antieke romeinsche gebouw met deze soort van dak, behalve het Pantheon te Rome. Er loopt een achthoekige zuilenrij omheen, en boven de kapiteelen van die pilaren, beneden den rand van het koepeldak, loopt een breede band van friezen, die prachtig zijn uitgevoerd en jachttooneelen voorstellen.
Zoo grootsch en rijk zijn de afmetingen en versieringen van dit mausoleum, dat men het lang heeft gehouden voor den tempel van Jupiter, en het kleinere gebouw, dat baptisterium heette en ook voor den doop werd gebruikt, werd beschouwd als het graf van Diocletianus. Door een vele eeuwen later ingesteld onderzoek werd ontdekt, dat Diocletianus het grootere gebouw aan zichzelven had gewijd en het kleinere aan den god Aesculapius.

Boerin uit Ragusa.
Dat deze gebouwen van zestienhonderd jaren geleden voor ons bewaard zijn gebleven in hun tegenwoordigen goeden staat, bewijst hoe stevig en knap de oude bouwmeesters hun werk in elkander zetten. De andere bouwwerken van Diocletianus zouden alle tot op den huidigen dag in wezen zijn gebleven, gevuld met de schatten van beeldhouwwerk, als niet de lieden van Spalato er aan plundering hadden gedaan en hun eigen huizen met de kunstwerken hadden versierd.
Het baptisterium is gelegen aan den zuidkant van het plein, dat vóór den ingang van het mausoleum ligt. Het was een zeer symmetrisch, klein gebouw en werd als een architectonisch juweel beschouwd. De deuren van de kathedraal, die thans naar binnen zijn gebracht voor de veiligheid, zijn zeer kostbare voorbeelden van eigenaardig, oud snijwerk. Een der deuren stelt tooneelen voor uit het leven van Jezus; de andere voorvallen uit dat van Adam en Eva.
Omtrent de wederwaardigheden, die het paleis en de kunstschatten, die het bevatte, hebben getroffen in de eeuwen volgend op den dood van Diocletianus, schijnt niets bekend te zijn; maar dat het volk er brutaal mee te werk ging, is wel duidelijk. Aan den muur van een eenvoudig huis in Spalato kan men tot op heden het hoofd van een sphinx zien, gehouwen in gepolijsten, zwarten steen, die op marmer gelijkt. Dat is de vermeesterde kop van een sphinx, wiens tegenbeeld te vinden is in de groote hal, die nu de benedenverdieping vormt, waar de klokkentoren zich boven verheft. Het hoofd is geroofd door een voorvader van den tegenwoordigen eigenaar van het huis waar het aan is bevestigd, die ondanks bedreigingen en verzoeken weigert, het af te staan aan hen die het werk der restauratie op zich hebben genomen, als niet een zeer groote som in ruil wordt betaald. Het lichaam van den onthoofden sphinx blijft intusschen in het museum wachten op den terugkeer van zijn hoofd.
De zonderlinge oude, nauwe straatjes van Spalato binnen de ommuring zijn bezienswaardig op zichzelf. Ze werden blijkbaar aangelegd, om ruimte te winnen en zijn waarschijnlijk nauwer dan die in eenige europeesche stad. De beide poorten in den buitenmuur zijn de Porta Argente en de Porta Aurea. De laatste, een prachtig, sterk bouwwerk, was de echte paleispoort, door Diocletianus ontworpen. Een andere poort, de Porta Ferrea, leidt naar de piazza van de moderne stad. Daar dichtbij is een vreemd marktpleintje aan den voet van een middeleeuwschen toren.
Het museum behoort tot de bezienswaardigheden van Spalato. Het is vol overblijfselen uit romeinsche en vroeg-christelijke tijden, in hoofdzaak verkregen uit het aangrenzende Salona, en het bevat een afschrift van Robert Adams standaardwerk over de oudheden uit het paleis van Diocletianus. Adam, in gezelschap van een vriend en twee teekenaars, bezocht de puinhoopen in 1756, en de vrucht van zijn onderzoekingen werd uitgegeven in 1763.
Wij bleven niet lang in het museum, want wij wenschten Dalmatiërs te leeren kennen, zooals ze nu zijn, liever dan zooals ze vroeger waren. Dit was onze eerste kennismaking met een stad van Dalmatië, en voor ons als voor de meeste bezoekers was het volk uit de steden, zoowel als van het platteland, gekleed in een dracht, die aan een gemaskerd bal deed denken, een der voornaamste aantrekkelijkheden van de plaats. Het gelukte ons, een der draagsters te snappen, maar dat ging niet zonder moeite, want de camera is hier nog niet gewoon, en de vreesaanjagende toebereidselen van openen en gelijkstellen wekten wantrouwen in de gemoederen der lieden van Spalato!
De vrouw was een getrouwde vrouw, wat te zien was aan den hoogen, witten kap met punt. De ongetrouwde meisjes dragen haar hoofdbedekking plat op het hoofd. De meerderheid der mannen dragen donkere broeken van tehuis geweven stoffen, die nauw om het been sluiten, maar overigens druk versierd zijn en met rood afgezet; buizen van dezelfde stof, ook geborduurd, die maar tot het middel reiken en kleine, platte, roode mutsjes, met zwart afgezet. Ruwe, thuis gemaakte sokken en een soort van sandalen voltooien het costuum.
De heer, dien wij fotografeerden, was een boer uit de provincie, van het binnenland dus, welke bewoners veel verschillen van de gemengde, veritaliaanschte bevolking der kuststeden. De naam Morlak is aan de eerste gegeven, en men zegt, dat ze afstammen van de bewoners van Wallachije in den tijd der turksche overheersching, die westwaarts zijn uitgeweken.
Salona, dat gemakkelijk van Spalato uit te bereiken is, was eenmaal een bloeiende stad en wordt nog al bezocht om de oude christelijke begraafplaats. De rit van Spalato is zeer bekoorlijk en leidt langs goed besproeide weiden door een dal, overspannen door een waterleiding, die in den tijd van Diocletianus werd gebouwd.

Gezicht op Ragusa.
Links heeft men een mooien fjord, die eenmaal de haven vormde van de stad Salona. Daarin ligt een klein eiland, door een steenen weg verbonden met het vasteland, en op dat eiland kan men een zeer oud dorp bezoeken, dat er moet hebben gelegen eer Spalato werd gesticht. Dat eilandje met de schitterende woningen is als een schilderij, en om de ligging en omgeving heeft men er den naam van klein Venetië, Piccola Venezia, aan gegeven.
Een der belangwekkendste monumenten van Salona is de ruïne van een oude kathedraal, welker dak eens werd ondersteund door een colonnade van slanke zuilen, nu nog slechts in fragmenten te herkennen. De mozaïekvloer van deze kathedraal is nog bewaard onder een bedekking van zand en wordt aan belangstellenden vertoond. Aan den kant van den heuvel is een zeer groot christelijk kerkhof binnen vervallen muren. Hier veronderstelt men ook een basiliek, waar nog een paar pilaren van over zijn. Overal ziet men resten van steenen sarcophagen, die open gebroken zijn, met uitzondering van twee, die de beenderen van kinderen bevatten en waar juweelen in werden gevonden.

Zonsondergang in de Gravosa-baai.
Dit vernielingswerk werd volbracht door de Avaren, die in de zevende eeuw Salona plunderden en verwoestten. Zij vormden de eerste golf van de invallende Slaven, waar later het land door bevolkt zou worden. Er zijn ook catacomben, waarin de sarcophagen werden geplaatst in een enkele rij langs den bodem van een diepe geul. Hier waren de vernielers stelselmatig te werk gegaan, en er was geen enkel graf ontsnapt. Op een der steenen grafkisten was het testament gegrift van een romeinsch ambtenaar, die kort aangeeft, dat hij al zijn bezittingen aan zijn vrouw nalaat.
Het opgravingswerk is nog slechts ondernomen in een paar hoeken van het terrein, dat door de stad werd ingenomen. Op één plaats is een steenen poort opgegraven, die van de stad naar de haven leidde. Op den weg zijn de sporen van de wielen der wagens even duidelijk te herkennen, als ze het moeten geweest zijn, toen ze vijftien- of zestienhonderd jaar geleden ontstonden. In een anderen hoek zijn de overblijfselen van Salona’s schouwburg aan het licht gebracht. De cellen voor de wilde beesten en de inrichting voor de gladiatoren zijn nog in goeden staat.
Dit amphitheater lag dichtbij de oevers van den fjord, zonder twijfel met het doel, om wilde dieren te kunnen ontschepen, die uit Afrika en Azië kwamen. De fjord moet een prachtige natuurlijke haven zijn geweest voor de koopvaardijschepen en de romeinsche galeien, en Salona was zonder twijfel een aanzienlijke handelsstad in den tijd van Diocletianus.
Onder de bergen achter Salona ziet men een kegelvormige rots, waar de huizen van Clisthra op liggen, een romantisch dorpje. Door de opening in het bergland moeten de Avaren neergedaald zijn naar de ongelukkige stad in het jaar 639 van onze jaartelling. Toen verlieten de overgebleven bewoners de stad en vluchtten binnen de hooge muren van het paleis van Diocletianus.
Op den dag nadat we Salona hadden gezien, reden we naar de middeleeuwsche stad Trau, die, bijna vier uren van Spalato verwijderd, aan de monding ligt van den fjord, waar de laatste stad aan is gelegen. De rit van Spalato naar Trau is een der schilderachtigste, die men in Dalmatië kan maken. De weg gaat langs het strand en langs heuvels aan de rechterzijde, terwijl het land tusschen de heuvels en de zee rijk is aan wijngaarden en olijvenboschjes. Het landschap doet aan de fransche Riviera denken, maar is vruchtbaarder, daar men er de oude kasteelen van de venetiaansche edelen vindt, door hun nakomelingen in zomerverblijven herschapen.
Trau was al een stad in de vroege Middeleeuwen en was de zetel van een bisschop. De plaats heeft veel oude huizen, loggia’s en nauwe straten. In de kerk, die uit de twaalfde eeuw dateert, is een kapel gewijd aan een der Orsini’s, eenmaal bisschop van Trau. Maar voor ons was het spoedig tijd om naar Gravosa te vertrekken, waarheen een der Hongaarsch-Croatische stoombooten ons overbracht.

Een bosnische schoonheid.
De haven van Gravosa wordt aan de eene zijde begrensd door de landtong van Lapad en aan den anderen kant door het heuvelachtige strand van Dalmatië. De stad heeft één straat, die langs de zee loopt en die tevens de kade en de hoofdverkeersweg is. Vroeger enkel een visschersdorp, ontwikkelt Gravosa zich tot een stad van beteekenis en is niet alleen de opvolgster van Ragusa als haven van dit deel van Dalmatië, doch wordt tevens de uitvoerhaven van de producten van Bosnië. Een dezer producten is hout, waarvan er hoopen op de werven lagen, wachtend op de schepen, die het naar alle werelddeelen zullen uitvoeren. De haven van Ragusa is te klein voor moderne schepen, terwijl die van Gravosa, die slechts twee mijlen verder ligt, schepen van veel meer tonneninhoud kan bergen.
In Gravosa heeft men een vrij goed hotel, het hotel Petka, dat in den laatsten tijd zeer is verbeterd, ofschoon het nog in geenen deele kan worden vergeleken bij het werkelijk eersteklashotel te Ragusa, het Imperial, dat alle mogelijke comfort aanbiedt en een uitstekende keuken heeft. De weg tusschen Gravosa en Ragusa loopt langs den voet van den berg, den Petka, en is mooi en schaduwrijk. Als men Ragusa nadert, ziet men aan den eenen kant de glanzende zee, omzoomd door de grillige rotspartijen, en aan de andere zijde villa’s met tuinen in italiaanschen stijl, waar halftropische bloemen en planten te vinden zijn. Van een hoogte heeft men een prachtig gezicht op de kleurige baai van Gravosa, met de beboschte bergen van Lapad en Petka. De weg daalt dan naar Ragusa langs een reeks huizen, die tot de moderne stad behooren, maar interessanter is het oude Ragusa met de verwonderlijke torens en vestingwerken, zoo stevig en sterk, als waren ze gisteren gebouwd. De monumenten uit Ragusa’s verleden komen u tegen bij iedere schrede. Daar is de Onofrio-fontein, de bron voor de oude watervoorziening der stad; dan de flauw verlichte kerk der Franciskaners, die iemand in de Middeleeuwen verplaatst; het Dominikaner klooster en de smalle, steile straatjes, een opeenvolging van traptreden. Langs het Corso liggen reeksen van oostersch eruit ziende winkels, waar met de hand vervaardigde stoffen en kleedingstukken uit Dalmatië, Bosnië, Montenegro, Albanië, Smyrna en Konstantinopel verkocht worden door individuen, die volkomen oosterlingen gelijken in gelaat, kleeding en manieren en die met gekruiste beenen tusschen hun waren zitten als echte Oosterlingen.
Deze winkels en hun omgeving schenken den reiziger den eersten onmiskenbaren indruk van de nabijheid van het Oosten. Men vraagt zich verwonderd af, of dit nu de winkels zijn, die al eeuwen geleden afgezonderd werden als de mohammedaansche wijk, waar de Muzelmannen van het oude Ragusa hun goederen mochten te koop aanbieden, toen de stad als belangrijke handelshaven met de Levant in betrekking stond. Het aantal inwoners moet toen veertig duizend hebben bedragen en er is bijna geen ander voorbeeld van een zoo betrekkelijk kleine stad, die zooveel invloed had in de Middeleeuwen. Eeuwen lang schijnt de kleine republiek voorspoedig te zijn geweest; ze werd nooit onderworpen en was vaak een schuilplaats voor politieke vluchtelingen. Geen corruptie of verkeerde staatkunde bracht haar achteruitgang teweeg, maar alleen de ongunst der omstandigheden. Er is niet veel van de vroegere grootheid overgebleven, en in de haven, waar driehonderd handelsschepen voor anker hebben gelegen, vindt men nu een half dozijn visschersbooten. Het gebouw van den Senaat en de Munt zijn bijna de eenige oude gebouwen, die den schok overleefden, waar Ragusa onder leed, toen in 1667 een geweldige aardbeving de stad teisterde.
Het inwendige van het Senaatsgebouw werd juist veranderd en vernieuwd toen wij er waren, maar op de binnenplaats konden we een gedenkteeken bewonderen van een der handelsvorsten van de stad, Michael Prazzato, die een verbazend groote gift in geld aan zijn geboortestad schonk. Ook de kathedraal, die op enkele dagen der week te bezien is, bood veel merkwaardigs aan, o.a. kunstwerken van oude meesters, die ons toeschenen op één lijn te kunnen worden gesteld met de schatten van de galerijen van München, Dresden en Parijs.
De weg van Gravosa langs den mooien Omblafjord gaat langs enkele villa’s, tuinen en particuliere kapellen van den ouden adel van Ragusa, alle meestal in droevigen staat van verval. Men gaat hier ook door een klein visschersdorpje, waar wij de vrouwen aan haar deuren aan het spinnewiel troffen.
Canossa is een plaatsje, dat altijd door de toeristen bezocht wordt, aan de kust gelegen ongeveer negen of tien mijlen van de monding van den Omblafjord. Wij moesten gebruik maken van het gewone vervoermiddel voor de reizigers, de stoombarkas, die tweemaal in de week van Gravosa vertrekt, als de kapitein een voldoend aantal passagiers is machtig geworden. Dientengevolge vonden wij de geriefelijkheid aan boord door te velen in beslag genomen, maar gelukkig duurde de reis niet langer dan anderhalf uur. Er is een kleine landingsplaats te Canossa, van waar een pad in zigzaglijn den steilen kant van den heuvel oploopt naar den ingang van de tuinen. Die behooren aan de familie Gozze, een der oude patricische families van Ragusa, die ze in stand houden en aan bezoekers toestaan, ze tegen een kleine som te komen bekijken.
Onder de beide groote platanen waren stalletjes met ververschingen neergezet. Die boomen zijn waarschijnlijk de prachtigste exemplaren in hun soort in geheel Europa; een honderd menschen zouden onder hun gebladerte kunnen schuilen. Maar in Kaschmir hadden wij zooveel platanen gezien, die even mooi of mooier waren dan deze boomen, dat we een beetje geblaseerd waren op dit punt. Na een vruchtelooze poging, om een der boomen te photografeeren, gingen wij verder wandelen, om de waarlijk mooie tuinen te bezichtigen.
Wij hadden een prachtig uitzicht van het hoogste deel der tuinen. De zee, glad als een spiegel, zag er gepolijst uit als een kostbare steen. Aan den horizon konden wij twee eilandjes onderscheiden, nauwelijks zichtbaar door den lichten nevel, die ze verborg. Op een hoogte naar links stond het kerkje van Canossa. Beneden ons helden de sierlijk aangelegde gronden naar den zoom van donkergroene cypressen aan het strand, die den indruk van het afwisselende landschap niet weinig versterkten. De tuinen bevatten een zoo groote hoeveelheid zeldzame planten, waaronder bloeiende palmen, dat we hier in werkelijkheid een heerlijken botanischen tuin hadden.
De zon ging onder toen we weer in de baai van Gravosa terug waren. De uitwerking van het licht op de oppervlakte van de baai is wonderschoon, vooral tegen zonsondergang.
Wij gingen op een dag naar het Brenodal, met den trein van Gravosa naar Brgat, van waar we langs de heuvelhelling een paar honderd meter naar beneden daalden, tot we op den grooten weg naar Oostenrijk uitkwamen. We hielden dien zoowat een mijl ver, gaande in de richting van Ragusa, en trokken toen verder den heuvel af, die hier zeer steenachtig en steil is, en volgden een geitepad naar het vruchtbare dal omstreeks duizend voet lager.
Het was vroeger blijkbaar een veelgebruikt en goed onderhouden wegje, maar het zag er nu verlaten en verwaarloosd uit. Veel bewoners van de streek waren als landverhuizers naar Amerika gegaan, en naar wat we zagen en hoorden, schijnt een groot deel van Dalmatië’s bevolking zijn geluk in de Nieuwe Wereld te beproeven. De weinigen, die een spaarpotje maken en terugkomen, om zich voor goed in hun vaderland te vestigen, worden dan in het vervolg “Americanski” genoemd.
Het Brenodal, dat niet bijzonder belangrijk is uit het oogpunt van natuurschoon, heeft een paar mooie uitzichten, waaronder het gezicht zeewaarts, met het oude Ragusa in de verte, vooral uitmunt. Ook verdienen genoemd de welbekende watermolens van Breno met hun schilderachtigen waterval. Een treffende bijzonderheid van dit dal was de boerenkleeding, die zeer eigenaardig en kleurrijk is. We wisten niet, dat de typische kleederdracht alleen gedragen werd op zon- en feestdagen, en ongelukkig viel de dag van ons bezoek niet op zulk een dag. Wij hoorden echter, dat de oude costumes langzamerhand verdwijnen, want de kleeding der mannen is heel omslachtig en nogal duur met de massa goudborduursel en zilveren knoopen.
We keerden langs de kust terug. Drie mijlen aan deze zijde van Ragusa staat het nu verlaten klooster San Giacomo, een zonderling oud gebouw, nog in goeden staat, mooi gelegen aan de zee. Verder aan de kust kan men hier een prachtigen indruk krijgen van Ragusa zelf.
Een aan te raden uitstapje, om te doen als men te Ragusa is, vormt de toer over de wallen der stad. Men krijgt dan niet alleen een juist inzicht in de uitgestrektheid en in hun sterkte en wondervolle symmetrie, maar van hun hooge hoogten kan men ook een goed overzicht krijgen van de omringende forten aan de haven en de stad in haar geheel.
De officiëele bepalingen zeggen, dat men, om ze te mogen bezoeken, zich op het Platz Commando moet aanmelden om negen uur ’s morgens, en wel precies op Dinsdagen en Zaterdagen, de eenige dagen, waarop dit voorrecht aan het publiek wordt gegund. Dan moet men er plaatskaarten nemen en wordt door een officier rondgeleid, die moet toezien, dat ge geen stuk van de wallen in den zak steekt of eenig boos plan uitvoert. Maar ge moet u aanmelden om kaarten om negen uur precies; twee of drie minuten later, dan is het mis. Het gebeurde, dat bij onze eerste poging we vijf of zes minuten te laat waren, daar we eenigen tijd naar het Platz Commando hadden gezocht. Ten behoeve van latere bezoekers zij hier gezegd, dat het juist binnen de Porta Pille is gelegen, en dat een kleine deur in de versterkingen aan den rechter kant er toegang toe geeft.
Het uitstapje naar Cattaro en de Bocche wordt gewoonlijk gemaakt met een der stoombooten van de Hongaarsch-Croatische lijn of die van de Oostenrijksche Lloyd, die, de eerste viermaal en de laatste eens per week, varen en om negen uur ’s morgens van Gravosa vertrekken.

Vrouw uit Spalato.
(De witte kap duidt aan, dat zij getrouwd is.)
Die leggen den weg af in ongeveer vier uren en geven aan de passagiers anderhalf uur tijd in Cattaro, eer ze weer vertrekken. De groote meerderheid der passagiers gaan enkel om de Bocche te zien en keeren met dezelfde boot terug. Zij, die voornemens zijn verder door te gaan naar Montenegro, maken meestal vooruit schikkingen, dat een rijtuig hen in Cattaro wacht, waarmee ze terstond op reis gaan, zoodat ze den rit van zes of zeven uur afleggen kunnen en tijdig genoeg voor het middagmaal in Cettinje kunnen aankomen.
Onze tocht naar Cattaro en de Bocche deden we in een pleizierboot, die varen zou als er zich zestig passagiers voor aanmeldden. Gedeeltelijk uit nieuwsgierigheid, hoe men met die dingen in deze streek handelde en gedeeltelijk omdat we dachten, dat de stoomboot langzamer zou gaan en ons dus een betere gelegenheid zou aanbieden om de dingen te zien, besloten wij ons aan te sluiten bij de stoutmoedige zestig.
We hadden ons niet vergist, toen we vermoedden, dat er wel wat extra genoegen op zou overschieten, als we afweken van de gewone manier van reizen. Er was aangekondigd, dat de boot om acht uur zou varen, maar de menschen, die zich voor het uitstapje hadden opgegeven, schenen te meenen, dat elke andere tijd ook goed was en kwamen bij tweeën en drieën aanwandelen, tot wel veertig minuten na den vastgestelden tijd. Onze kapitein had dat, naar het schijnt, wel verwacht, want hij verscheen niet voor half negen en had toen nog geen haast. In den tusschentijd scheen heel Ragusa op de kade zich te hebben verzameld, om afscheid te nemen van vrienden en bekenden, die zich waagden aan zoo’n ongewone en waaghalzige onderneming. Driemaal ging de brug omhoog en weer omlaag, en ten laatste was zelfs de servische kapitein zijn geduld kwijt; de fluit van de boot liet zich lang en luid hooren. Het signaal voor het ophalen van de brug werd voor de vierde maal gegeven, maar juist op dat oogenblik liep het schoothondje van een dame van de stoomboot af op de kade, en haar zoontje volgde, om den hond weer te halen. Weer vijf minuten oponthoud, en tot onze verbazing geen protest, noch bij de moeder noch bij den kapitein.
Ten laatste voeren we weg te midden van een betoon van groote geestdrift, terwijl het muziekcorps aan boord een vroolijk deuntje speelde, en de menigte aan den wal met hoeden en zakdoeken zwaaide. Het leek wel wat op het vertrek van een aantal schoolkinderen op een feestdag.
Spoedig nadat we waren vertrokken, kwam de kapitein met een lang gezicht op ons toe om te zeggen, dat hij er niet in geslaagd was, zijn aantal van zestig passagiers volledig te krijgen, maar dat hij toch maar was gegaan, om diegenen, die kaartjes hadden genomen, niet teleur te stellen. Als een arm man kon hij echter daarbij geen verliezer wezen en daarom moest hij een bijslag op den prijs van twintig percent vragen, zoodat het passagegeld het deficit zou aanvullen. Die vraag viel ons wel wat koud op het lijf, daar we reeds den retourprijs betaalden voor enkele reis; maar daar het bedrag niet hoog was, betaalden we. Het was duidelijk intusschen, dat de boot net zoo vol was, als ze maar met mogelijkheid kon zijn, en we trokken uit een en ander het gevolg, dat de Dalmatiërs niet voor niets Amerika bezoeken!
Het was mooi weêr, maar er ging toch zooveel zee, dat het den photograaf hinderlijk was. De beroemde Bocche is een wijde golf of fjord, die wel zestien mijlen landwaarts in dringt. Zij heeft drie zijtakken, ieder weer voorzien van kleinere inhammen; een verzameling prachtige natuurlijke havens. Een heerlijk panorama lag vóór ons. Het eerst trekt de aandacht de bergreeks, die als een muur achter Castelnuovo verrijst en doorloopt tot Risano, om dan rondom den fjord recht door naar Cattaro te gaan. Achter die grimmige afsluiting van bergen ligt het bergachtig district Krivosje, een Tirol in het klein en in het wilde, dat tot hier toe nog maar weinig bezocht is geworden, zelfs nog niet gevonden is door de reizigers, die graag nieuwe bergtoppen bestijgen. Hier en daar was er aan den horizon een sneeuwtop te zien. Aan den tegenoverliggenden oever in de richting van de Teodobasi werd de horizon afgesloten door de rotsachtige bergen van Montenegro.
Bij Castelnuovo begint de Riviera van de Bocche. Castelnuovo zelf is wel het schilderachtigste van alle stadjes, die aan de oevers van de Bocche liggen, en het heeft stellig de mooiste omstreken. In dit beschutte hoekje is het klimaat zacht en gelijkmatig en het resultaat is een prachtige subtropische plantengroei. De stad met haar oud fort en de wallen ziet er als een schilderijtje uit. Het heeft een rol gespeeld in de geschiedenis en is nu nog het uitgangspunt naar Herzegowina.
Een zekere Stephan, een machtig edelman, die een groot deel van het omringende land in eigendom bezat, maakte Castelnuovo, dat toen Ercegnovi heette, tot zijn hoofdkwartier in de eerste helft van de vijftiende eeuw. De naam Herzegowina moet afkomstig wezen van die hoofdresidentie en later zijn toegepast op het heele land, dat voor hem bukte.
Castelnuovo was de naam, later aan de plaats gegeven door de Venetianen, in wier bezit het kwam in de zestiende en ook in de zeventiende eeuw. Het doorleefde troebele tijden bij den strijd tusschen de Turken en Venetië. Het werd ingenomen door de Turken en weer ontzet door een spaansche vloot, terwijl de Spanjaarden ten slotte het fort Spagnuolo bouwden. Hernomen door de Turken, kwam het niet weer onder venetiaansch gezag vóór 1687.
Castelnuovo is per spoor met Gravosa verbonden. De afstand is zeer kort in vogelvlucht, maar door den aard van het land moet de trein een kronkelenden weg beschrijven, eer hij aan de kust aanlandt bij Castelnuovo. Bovendien stopt hij bij elk stationnetje, zoodat de reis acht of negen uren duurt. Door gebruik te maken van dien weg langs de Baai en den volgenden dag per boot verder te gaan, wordt het eenige gedeelte van het vaarwater, dat kans op slechte onstuimige vaart biedt, vermeden, en er wordt niets bij verloren, daar dat eind van de kust heel onbelangrijk is. Een ander voordeel is, dat men door de Canalesi-streek komt, waar de boeren een zeer schilderachtige dracht hebben. Wij zouden dien weg hebben verkozen, als men ons niet ten onrechte had gezegd, dat er geen goed logies in Castelnuovo te krijgen was.

Een servisch huwelijk.
Dichtbij Castelnuovo is het badplaatsje Zelenika, waar in de buurt het oude klooster Savina is, zomerverblijf van den bisschop van Cattaro. Van daar moet men zes uur sporen om Trebinje, de tweede stad van Herzegowina te bereiken. In de nabijheid van die plaats is het belangwekkende Lasvadistrict, waar de beste wijn van Herzegowina gekweekt wordt. Maar wij voeren verder langs Cattene en Risano en Perasto, sommige liefelijk in het groen gelegen, en kwamen daarna, waar de baai zich vernauwde, bij Cattaro, een allersomberst lijkende stad. Er tegenover verrijzen de steile hoogten van de bergen van Montenegro, waar men heel in de hoogte de witte zigzaglijn kan onderscheiden van den weg naar Cettinje. Op een smal richeltje van de klippen heeft zich Cattaro, als het ware, neergedoken.

De beroemde oude brug in Mostar.
Een meer gevangenisachtig verblijf dan Cattaro, zooals het daar onder de dreigende rotsen gedoken ligt, kan men zich bijna niet voorstellen. Ook kan men haast niet begrijpen, hoe eenig menschelijk wezen, behalve dan onze voorhistorische holbewonende voorouders, eraan kon denken, zoo’n akelige plek te kiezen voor het bouwen van een stad. In den winter moet het een bijzonder trieste plaats wezen, daar men er enkel vier of vijf uur per dag zonlicht heeft. Weinig andere menschen dan juist de Dalmatiërs zouden in deze dagen van beschaving en vooruitgang er vrede mee hebben, te wonen in de duistere, smalle, kwalijkriekende straten van dit primitieve, stumperige stadje.
Maar bij Cattaro werkt die geest, die het zoo achterlijk maakt, juist mee, om de plaats te maken tot iets interessants, een hoekje, zooals men weinig meer in Europa vindt, behalve dan misschien in Spanje. Het is een middeleeuwsche stad gebleven. Men heeft er zelfs geen behoorlijk hotel. Er is niets moderns behalve de kade. Het staat er nog als drie- of vierhonderd jaar geleden, toen het schatplichtig was aan de republiek Venetië. Binnen den gordel der vervallen muren treft men twee poorten aan bij de stilstaande plassen aan weerszijden van de stad. Hier zijn een paar ophaalbruggen, die elken morgen worden neergelaten en iederen avond opgehaald, en tegen de rotsen, die onmiddellijk achter de stad oprijzen, heeft men zigzaglijnen van versterkingen aangelegd, bekroond met een vesting op den top van een rots. Die oude wallen en muren en het fort verhoogen de schilderachtigheid. Er is een marktplaats buiten de stad, waar veel Montenegrijnen komen, een mooi hoekje, overschaduwd door vervallen muren. Wij letten op de kleederdracht der Montenegrijnen en zagen met verbazing, dat ze in hun gordels geen pistolen droegen. We hoorden dan ook, dat geen Montenegrijn zich gewapend op oostenrijksch grondgebied mag vertoonen. Aan die wet wordt streng de hand gehouden, sedert een vorst in Montenegro nu vijf-en-veertig jaren geleden vermoord werd in Cattaro door een landsman van hem, een betreurenswaardig voorval, dat de Montenegrijnen aan oostenrijksche intriges weten.
De kathedraal van Cattaro, een eenvoudig gebouw, heeft de verdienste van zeer oud te zijn, daar ze uit de twaalfde eeuw afkomstig is. Ook heeft die kerk de bijzonderheid, dat ze met haar rug tegen de barre rots is aangebouwd, die vijftienhonderd voet hoog is. Als hij tusschen de twee torens van de oude kathedraal door kijkt, kan de reiziger een kapelletje ontdekken halfweg de rots.
Midden in de stad is nog een kerk, een zonderling gebouw, dat zelfs ouder moet wezen dan de kathedraal. We konden niets meer vinden in Cattaro, dat bezienswaardig was, en het viel moeilijk te begrijpen, dat dit de voornaamste stad aan de Bocche of Baai was, om welker bezit Slaven en Hongaren, Turken en Venetianen, en zelfs in het begin der negentiende eeuw Franschen en Russen vochten en in den dood gingen. Evenals Ragusa was het eenmaal een vrije republiek en dreef een bloeienden handel met Venetië. Misschien is het niet algemeen bekend, dat Cattaro eenmaal werd ingenomen door de Engelschen, toen de fransche legermacht, die er in 1813 heer en meester was, capituleerde met onzen commodore Hoste, nadat de laatste de fransche vloot had verslagen bij het eiland Lissa.
De herbergen of hotels van Cattaro zijn zeer onvoldoende, noch geriefelijk, noch zindelijk, noch bijzonder goedkoop. Voor de gezondheid wordt al heel weinig gedaan. Men moet op deze dingen voorbereid zijn in de kleinere steden van Dalmatië, maar nu komt er in Cattaro nog bij, dat de plaats zoo weinig rustig is. In den nacht houdt het lawaai nooit op door het geklos van zwaar beslagen schoenen over de slecht geplaveide straten en door de vreemde gewoonte van de bewoners, om op het spookuur altijd op straat te willen zijn en dan te praten, zoo luid ze kunnen! De menschen schijnen er met de katten te willen wedijveren, wie den nacht het meest ongenietbaar zal maken.
Er zijn drie manieren, om de reis naar Cettinje te maken. Een ondernemend reiziger zou den afstand wandelend kunnen afleggen langs het ruiterpad, dat de “Montenegrijnsche ladder” wordt genoemd, een steilen en moeilijken weg, die tot 1881 de eenige route naar Montenegro was. Er is halfweg te Njegus een huis, waar de voetganger den nacht, als hij dat wenschte, zou kunnen doorbrengen. Die manier zouden wij zelven het liefst hebben gekozen, als we van dat huis halfweg hadden geweten. Of de reiziger kan omhoog rijden, als hij er op voorbereid is zijn energie te besteden aan het verkrijgen van een pony. Maar het rijden langs het ruiterpad is ongemakkelijk, want het gaat zoo steil, als maar mogelijk is. Ten slotte kan men per rijtuig over den nieuwen rijweg gaan. Dit kan per diligence gebeuren of, als wij deden, per gehuurd rijtuig, dat in de stad te krijgen is. Iets meer dan dertig shillings is de gewone prijs voor het laatste heen en terug, geen hooge prijs voor een rit van twee dagen en ter lengte van zestig mijlen, waarvan de helft de langst aanhoudende stijging voor de paarden beteekent, in Europa ergens te vinden.
Daar men de nachten met meer comfort kan doorbrengen in Cettinje dan in Cattaro, moet de reiziger de dagen in het hoofd hebben, waarop de mailboot van Cattaro vertrekt op de terugreis naar Gravosa. Hij kan dan een wagen huren voor een enkelen dag naar boven en een anderen voor de reis naar beneden en dus in Cattaro komen op den voor de boot geschikten tijd. Diegenen echter, die genoegen nemen met de onaangenaamheden van een nacht te Cattaro, kunnen de heele reis omhoog bij daglicht doen.
Het mooiste gezicht op de stad Cattaro en op den laatsten arm van de Bocche krijgt men een kwartier na het vertrek, want de weg stijgt zoo snel, dat men haast een aanblik als in vogelvlucht krijgt. De eerst ingeslagen richting is een oostelijke, naar een “nek”, zooals de Boeren zouden zeggen, van waar de hellingen dalen, aan den eenen kant naar de Teodobaai en aan den anderen naar de golf van Cattaro. Die pashoogte bereikt men onmiddellijk voorbij het oostenrijksche Drieëenheidsfort; en van dat punt heeft men een mooi uitzicht over de Teodobaai en haar beide kleine eilandjes, waarvan het grootste vol huizen staat, terwijl op het andere een paar kloosters verrijzen.
Daarna loopt de weg een eind terug en dan begint het ernstige werk van het bestijgen der oogenschijnlijk ontoegankelijke hoogten aan de spits van de golf van Cattaro. Heen en weer gaat de weg, nu eens een groote bocht makend, dan weer een kleinere, zoowat op de manier waarop een spin haar web weeft, zigzaglijnen trekkend over de bijna loodrechte klip. De ingenieursarbeid aan dit mooie staaltje van een oostenrijkschen bergweg besteed, die steil is zonder al te steil te zijn, en die in zichzelven terugkeert in scherpe bochten, zonder dat ze te scherp zijn, is werkelijk wonderbaarlijk. Er is een enkel punt, waar op den terugweg ge naar beneden kunt zien en waar ge van het begin tot het eind vijftien bochten kunt tellen van een wit weglint, dat langs den afgrond onder u loopt. De laagste bocht is zoo ver weg, dat men duizelig wordt, als men er naar ziet.
De rit kan niet worden aanbevolen aan zeer zenuwachtige personen, zoowel om de steilte van de bergen als omdat de koetsiers een bijzondere manier hebben, om van den bok te vliegen, de teugels op de ruggen der paarden te gooien en aan den binnenkant van het smalle pad te loopen, spelend het dier met de zweep tikkend en hen er zoo toe brengend, den buitenkant van het pad precies te volgen! Die handeling is eerst wat verontrustend, maar de dieren schijnen eraan gewend te zijn.
Ongeveer een uur na ons vertrek uit Cattaro hadden we reeds een zeer aanzienlijke hoogte boven den fjord bereikt. Wij bekeken het panorama, dat de beide golven van Cattaro en Teodo aanboden, waarbij zich, naarmate we hooger stegen, een derde voegde, de Bai di Traste. De golf van Cattaro leek eenvoudig op een blauw strookje tusschen den begroeiden berg Vrmac in het Westen en steile, kale rotsen in het Oosten. Verderop glinsterde het water van de Bocche in de zon, omsloten door de donkere bergen er omheen, waarvan de omtrekken in de verte helder afstaken tegen de lucht, en door de sneeuwtoppen van enkele der hoogere bergen in het binnenland van Krivosje.
Nadat we weer een oostenrijksch fort, Gorazda, voorbij waren, werden de zigzags korter, de bochten scherper, en de stijging vlugger, toch bleven de paarden bijna geregeld in draf, soms dien afwisselend met een flinken stap, en wij merkten met verbazing op, dat ofschoon we zoo snel stegen, de toenemende ijlheid der lucht geen invloed scheen te hebben op hun ademhaling. Wijzelf begonnen intusschen wel een verandering te bespeuren, een opwekkende lichtheid en zuiverheid der lucht, een opmerkelijk verschil met de nog al zware lucht beneden. Die eigenaardigheid der atmosfeer is een der bekoorlijkheden van Montenegro.
Na wat dwalend gezigzag ging de weg recht en bijna juist oostwaarts naar den Lovcen, den rotsachtigen berg die zich aan dezen kant boven Montenegro verheft. Spoedig verdwenen nu de reeds gewoon geworden zwart en gele palen, om plaats te maken voor een paal, die met een romeinsche I was geteekend. Even verder kwamen we aan het eerste montenegrijnsche huisje, dat wel wat op een iersche boerenwoning geleek en een type mocht heeten van de woning van de boeren uit het land, die al heel weinig aan comfort schijnen te hechten of te arm zijn, om beter woningen te bouwen.
Daarna maakt de weg een lus om een diep ravijn, langs welks steile hellingen men het ruiterpad van Cattaro kan zien slingeren als de kronkelingen van een kurketrekker, waarna het eenige honderden meters verder zich bij den rijweg aansluit. Een troep Montenegrijnen zwoegde juist omhoog; het leek eerst in de verte of er een groote rups kroop. Toen wij dichterbij kwamen, zagen we, dat de cavalcade bestond uit een paar Montenegrijnen, die beladen paardjes en ezels dreven, en dat er ook verscheiden vrouwen bij waren, die bijna even zwaar beladen waren als de lastdieren; want de montenegrijnsche vrouwen deelen de eer met pony’s en ezels, dat ze als lastdieren haar land mogen dienen. De man wandelt vrij en onbelast ernaast. Die aanblik herinnerde er ons duidelijk aan, dat we nu in een land waren, waar nog gewoonten in zwang zijn, behoorend bij dien primitieven tijd, toen de man de jager en krijger was en dus altijd vrij moest zijn, om van zijn wapens gebruik te maken. In de verdeeling der plichten viel de plicht van dragen dus natuurlijk op de vrouwen.
Nog niet langer dan twee of drie tientallen van jaren geleden bestond voor den Montenegrijn die verontschuldiging voor de ontheffing van alle te dragen lasten, maar thans bestaat die niet meer. Maar de man is nog gehecht aan de oude voorrechten, en hij zou het een vernedering achten, er afstand van te doen. Er is nog een echte kaste in Montenegro, die der krijgslieden, waartoe alle mannen behooren. Het zelfbehoud heeft eeuwenlang geëischt, dat de heele volwassen mannelijke bevolking uit krijgers zou bestaan. Het zal den Montenegrijn eenigen tijd kosten, zijn tegenwoordige denkbeelden kwijt te raken. En intusschen beletten armoede en de schraalheid van het land hun het vervangen van de vrouwelijke hulp door het aanschaffen van dieren voor transport. Het ruwe leven van de montenegrijnsche vrouwen maakt haar vroeg oud.
De weg, die tot hiertoe een richel was geweest op het aangezicht van den berg met rotsen aan den eenen en een afgrond aan den anderen kant, draaide nu bij de montenegrijnsche grenzen een smallen pas binnen. Links en rechts waren bergen, die bij de Lovcengroep behoorden en die den naam van het Rotsgebergte zeker beter verdienden dan het gebergte van dien naam in Amerika, want het zijn eenvoudig reuzenrotsen, zonder eenige aarde, behalve hier en daar in kloven, waar struiken en stompen van boomen een kommervol bestaan leiden. De pas leidde naar een steenachtig dal, waar kleine plekken, die men van steenen had bevrijd, als bouwland werden gebruikt.

Turksche kinderen, die naar de markt geweest zijn.
Een klein half uurtje rijden door den pas bracht ons naar een werkelijk redelijk groot plekje vlak land in het dal, waar een dorp lag. Het was Niegus, de zetel der familie van den regeerenden vorst Nicolaas, de tegenwoordige heerscher van Montenegro, geboren in een gebouwtje als een schuur, dat, naar ons werd verteld, hem thans nog dient als jachthuisje. Het dorp gelijkt op de dorpen in de armste streken van Ierland, en de hutten hebben juist zulke gaten voor vensters, maar zien er netter uit, en de meeste hebben steenen of pannen daken. Vlak boven het dorp rijst een piek van 6000 voet omhoog, met sneeuw bedekt toen wij er waren.
Een aardige herberg is onlangs geopend te Niegus door een Montenegrijn. Dat is het huis Halfweg, waar het gewoonte is, een uur stil te houden in het heengaan of op den terugweg, om te ontbijten en de paarden te voederen en te drenken. De eigenaar, een knappe man in montenegrijnsche kleeding, kwam naar buiten, om ons te verwelkomen. Iemand in Dalmatië had ons verteld, dat we hier niets te eten konden krijgen, en dus hadden we den gegeven raad gevolgd en hadden ons lunch meegenomen. De eigenaar scheen daar niet op te letten; maar hij glimlachte toen wij hem de reden meedeelden, verklarend dat hij altijd in staat was, voor kleine gezelschappen een lunch aan te richten. Hij sprak uitstekend Fransch, dat hij, naar hij zei, in Marseille had geleerd. Hij had veel gereisd, vertelde hij ons, maar was nu naar Montenegro teruggekeerd, om er te blijven. Niegus leek een sombere plaats om te wonen voor een bereisd man, en we waagden hem te vragen, of hij er de voorkeur aan gaf boven elke andere plek, die hij aanschouwd had. Hij glimlachte flauwtjes en antwoordde: “Chacun préfère sa patrie.”
Tegenover ons waren, terwijl we in de veranda zaten, twee zeer kleine ossen aan het ploegen van een veldje. De ploeger, een statige Montenegrijn, zag er vreemd uit bij zijn miniem spannetje. We hadden een kodak steeds bij de hand en wilden wel graag iets montenegrijnsch snappen, en zie, plotseling verschenen er vijf vuile jongens, die op een rij gingen staan, stijf van aandacht, in afwachting van te worden gekiekt. Om hen niet teleur te stellen, namen wij de groep en hadden er pret in, want ze schenen de zaak heel gewoon te vinden! Voor hoeveel reizigers moeten ze al niet hebben geposeerd, dat ze zoo vertrouwd zijn geworden met het gephotografeerd worden.
De paarden hadden nu te eten en te drinken gehad, en die wonderlijke dieren waren al weer klaar na den langen trek van vijftien mijlen omhoog, om een nieuwe vijftien mijlen af te leggen, bergop en bergaf. Onder het verder rijden zagen we bouwland aan alle kanten, maar in stukjes en brokjes, overal waar maar wat losse aarde was te vinden. Hier schuilt er geen overdrijving in, als men zegt, dat ieder duimbreed gronds bebouwd is en dat elk centimetertje van moeder Aarde met zorg gekoesterd en op prijs gesteld wordt.

Een Bosnische Turk met zijn zoon.
Wij stegen nog, en de lucht werd reeds koeler. Toen we boven waren, hield het rijtuig stil bij een montenegrijnsche hut, waar een vrouw ons turksche koffie schonk tegen een stuiver per hoofd. We hadden den top van den pas bereikt.
Den hoek omslaand bij het dalen, kregen we den aanblik van een typisch montenegrijnsch landschap van de meest woeste soort. Wij zagen neer op een wijde zee van rotsen, waar de eene golf na de andere zich voor ons ontrolde, eindeloos ver tot aan den horizon, een labyrinth van rotsen, grijs en strak, met niets levends in zicht en geen geluid om de eeuwige stilte te breken. Het tooneel was afgrijselijk van troosteloosheid. Vreemd genoeg, gevoelden wij, toen de eerste verrassing voorbij was, iets als opgewektheid in plaats van neerslachtigheid, want de lucht was als champagne. Een half uur van snel dalen langs den weg bracht ons in het gezicht van het dal, aan welks uiteinde Cettinje ligt. Het dal is lang en breed en vlak, en de breede witte weg komt er binnen aan het verste einde, er recht door gaande met één scherpe bocht. Er is hier overvloed van bebouwd land, en de velden zijn goed van grootte. Als ooit Cettinje uitbreidingsplannen mocht krijgen, zal er plaats in overvloed wezen.

Veemarkt in Serajewo.
Wij stapten af aan het Grand Hotel, zes-en-een half uur na Cattaro te hebben verlaten. De hoofdstraat, die ongeveer 150 ellen lang is, omvat zoowat twee derden van de stad. Het is een zonderlinge straat, zoo breed, dat het mogelijk zou zijn er drie of vier rijtuigen naast elkaar door te laten rijden. Er staan alleen huisjes van één of twee verdiepingen, alle ongelijk geschilderd, nu een grijs, dan een blauw of groen, nooit twee naast elkaar van dezelfde tint. Een paar korte straten slaan rechthoekig af, en daar vindt men alles, wat niet te vinden is in de hoofdstraat. Het Grand Hotel staat aan het einde, en doet de kleine plaats alle eer aan; er is een keuken, waar een fransche chef den schepter zwaait.
Als men de stad binnengaat, treft men links een mooie villa op haar eigen terrein; dat is de Oostenrijksche ambassade; aan den rand der stad aan den anderen kant zijn de nog grootere en mooiere gebouwen van het russische gezantschap. Die ambassades van de beide Grootmachten staan daar als twee wachthonden, elk met één oog op den ander gevestigd en het been tusschen zich in.
Met het oog op dat kleine hoofdstadje en den barren, woestijnachtigen grond, die een groot deel van het land beslaat, is de waarde van het been, waar de strijd om gaat, niet dadelijk duidelijk, maar een wandeling door Cettinje brengt die spoedig aan den dag. Ieder man is een geboren soldaat. Men kan het in zijn oogen lezen, in zijn onafhankelijke houding en in de gewoonte van de wapens te dragen, want bijna ieder volwassene heeft een pistool in den gordel, enkelen zelfs een heel arsenaal van wapens. Dit is een prachtig contingent in oorlogstijd, waarvan Rusland de waarde al eens heeft beproefd, welke waarde opnieuw zal blijken in dien niet zoo ver verwijderden tijd, als de lang verschoven quaestie van het dichtbijzijnde Oosten beslist moet worden.
Er is voor den gewonen toerist niet veel in Cettinje te zien. De vorst bewoont een bescheiden, chocoladekleurig gebouw, met wit afgezet, waar niet veel open grond bij behoort. Er is een oud klooster in de buurt, waarvan de fondamenten gelegd zijn omstreeks den tijd van Willem den Veroveraar. Ofschoon het tweemaal verwoest werd door de invallen van de Mohammedanen, heeft het tegenwoordig gebouw den respectabelen ouderdom bereikt van zoowat zeshonderd jaren. De belangrijkheid ligt meer in de historische betrekkingen dan in de architectonische verdiensten. De graftomben en de graven van de koninklijke familie zijn er in de nabijheid.
Tegenover het klooster ligt het Biljardpaleis, een laag, wit, steenen gebouw, dat haast niet den naam van paleis verdient. Toch was het vroeger het paleis van den vorst, maar is nu dat van den Bisschop en dankt zijn naam aan het feit, dat de voornaamste kamer, die het bevat en waar de regeerende vorst zijn recepties hield, indertijd een biljard bezat.
Een steenworp verder is het arsenaal, dat enkele curiositeiten en herinneringen heeft van de oorlogen der Montenegrijnen tegen de Turken. Dan volgt de gevangenis, merkwaardig omdat ze bestuurd wordt naar een stelsel, dat zoo geheel verschilt van het gewone. De gevangenen dragen geen gevangenkleeding en worden behandeld als een troep ongevaarlijke krankzinnigen, wien men eenigen dwang moet opleggen, om overlast van het publiek te voorkomen. De eenige aanwijzing van het feit, dat het gevangenen zijn, is dat ze ketenen aan de beenen hebben. Ze mogen nu en dan wat wandelen buiten de muren der gevangenis onder de hoede van een enkelen bewaker, bij welke gelegenheid een menigte van vrienden en verwanten vrij met hen mogen praten. Inderdaad is het dan moeilijk, de gevangenen van hun vrienden te onderscheiden. Op het eerste gezicht schijnt het verrassend, dat er niet meer ontvluchtingen plaats hebben in die omstandigheden. Maar de gevangenisautoriteiten weten wel, wat ze doen, want waar zou een ontvluchte montenegrijnsche misdadiger zich verbergen? Hij moet wel ontdekt worden in zijn eigen land, en elders zou zijn nationaliteit, zoo niet zijn eigenaardige kleederdracht hem tot een aangewezen persoon maken. De misdaden of liever de redenen tot opsluiting stonden bijna zonder onderscheid in verband met vechten en met de gevolgen van wraaknemingen.

Canalesische vrouwen in nationaal kostuum.
De schouwburg, een gebouw, dat ter herinnering aan den overleden Vorst is gebouwd en het marktplein zijn de verdere merkwaardigheden. Voor den gewonen kijkenden toerist mag dat weinig lijken, maar voor den reiziger, die weet te waardeeren, is een bezoek aan Montenegro zeer belangwekkend, want hier bloeien nog alle primitieve deugden en een arcadische eenvoud, die elders in het beschaafde Europa niet meer zijn te vinden, zeker in het geheel niet in een europeesche hoofdstad. De groote aantrekkelijkheid van Montenegro vormt het volk, een prachtig ras, goed gebouwd, knap, openhartig, beleefd, zonder kruipend te zijn en nog hechtend aan de gevoelens van eer uit den ouden tijd. Het land is nu nog niet bedorven door de beschaving; het heeft geen sociale quaestie en heeft geen dieven noch geldleeners; ook wordt het nog niet verduisterd door de schaduw van het geldbejag.
Maar de Montenegrijn mist de schaduwzijden van zijn deugden niet. Of het is toe te schrijven aan zijn omgeving of zijn opleiding of een andere oorzaak, hij houdt niet van werken. Hij voert niets uit, maar hij is lui met gratie. Het is onmogelijk te gelooven, als men het niet heeft gezien, met wat een statigen, deftigen gang de mannen uit Cettinje om vijf uur in den namiddag hun hoofdstraat afwandelen, langzaam stappend vol majesteit en pratend, niet opgewonden, zooals de mannen doen van alle omringende landen, maar ernstig, kalm, van ganscher harte, als een volk, dat een groot werk zich ziet toevertrouwd.
Zonder twijfel dragen die schitterende kleederdrachten, die ze hebben, er veel toe bij, hen aantrekkelijk te maken. Het land is echter ook niet zonder bekoring. Het is niet enkel een land van rotsen, maar in het Zuiden is het vruchtbaar, goed bebouwd en groen, ook al niet minder aantrekkelijk dan deelen van Zuid-Frankrijk en Italië. Een wandeling van omstreeks veertig minuten van Cettinje naar een plek, die Bella Vista heet, op den weg naar Rjeka en Skutari stelt den reiziger spoedig daarvan op de hoogte. Van dat punt is het uitzicht prachtig en breidt zich uit over een hoek van Zuid-Montenegro naar het meer van Skutari, dat glinstert in het zonlicht en verder naar de met sneeuw bedekte bergen van Albanië, half verborgen in den nevel.
Ongelukkig was onze tijd te kort in Montenegro, al haastten we ons niet zooveel als de meeste bezoekers. Maar het gemakkelijke uitstapje naar het meer van Skutari, waarbij we onderweg veel van het zuiden van Macedonië zagen, was de moeite waard, zoodat we blij waren, het te hebben gedaan. Van Cettinje naar Rjeka is een rit van vijf uren; daar komt een stoombootje tweemaal in de week en brengt de passagiers naar den mond der rivier van Rjeka en dan naar Skutari, de hoofdstad van Turksch Albanië, dat in één dag te bereiken is. Van Skutari kan men in de terugreis afwisseling brengen door naar Antivari te stoomen, een der onlangs door Montenegro verkregen havens, van waar men met de stoombooten der Oostenrijksche Lloyd naar elk willekeurig punt van de Adriatische Zee of van de Middellandsche Zee kan gaan, als men niet wenscht door Montenegro terug te keeren. Dit Rjekadal wordt door de geologen geacht in vroeger tijden een haven als een fjord te zijn geweest, en het meer van Skutari moet in dien tijd een baai van de Adriatische Zee zijn geweest.
Een ander gemakkelijk ritje van Cettinje uit is naar Niksic, belangrijk door het feit, dat het de eenige stad in Montenegro is, die iets aan nijverheid doet. De tegenwoordige vorst bouwt er zich een paleis, en men zegt, dat hij er zijn hoofdstad heen verplaatsen wil.
Te Niksic brouwen ze een wezenlijk uitmuntend bier, dat onder onze aandacht werd gebracht door den majoor van de vorstelijke lijfwacht, een Montenegrijn, die in Italië zijn opvoeding had genoten, zooals met zooveel Montenegrijnen in dezen tijd het geval is. Deze officier kon wel Italiaansch spreken, maar geen Duitsch. Inderdaad doen weinig Montenegrijnen aan de studie van het Duitsch. Ze houden niet van Oostenrijk, en er is zeer weinig verkeer tusschen Montenegro en de aangrenzende oostenrijksche landen. Nu en dan zijn er ernstige grensquaesties en twisten tusschen weerspannige Montenegrijnen en oostenrijksche ambtenaren. Toch mag Montenegro Oostenrijk wel op prijs stellen, want het groote land schenkt aan den vorst jaarlijks een ruime subsidie als erkenning van de uitstekende diensten, welke hij aan de zaak des vredes en der beschaving heeft bewezen door het in toom houden van zijn woelige onderdanen.
Veertig of vijftig jaar geleden schenen de Montenegrijnen de eigenschappen te vertoonen van de schotsche Hooglanders, toen ze een eeuw geleden haast allen struikroovers waren. De toen verkregen reputatie is hun bijgebleven, en zelfs thans is nog niet algemeen erkend in Europa, dat Montenegro een veilig land is, even veilig voor den reiziger als welk europeesch land ook.
Montenegro en de inwoners van het land zijn aan hun heerschers veel verplicht voor hun welvaart. De tegenwoordige vorst is een waardige opvolger van de regeerders, die hem zijn voorgegaan. In de vijf-en-veertig jaren van zijn regeering heeft hij met de hulp van Rusland en in dank voor militaire hulp en tevens door de goede diensten van Gladstone veel grondgebied verworven, o. a. de havens Dulcigno en Antivari. Vorst Nicolaas heeft Montenegro tot een staat van beteekenis verheven ten gevolge van de huwelijken zijner dochters, de eene de tegenwoordige koningin van Italië, en de andere de vrouw van een russischen groothertog. De Montenegrijnen, met wie wij een onderhoud hadden, waren allen zeer terneergeslagen bij het hooren van de japansche overwinningen. Maar ze zeiden: “Wacht maar, tot er gevechten te land worden gevoerd, en Japan zal wat anders zien gebeuren.” Naar aanleiding hiervan werd ons een geschiedenis verteld. De vorst ontving een telegram, dat de eerste japansche overwinning te land berichtte, juist vóór een maaltijd, waar de britsche en russische gezanten beiden zijn gasten waren. Na het te hebben ingezien, gaf hij het telegram rond. Toen het den russischen gezant bereikte, zag die maar even de woorden in. “O, een telegram van Reuter,” merkte hij op. “In St. Petersburg hebben we een anderen naam voor nieuws uit die bron.”
Daar Reuter een engelsch telegraafagentschap is, was die opmerking niet bepaald beleefd tegenover onzen vertegenwoordiger. Het was daarom een groote voldoening, toen later op dienzelfden avond de vorst een tweede depêche ontving, die afkomstig was uit een bron, die de Russen niet konden laken, welk telegram de eerste tijding niet enkel bevestigde, maar toonde, dat de uitslag van het gevecht nog noodlottiger voor de Russen was geweest, dan Reuter het had voorgesteld.
De bevolking van Montenegro is 240,000 zielen groot, en het leger bedraagt een zesde van het geheel, zoodat alle volwassen mannen er ongeveer toe moeten behooren.
De sympathieën van de Montenegrijnen zijn altijd geweest bij hun landgenooten en geloofsgenooten in de landen er omheen. Bij den opstand van Herzegowina van 1875 hielpen ze de opstandelingen tegen de Turken. Later, toen de Oostenrijkers Bosnië en Herzegowina bezetten en moeite hadden met gewapende benden, die rondtrokken, gingen de gevoelens van de Montenegrijnen uit naar die heidukken, zooals ze werden genoemd. Een bende van dien aard bestond in de wildernissen van Herzegowina tot slechts weinige jaren geleden. Aanhoudende achtervolging door de oostenrijksche politie had ze sterk verminderd; een der laatste aanvoerders werd ten laatste doodgeschoten en een ander zocht een schuilplaats op montenegrijnsch grondgebied. Hier werd hij ziek en werd naar een montenegrijnsch hospitaal gebracht. Er werd een prijs op zijn hoofd gesteld door de oostenrijksche regeering, waardoor een ondernemende Herzegowinees, vroeger benadeeld door den heiduk, in verzoeking werd gebracht. Hij ging naar Montenegro en, ziekte voorwendend, werd hij naar hetzelfde hospitaal vervoerd. Hij raakte op vertrouwelijken voet met den heiduk en wist dien op die manier naar een stil plekje te lokken en hem daar te dooden. Zijn slachtoffer het hoofd afslaand, trok hij daarmee naar de oostenrijksche grens, maar ongelukkig voor hem, werd het lijk ontdekt, en de schuldige werd ingehaald en gedood door Montenegrijnen; het hoofd van den heiduk werd nooit aan de oostenrijksche autoriteiten uitgeleverd.
Gaarne zouden wij langer hebben vertoefd in dit bergachtige Arcadië, en met spijt maakten we onze toebereidselen voor den terugkeer naar het land der Philistijnen. Op den terugrit waren wij in de gelegenheid, de woeste natuur van de Lovcenbergketen te bewonderen, daar we een prachtigen dag hadden.
Terwijl we de menschen en de paarden te Niegus zich lieten verkwikken, luisterden wij naar de muziek van een montenegrijnschen doedelzak, een zeer klein instrument, vergeleken bij dat van de schotsche Hooglanders. We zagen jong Montenegro uit de dorpsschool komen met heldere, knappe gezichtjes. Er waren geen kleine meisjes. Onze oude kennis, de waard, vertelde ons echter, dat er een meisjesschool was te Cettinje, gesticht door een russische aartshertogin. De vreemde taal, die in die school werd onderwezen, was, naar hij vertelde, het Fransch.
Maar al te spoedig verwisselden wij de champagnelucht van de hoogten voor het flauwer artikel van dien aard uit de vlakte beneden. Die heerlijke lucht zal nog eenmaal Montenegro’s fortuin maken. Er is geen twijfel aan, of deze hooglanden met hun gezonde lucht en hun opwekkende atmosfeer in de rustige omgeving, zouden zeer heilzaam werken op personen, die aan nervositeit lijden of overspanning, en ze zullen zeker geëxploiteerd worden voor een sanatorium.
Daar onze stoomboot van de Oostenrijksche Lloyd niet dan op den middag Cattaro zou verlaten, trachtten we een klein bootje te vinden, waarin we naar Castelnuovo zouden kunnen varen, om daar de stoomboot te vinden. Maar er was geen bootje te krijgen, en we verspeelden onzen morgen in het tuincafé op de pier, klagend, dat zulk een mooi water, geschikt voor bootje varen, visschen, zeilen, baden en dergelijke vermaken, weggeworpen zou wezen voor menschen die het niet op prijs weten te stellen. Een handjevol gemiddeld welvarende Engelschen, wonend te Castelnuovo, zou dit alles veranderen en het zou de bevolking inwijden in het gebruik maken van de natuurlijke voordeelen van hun woonplaats. Castelnuovo is een uitmuntend uitgangspunt voor uitstapjes per stoomboot naar de havens van Zuid-Montenegro en Albanië, naar Korfoe en Bari in Italië, zoowel als naar de beter bekende plaatsen aan Adriatische en Middellandsche Zee.

De Careva Dzamia of Sultans moskee in Serajewo.
De straten van Ragusa en de kade te Gravosa zijn geschikt om studies over de kleederdracht te maken. Daar trekken vooral de aandacht de vrouwen uit Canalesi, een streek, waar ze nog een schilderachtig sneeuwwit hoofddeksel dragen, wijd uitstaande en zeer flatteerend. De kleeding van de vrouwen uit Zuid-Herzegowina, die men hier vaak ontmoet, is ook aantrekkelijk en sprekend van kleur, merkwaardig om de dikke, thuis geweven, gekleurde boezelaars, terwijl de draagsters er meestal bijzonder goed uitzien.
Gedurende ons verblijf in Dalmatië was het nu gaandeweg half Mei geworden, en daar Ragusa met de haven Gravosa zoetjesaan te warm werd, vonden wij dat het tijd werd, ons naar hooger gelegen plaatsen te begeven. Wij besloten met Mostar te beginnen en daar met den middagtrein heen te gaan. Aangezien de staatsspoorweg niet heel ruim in haar materiaal zit, volgden wij het voorbeeld van de inboorlingen en waren aan het station een half uur vóór het vastgestelde uur van vertrek, ten einde plaatsen aan een der ramen te krijgen en dus wat van het landschap te kunnen zien.
Na Ombla te zijn voorbijgegaan, begon de stijging van den weg, die langs Brgat en Uskoplje gaat en een echt Karstkarakter draagt. Het zijn nauwe dalen, gescheiden door kale kalkbergen, die soms de grilligste vormen vertoonen, een steenachtig, onvriendelijk land. Eerst na Popovo Polje, waar belangwekkende oude monumenten moeten zijn en antieke graven, begint het land van aanzien te veranderen. Een riviertje stroomde langs den spoorweg en scheen met ons in snelheid te willen wedijveren op zijn weg naar de Narenta door lachende velden met haver en boomgaarden van kersenboomen, waar de boeren aan het werk waren. Gabela, dat we omstreeks zes uur in den avond bereikten; het kruispunt met de lijn naar Metkovic, zou hebben kunnen liggen in een dal in Kaschmir, zoo bekoorlijk was er het landschap, dat vooral veel van zijn bekoring ontleende aan de Narenta, die hier al een groote rivier is.
De bedding vernauwt zich verderop en de Narenta begint dan onstuimig te doen, vormt watervallen en wisselt die af met ondiepe plaatsen. De oevers zijn met plantengroei bekleed en er staan ook mooie boomen. Buna ligt te midden van vruchtbare, golvende landerijen, en zoo komen wij in het vruchtbare dal, waar Mostar het middelpunt van vormt.

Vrouw uit Herzegowina.
De omgeving van Mostar herinnerde ons aan Pendsjab, en het stadje zelf kon best een grensstadje in het Vijfstroomenland aan den bovenloop van den Indus wezen. Steile klippen naderen tot dichtbij aan den eenen kant, en aan den anderen wordt het vruchtbare dal ingesloten door bergen. De Narenta, die van het hoogland komt en die in haar rotsachtige en met steenen bezaaide bedding alle voor liefhebbers van natuurschoon aantrekkelijke eigenschappen behoudt van haar afkomst, verdeelt de stad in twee deelen. Het heldere water in de diepe, steenachtige bedding wordt niet ontsierd door kaden of aanlegplaatsen en over den stroom spant zich de glorie van Mostar, de oude brug, waar de stad naar is genoemd, een sierlijk en schilderachtig bouwwerk, het zij het turksch of romaansch is, wat een nog niet uitgemaakt twistpunt is.

Vrouw uit Zuid-Herzegowina in Ragusa.
Mostar is een mooi stadje. Het gezicht van den linkeroever der rivier, die hier gitzwart van kleur is, behalve waar ze, door steenen benauwd, breekt en opspat in sneeuwwit schuim, de eerwaardige brug en de wachttorens, de zonderlinge huizen van turksch model, de oude stad, de minarets, de moskee, de muren van klippen op den achtergrond, dat alles gezien in het stralende licht, vormen een weelde voor het oog.
De voornaamste moskee is een goed staaltje van mohammedaanschen bouwtrant. Niet zoo indrukwekkend van uiterlijk als de moskeeën van Serajewo, is het inwendige smaakvol ontworpen, en met het zachte licht leek het ons een zeer geschikt bedehuis. Toen we het huis bekeken, hadden we gelegenheid de gemeente te zien bij de godsdienstoefening, daar juist de roepstem van den muezzin had weerklonken. Het is een imposant gezicht. Geen houding is beter in staat, het nederige smeeken en de diepe hulde uit te drukken dan de houding, die de Muzelman aanneemt bij het gebed. Daar ze vijfmaal per dag hun gebeden en godsdienstplichten moeten vervullen met de vele kniebuigingen, hebben ze daardoor alleen al veel gymnastiek te doen, wat misschien mee een verklaring is van de athletische houdingen en goedgebouwde lichamen der Mohammedanen, vergeleken bij hun christelijke broederen. Mohammed wist wel wat hij deed, toen hij dezen eeredienst instelde en ook de voorafgaande wasschingen voorschreef, zonder welke, verklaarde hij, het gebed zelfs niet door God zou worden aangehoord. Het gevolg is, dat de Mohammedanen er zindelijker en knapper uitzien dan de meerderheid der Christenen.

De bazar van Serajewo.
Na een kijkje in Mostar gingen we naar een turksch koffiehuis met tuin, over de oude brug, en dronken koffie à la Turque, terwijl muzikanten vroolijke wijsjes speelden, o. a. het servische volkslied en andere servische wijzen met karakteristiek kwijnenden maatgang.
Toen keerden we naar het hotel Narenta terug, een geriefelijk modern gebouw, en aten uitstekende Narentaforellen, besproeid door een goeden plaatselijken tafelwijn uit Herzegowina, zittend in de breede veranda van het hotel in een vroolijk gezelschap van oostenrijksche officieren en hun vrouwen, de élite van de stad. Later zaten we nog te praten en vergeleken het werkelijke Oosten met dit Oosten van dichtbij, beide zoo verschillend en toch punten van overeenkomst aanbiedend. In het echte Oosten merken de man van het Westen en de Oosterling weinig van elkander; ze wonen ook meestal afzonderlijk in eigen wijken, en het oostersche leven wordt er min of meer gemaskeerd voor de westersche nieuwsgierigheid, zoodat het vaak verkeerd begrepen wordt. Hier leven het Westen en het Oosten vertrouwelijk naast elkaar. De meerderheid der bevolking is van hetzelfde bloed en spreekt dezelfde taal. Alleen het geloof verschilt. Een juister inzicht in het mohammedaansche karakter, het leven en de gewoonten der Muzelmannen kan men hier in een enkele maand verkrijgen dan door een maand te vertoeven in het ware Oosten.
Iemand van ons gezelschap werd in staat gesteld, door te dringen in de geheimzinnigheden van een turkschen harem, toebehoorend aan een hoogen burgerlijken ambtenaar van Mostar, door de vriendelijkheid en onder de persoonlijke leiding van eenige oostenrijksche dames, die in Mostar woonden, en ook zagen ze iets van harems, die behoorden aan de armere klassen der mohammedaansche bevolking.
Het was half drie in den namiddag, het warmste gedeelte van den dag, toen de vier dames, een Oostenrijksche, een Slavische en twee Engelschen langzaam zich voortbewogen door de smalle, zondoorgloeide straat en een zijstraat insloegen in een mohammedaansche wijk. Overal zag men mohammedaansche vrouwen, want op die warme uren, van twee tot vijf, als de mannen niet te zien zijn, nemen ze wat beweging en open lucht. Ze waren allen gekleed in het eenige wandeltoilet, dat door het schoone geslacht in Mostar de rigueur wordt geacht, de zonderlingste vermomming, die te bedenken is en die de vormen geheel verbergt.
Stel u voor een lange, zeer dikke overjas, veel gelijkend op die van de engelsche soldaten, behalve dat er een hooge kraag op is van bijna een voet hoogte. Dat kleedingstuk wordt over de draagster geworpen, die erin gehuld wordt met hoofd en al; de haak wordt vastgemaakt niet aan den hals, maar vlak onder den neus, zoodat de hooge, stijve kraag ver vooruitsteekt boven en vóór het voorhoofd als een groote bek. De spleet, die eronder open blijft in de schaduw van den vooruitstekenden bek, wordt gevuld met een mousselinen masker, dat ook de oogen van de draagster bedekt. De mantel is over de geheele lengte dichtgehaakt, terwijl de mouwen achteruit zijn gespeld en los flapperen als vleugels. Groote, zwarte, of heldergele, lompe, ongelooide laarzen voltooien het costuum.
De aanblik van deze stille, ingehulde figuren, die met tweeën of soms alleen of ook wel in rijen verder waggelen, doet denken aan monsterachtige uitgestorven vogels, laat ons zeggen, een kruising tusschen een toekan en een pinguïn, of het konden verdwaalde bewoonsters wezen van een onbekende planeet, of spookachtige voortbrengselen van het vruchtbare brein van H. G. Wells, alles eerder dan menschelijke wezens. Arme, verstikte schepsels! Hoe houden ze zoo’n kleeding uit bij zulk weêr!
Een der vier dames was goed bekend bij de vrouwen van Mostar, maar op straat mochten die niet met haar praten, en zij mocht haar ook niet aanspreken. Nu stonden ze echter dadelijk stil bij den drempel van haar huis, en toen ze zagen, dat er niets anders dan vrouwen in de nabijheid waren, draaiden ze zich om, en de haken van de zware kleeding losmakend, begonnen ze druk met ons te praten. De overjassen gleden uit, de mousselinen sluiers werden naar één kant geschoven, en we zagen de aangezichten: bleeke, ongezonde gezichten, badend in het zweet, leelijk, dat was de eerste indruk, maar toch interessant, al was het alleen omdat ze de eerste vrouwen waren, die het gezelschap met onbedekt gelaat had aanschouwd.
Ze spraken levendig en waren uiterst vriendelijk tegen de bezoeksters, waarbij leelijke tanden zich vertoonden. Het algemeene gelaatstype schijnt nog al lang te zijn en smal, met donkere oogen, niet de groote, heldere, amandelvormige oogen van het Oosten, maar scherpe oogen, die voor het oogenblik met intense belangstelling op ons waren gevestigd. Er brandde nieuwsgierigheid in haar, die algemeene eigenschap van alle dochters van Eva. Ze overlaadden ons met vragen, waar onze vertolksters maar met moeite op konden antwoorden. De deuren van een andere binnenplaats gingen open, en een half dozijn hoofden van turksche vrouwen en meisjes, die blijkbaar ons gesprek hadden gehoord, staken naar buiten, gereed om zich terug te trekken bij het minste onraad. Toen onze vrienden werden herkend, gingen de deuren wijder open en we werden hartelijk begroet.
Met een afscheidswoord tot de eerste groep gingen we op de tweede toe. Zij waren rijker dan de anderen en vertoonden vrij wat kostbaarheden. Daar ze niet uit waren geweest en dus niet ingehuld waren in de afzichtelijke dracht voor op straat, zagen we duidelijk de sieraden, die gedragen worden door de getrouwde en ongetrouwde turksche vrouw. De getrouwde dragen alle een klein kapje, coquet geplaatst en vastgehouden door een of ander onzichtbaar middel onder het voorhaar, en boven de lijn van de wenkbrauwen, midden op het voorhoofd, een soort van klein fluweelen lapje, meest rood, bezet rondom met gouden munten en gouden filigraanwerk, zich vereenigend in een hoogere punt in het midden. Hoe rijker de draagster, des te dichter zijn de gouden munten er op en over elkander genaaid. Het haar scheen meestal met henna geverfd, lichter of donkerder rood naar den smaak van de eigenares, en de nagels waren op dezelfde manier geverfd. De onnatuurlijke helderheid van de roode tint van het haar doet de buitengewone bleekheid van de gezichten te meer uitkomen. De figuren waren slank, haast te mager. De ongetrouwde vrouwen dragen een klein, rond nauwsluitend zwart mutsje op het hoofd en een paar gouden munten op het voorhoofd, met mogelijk nog enkele om den hals, ook wel als een halssnoer.
Wij gingen nu den harem zien van iemand uit de armere klasse. Op het binnenplein liepen zes of acht vrouwen naar voren, om ons te begroeten. Het waren familieleden of buren, en de vrouwen van verschillende mannen, want tenminste, wat Bosnië en Herzegowina betreft, is het eenvoudig een mythe, dat de mannen meer dan één vrouw in den harem hebben. In het geheele land zijn er niet meer dan een half dozijn, die er meer hebben. Deze vrouwen waren van hetzelfde type als die van zooeven, bleek en ziekelijk, met de gelaatskleur en het voorkomen van diegenen, die in een warm klimaat wonen en zichzelven buitensluiten van de buitenlucht en gezonde lichaamsoefening. Enkele hadden zwart haar, andere hadden het hennakleurig; twee of drie waren geverfd, waarbij het rouge vreemd afstak tegen de ongezonde gele kleur. Eén had koolzwarte oogen; zij was een veel mooiere vrouw dan de andere. Evenals te voren kwamen er leelijke tanden te voorschijn, toen ze begonnen te spreken. Een jonge vrouw scheen maar twee of drie tanden meer in den mond te hebben.
Wij werden uitgenoodigd om boven te komen en gingen over het kleine binnenplein langs houten trappen naar twee kamertjes boven. Dit geheele deel van het huis was alleen voor de vrouwen. Het waren eenvoudige kamertjes, maar zindelijk en netjes onderhouden; de planken vloer was zoo wit, als zeep en water dien konden maken. De eenvoudige meubelen waren een divan aan den muur, een klein karpet in het midden, een plank, die rondom langs de wanden liep, waar een reeks metalen schotels en pannen stonden. Wij bleven niet lang, maar gingen toen nog, na dezen harem van de armere klasse te hebben gezien, naar dien van een turksch voornaam heer, het hoofddoel van onze expeditie.
Het was een zeer deftig uitziend huis. Toen we het binnenplein betraden, stonden we tegenover een sierlijk gebouwd huis van twee verdiepingen. Het middengedeelte van de benedenverdieping stond open. Het leek een wijde hal, waar de deuren der kamers aan beide zijden op uitkwamen. Ze bevatte een divan en een breede, bruine, houten trap, die naar de bovenverdieping leidde. De muren waren schitterend wit en de vensters waren in donker hout gevat, terwijl de bovenramen van het huis mooi snijwerk hadden. Het effect was zeer aangenaam voor het oog.
Onze gastvrouw en haar dochters kwamen ons tegemoet en vatten elkaar bij de hand, begroetingen uitend in zacht Slavisch. Ze zagen er bekoorlijk uit tegen het witte huis als achtergrond. Het meisje van huwbaren leeftijd was groot en slank. Zij was gekleed in turkooisblauwe zijde, een blauwzijden turksche broek, zeer breed en aan de enkels ingetrokken, die op een rok leek, en een eenvoudig jakje van dezelfde stof; een klein zwart mutsje had ze op het hoofd, versierd van voren en van boven met prachtige diamanten versierselen, die opstonden en glinsterden en trilden bij iederen stap. Parelsnoeren hingen om haar hals, zeven of acht strengen, mooie parelen, en daaronder een enorme streng gouden munten, elk van de grootte van een viershillingstuk, en zoo dicht op elkaar geschoven, als maar mogelijk was.
Een verbazend lange gouden ketting bengelde van voren en was weggestoken in een zak dicht bij het middel. Daarin stak een met juweelen bezet horloge van het beste europeesche maaksel, naar we later bemerkten. De dame droeg gouden armbanden om de polsen, en gouden en diamanten sieraden hingen aan het uiteinde van haar lange, dikke vlecht van roodbruin haar. Het was een bekoorlijk meisje, niet bepaald mooi misschien, maar toch der schoonheid meer nabijkomend dan wij nog iemand hadden gezien dien dag, met een verstandig gezicht, zachte, goed geopende oogen en vlugge, korte bewegingen. Habeeba heette ze.
Habeeba’s moeder zag er ook beter uit dan de meeste vrouwen, maar was meer joodsch van type, met een forschen, krommen neus. Zij droeg dezelfde soort van turksche broek en jakje als haar dochter, maar van minder sprekende kleur. Over het jakje droeg ze een smalle bolero van purper fluweel, met goudband belegd en geboord met rood vossebont, een versiering, die bij de Turksche vrouwen erg in den smaak valt, ofschoon naar europeesche zienswijze het smalle boordsel het effect bedierf. Op het midden van het voorhoofd droeg ze het gewone kleine kapje, bedekt met gouden munten en edelgesteenten, het teeken van den getrouwden staat. Maar ze droeg geen andere juweelen.
Twee van ons hadden camera’s, maar ze waren pas voor den dag gehaald, of een gilletje van Habeeba bewees, dat ze het had gezien en begrepen. Ze vatte haar moeder bij de hand en alle beleefdheid vergetend, vluchtte het paar in huis, onze vriendin en tolk met zich meetrekkend. Deze verscheen even later weer en verklaarde, dat Habeeba en haar moeder zeiden, dat het niet door de wet geoorloofd was, dat zij werden gephotografeerd, maar dat we het huis mochten nemen. En daarmee moesten we tevreden wezen!
Toen haar gemoedsrust teruggekeerd was, werden we boven verzocht en eerst in de ontvangkamer gebracht, en toen we die genoeg hadden bekeken, naar de eetkamer, die de mooiste tevens was. Dat vertrek had mooie boogramen, dezelfde, die we van buiten al hadden bewonderd.
Op den grond van de eerste kamer lag een heerlijk turksch tapijt; een breede divan liep langs drie der wanden, en de kasten aan den vierden wand waren alle van gesneden hout. Het tweede vertrek was gelijk aan het andere behalve dan de boogramen, waaronder een divan stond, een zeer weelderige, met veel zachte kussens in de hoeken. Ons werd gewezen, hoe men op een turkschen divan plaats neemt naar turkschen trant, niet liggend noch zittend, maar één knie op den divan plaatsend en dan daarop neerzinkend, met dien voet en het been onder zich.

Het volk is dol op rijden en reist in wagens zonder veeren.
Habeeba, die veel genoegen had in haar bezoeksters, bleef, om te zien dat ze prettig zaten, en verdween toen om ververschingen te halen, na een minuut weer verschijnend met een blaadje, waarmee ze zelve bij ons rondging. Het was Mekkawerk van geslagen koper, met een patroon van wit metaal erin aangebracht en afgezet met puntjes van zwart en rood email. Op het blaadje stonden kleine kopjes met bleeke, zoete koffie. Terwijl we die dronken, praatte Habeeba, en onze vriendinnen vertaalden.
Hoe lang dachten we in Mostar te blijven? Hoe vonden we het? Waar gingen we daarna heen? Hadden we lang gereisd? Ja? O! Hadden we dan misschien Konstantinopel gezien? Teleurstelling was in haar oogen te lezen, toen het ontkennend antwoord haar werd overgebracht; maar haar gezichtje klaarde weer op, toen wij door de vertolkster uitlegden, dat we wel in andere mohammedaansche landen waren geweest, bij voorbeeld in Indië. Toen moest ze wat weten over de gewoonten in Indië en welk soort van kleederen de vrouwen er dragen, en ze vroeg naar kleine bijzonderheden, zoodat het ons bijna moeilijk viel, haar weetgierigheid te voldoen. Toen de koffie gebruikt was, presenteerde Habeeba sigaretten, ging daarna rond en nam de kopjes weg, om weer te verschijnen met een dienstmeisje en een ander blaadje, waarop dezen keer limonade stond in glazen met gouden randjes.
Habeeba haalde ook haar handwerk voor den dag, het mooie haremwerk van gouddraad, beroemd in het land, werk, waarvan de uitvoering nog steeds een raadsel is voor de Europeanen, daar het precies gelijk is aan beide kanten. Habeeba moet in handwerken onovertroffen arbeid leveren. Het was eenvoudig prachtig.
“Laat ons uw bruidsbed zien, zooals het zal worden opgemaakt, als ge getrouwd zijt, lieve Habeeba,” vroeg onze vertolkster en vriendin.
Dat is een van de bezittingen van een turksch meisje, die ze wel graag vertoont, en het is de moeite van het bekijken waard. Habeeba glimlachte en ging heen. Alles stuk voor stuk binnen brengend met de hulp van een dienstmeisje, maakte ze de legerstede op, waar wij bij waren. Een lange, zachte matras van dons kwam eerst, die op den grond wordt gelegd in het midden van de kamer. Dan twee lange, enorm lange kussens met rose zijden eindstukken, die in positie werden neergelegd. Toen ontvouwde Habeeba een paar prachtig geborduurde strepen van glinsterend gouddraadwerk en stopte een aan elken kant rondom de kussens over de rose zijde, zoodat er maar een klein reepje rose overbleef.

De vrouwen en kinderen uit Serajewo doen meestal zwijgend hun middagwandeling.
Vervolgens kwam ze met een grooten lap buitengewoon fijn wit mousseline, letterlijk bedekt met een overtrek van goudborduursel, en legde het in de lengte langs de hoofdkussens, waar het juist den rand bedekte van de reeds aanwezige strooken. Dan nam ze een laken van fijn geweven linnen en zijde, legde dat over de matras en stopte het zorgvuldig in. Ten laatste werd de deken gebracht van purperen zijde, in het midden belegd met een vierkant van bosnische stof van veel kleuren, en besprenkeld met zilver en goud. Het bruidsbed was gereed.
Wat wij ook wenschten te zien, Habeeba was bereid, het ons te vertoonen. Op ons verzoek bracht ze ons een turksche broek, zooals zijzelve droeg, opdat we konden zien hoe die was gemaakt. Ze sprong op een stoel, zorgvuldig haar mutsje met één hand vasthoudend; en nam van de hooge gebeeldhouwde plank een van de metalen eetschalen, dat wij die zouden kunnen bekijken. Het is bosnisch werk, versierd aan de randen met ingelegd koper.
Er was nu werkelijk niets meer te zien. Het leven van alle turksche vrouwen in Herzegowina en Bosnië is zeer enkelvoudig; ze borduren met goud- of zilverdraad, slurpen zoete koffie en limonade, rooken, rusten op divans, ontvangen bezoeken van andere vrouwen of gaan uit op die afgrijselijke wandelingen, zwaar ingepakt en in gedwongen stilzwijgen; zoo brengen ze het leven door. Inderdaad vanaf den tijd dat ze volwassen zijn, tot het tijdstip waarop ze trouwen, missen ze zelfs het laatste nommer van het simpele programma. Vanaf het oogenblik, dat ze beschouwd wordt als oud genoeg om te trouwen, tot den tijd van haar huwelijk gaat geen aanzienlijk turksch meisje buiten het binnenplein van haar vaders harem.
Kleine turksche meisjes, die nog niet den huwbaren leeftijd hebben bereikt, loopen vrij rond met onbedekte gezichtjes; maar ook zij doen de ouderen na, en als een vreemdeling haar te lang of te nauwlettend aanziet, trekken ze de bedekkende shawl dicht om het gezicht of gaan met den rug naar u toe staan, tot de onbescheidene voorbij is. Het is hopeloos er een toe te krijgen te poseeren voor een kiekje. Het eenige middel is, ze onverwacht te snappen.
Bij een zekere gelegenheid wilden we bijzonder graag een buitengewoon mooi meisje kieken. Dadelijk echter als we nader kwamen, keerde ze zich om en liep hard weg. Eenige Turken, die het hadden gezien en er veel pret in hadden, riepen haar toe, dat het wel mocht. Het hielp niet, ze liep nog harder weg; haar blauw doekje fladderde op den wind en ze hield eerst stil in de nabijheid van haar huis. En de kleine Juffrouw Behoorlijkheid kwam dien dag niet weer voor den dag, daar zijn we zeker van!
De turksche vrouwen in Herzegowina zijn wonderlijk onwetend, zooals wel het geval moet wezen, als men nagaat, dat ze geheel zonder opvoeding worden gelaten, dat ze zelfs geen lezen leeren en schrijven. Een Turk uit Mostar, dien we onder het oog brachten, dat de vrouwen ook behoorden te worden opgevoed, luisterde aandachtig, terwijl het pleidooi werd gehouden, en toen schoof hij het met een beweging van zijn hand van zich af. “Mijn vrouw lezen en schrijven laten leeren!” merkte hij koel op. “Waartoe? Opdat ze minnebrieven zou kunnen schrijven aan andere mannen of hen ontvangen?”

De bazar in Serajewo.
Toch ontkomt Mostar niet aan den invloed der moderne tijden. De oostenrijksche regeering heeft vooral in de steden de beschaving en de verhelderde denkbeelden verspreid. Zoo is een staatsschool voor meisjes in Mostar een inrichting, waar iedere stad trotsch op zou mogen zijn. De meisjes leeren er allerlei nuttige kundigheden, ook huishoudelijk werk. Trouwens ook thans zijn de christelijke boerenvrouwen in Herzegowina de vlijtigste wezens, die men zich kan voorstellen. We kwamen ze herhaaldelijk tegen, terwijl ze ijverig breiden. Dat doen ze onder het gaan naar het veld en ook wel onder het dragen van zware lasten.
Er is te Mostar een kleine tabaksfabriek, waar sigaretten en pijptabak worden gemaakt uit de bladeren die de boeren zelf verbouwen en aan de regeering verkoopen, nl. aan de ambtenaren van de regio, die een vasten prijs betalen voor een overeengekomen hoeveelheid en soort, waardoor de boeren een aardige winst hebben. De grootste fabriek is echter te Serajewo, en daarheen worden de meeste tabaksbladeren, die in het land gekweekt worden, overgebracht.

Bosnische vrouwen in feestgewaad.
Men kan in de maand Mei in Mostar al niet veel anders doen dan tennis spelen en visschen. De jaarlijksche tenniswedstrijd tusschen Mostar en Serajewo had plaats even vóór onze aankomst. Er waren een groot aantal bezoekers uit Serajewo, die het hotel in Mostar vulden, en ons werd aangeraden, ons bezoek uit te stellen tot ze vertrokken zouden zijn. De beste tijd voor Mostar is April of begin Mei. Het eind van Augustus, als de jacht wordt geopend, zou ook gaan tot October, als de bora, de koude wind, begint te waaien. Gemzen, reeën, hazen, patrijzen kan men in de buurt schieten, en snippen en eenden misschien in latere maanden.
Omstreeks acht mijlen van Mostar begint op den weg naar Serajewo de kloof, waar de Narenta door loopt, en een imposant berglandschap was het, waar de trein ons door voerde. Sedert de bezetting door Oostenrijk is Serajewo een aanzienlijke stad geworden. Er zijn meer dan veertig duizend inwoners, waarvan de helft Mohammedanen zijn, een vierde is Roomsch-katholiek, terwijl de aanhangers van de Grieksch-katholieke kerk zoo wat zes duizend in aantal zijn. Niet minder dan vier duizend zijn Joden, drie duizend Spaansche Joden, afstammelingen van hen, die, uit Spanje verdreven door de Inquisitie, in Bosnië een toevluchtsoord vonden drie-en-een halve eeuw geleden.
Serajewo is een stad met een bonte mengeling van rassen en godsdiensten, want behalve de gezeten bevolking is er een wisselende militaire en ambtenaarsbevolking, afkomstig uit alle deelen der Oostenrijksch-Hongaarsche monarchie. Duitschers, Hongaren, Tsjechen, Polen, Croaten en Slovenen zijn vertegenwoordigd. De stad ligt in een dal met steile heuvels aan weerszijden, die naar het Oosten een nauwe kloof insluiten en in het Westen uiteenwijken tot een vlakte, de Serajevsko Polje in de richting van Ilidze. De kleine Miljackarivier stroomt door de stad, en haar oevers zijn verbonden door talrijke bruggen van hout of ijzer of steen. Er is maar een enkel plekje in de stad, dat werkelijk oud mag heeten, de Carsija of Turksche bazar, waar ook in de buurt de baden zijn, de medresseh of turksche theologische school, en een paar van de grootste van Serajewo’s tweehonderd en zooveel moskeeën. De woningen, die daar aan Turken behooren, zijn voor een groot deel verhuurd aan Oostenrijkers, en de mohammedaansche bevolking heeft zich teruggetrokken op de bergen aan weerskanten van de rivier, waar ze beter de intimiteit van hun huizen kunnen bewaren. De zonderling gebouwde witte, turksche huizen met de puntdaken, dicht getraliede vensters, overhangende verdiepingen en vooruitstekende loggia’s liggen in menigte boven elkander op de hellingen, met ertusschen de vele slanke witte zuilen der minarets, waaruit men vijf keeren per dag de stem van den muezzin kan hooren, die de geloovigen ten gebede roept.
Die turksche bazar of Carsija bestaat uit een netwerk van met dikke steenen geplaveide straatjes, waaraan kleine houten winkeltjes liggen met lage daken. De houten vloeren ervan, die meteen als toonbanken dienen, zijn een paar duimen boven den grond. In het midden hurken de turksche eigenaars, met gekruiste beenen werkend aan hun verschillende bedrijven, hamerend, schavend, zagend of op hun gemak leunend met de tsjiboek, de lange turksche pijp tusschen de tanden, of de eeuwige sigaret en een kop zwarte koffie naast zich. Hun waren zijn rondom hen opgestapeld op de vloeren en de planken, die aan drie zijden om den winkel loopen. Deze is van voren open. Als de eigenaars weggaan naar hun woonhuizen voor den nacht, zetten ze ruwe luiken, met een balk gesloten, voor den buitenkant; een primitieve methode, maar schijnbaar al wat noodig is. Het is er altijd druk, niet door het lawaai, dat bepaalde personen maken, maar door een combinatie van geluiden. Een Turk verheft wel nooit zijn stem, om te roepen of te schreeuwen, maar door de vereeniging van zooveel gaande en komende en pratende menschen en het rumoer van de bedrijven ontstaat een luid rumoer.
Als men in een winkel komt, is zeer vaak de winkelier afwezig, maar als men haast heeft, kan men zich een voorwerp uitkiezen en den man, die naast aan woont betalen. Als hij uw geld heeft aangenomen, zult ge zijn hoofd zien verschijnen om den hoek van de afscheiding tusschen de beide winkels en het geld werpen in een bakje op een in het oog vallende plaats, waar de rechtmatige eigenaar het kan vinden; ten minste die ervaring deden wij op bij meer dan één gelegenheid. Met zulke eerlijke buren zijn de mohammedaansche winkeliers er maar goed aan toe; wat een wereld van angst en wantrouwen wordt hun bespaard!
Er is een open plek in het midden van den bazar, met een eigenaardige oude fontein met trapjes, waar een aanhoudende stroom van menschen komt drinken of hun vaatwerk vullen. Hier zijn de turksche broodverkoopers vereenigd, met groote, ronde, platte brooden op lange tinnen bladen, die ze op hun knieën laten rusten of over den eenen schouder laten balanceeren. Hier zijn ook de fruitverkoopers te vinden, en de mannen, die limonade en zoetigheid te koop aanbieden. De limonadeverkoopers zien er net zoo uit als hun collega’s van hetzelfde gilde in Konstantinopel, met vaten van glimmend koper op hun ruggen en een kleine rij glazen om hun middel gebonden.