← Table of contents
Op het Balkan-schiereiland

Op het Balkan-schiereiland. (continued 2)

Reading edition

De winkels van dezelfde soort zijn alle bijeen, en men vindt er dus gemakkelijk zijn weg. Zoo is er een lange straat, waar men niet anders verkoopt dan de bekende opanka’s, de bosnische schoenen, die niet precies schoenen en ook geen sandalen zijn, maar iets van beide, met opgewipte teenen, geen hielen en mooi gekleurd bovenleer.

Maar de aantrekkelijkheid der Carsija is voornamelijk in de menschen, die er komen, gelegen. Er mogen geen wagens rijden door de nauwe straatjes, ofschoon rijen pony’s, met de koppen aan de staarten van de voorgangers gebonden, soms de passage belemmeren. Spaansche joden en jodinnen, klein van postuur en met kraaloogen; kalme, waardige Turken, die rondstappen met de gemakkelijke houding, die hun ras kenmerkt, boeren uit het gebergte, die op niets zooveel gelijken als op straatroovers, ernstige hodja’s in wijde gewaden en bosnische boerinnen in haar wijde broeken. Hamals of turksche sjouwers luieren in afwachting van een karweitje. Kleine turksche meisjes met marktmanden, die bijna even groot zijn als zijzelven, gaan voorbij met de kleine bloote voetjes in houten klompjes, die onder het loopen op de steenen tikken. Turksche vrouwen loopen moeilijk in haar wijde omhullingen, en een toevallige Montenegrijn of Albaniër in witte, zelfgeweven, wollen kleeding, met zwart afgezet, brengen nog meer verscheidenheid aan. En een tegenstelling met al die personen vormen de Christenen, die er doodgewoon en schamel uitzien in de ontsierende dracht der beschaving.

Het moderne gedeelte van Serajewo sluit aan bij den bazar. De Frans-Jozefstraat is de hoofdader van het verkeer, waar de europeesche winkels zijn. Dichtbij elkander zijn er het Gouvernementsmuseum, de nieuwe servische kathedraal, die op een open plein verrijst, en de beide voornaamste hotels, het hotel Europa en het Centraal hotel, ook wel Pratchka genoemd. Bij beide behooren restaurants.

De beau monde van Serajewo vertoont zich elken avond na zonsondergang op het Corso, een gewoonte, die men schijnt te hebben overgenomen van de steden aan de Adriatische Zee. In de stad zijn er twee deftige societeiten, een burgerlijke en een militaire, de laatste met een tuin er bij, waar dikwijls muziek is; de eerste wordt ongeveer geleid als een engelsche club. Beide hebben restauraties, en in de laatste is het den vreemdeling toegestaan, des zomers in de open lucht te dineeren. Serajewo heeft ook een lawn-tennisclub met vier speelterreinen; de club is zeer populair en wordt druk bezocht.

De konak of het paleis van den gouverneur, vroeger de zetel van den turkschen wali der provincie, ligt aan den overkant der rivier. In de uitgestrekte bijgebouwen woonden vroeger de dames van den harem.

Een interessant verschijnsel van Serajewo als van alle steden in Bosnië en Herzegowina, waar Turken wonen, zijn de turksche koffiehuizen. De vreemdeling wordt er altijd geboeid. De stad heeft er vele en op de bergen liggen nog meer. Ze zijn schilderachtig op zichzelf en hebben ook vaak een mooie ligging. Er is iets aantrekkelijks aan, iets van de japansche theehuizen. Ze zijn zoo rustig, zoo ver van alle rumoer en twist en lawaai. Koffietuinen zou een betere naam zijn dan koffiehuizen. De tafeltjes staan onder boomen en sommige staan binnen kleine zomerhuisjes, die aan alle vier zijden open zijn. Men wordt op die plaatsen in het geheel niet herinnerd aan iets, dat op zaken doen gelijkt. Het eenige, dat er mogelijk aan doet denken, is als er vroeger of later een Turk verschijnt en stil naast u staat, om uw bevelen af te wachten. Die bevelen kunnen niet ingewikkeld wezen; ge moet kiezen tusschen zwarte koffie of een strooperig drinken van vruchtensap en sodawater.

De zwarte koffie wordt u gebracht in een kleinen koffiepot van wonderlijken vorm met een langen platten steel. Het is tot boven aan toe vol en kokend. Die wordt neergezet op een blaadje met een heel klein kopje en een klein suikerpotje. Het kleine kopje kan drie- of viermaal worden gevuld, eer de koffiepot leeg is. De kosten, die ge kunt voldoen, als ge er lust in hebt, bedragen een stuiver. Niemand wenscht, dat ge gaat opstaan, niemand valt u lastig, ge kunt blijven zitten zoolang het u behaagt; en mogelijk zal er voor uw genoegen ook nog muziek wezen, een oostersche muziek, nog al melancholiek, met halve tonen en niet altijd in de maat, ook niet al te klankrijk, maar kalmeerend, rustig stemmend.

De mooiste turksche koffiehuizen in Serajewo zijn aan de Miljacka aan den ingang van de stad, onder het kasteel en de forten. Dit gedeelte wordt de Bend-basi genoemd, en de beide koffiehuizen heeten ook zoo. Het eerste heeft de mooiste tuinen, het tweede ziet er het aardigst uit, gebouwd als het is van hout op hooge palen aan den oever bij een bocht, waar de rivier door een nauwe kloof stroomt. Groote klippen rijzen er achter op aan den eenen oever, en aan den anderen dringt een klein voorgebergte in de bocht en is overdekt met kleine turksche huisjes. De schoonheid van dit plekje is opmerkelijk; wij gingen er nooit voorbij, of ze trof ons opnieuw, en in de eerste dagen, als er iemand van het gezelschap zoek was, konden ze altijd worden teruggevonden bij Bend-basi of in den bazar.

In de straten is geen eentonigheid; al mogen de enkele figuren wel eens belachelijk wezen, de familiegroepen zijn altijd aardig en origineel. Ze wandelen afzonderlijk, soms de kinderen vooruit, een anderen keer de moeder. Kleine turksche meisjes zijn in tegenstelling met de mama’s vaak kleurig gekleed. Iets mooiers dan een klein turksch meisje van drie of vier zomers, met haar wijd opgeblazen broekje, klein, plat, rond mutsje scheef op haar hoofdje, van voren versierd met een paar munten, een gazig doekje half over het hoofd getrokken en los wapperend op het windje, kan men zich moeilijk voorstellen.

Hoe ouder een turksch meisje wordt, des te nauwer moet ze het beschermende hoofddoekje om haar gezicht halen, tot ze vijftien of zestien is, als wanneer enkel een driehoekje over is, waar de neus en de oogen door zichtbaar zijn. Daarna verdwijnt ze geheel tot haar huwelijk, als wanneer ze weer opdaagt in den gemetamorfoseerden toestand, die reeds is beschreven, en ze dus, den natuurlijken gang van zaken omkeerend, van een schitterenden vlinder verandert in een donker gekleurde pop.

Turksche jongens zijn tot drie of vier jaar evenzoo gekleed als hun zusjes, behalve dat hun broek wat nauwer is om de enkels, meer bepaald een broek, en dat ze geen hoofddoek dragen. Turksche babies zijn heel gekke dingetjes, stijf opgerold in een stijve deken van brocaat en met ronde mutsjes op het hoofd, die stijf staan van het goud en met bont omzoomd zijn. De moeder draagt het kindje alleen in die gevallen, als ze geen dochter heeft om het voor haar te doen. Op reizen met den spoortrein schijnt de vader ook wel te worden ingespannen. Het is verwonderlijk, tusschen twee haakjes, maar een turksche baby schijnt nooit te schreien.

Op mooie namiddagen ontmoet men een aantal stille, zwijgende familietochten, altijd alleen vrouwen en kinderen, die op weg zijn om elkaar visites te maken. Ze praten zelden op straat, zelfs onder elkaar, en de meesten schuiven langs de vreemdelingen, terwijl de bijzonder braven zoo ver gaan, stil te staan en den rug te laten zien, tot de vreemdeling voorbij is. Maar als de vreemdelinge dan plotseling zich omkeert, kijkt de heele processie naar haar!

De rijkere klasse houdt veel van uit rijden gaan, en het is niet ongewoon, een victoria te zien met den kap omhoog, volgepakt met omhulde figuren en veel vroolijk kleurige, helderoogige kinderen. Op een anderen tijd is het een mandenwagentje of een wagen zonder veêren uit het platteland, die voorbijhotst met een menigte van die domino’s en turksche meisjes, die op den grond in den wagen op het hooi zitten.

Deze “Turken”, zooals ze zichzelven noemen en ook genoemd worden door de Oostenrijkers, vertoonen een anomalie, die niet de minste is onder de belangwekkende verschijnselen van dit zeer belangwekkende land, want ze zijn geen echte Turken, geen Osmanli van geboorte, ofschoon ze het wel zijn van geloof en in kleeding, gewoonten en zeden. Naar het ras zijn het Slaven, eigen broeders van de Serviërs, de Montenegrijnen, de Dalmatiërs en de Croaten, allen Slaven. En ze spreken juist dezelfde taal als de drie eerstgenoemde, en practisch dezelfde als de laatsten, namelijk het Slavisch of Servisch.

Maar in alle andere opzichten verschillen ze wezenlijk, niet alleen van dezen, maar van hun eigen landslieden en broeders, de christelijke Bosniërs. Deze “Turken” van Bosnië zijn inderdaad in sommige opzichten, als bij voorbeeld in hun stiptheid in het in acht nemen van de kleedingvoorschriften voor buiten huis voor de vrouwen, meer volstrekte orthodoxe Mohammedanen dan de Osmanli-Turken zelf. De “Turken” van Bosnië, afstammelingen van slavische voorouders, zijn een nieuw bewijs voor den regel, dat menschen, die bekeerd zijn tot een ander geloof, meer dweepziek zijn in de betrachting der voorschriften dan diegenen, die hen hebben bekeerd.

Op een dag gingen we uit, om de wekelijksche veemarkt te zien, wat een vroolijk gezicht opleverde en heel wat amusement gaf. Er waren rijen schapen en geiten en groote kraals met vee. Boeren en stedelingen, Spaansche joden en Turken, en zelfs soldaten in helder blauw stonden rondom de dieren en keken toe. Het geluid van menschelijke stemmen werd afgewisseld door het geblaat van schapen en geiten, het loeien van koeien en nu en dan het geschreeuw van een varken.

Wij stieten op een paar bosnische boeren, die naar nationalen trant een koop beslisten. Verkooper en kooper slaan elkaar in de handen en sluiten die dan ineen, om ze snel naar beneden te bewegen, waarbij de verkooper den prijs noemt, dien hij verlangt en de kooper dien, welken hij wil geven. Dit duurt voort, terwijl de beide prijzen elkaar steeds meer naderen, tot het den een of ander gelukt, zijn hand los te maken, waarna de laatstgenoemde prijs den koop afsluit. In den regel staan er vrienden in het rond, om toe te zien of het eerlijk toegaat.

Uit de menigte bij de schapen en geiten zagen we af en toe een gelukkigen kooper zich loswerken. De bosnische boer trekt een onwillige geit aan de haren van den kop vooruit. De Turk draagt zijn schaap mee op zijn schouders en slaat het als een halsdoek om den nek. Tegenwoordig, nu het karakteristieke in kleeding en gewoonten langzamerhand wegsterft, is het een tractatie voor den reiziger een volk te treffen als deze boeren uit Herzegowina en Bosnië, die niet alleen het oude costuum dragen voor iederen dag, maar zich ook nog op feestdagen in de rijkste en fraaiste galakleeding steken, zooals men zelden meer in Europa ziet. Inderdaad zijn de originaliteit, de schoonheid en de verscheidenheid van de verschillende galacostumes, die men in Bosnië en Herzegowina te zien krijgt, treffend en haast ongeloofelijk. Iets van het prachtlievende Oosten blijkt uit de kleuren, de stoffen en de versieringen.

Een christenkapel in Bosnië.
Een christenkapel in Bosnië.

Een christenkapel in Bosnië.

Op marktdagen is de bosnische al zeer mooi aangekleed, maar op een feestdag, als er hoogmis wordt gehouden in een der kerken, komen boeren en boerinnen van nabij en ver per trein en te voet, op pakpony’s of per rijtuig aan, om den dienst bij te wonen en op andere wijze zich te amuseeren.

Wij hadden het geluk zulk een plechtigheid bij te wonen. Het was de verjaardag van de opening van de groote Roomsch-katholieke kerk in Serajewo in de tweede week van Juni. Al de vorige dagen waren boeren in de stad gestroomd, stoffig en verreisd, ieder met den grooten reiszak van bonte stof omgeslagen om den rug. Als een vreemdeling zoo’n zak wenscht te koopen zal een joodsche handelaar hem er dertig shillings voor vragen.

Het regende een weinig, maar de vloed van menschen, die binnenstroomde van het station, ging onophoudelijk voort. Dien nacht kampeerden diegenen, die geen onderkomen konden vinden, in het open veld tegenover de kathedraal en op alle andere open pleinen in de stad.

Ongehuwde bosnische meisjes op een dorpsfeest.
Ongehuwde bosnische meisjes op een dorpsfeest.

Ongehuwde bosnische meisjes op een dorpsfeest.

Den volgenden dag kreeg het tooneel al op een vroeg uur kleur en leven. De stoffige kleeren van den vorigen dag waren verdwenen, en in hun plaats waren zijde en fluweel verschenen, borduursels en het witste linnen. Gouden munten glinsterden op hoofdtooisels en bengelden aan kettingen om den hals. Zware zilveren gespen aan de gordels en dito zilveren ringen aan de vingers, zilveren armbanden en oorringen trokken de aandacht, en wat het beste was, de zoo versierden lieten zich photografeeren! De laatste figuur, die we namen, was een bijzonder knappe vrouw, groot en met een flinke houding. Ze had een huid als een rijpe perzik en de lijnen van neus, mond en kin zouden hebben kunnen dienen voor een model van een grieksch beeld. Ze was in het bezit van mooi geteekende wenkbrauwen, gitzwart haar en groote, lachende, bruine oogen. Haar kleeding zou hebben gepast voor een prinses of een bruid en deed haar zoowel op de een als op de ander gelijken, met haar diadeem van gouden munten, waarboven een krans van bloemen stond, en een langen sneeuwwitten sluier, die van achteren laag neerhing bijna tot haar voeten.

Bij een uitstapje naar het dorp Vares, waar ijzerfabrieken te zien waren, troffen we een zeer oud klooster van Franciskanen, en iets verder aan denzelfden weg een oude christenkapel, misschien de oudste in Bosnië. Het was een lang, laag gebouw, een goed voorbeeld van de kleine afmetingen, waartoe de machtige Turk de bedehuizen van ongeloovigen veroordeelde. Zelfs moesten, als ook hier het geval was, zulke huizen zich achter heggen verbergen, zoodat het oog van den belijder van den Islam er niet door werd gehinderd.

Illustration from Op het Balkan-schiereiland De Aarde en haar Volken, 1909
Graftombe van een Djett (geestelijke).
Graftombe van een Djett (geestelijke).

Graftombe van een Djett (geestelijke).

Toen wij bij ons bezoek aan Bosnië uit Hongarije kwamen, bracht ons de spoorweg eerst naar Kostajnica, een tweelingstad aan de beide oevers van het riviertje de Una, waar aan de eene zijde Kroaten wonen, die katholiek zijn, en aan de andere Bosniërs met een voor de helft mohammedaansche bevolking, beide echter dezelfde taal sprekend. Tusschen die twee plaatsen en de inwoners, ofschoon ze maar door een smal riviertje gescheiden zijn, bestaat er behalve ten opzichte van de taal een grooter verschil dan tusschen de steden en inwoners van Dover en Calais. Uiterlijk is het bosnische Kostajnica met de kleine turksche huizen schilderachtiger dan de katholieke naamgenoote.

Even verder volgt Doberlin. In 1860 legden de Turken in een aanval van energie den spoorweg aan van hier tot Banjaluka. De toen regeerende sultan van Turkije kreeg het plan in het hoofd van een lijn, die gelegd zou worden door Bosnië en West-Turkije naar Saloniki in de Levant. De lijn werd aan twee kanten begonnen. Van dat grootsche spoorwegplan kwam slechts een klein eindje aan beide zijden gereed, namelijk de sectie tusschen Doberlin en Banjaluka en de afstand tusschen Saloniki en Metrovic. De Oostenrijkers hebben nu de leemte voor een groot deel aangevuld door hun spoorweg van Jajce naar Serajewo, naast de evenwijdige lijn via Brod. In den laatsten tijd hebben ze het werk voortgezet door een lijn te bouwen van Serajewo over de turksche grens naar Plevlje in Novibazar.

Naar Doberlin komt veel hout, dat de Una en de Sana af wordt gevoerd uit de wouden van Bosnië, en er in zaagmolens wordt verwerkt. Wij kwamen aan de Sana bij haar vereeniging met de Una; toen volgde Blagaj, een schilderachtig plaatsje met de ruïnen van een kasteel, waar vroeger de koningen van Bosnië verblijf hielden. Het volgend belangrijk station is Prjedor, een nogal groote stad voor Bosnië. Het plaatselijk bestuur richtte er een modelhoenderpark op, van waar de boeren eieren en jonge hoenders konden krijgen. Er worden paardententoonstellingen gehouden te Prjedor en ook wedrennen, waarbij de regeering prijzen uitlooft ter aanmoediging van het fokken door de boeren. Te Ivanjska is een Franciskanerklooster en men treft er ook het vervallen kasteel Ivangrad aan. De geheele lijn van Doberlin naar Banjaluka gaat door een bekoorlijk en typisch bosnisch landschap.

Te Dragocaj kregen we voor het eerst de Vrbas te zien, die vreedzaam stroomt door groene weiden, omzoomd door wilgen, getrouw aan zijn naam, die wilgenstroom beduidt. Hier begint de vlakte van Banjaluka, en we kregen nu en dan een kijkje op het Trappistenklooster “Maria Stern”, dat aan den tegenoverliggenden oever van de rivier is gelegen, en op het klooster “Nazareth”, rechts van de lijn, terwijl verderop nog het Franciskanerklooster Petricevac volgt, eer we Banjaluka om elf uur ’s morgens bereikten.

Banjaluka is een mooi en eenvoudig stadje, zeer lief aangelegd, waar men ten minste wel een mijl ver in de schaduw kan wandelen op den heetsten dag. Dit gedeelte van Banjaluka is gevoegd bij de oude mohammedaansche stad, die ook maar zeer klein is. Waar de eerste eindigt, begint de laatste, gaande over den bazar en de markt langs de zeer fraaie Ferhadija-moskee naar de oude mohammedaansche wijk, die met haar verlenging, de voorstad Gornji Seher, zich uitstrekt langs beide oevers van de Vrbas, waar die door een soort van pas vloeit. De schilderachtige plek, zoo bijzonder mooi, kregen we eerst bij ons vertrek bij toeval te zien, want hôteliers, gidsen en zelfs reizigers waren het allen eens, dat er niets te zien was in Banjaluka.

De stad is ruim gelegen midden in een vlakte. Wij vonden de lucht er betrekkelijk koel en frisch op een tijd, dat in andere, in dalen gelegen bosnische steden de atmosfeer heet en verstikkend is. Het plaatsje lijkt wel wat op een klein indisch station in het binnenland, met de verspreid staande huizen met grond eromheen en de winkeltjes, door inlanders gehouden. Maar hier en daar ziet men een winkel, dien men in Indië een europeeschen winkel zou noemen, en evenals in Indië kan men er slechts de allereenvoudigste dingen krijgen, zooals we tot ons nadeel merkten. Daar we enkele benoodigdheden voor het photografeeren te kort kwamen, zochten we van het eene eind van Banjaluka naar het andere om een winkel van photografische artikelen te vinden, maar te vergeefs.

Er zijn twee hôtels, het hôtel Bosnië en het hôtel Oostenrijk. Van die twee is het eerste het grootste; maar het was vol, en zoo gingen we in “Oostenrijk”, dat zeer zindelijk en geriefelijk was, met niet te hooge prijzen. De heer des huizes was een beleefd en hulpvaardig man, bereid, ons alle mogelijke inlichtingen te geven en hulp te bieden; maar ofschoon Banjaluka zijn geboortestad was, en zeker wat beters van hem had verdiend, voegde hij zich bij het algemeene koor en verzekerde, dat er niets te zien was. Dat was een nieuwe ervaring voor ons, een waard aan te treffen, die tegen zijn eigen belang de aantrekkelijkheden van zijn eigen stad verkleinde; Diogenes zou zijn lantaarn in Banjaluka niet hebben noodig gehad.

Nochtans gingen wij trots de uitspraak van den hôtelier uit, om te zien, wat we konden ontdekken, en richtten onze schreden eerst naar het Trappistenklooster van Maria Stern. De gewone prentbriefkaart, die de plaats voorstelde, was niet aanmoedigend, maar wij hielden vol. Na de schaduwrijke boulevards van de stad achter ons te hebben gelaten, kwamen we buiten, waar geen boomen waren, en vonden den weg lang en de zon zeer warm; ook werden we wanhopig dorstig. Juist op tijd vonden we een kleine herberg, waar we bediend werden met de eenige verkwikking, die werd aangeboden, het ijskoude Trappistenbier, dat in het klooster wordt bereid. Wij kregen het klooster in het gezicht bij de volgende bocht van den weg, een zeer lang, wit gebouw met een klein torentje in het midden. Hier was de prentbriefkaart genomen, en eerst toen we naderbij gekomen waren, zagen wij, hoe liefelijk en bekoorlijk het tooneel was. De bekoring lag niet in het klooster, maar in de omgeving. We hadden dat ook wel kunnen begrijpen, want onze ervaring had ons geleerd, dat monniken stellig en zeker uitnemende plekjes kiezen voor hun kloosters, waar het natuurschoon op zijn mooist is.

Aan den anderen oever der rivier lag het huis met zware bosschen aan den rechterkant en groene heuvels erachter en ervoor de klare wateren van de Vrbas, met een molentje naast het klooster en recht over den stroom een groote dam, waar het water in schuim overheen vloog. Dichtbij ons daalde de oever steil naar de Vrbas af, en treurwilgen lieten hun takken in het water hangen. In de schaduw dier boomen waren enkele hengelaars bezig met hun kalm werkje, dat precies bij de plek scheen te passen.

Het middel, om tot het klooster te naderen was niet terstond herkenbaar, maar lager aan de rivier links kwamen we aan een veer met een touw, een ingewikkelde geschiedenis, waarlangs wagens konden worden getransporteerd en paarden, zonder dat ze behoefden te worden uitgespannen en zonder oponthoud.

Toen wij werden overgezet, zagen we de broeders thuiskomen van een wandeling. Ze trokken langs ons heen in een langen optocht, zwijgend voortloopend met gebogen hoofden en verdwenen binnen de muren. Het was een heiligendag en een vacantiedag, en dan wordt het klooster aan niemand vertoond. Op werkdagen mogen mannelijke bezoekers binnenkomen en de broeders aan hun verschillende werkzaamheden zien, maar nooit is er toegang voor de schoone sekse.

Er zijn twee-honderd-vijftig broeders in dit rustoord, dat aan de orde der Trappisten behoort, de strengste der bestaande orden, waarin de gelofte van stilzwijgen wordt afgelegd, en waarbij het spreken alleen wordt toegestaan in volstrekt noodzakelijke omstandigheden. Buitendien kastijden ze het vleesch strenger dan eenige andere broederschap, werken hard den geheelen dag, leven bij een matig, vegetarisch diëet en slapen op den kalen grond zonder in den nacht hun kleeren af te leggen.

Ieder, die katholiek is, kan Trappist worden, maar hij moet kunnen bewijzen, dat er niemand is, die van hem afhankelijk is. De nieuweling maakt een proeftijd door, maar daarna kan hij niet meer van besluit veranderen.

Deze stille broeders zijn harde werkers en doen veel goed. Ze onderhouden een groot aantal weeskinderen, doen weefwerk en zagen hout in de molens, brouwen een uitstekend bier en maken een soort van kaas, die beroemd is in geheel Oostenrijk.

We hadden in het hôtel Oostenrijk het lunch gebruikt en gingen nu eten in “Bosnia”. Er was niet veel verschil tusschen de twee; bij beide werden we buiten bediend en op nog al primitieve manier; het eten was goed, maar de wijn niet te best. Toen we naar het hotel Oostenrijk terugkeerden, speelde er een muziekcorps, en we zaten er buiten naar te luisteren onder het genot van een kopje zwarte koffie.

Daar verscheen plotseling de waard en vroeg, of de “Herrschaften” met de diligence wilden gaan naar Jajce of dat ze een particulier rijtuig verlangden; er was juist een rijtuig gekomen uit laatstgenoemde plaats, dat terug moest, en de koetsier had aangeboden, het gezelschap voor zeven gulden over te brengen. Wij stemden dadelijk toe, de koetsier, een mohammedaansche jongen, werd gehaald en onze waard verzocht hem, een waarborgsom van vijf kronen aan ons ter hand te stellen, om te bewijzen, dat de overeenkomst gesloten was. Dit is een echt oostersche gewoonte, blijkbaar hier in de mode, want de koetsier begreep het terstond; maar we hebben haar nergens teruggevonden.

Er gaat alle dagen een diligence van Banjaluka naar Jajce, die eerstgenoemde plaats om twaalf uur verlaat, ook ten behoeve van de spoorwegreizigers uit het Noorden, die graag dadelijk doorgaan. Het is een reis van veertig mijlen en men heet die in zeven uren te kunnen doen met ongeveer een uur rust onderweg. We waren vroeg opgestaan en hadden Banjaluka voor de tweede maal doorgewandeld, waarbij we een flinke massa kersen kochten als middel tegen dorst onderweg.

Nadat we de mohammedaansche wijk der stad achter ons hadden, kwamen we aan de bekoorlijke voorstad Gornji-Seher, waarvan de schoonheid ons verraste na al die verzekeringen, dat er in Banjaluka niets bezienswaardigs was te vinden. Mooie turksche huisjes middenin tuinen en veel hooge boomen liggen aan weerskanten van den smallen weg tot aan de Vrbas, die veel bochten maakt. Als men afdaalt naar de rivier, wordt de moeite wel beloond, want de natuur is er heerlijk en laat alleen de hand van den mensch herkennen in de een of andere kleine minaret of witte villa, half verborgen door het gebladerte.

De weg van Banjaluka naar Jajce.
De weg van Banjaluka naar Jajce.

De weg van Banjaluka naar Jajce.

Wij bereikten een breede ijzeren brug, die naar den rechter rivieroever voerde en hielden stil, om de paarden te laten drinken. Hier hadden de oude Romeinen al een badplaats ingericht, waarvan nog ruïnen over zijn gebleven. Een kleine moderne badinrichting staat op dezelfde plaats. De temperatuur is warm, niet heet zooals de bronnen van Ilidze bij Serajewo. De Vrbas krijgt verderop een echt bergstroomkarakter en bruist schuimend tusschen de rotsen door, terwijl de weg langs den rotswand loopt ver boven de watervallen en stroomversnellingen en soms onder zware boomen door. In zijn soort is deze weg een even groot ingenieurskunstwerk als die naar Cettinje. Door verschillende kloven rijdt men tusschen wanden, die van 600 tot 1000 voet hoog zijn en nu en dan het licht haast buitensluiten.

En na die kloven volgde barre zonneschijn; onze jeugdige mohammedaansche koetsier wierp de teugels over de paarden, draaide zich om op den bok, liet zijn beenen buiten boord hangen, stak een groote parasol op, rookte een sigaret en hief een liedje aan. De weg was stil; we kwamen niemand tegen dan geiten en runderen, die met hun herders hoog op de bergen leven. De paardjes deden hun best, en terwijl ze ’s morgens magere, stumperige beestjes hadden geleken, bleken ze voor hun taak goed berekend; als ze eens even verslapten in hun gang, tikte de koetsier, die er zijn andere amusementen voor in den steek liet, ze met korte, scherpe slaagjes op den rug, tot ze in een woedenden galop sloegen en ons om de bochten van den weg sleurden met angstwekkende snelheid.

Drinkbakken waren er vele langs den weg, en het water werd door uitgeholde en halfdoor gezaagde boomstammen geleid of kwam recht van de hoogte. Voor den voorbijganger hing er altijd een houten drinknapje. Voor de dieren werd het water door kanaaltjes naar steenen troggen of houten bekkens gevoerd. Wij hielden overal stil, want de paarden moesten altijd drinken of de koetsier was dorstig.

Bosnische dorpen kregen we haast niet te zien, gevolg van een gewoonte uit oude tijden, toen verborgen te zijn voorwaarde was voor iemands veiligheid. Halfweg gebruikten we op den middag een maal, dat ons verbaasde door de uitmuntende qualiteiten. Het bestond uit gebraden vogel, salade, zoete omelet, Emmenthaler kaas en zwarte koffie. De witte wijn uit Herzegowina, die erbij kwam, was bepaald uitstekend. Onze koetsier stond, nadat hij zijn eten op had en gras en haver voor de paarden had neergelegd, al den verderen tijd met een kennis te praten.

De tocht door de kloof duurde eindeloos lang, en aan het eind scheen het, dat er geen doorkomen aan was. De rotswanden rezen steil aan den uitgang omhoog, maar in deze dagen van natuurwetenschap mag de natuur wikken, de denkende mensch beschikt. Drie tunnels, dicht na elkaar, de laatste de langste en in het midden door een lantaarn verlicht, leiden den weg door het hart van de rots. Zelfs toen waren de ingenieursmoeilijkheden niet ten einde. De tunnel komt namelijk onmiddellijk aan de rivier uit, en er moest een breede ijzeren brug gebouwd van den tunneluitgang naar den anderen oever der Vrbas.

De kloven waren nu ten einde en de zonnige weg lag vóór ons, loopend door wat om de tegenstelling wel een vlakte kan worden genoemd. Er kwamen huizen in het zicht, het dorp Podmiljacka; boven den weg aan onze linkerhand stond het kleine roomsche kerkje der Franciskanen, St. Ivo, en onze koetsier begon de paardjes woedend te bewerken; ze zwaaiden het rijtuig heen en weer in hun galoppade; maar aan zoo iets waren we al gewend, want een stad met sensatie binnen te komen is iets echt oostersch.

Jajce is wel de “parel van Bosnië” genoemd, en met de kleine turksche huisjes, tegen de helling van den heuvel, met het kasteel in de hoogte en de oude stadswallen aan de rivier, was het een kijkje waard. Wij kwamen al gauw aan het begin, den bazar, het belangrijkste in al die turksche stadjes, met houten winkeltjes, waar de eigenaars met gekruiste beenen tusschen hun waren zitten. Vruchtenwinkels waren er in overvloed, met vruchten en allerlei soorten van koren, alles in kleine mandjes, waar de koopers zich maar tusschen door moesten dringen.

Een poort door en een binnenplein binnengereden, waren we, waar we moesten zijn, in het Grand Hôtel van Jajce, een niet aanmatigend steenen gebouw. Oorspronkelijk opgericht door de regeering, wordt het nu particulier gedreven; het is een aardig hôtelletje met elf slaapkamers, uit welker vensters men een prachtig uitzicht heeft over de Vrbas, honderd voet in de diepte.

Gelukkig hadden wij getelegrafeerd, anders waren we slechtaf geweest, want een rijtuig met drie personen kwam precies tegelijk met ons aan, en het drietal moest zich met een enkele kleine kamer tevreden stellen.

Eigenaardige hoofddeksels, het midden houdend tusschen een mijter en een omgekeerden bloempot.
Eigenaardige hoofddeksels, het midden houdend tusschen een mijter en een omgekeerden bloempot.

Eigenaardige hoofddeksels, het midden houdend tusschen een mijter en een omgekeerden bloempot.

We hadden veel gehoord over de “parel van Bosnië”; maar de plaats overtrof nog in alle opzichten onze verwachting. De waterval was naar onzen smaak mooier dan die van Schaffhausen. Zeer schilderachtig is de omgeving en dan zijn er historische herinneringen aan verbonden. Hier is de beroemde Sultans Vlakte of Carova Polje, waar de zegevierende sultan Mohammed zijn kamp opsloeg in 1463, toen Jajce den Turken in handen viel.

Van de stad uit kan men den waterval van de Pliva niet zien en ook niet aan de oevers van het riviertje zelf. Boschjes verbergen als achter een sluier de plek, waar de zachte en bekoorlijke Pliva zich plotseling over de steile klip werpt. Men moet, om er een goed gezicht op te krijgen, een eind den Vijenacweg opgaan naar de bedding der Vrbas. Als men dan de Pliva over een brug is gepasseerd, ziet men de rivier in een reeks kleine vallen, als het ware, kracht verzamelen en snelheid voor den grooten sprong, dien ze een honderd ellen verder zal doen.

Op weg naar de bedding der Vrbas, kan men de ontknooping gadeslaan. De rotsen verdeelen het groote volume water, dat hun in den weg komt, in verschillende kanalen. In de drie grootste stort zich de dichte massa schuimend water, dat door den tegenstand van de rotsblokken tot een melkwit schuim is geslagen, met een donderend geweld in de Vrbas, die met de Pliva hier een rechten hoek maakt. Een deel der massa valt bij het neerstorten in de honderd voet lagere rivier op een hoog rotsblok, en van dat blok en den kokenden ketel, gevormd door het enorme water volume, dat aanhoudend neerdondert, stijgt een groote witte wolk van schuim hoog in de lucht.

De hoofdstraat van Jajce, de parel van Bosnië.
De hoofdstraat van Jajce, de parel van Bosnië.

De hoofdstraat van Jajce, de parel van Bosnië.

Des avonds bij maneschijn is de bekoring het grootst, en om de romantische geschiedenis van Jajce deed het ons genoegen, daar recht aan te hebben laten weervaren door een bezoek op den tijd, dat de bekoring het sterkst werkt. Hertog Hrvoja, dezelfde, die den toren van Spalato bouwde, was de eerste, die de aandacht op Jajce vestigde, en die er zijn hoofdverblijf plaatste in het begin der vijftiende eeuw. Hij heeft waarschijnlijk een groot deel van het oude fort laten bouwen, of vergrootte de versterkingen, die hij er vond, want Jajce moet al een der zetels geweest zijn van de bans van Bosnië. Het district van Dolnji Kraj, waarin Jajce ligt, werd aan Hrvoja geschonken door denzelfden keizer Sigismund van Hongarije, die hem bevestigde in het hertogdom Spalato. Die beide bezittingen maakten hem tot een zeer machtig edelman, even machtig misschien als de koning van Bosnië zelf, met wien Hrvoja in vijandschap leefde.

Mantels van schapenvachten.
Mantels van schapenvachten.

Mantels van schapenvachten.

De hertog Hrvoja moet hier vermeld worden niet alleen als patroon van Jajce, maar omdat men zegt, dat hij het eerst de Turken in Bosnië heeft gevoerd als bondgenooten, om hem te helpen, wraak te nemen op een ander machtig edelman Sandalj, die op het sterke kasteel Kljuc woonde. Tegen het midden van de 15de eeuw zag de laatste koning van Bosnië de waarde in van Jajce en hij, Stephan Tomasevic, bouwde er zich een paleis. Dus was Jajce voor korten tijd de zetel van een koning, tot die dwaze koning, die vertrouwde op de goede trouw van Sultan Mohammed II, de stad en zichzelven overgaf met verscheiden andere versterkte kasteelen.

Mattheus Corvinus, de beroemde koning van Hongarije, die de strategische waarde van de vesting begreep als een dam tegen de invallen doende Turken, belegerde Jajce en nam de stad weer in in hetzelfde jaar. In den loop der volgende halve eeuw onderging de stad verschillende belegeringen, werd nu eens door de Turken, dan door de Hongaren ingenomen, tot in 1528 ze in handen kwam van de Turken, die er heer en meester bleven, tot de Oostenrijkers de oproerige Bosniërs eruit verdreven in 1878. Gedurende de 350 jaar van turksch bewind namen de meeste bewoners den mohammedaanschen godsdienst aan. Sporen van Jajce’s oude geschiedenis vindt men overal. In de Franciskanerkerk der stad ligt in een glazen kist het geraamte van den laatsten koning van Bosnië. Het verbaasde ons te zien, dat het aan een zeer klein man had behoord, terwijl de meeste Bosniërs groot zijn; een bijzonderheid van het hoofd is de buitengewone puntigheid van de kin. Het geraamte werd onlangs opgegraven op de plek, die door de overlevering was aangewezen als de begraafplaats van den door sultan Mohammed vermoorden laatsten koning van Bosnië.

Een zeer bijzonder met munten versierd costuum in Jajce.
Een zeer bijzonder met munten versierd costuum in Jajce.

Een zeer bijzonder met munten versierd costuum in Jajce.

Wij gingen naar die kerk op een feestdag. Een groot aantal boeren waren er, alle op hun Zondagsch gekleed, vooral de kleeding der vrouwen was schilderachtig, maar in de zeer volle kerk werd de lucht al spoedig zoo slecht, dat we er niet binnen konden blijven. Het schijnt, dat de christelijke boeren uit Bosnië nooit zindelijkheid hebben geleerd.

Toen de meeste geloovigen de kerk hadden verlaten, waagden we ons nog eens naar binnen. Zelfs toen hing er nog een verstikkende lucht, maar we bleven eenige minuten, om te zien, op welk een eigenaardige manier de boeren knielen en de kale steenen met hun voorhoofd aanraken, als ze bidden, een gewoonte, die ze zeker hebben overgenomen van hun mohammedaansche broederen. Wij bemerkten ook, dat een paar van hen op hun knieën de toer om het altaar maakten, denkelijk als een boetedoening. Het waren allen stellig geloovige broeders.

Een wonder mag het heeten, dat er nog onder de boeren eenigen Christenen bleven onder het eeuwenlange turksche bestuur in deze streken. Ze konden er alles bij winnen, als ze afvallig werden; toch bleven ze trouw aan hun geloof.

In den namiddag gingen we naar de Corsija of Bazar, om de boeren te zien, en we hadden het geluk, een boerenvrouw te kieken in een costuum, dat zelfs voor Bosnië merkwaardig was. Over haar jakje droeg ze wat in den letterlijken zin mocht heeten, een borstplaat, gemaakt van munten. Als hoofddeksel had ze een wijduitstaand stuk stijf wit linnen, een soort van kap erover met in het midden een bundel omvallende veêren, aan ieder waarvan een streng munten hing. Haar ceintuur, driemaal de gewone breedte, scheen gemaakt van gevlochten lederen reepen, met kralen opgewerkt. Over een witten rok droeg ze een donkeren boezelaar met gekleurd borduurpatroon. Daarover weer een smalle ceintuur. Twee afhangende linten, op de plaats gehouden door een paar dikke zilveren platen, vormden een centrale versiering, en daaraan hing een franje van leeren reepen, met zilveren munten eraan bengelend.

Enkele andere boerenvrouwen, die we zagen, waren precies gekleed als tooneelprinsessen. Ronde, roode mutsjes met een feston van kleine, gouden muntstukjes om den benedenrand en een rij groote gouden munten een paar duim boven den rand, tooiden haar hoofden. Wijde, zachte kanten sluiers waren om het hoofdtooisel geslagen en vielen neer op haar schouders. Gekleurde en met tres afgezette zijden bolero’s met open front werden gedragen over witte lijfjes en om het middel hadden ze ceintuurs met groote zilveren gespen. Witte rokken van zelfvervaardigde wol en donkere wollen boezelaars en opanka’s voltooiden het costuum. Een groepje, dat we tegenkwamen viel op door het bijzondere hoofddeksel, een tusschending tusschen een bisschopsmijter en een omgekeerden bloempot.

De kerk van Sint Lucas heeft een bijzonder mooien klokkentoren en er is een interessante ondergrondsche kapel, maar het aardigste zijn toch de schilderachtige hoekjes in Jajce, bij voorbeeld de poort, die naar de Pliva leidt, een juweeltje in zijn soort, en de kleine turksche huizen, die als duiventillen op de massieve, grijze, oude wallen staan. Kleine watermolens volgen den loop der Pliva vanaf de houten brug, die erover leidt tot vlak bij den waterval. Wankele voetbruggetjes voeren naar den val over de schuimende wateren.

Een week of meer kan men te Jajce genoegelijk doorbrengen; want niet alleen is de stad zelf het waard, maar men kan ook verscheiden uitstapjes maken te paard en per rijtuig. Midden in den zomer is een langer verblijf niet aan te raden, want door de ingesloten ligging wordt het er dan zeer warm en drukkend. Men kan uitstekend visschen in Jajce en in den herfst en den winter kan er gejaagd worden. Voor winterverblijf zou Jajce wel aanbeveling verdienen, want het hôtel is werkelijk goed en is geheel modern ingericht, terwijl de hôtelier een geschikt mensch is.

Een ritje naar het meerdorp Jezero moet de bezoeker van Jajce in geen geval nalaten. Dit dorp is ongeveer zes mijlen verwijderd en ligt aan de oevers van wat het Jezeromeer wordt genoemd, een watervlakte, gevormd door de Pliva. Men kan altijd rijtuigen krijgen aan het hôtel of men kan gaan in een omnibus, die tweemaal per week van het station rijdt.

De weg volgt den loop der Pliva langs den linkeroever. Dit mooie riviertje is eenig in zijn soort, want op zijn korten loop van vijftien mijlen vertoont het alle transformaties, die een rivier kan ondergaan, daar het afwisselend bestaat uit meren, stroomversnellingen, ondiepten met struikgewas, dat in overvloed in de rivierbedding groeit, en watervallen, eindigend met een der schoonste vallen, die men in Europa ergens te zien kan krijgen. Het eerste en laagste meer ligt in open en vruchtbaar land. Een landtong, die van den rechteroever uitgaat, snijdt dit meer bijna af van het tweede, dat wat hooger ligt, dicht boven het eerste. Een dicht struweel, dat in de ondiepte groeit en op de landtong, verbergt het uitzicht op het bovenste meer, maar een aantal valletjes, die tusschen de struiken door stroomen, wijzen wel aan, van waar het tweede meer zijn water ontvangt.

Niet ver van die landtong tusschen de meren is een beslissend gevecht geleverd van de oostenrijksche troepen en oproerige Bosniërs in 1878, waarbij het den Oostenrijkers bijna gelukte, de Bosniërs in het water te drijven, terwijl een aantal met moeite ontkwamen.

Jezero, dat wel een bosnisch Venetië is genoemd, is een bekoorlijk dorpje in een boschje aan het bovenste en grootste meer. Juist voor we dit meerdorp bereikten, dook het onvermijdelijke Toeristenhuis op, met restaurant en tuin. De eigenaar was in plaats van een schilderachtige inboorling van het plaatsje een roodneuzig individu, denkelijk een Weener, dien we bij onze aankomst in slaap vonden onder een rozenstruik in den tuin. De restaurant heeft een aardige veranda boven het meer, en bezoekers kunnen er worden ontvangen en kunnen er zich verkwikken met forellen, pas uit de rivier of het meer gevangen, en besproeid met Weener bier.

Deze ververschingslokalen, opgericht op plaatsen, waar veel menschen komen, maken zeer goede zaken, daar de meerderheid der toeristen in deze streken een uitstapje voor niet veel anders houden dan voor een pic-nic, en zelden verder komen dan het naastbijzijnde restaurant.

Nadat we een kop koffie hadden gebruikt, vertrokken we, om Jezero te gaan zien, en toen we hoorden, dat er op tien minuten afstands een Zigeunerkamp was, togen we daarheen. Natuurlijk was het een goed half uur wandelens, en we zouden de plek niet hebben gevonden, als we geen inboorling als gids hadden meegenomen.

Het verbaasde ons, dat deze Zigeunertroep niet in tenten of tijdelijke hutten woonde, maar in soliede gebouwde huisjes hoog op de heuvelhelling. Ze schijnen zich permanent in Jezero op te houden, of mogelijk is het hun hoofdkwartier. Het waren blijkbaar echte Zigeuners, met donkere huid en oostersche gelaatstrekken, in lompen gehuld en vuil, en ze drongen rondom ons, om te bedelen. Het trof misschien goed voor ons, dat we een gids hadden met een dikken stok, om er de orde onder te houden.

Onderweg ging ons een boerenvrouw voorbij, die haar kind droeg op den schouder in een houten trog, terwijl ze tegelijk het paard naar huis dreef. Zulke soliede houten troggen, waar dieren hun voer in krijgen, doen bij de bosnische boeren als wiegen dienst, en dit verband tusschen een kindje en een trog bracht dadelijk de geschiedenis van Jezus’ geboorte in de herinnering. Het was interessant, hier onder de boeren een gebruik waar te nemen, dat al negentienhonderd jaren geleden ook in zwang was.

Bij onze terugkomst photografeerden we enkele inboorlingen van Jezero; vooral trok daarbij de aandacht het schapevel, dat een paar mannen droegen. Ze hebben het winter en zomer aan met het verschil, dat in den zomer de wol buiten wordt gedragen en het leder binnen, zooals de man op den voorgrond van onze afbeelding, terwijl in den winter de wol binnen is, als bij den man op den achtergrond. Men vertelde ons, dat het kleedingstuk heel koel is in den zomer en een beschutting oplevert tegen de hitte, terwijl het natuurlijk heerlijk warm is in den winter. Jammer, dat we zoo iets niet in Engeland hebben; een artikel, dat we als bovenkleeding in alle seizoenen konden dragen, zou een heele besparing geven in de kleermakersrekeningen!

Toen we terug kwamen in het restaurant, waren de toeristen er nog. Een paar, dat met ons terugreed, een Hollander en zijn vrouw, legden het eerste deel van het traject per boot af en vroegen, of wij meegingen. We gingen de booten kijken. Het waren twee antidiluviaansche punters, en daar het ons niet prettig leek in die oude schuiten te worden rondgeroeid, terwijl we op tabouretjes zaten of op planken, over de boot gelegd, bedankten we.

Er was ons gezegd, dat het bootjevaren en het roeien op het meer een der voornaamste uitspanningen was te Jezero, en we waren dwaas genoeg, ten minste één echte pleizierboot te verwachten en te denken, dat we een poosje zouden kunnen roeien of rondzeilen. Natuurlijk was er niets van dien aard. We hadden moeten weten door onze ervaring van Dalmatië, dat de toerist van het continent zich nooit op die wijze vermaakt, maar zich liever laat rondroeien dan zelf te roeien.

Wij pikten den Hollander en zijn vrouw op aan het eind van het meer. Ze waren van Java gekomen met drie maanden verlof en maakten een omreisje over Weenen, Berlijn, Parijs enz. beginnend aan de europeesche toer met een tochtje naar Jajce!

We begonnen over Transvaal te praten, waar de Hollander veel belang in stelde. Het interesseerde hem, dat wij er waren geweest. Daar hij veel chineesche werkkrachten gebruikte, gaf hij als zijn meening te kennen, dat de invoer van die werkkrachten in Zuid-Afrika geen succes zou blijken, omdat enkel de slechtste klasse van Chineezen hun vaderland zou verlaten, om elders te gaan werken.

Wij brachten een bezoek aan het vervallen kasteel Vjenac, het familiegoed van Peter Keglevic, den stoutmoedigen verdediger van Jajce. Het ligt in het dal der Vrbas, omstreeks zeven of acht mijlen beneden Jajce op den top van een uit de vlakte oprijzenden berg, waardoor het de geheele omgeving beheerscht.

Aan den voet van het slot is een dorp, dat nu door Mohammedanen wordt bewoond, een weemoedig gezicht voor den geest van den ouden Keglevic, als hij ooit in zijn vroegere woonplaats mocht komen spoken. Die Peter Keglevic was een dapper soldaat. In 1520 werd het fort belegerd door de Turken en werd zeer in het nauw gebracht. Het verhaal gaat, dat Keglevic, die het bevel voerde, de Turken versloeg door middel van een list, waardoor het beleg werd opgebroken. De Turken hadden zelf ook list gebruikt en waren teruggetrokken, alsof ze wegtrokken. Maar het kwam Keglevic ter oore, dat ze zich alleen in de wouden hadden verborgen en dat ze touwladders vervaardigden voor de bestorming van het fort.

De tijd, bepaald voor de turksche bestorming was de avond van een feestdag. De slimme, oude Peter zond een troepenafdeeling naar een plaats achter het woud met bevel, zich verborgen te houden tot een teeken werd gegeven. In den vooravond beval hij de vrouwen en meisjes te gaan naar de Sultan’s Weide, de Carova Polje. Daar moesten ze op haar mooist gekleed, in het maanlicht zich met zingen en dansen vermaken, alsof alles in de beste orde was. Die verzoeking was te groot voor de Turken, die hun ladders wegwierpen en naar de vrouwen toe snelden. Een kanonschot gaf het teeken, en Peter Keglevic kwam met het garnizoen uit de vesting, terwijl de afdeeling, die verdekt was opgesteld, de achterhoede aanviel. Bijna geen enkele Turk bracht er het leven af!

Het is de moeite waard, van Vjenac naar Jajce terug te wandelen langs de oevers van de Vrbas, hier een lief riviertje, dat tusschen groene velden stroomt en verder in het ravijn door afgeronde heuvels wordt ingesloten.

Wij verlieten Jajce met den spoortrein, om naar Travnik te gaan en bereikten in vijf kwartier Donji Vakuf, van waar een zijlijn naar Bugojno gaat, die het mogelijk maakt, Jablanica per diligence te bereiken en zoo weer op de lijn Serajewo-Mostar te komen. Onze weg leidde ons echter over de Vrbas en over een heuvelrij naar het dal der Lasva. We moesten een tunnel van wel een mijl lang door, om te Goles te komen, een aardig plaatsje met uitzicht op verschillende bergen op een afstand.

Het volgend station is Turbet, in de buurt waarvan de Romeinen met succes een goudmijn ontgonnen. Het stadje bleek evenals Banjaluka een verrassing; het was veel schilderachtiger dan we hadden gedacht, heeft een goed hôtel met tuin en een groot garnizoen. Des avonds bezoeken de deftige families van Travnik die tuinen, waar wij in de open lucht konden dineeren onder de boomen in het licht van kleine lampjes, terwijl een Zigeunerkapel zachte muziek ten beste gaf. Travnik was een goede vijftig jaar geleden nog de turksche hoofdstad van Bosnië en zetel van den regeerenden vizier, en nog is het een der meest turksche steden van Bosnië. Het ligt op beide oevers van de Lasva.

In September 1903 woedde er een zeer hevige brand, die het grootste deel van de stad op den linker rivieroever verwoestte. Toen wij er bijna een jaar later een bezoek brachten, waren de werklieden overal bezig aan het herstellen en nieuw opbouwen. Het schilderachtige oude kasteel is de hoofdbezienswaardigheid van Travnik, gelegen als het is op een vooruitspringende rots, geeft het den indruk van het heele dal af te sluiten. Het moet gebouwd zijn door koning Turtko I van Bosnië en werd in de laatste helft van de vijftiende eeuw ingenomen door de Turken, in wier handen het bleef en die hun stempel eraan gegeven hebben in den vorm van een moskee binnen de muren. Een ravijn, die de met het kasteel gekroonde rots van de stad scheidt, vormt een natuurlijke gracht, waarover een brug is geslagen, die toegang geeft tot de stad.

We gingen die brug over naar het kasteel, waarvan de poort open stond, en traden binnen. Onze voorpost stond opeens van aangezicht tot aangezicht met een jonge turksche vrouw, die ongesluierd was. Als blikken hem hadden kunnen dooden, zou hij op de plek zelve vernietigd zijn. Hiermee niet tevreden, siste de dame de eene of andere beleediging in het Slavisch, en haar door boosheid verwrongen gelaatstrekken sluierend, vluchtte ze in een hut. Het leek amusant veel op een ontmoeting tusschen een kat en een hond; eerst kijken, dan blazen en dan wegijlen. De voorpost van ons gezelschap kwam verschrikt terug, en de vrouwelijke helft deed een hernieuwde poging om binnen te komen, maar kreeg geen betere ontvangst van een aantal oude turksche vrouwen in het fort. Er was intusschen niet veel te zien, behalve dat het uitzicht zeer mooi was. Het bleek ons bij nader onderzoek, dat de regeering aan eenige turksche dames de vergunning had geschonken, om in de verlaten ruimten van het kasteel te wonen, die ze nu blijkbaar beschouwden als voor haar alleen bestemd.

In Bosnië wordt op allerlei manieren het stroomende water gebruikt voor practische doeleinden, wat pleit voor de vindingrijkheid van het volk. Men zaagt er het hout door en laat het koren malen, bezigt het in ijzerfabrieken, laat de huiden van het haar ontdoen en leder zacht maken en zelfs het spit wordt erdoor gedraaid, vooral op feestdagen, wanneer geheele lammeren zoo worden gebraden. De mechanische inrichtingen zijn veelal primitief en van hout gemaakt, maar ingenieus gevonden en geschikt, om aan de eenvoudige behoeften van de inboorlingen te voldoen.

Zigeuners uit Jezero.
Zigeuners uit Jezero.

Zigeuners uit Jezero.

We probeerden een wandeling langs den rivieroever, maar waren nog niet ver, of we stieten op een aantal mohammedaansche kinderen, die op een grasveld aan het spelen waren. De jongens vlogen onder het maken van allerlei bewegingen naar den weg en vormden een soort van barricade, om onzen voortgang te beletten. Toen zagen we, dat ze als een scherm moesten dienen voor een groep turksche vrouwen, die haar doeken vast om haar gezicht trekkend, op de hielen waren gaan zitten en het hoofd in den schoot lieten hangen. Tegenover dit zonderlinge protest van de gehurkte groep voelden wij ons genoodzaakt terug te keeren. Het is dwaas, op te merken, hoe zelfs het kleinste turksche jongetje dadelijk tusschenbeide komt, als er iemand onwillens te dicht in de buurt van vrouwen komt.

Wij keerden naar den bazar terug en liepen door de hoofdstraat, die naar de nieuwe oostenrijksche wijk leidt, waar ook het hotel Vlasic staat. Onderweg zagen we nog een bezienswaardigheid van Travnik, de graven van de vroegere viziers. Het waren mooie, schilderachtige bouwwerken, vijf-, zes- of achtkantig, met koepeldaken, iets als pagoden. De graven liggen in het midden en doen in grootte niet onder voor de turksche huizen voor de levenden, terwijl sommige met fraai gekleurde deviezen waren getooid.

Een groot Jezuïetencollege, het eenige in Bosnië, is onlangs te Travnik gebouwd. Het is voor die secte moeilijk geweest, er zich te vestigen tegenover de oppositie van de Franciskanen, die Bosnië als speciaal hun toekomend beschouwden. De overste en directeur was een zeer ontwikkeld en aangenaam man, die veel belang stelde in antiquiteiten, verband houdend met de romeinsche en turksche overheersching. Hij had er een eigen kleine collectie van.

Wij vonden Travnik een koeler plaats in de warme maanden dan Jajce, daar de ligging meer open is, en men er dus meer wind heeft. Wij vertrokken met een namiddagtrein naar Serajewo en reden een heerlijk dal binnen, open en breed, de Travnik Polje, waar de oude Romeinen eens belangrijke vestingen hadden. De trein gaat over de Bila en volgt de Lasva tot waar ze zich in de Bosna stort. Bij de samenvloeiing der beide rivieren begint een romantische kloof vol rotsen van grillige vormen met watervallen en stroomversnellingen ertusschen, waarop men een goed gezicht kreeg, toen de spoorweg langs den rechteroever reed van Lasva naar Gora.

Bosnische boeren, van de markt terugkomend.
Bosnische boeren, van de markt terugkomend.

Bosnische boeren, van de markt terugkomend.

Er zijn twee gemakkelijk te bereiken zomerverblijven voor het vreemde element in Serajewo, één in het Oosten Palé, en één in het Zuidwesten, Ilidze. Het eerste is tot heden nog zeer weinig ontwikkeld, maar zal ten slotte zeker populair worden. Het ligt ongeveer twaalf mijlen van Serajewo en op een hoogte van zoowat 1000 voet boven het niveau der zee. Het is het eerste station op de nieuwe lijn naar Plevlje in de turksche provincie Novibazar, die op het laatst van 1904 pas voor den handel is opengesteld.

Als zomerverblijf werd Palé het eerst onder de aandacht gebracht door den engelschen consul-generaal, die negen of tien jaren geleden zich er een villa bouwde te midden van zijn eigen bosschen. De villa, stevig gebouwd van steen, met hout overdekt, ziet er min of meer uit als een zwitsersch châlet. Zij staat op een hoogte in het hart van het dennenbosch, waar de weg dwars doorheen is aangelegd. In de buurt zijn nog een paar villa’s en de kazerne van een oostenrijksche troepenafdeeling. Het dorp zelf, een jonge geschiedenis, meest koffiehuizen of kafana’s voor de Mohammedanen en gostiona’s of eethuizen voor de Christenen, die aan den spoorweg werken, ligt in het wijde dal beneden in de nabijheid der lijn, die den loop der Miljacka volgt.

De rijweg van Serajewo komt in de Miljackakloof dadelijk na het verlaten van de stad. De spoorlijn is te zien op den tegenoverliggenden oever en is aangelegd aan den rand van een steile klip, die voor een deel uit hard gesteente en voor een ander uit zacht mergel bestaat. Waar dat laatste voorkomt, is ieder meter van den weg versterkt, om het afglijden te voorkomen, en in het harde gesteente heeft men tunnels moeten boren, waarvan er wel vier korte te vinden zijn over een afstand van achthonderd yards.

Toen wij Palé bezochten, was de weg erheen druk, wat wel een verschil opleverde met de bijna verlaten andere wegen, door al het verkeer, dat de spoorlijn meebracht, en men kon er een studie maken van de vervoermiddelen, in gebruik in Bosnië. Groote wagens, door spannen getrokken van acht en zelfs twaalf paarden, wisselden af met primitieve ossenkarren, die eigenlijk noch kar, noch wagen zijn. Ze bestaan eenvoudig uit vier ruwe, zware wielen, waarvan de twee achterste ver van de beide voorste zijn geplaatst, en daartusschen bevindt zich niets anders dan een lange balk of boomstam, waaraan de te vervoeren artikelen worden vastgebonden; juist een wagen voor een land zonder wegen. De voerlieden van die langzaam zich bewegende vehikels zijn bijna geregeld vast in slaap en liggen in hun volle lengte op den boom, zich op raadselachtige wijze in evenwicht houdend met het hoofd rustend op den eenen arm.

Dan waren er reeksen van pakpaarden, zwaar beladen met steenen, dakpannen, houten balken en gras; arme beestjes, die er uitzagen als kikvorschen uit het land van Brodignac, doordat de vracht zoo om hen was opgestapeld, dat er niets dan de kop en de hoeven te zien waren. Nooit heb ik in het Oosten pakpaarden zoo zwaar beladen gezien als de paardjes van Bosnië. Palé ligt aan den weg naar Gorazda aan de Drina, waar het voornaamste hengstendepot van Bosnië is te vinden, een plaats, die een zeer gelijkmatig klimaat heeft, dat voor het beste van Bosnië door gaat. Van Gorazda vervolgt de weg zijn loop haar Cajnica, waarheen tweemaal in het jaar, aan het eind van Augustus en weer een paar weken later, een groote pelgrimstocht wordt gehouden met het doel smeekbeden op te zenden voor een zeker beroemd schilderij in een kerk.

De pelgrims, die voor het meerendeel uit Serajewo komen, reizen veelal in de lichte manden wagentjes uit de streek, die voor de gelegenheid bedekt worden met een dak van ronde hoepels, bekleed met matwerk of linnen. Elke wagen houdt een groote familie in van beide seksen, wier voornaamste uitrusting wel kussens schijnen te zijn, om op te rusten onder de reis. De armste pelgrims loopen, de rijken gaan te paard of per rijtuig. Gedurende de drie of vier dagen van den pelgrimstocht stroomt er een geregelde optocht door Palé op den heen- en op den terugweg. Te Cajnica kampeeren ze in hun wagens op het plein vóór de kerk, en het moet een indrukwekkend gezicht wezen, naar ons werd verteld, daar er soms wel vier duizend bedevaartgangers zijn. Het lijkt op den trek van de Boeren naar de naastbijzijnde stad, om het avondmaal te gebruiken, waarbij ze ook op het plein tegenover de kerk hun kamp opsloegen.

Van Mokro, een aardig dorpje omstreeks drie uren rijden over een goeden weg van Palé, bezochten we te voet een zeer merkwaardige natuurlijke grot tusschen de heuvels, waaruit Serajewo in den zomer het grootste deel van het benoodigde ijs betrekt. In de warmste jaren was er daar altijd nog te vinden. Als gids hadden we een turkschen beg van voorname, oude bosnische familie, die door de regeering als boschwachter was aangesteld. De weg voert ook langs een houtzaagmolen, door water gedreven, en wordt daar niet meer dan een voetpad, dat met veel andere samenloopt door mooie weiden van lang dik gras, waar we door liepen met de lage beboschte heuvels om ons heen.

Een eind bezijden het pad gingen we ook nog de bron van de Miljacka zien, die te voorschijn komt uit een grot aan den voet van een steilen heuvel. We hadden over de steenen in de bedding van het riviertje te gaan, om den mond der grot te bereiken, waar men een eind ver in kan oploopen. Het water was heerlijk koel en de geelachtige kleur in de holten van de grot werd gitzwart dichtbij den ingang. Van dit punt hadden we een steilen klim tegen den met bosch begroeiden heuvel op, aan welks voet de Miljacka ontspringt. Uit het bosch kwamen we op een open plek tusschen reuzenpijnboomen, waar een hutje was gebouwd ten gebruike van de boeren, die het ijs vervoeren.

Als gids hadden we een Turkschen beg van voorname oude bosnische familie.
Als gids hadden we een Turkschen beg van voorname oude bosnische familie.

Als gids hadden we een Turkschen beg van voorname oude bosnische familie.

Een ruw pad voert naar den ingang der grot, die steil afdaalt in het diepste der aarde. Het pad was heel nat en glibberig van het druipwater van het uitgedragen ijs. Het licht werd flauwer en flauwer, en de atmosfeer kouder en kouder. Het was, of we waren neergedaald in een onderaardsche gevangenis, kil als een graf. Groote platen ijs kon men zien, dat de wanden bekleedden; maar het meeste was te krijgen uit een hol aan onze linkerhand, ingang tot een nog dieper schacht, die, naar onze gids vertelde, 300 voet naar beneden gaat en met ijs is gevuld.

Bij gelegenheid van ons bezoek was de ingang tot die schacht geblokkeerd door een massa steenpuin, dat door een hevigen storm van eenige dagen geleden daar was heengespoeld. We moesten ons tevreden stellen met naar beneden te gluren in den donkeren afgrond en keerden toen in de bovenlucht terug, een groot stuk ijs als een zegeteeken met ons mee dragend. Het werd in stukken gebroken en onder het rusten laafden we er ons mee, want de wandeling had ons dorstig gemaakt. Anderhalf uur brachten ons terug naar den molen, buitengewoon hongerig en bereid, om uitstekende eer te bewijzen aan een uitstekend maal, dat onze gastheer en zijn dochter er als bij een pic-nic heen hadden laten brengen. We waren om zoowat elf uur uit Mokro gegaan en we waren voor het donker te Palé terug. Daar er nog niet gemakkelijk een goed onderkomen te krijgen was in Palé, logeerden we namelijk bij den engelschen consul-generaal en zijn vrouw, die voor ons de gastvrijheid zelve waren.

Men kan ook aardige ritjes van Palé uit maken, vooral in Augustus, nadat de hooioogst heeft plaats gehad. Het hooi werd, naar wij opmerkten, niet in een enkelen grooten hoop bijeengebracht, maar in kleine hooioppers, die over de verschillende velden verspreid stonden. Dit leek ons geen al te best plan, maar weldra vernamen we de reden. Op een morgen leek het, of een der hooioppers zich bewoog. We wreven onze oogen uit en keken opnieuw. Ja, er was stellig beweging in. We gingen de zaak onderzoeken en vonden, dat een span ossen, die ervoor waren gespannen, den hoop voort trokken naar een hoek van het veld, waar andere hooibulten stonden. Daarheen moesten ze alle worden gereden, om van daar te worden opgeborgen in de schuren. Om dat vervoer te vergemakkelijken, worden de massa’s opgebouwd op een onderstel van takken, die stevig aan elkaar vastgebonden zijn, terwijl twee takken naar buiten uitsteken naar den kant, waarheen de hoop moet worden vervoerd. Ze kunnen dus ieder oogenblik voortgetrokken worden, door een span te plaatsen tusschen de naar voren komende takken.

Gedurende ons verblijf te Palé speelden we golf op geïmproviseerde “links”, die begonnen aan het smalle eind van het dal en liepen langs de hellingen van de lage heuvels eromheen. In het midden van het dal en in de onmiddellijke nabijheid van het dorp is er overvloed van open grond, waar golf, polo of tennis kan gespeeld of zelfs wedrennen zouden kunnen worden gehouden.

Ilidze, dat omstreeks drie kwartier per tram of trein van Serajewo is verwijderd, is het voornaamste gezondheidsoord en toeristencentrum van Bosnië. Het ligt in een mooie vlakte aan den voet van den berg Igman en op dezelfde hoogte als Serajewo. Het is de beschermelinge van de regeering, die in de laatste tien jaren groote sommen heeft uitgegeven, om de plaats aantrekkelijk te maken. De geneeskrachtige bronnen waren reeds aan de Romeinen bekend, en de beroemde heete zwavelbron geniet een groote reputatie als genezingbrengend bij verschillende ziekten, vooral bij rheumatiek. De temperatuur is 136 graden Fahrenheit. De kosten van de baden zijn uiterst matig. Het park is aardig aangelegd, en drie moderne hotels, van alle comfort voorzien en bestuurd met de speciale bedoeling, om aan de badgasten rust te verschaffen, staan in gemeenschap met een centraal restaurant door een overdekte gang. Een gang van dien aard leidt ook van het restaurant naar het station.

In den zomer staan de groote veranda van dit restaurant en het grasveld ervoor vol tafeltjes, waar den geheelen middag en avond bezoekers samenkomen, koffie drinken, dineeren en naar de muziek luisteren. Het zijn meest bezoekers uit Serajewo; ze brengen een paar uren er door en gaan dan weer naar huis.

Op de tennisvelden in het park zijn tot nu toe de jaarlijksche tenniswedstrijden van Bosnië gehouden. En ook de voornaamste wedrennen zijn er, waarbij zich in Juni groote menigten verzamelen, om het concours hippique bij te wonen. In het begin bood de plaatselijke regeering zeer aanzienlijke geldprijzen aan met het doel, bezoekers naar de streek te lokken, maar daar al de uitgeloofde prijzen door vreemdelingen werden gewonnen, die alleen voor die gelegenheid overkwamen, werd hieraan spoedig een eind gemaakt. Nu mogen alleen in Bosnië gefokte paarden of paarden van de militairen meedoen.

Toen schreef de regeering ook nog wedstrijden uit in het duivenschieten om geldprijzen. Dit werd opgegeven, naar ons werd verteld, omdat de Turken tegenwerpingen maakten. We konden dat haast niet begrijpen, want ofschoon de duif een heilige vogel is voor de Hindoes, is ze dat niet voor de Mohammedanen; maar het feit kan als een bewijs dienen voor den eerbied, dien men in Bosnië bewijst aan de vooroordeelen of inzichten van de mohammedaansche inboorlingen.

Turksche wijk op de helling van een berg.
Turksche wijk op de helling van een berg.

Turksche wijk op de helling van een berg.

Aan Ilidze is al te veel geld ten koste gelegd, dan dat men kan verwachten, dat het zijn rente zal opbrengen. Oostenrijkers kunnen kiezen tusschen veel badplaatsen dichter bij honk en willen niet zoo ver reizen voor hun badkuur. Dus wordt Ilidze weinig begunstigd, behalve door de plaatselijke bevolking.

Ofschoon we nooit te Ilidze hebben gelogeerd, gingen we er dikwijls per trein en per rijtuig heen en zagen al, wat er te zien viel, maar we hadden geen tijd, om er baden te nemen en we hadden ze ook niet noodig. Het land in de buurt was zeer aantrekkelijk, en in onze oogen interessanter dan Ilidze zelf. Er is een kleine modelboerderij dichtbij, een instelling van het plaatselijk bestuur, waar de zoons van boeren worden onderwezen, zoowel in de praktijk als in de theorie van het eenvoudige boeren- en veehoudersbedrijf. Het stelsel van onderwijs leek ons bijzonder geschikt, om aan de conservatieve en achterlijke boeren te leeren, hoe ze hun tegenwoordige ouderwetsche gewoonten van landbouw kunnen verbeteren.

Het doel, waarnaar gestreefd wordt, is den jongen boerenleerling op te voeden, zoodat hij een goede kleine landbouwer kan worden met eenige kennis van zuivelbereiding en kippenhouderij. Niets buitenissigs wordt onderwezen, noch iets, dat de eenvoudigste boerenhersenkas niet kan opnemen. Voor de leerlingen, die in de inrichting wonen, zijn eenvoudige vertrekken beschikbaar, een ziertje beter, dan die, waaraan de jongens gewend zijn. Zindelijkheid en gezondheid staan op den voorgrond. De boerenhoeve heeft verscheiden acres grond voor practisch onderwijs ter beschikking.

De melk, die op de hoeve gewonnen wordt, zendt men naar Ilidze en Serajewo en ze wordt daar verkocht evenals de andere voortbrengselen van het bedrijf, waardoor de kosten van de onderneming, die niet heel hoog kunnen zijn, worden bestreden. Het personeel bestaat uit den directeur van de hoeve en één of twee opzichters. Dergelijke instellingen zouden niet te onpas zijn in onze nieuw verkregen zuid-afrikaansche koloniën, waar slechts weinige van de boeren en kolonisten weten, wat ze uit den grond kunnen halen.

Tot nu toe hadden onze tochten in Bosnië zich bepaald tot de nabijheid van de spoorlijn of tot min of meer bekende wegen, maar nu besloten we, eenige toeren te doen in die gedeelten van Bosnië, die nog terra incognita zijn, ook voor den toerist van het continent.

Bosnië heeft zooveel natuurschoon en zooveel belangwekkende plekjes, dat de moeite lag in de rijke keus, waarheen te gaan. De voornaamste glorie van Bosnië zijn de prachtige bosschen en het aantal groote rivieren, die het land besproeien. Wij besloten daarom, eerst de woudpracht der Zelengorabergen te gaan zien en later een korte reis te maken langs de Drina stroomaf, als er voldoende water in de rivier was gekomen.

Open ruimte in een bosnisch dennenwoud.
Open ruimte in een bosnisch dennenwoud.

Open ruimte in een bosnisch dennenwoud.

Om tochten van dien aard te ondernemen in dit nog wat onontwikkelde land, moet men liefst op officiëele hulp kunnen rekenen. De vereischten zijn gidsen, transportpaarden met zadels en reistasschen en gelegenheid voor nachtverblijf. Wat dat laatste betreft, moet men wel hulp hebben van de officiëele personen, tenzij men tenten wil meenemen, want al bestaan er op sommige plaatsen herbergen, elders zijn de posten van de politie of de wachthuizen de eenige bewoonbare verblijven en om de vergunning te erlangen, er nachtverblijf te vragen, moet men een permissiekaart kunnen vertoonen.

Wanneer men van paarden of gidsen moet veranderen, kan men regeeringshulp ook noode ontberen. In ons geval vereenvoudigden we de zaak, door het zoo te schikken, dat we dezelfde paarden en denzelfden gids op de heele reis behielden. Wat de quaestie der zadels betreft, werd alle bezwaar overwonnen door de bereidwilligheid van het vrouwelijk element om op een heerenzadel te rijden. Het was haar eerste ervaring van deze manier van rijden, en het resultaat is geweest, dat voor vermoeiend werk van dien aard, waarbij er lange uren moet worden gereden over heuvelachtig en bergachtig terrein, ze haar sterk kan aanbevelen aan alle dames, die zulk een reis mochten ondernemen. Er zijn geen aparte rokken voor noodig. Een rok van wandellengte, die wat wijd is, met laarzen en slobkousen tot de knieën was de gewone dracht.

Behalve dat ze ons droegen, waren de paarden ook met onze bagage beladen, namelijk twee reistasschen, een paar turksche zadelzakken en een rol waterproofstof, een overjas en een paar parapluies.

Dat lijkt weinig voor twee personen, maar inderdaad was er meer, dan we noodig hadden. Een reiszak, eigenlijk zadelholster, werd geheel in beslag genomen door toiletartikelen en nachtgoed, één voor ieder van ons. De twee zakken van het turksche zadel hielden een compleet stel ondergoed in, dan de dagboeken, schrijfpapier, een spirituslamp, keteltje, methylalcohol, een flesch whisky, thee en een paar messen, vorken en lepels. In de dan nog aanwezige kokers hadden we wat draagbare eetwaar voor geval van nood, en aan den anderen kant een aantal benoodigdheden voor de camera’s, kaarten en touw. Elk van ons had bovendien een camera altijd over den schouder hangen.

We verlieten Palé den 17den Augustus en vertrokken van Serajewo den 18den, een gewichtigen dag daar en in geheel Oostenrijk, omdat het de verjaardag is van keizer Frans Jozef, en een dag, waarnaar de sportliefhebber met verlangen uitziet, daar dan de jacht weer wordt geopend.

Han of herberg in Bosnië.
Han of herberg in Bosnië.

Han of herberg in Bosnië.

De engelsche consul-generaal en zijn dochter zouden ons den volgenden dag onderweg ontmoeten, terwijl wij te paard reden en zij in het rijtuig zaten. De rijweg gaat om de renbaan van Ilidze en volgt den loop van de Zeljeznica. Het is een mooier weg dan het rijpad, dat wij volgden en dat ons eerst door een niet interessant land voerde langs enkele kleine dorpjes. Na een uur rijdens hielden we stil om te drinken, maar niet terwille van de arme paarden, want ofschoon het ruwe en vaak steile pad de dieren erg moet hebben ingespannen op zulk een warmen dag, weigerde Ibro, hun meester, beslist, hun zelfs maar een druppel water te geven. Gedurende de rustpoos gingen rijen beladen paarden voorbij, die hout of planken droegen. Een had een heel bosch van heele boomen te dragen, waarvan de bebladerde takken op den grond hingen, een leelijke cavalcade, om op een smallen weg te ontmoeten, vooral, als men een schrikachtig paardje bereed.

Er volgde een steile helling over een buitengewoon steenachtig pad. Dit was de oude turksche weg, en blijkbaar was er eens een poging gedaan, om hem te bestraten, maar daar was zoo goed als niets meer van te merken; de aarde was weggespoeld, en de naakte rots was overgebleven, scherp en puntig op sommige plaatsen, glad en vuil op andere en lastig voor de paardjes, om er staande te blijven.

Ibro, de gids, een groote, ruwe Mohammedaan, nam onze parapluies, deed ze open en bood ze ons aan. Daar de zon brandend heet was, werd die attentie door ons zeer gewaardeerd, maar niet door een van de paarden, die waarschijnlijk nooit zoo iets als een geopende parapluie vroeger had gezien en bij na op zijn hoofd ging staan van angst. Na de stijging kwam een daling. Afgestegen, en wandelend, kwamen we bij een hoek niet ver van een dorp drie turksche vrouwen tegen. Die dames hadden blijkbaar aan de winden des hemels vergund, haar damasten wangen te streelen, want ze meenden zich volkomen veilig voor de blikken van eenigen man. Zoodra ze ons in het vizier kregen, was er een haastig ophalen van doeken en sluiers, niet alleen over de gezichten, maar over het geheele hoofd. Toch was dat nog niet voldoende, om blijk te geven van haar zeer bijzondere zedigheid. De schoonen presenteerden ons haar ruggen, hoogst onbeleefd, en liepen ons in die houding voorbij, op zij gaande op de manier van de krabben!

De bazar te Foca.
De bazar te Foca.

De bazar te Foca.

Wat verder was er een han of herberg, waar Ibro, tuk op een verkwikking, stil had gehouden met de paarden. Driepootige stoeltjes waren naar buiten gebracht, en ook uitstekende zwarte koffie in kleine koperen koffiepotjes. De eigenaar van de herberg bracht met een trotsche houding ook een lepeltje te voorschijn, zijn eenig exemplaar, misschien een familiestuk, om de koffie mee om te roeren en leek zeer teleurgesteld, toen Ibro na een nauwkeurige inspectie het met minachting afsloeg en twee twijgjes van de haag brak, die voor het bedoelde gebruik moesten dienen.

Een bosnische begrafenis.
Een bosnische begrafenis.

Een bosnische begrafenis.

Al spoedig nadat we de han hadden verlaten, voerde het pad ons in een der prachtige beukenbosschen van Bosnië. Reuzenbeuken stonden als schildwachten aan elken kant van den weg, en waar hun gesloten gelederen niet geheel het zonlicht hadden afgesloten, filtreerden gouden lichtstrepen door het gebladerte en vielen over ons pad. Het was een verkwikkende afwisseling, toen we door het kale en steenachtige land reden.

Het werd intusschen laat en donker. In de diepte beneden in het dal lag de hoofdweg, die de Zeljeznica volgde. Die was zoo ver onder ons en de helling was zoo steil, dat we ons verwonderd afvroegen, of we wel ooit beneden zouden aankomen. Ons pad daalde nog niet, maar kronkelde steeds door altijd op dezelfde hoogte. Toen het donkerder werd, begon de weg al leelijker te worden; de paarden struikelden over steenen en brokken puin. Het waren slecht beslagen paarden, en één van hen scheen wat opvoeding te hebben genoten en toonde bewonderenswaardige eigenschappen; het was een oud dier, dat waarschijnlijk vele jaren lang zich overwerkt had, vaak te weinig eten had gehad en slecht verzorgd was geworden, maar toch was zijn ijver zoo groot, dat zweep noch sporen noodig waren, zoodat hij ver uitmuntte boven zijn stalgenoot.

De kamer, die voor ons gereserveerd was in den politiepost in Trnovo, was een groot, zindelijk vertrek, waar vier menschen konden logeeren. De slaapgelegenheid was een aangename verrassing voor ons, want men had ons gewaarschuwd, dat we geen weelde moesten verwachten, en in plaats van ongerief troffen we bedden en beddegoed in dit en andere politiehuizen, veel beter passend bij onzen engelschen smaak dan wat er in gemeubelde kamers van de hôtels in de steden beschikbaar is.

De matrassen in de politieposten waren gevuld met de bladen van maïs, die zoo gemakkelijk zijn, als een vermoeide reiziger maar wenschen kan. De kussens, het is waar, waren van de gewone reuzenafmeting, die in Oostenrijk gebruikelijk is, maar het waren niet de slappe dingen, die men u in pensions en hôtels geeft, waar het hoofd in wegzinkt en die aan beide zijden oprijzen, zoodat de slaper half gesmoord wordt. Ook vonden we tot onze blijdschap twee lakens op ieder bed, een om op te liggen en een om onder te kruipen, met een deken in plaats van het gewone zware dekbed. Dat laatste ding is een gruwel, die den Engelschman bijna wanhopig maakt. Niet gewend te liggen onder een gewicht van verscheiden ponden in den zomer, verwacht hij niet, als hij het lastige ding weggooit, daarmee tevens het laken te missen.

Wij kregen een licht avondeten een half uur na onze aankomst, sliepen goed en werden vroeg wakker voor een heerlijken dag. Des morgens maakten we kennis met den civielen bestuurder van de plaats, die ons vertelde, dat hij den oorlog van 1878 had meegemaakt en de gouden medaille voor dapperheid had verworven. Hij beklaagde zijn lot, dat hem zoo lang hier in dit afgelegen nest had gehouden, gescheiden van zijn vrouw en kinderen, die in Serajewo waren voor de opvoeding van het jonge geslacht. We trachtten hem te troosten, door erop te wijzen, dat dit het lot is van tal van engelsche officieren en ambtenaren in Indië.

Hij ging dien middag op de jacht met den eenigen metgezel in de plaats, den luitenant van het troepencontingent te Trnovo. Er viel, naar hij zei, goed te visschen in de Zeljeznica, als het water hoog genoeg was. In 1904 was het zeer laag ten gevolge van de buitengewone droogte.

Om de schoonheid van den weg zouden we over het Treskovicabergland gaan. Een gids te paard was toegevoegd aan ons gezelschap, opdat we geen oponthoud zouden hebben door de langzaamheid van een gids te voet. Maar om de na ons komenden gerust te stellen, kunnen we hier wel zeggen, dat dit een volkomen onnoodige fraaiigheid is, daar onze ruwe Mohammedaan Ibro op zijn platvoeten vlugger vooruit kwam dan de man te paard.

We vertrokken na tweeën in den namiddag. De bedding der Zeljeznica volgend enkele honderden meters ver, gingen we daarna het bosch op den berg binnen, waar de boomen zoo dicht bijeen stonden, dat we eigenlijk niets anders konden onderscheiden dan het pad, dat we bereden, en waar de paarden met moeite voorwaarts kwamen tusschen de steenen door, die ze dan aan dezen en dan aan genen kant van den weg trachtten te vermijden.

Het was inderdaad een afschuwelijk pad, dat voor het tweeledige doel diende van pad te moeten zijn en waterloop. De regenvloeden, die naar beneden waren gestort, hadden het midden zoo uitgehold, dat het een kloof was geworden van wel een voet diepte tusschen opstaande kanten. De bodem van die gleuf was niet breed genoeg, dat het paardje er zijn voeten kon zetten, en de schuinte was zoo afgerond en glad, dat het er moeilijk over kon. Ook had de werking van het water de aarde zoo volkomen weggespoeld, dat er overal spitse stukken rots voor den dag kwamen en wortels van boomen; daarbij was het pad zeer steil, zoodat het zwaar werk voor de paarden was, maar ze deden hun best.

De weg naar de schuilhut op den top is gemakkelijk te vinden, daar de Toeristenclub er veel aanwijzingen heeft laten aanbrengen op boomen en rotsen, roode en blauwe strepen, die den weg wijzen. Wie enkel naar den Treskovica wil, heeft daarom geen gids noodig. Plotseling traden wij uit de schaduw van het bosch op een kleine weide, zoo bestraald door de felle zon, dat het scheen, of een gouden paneel gelegd was tegen den donkeren fluweelen wand van de boomen. Het pad over de weide bracht ons naar den anderen kant van den berg, waar we het uitzicht hadden op het beboschte dal, aan welks overkant de Treskovica zich verhief. We waren nog niet veel meer dan halfweg.

Onze gids wees ons den top, waar de schuilhut was gebouwd en de ruimte tusschen die en den naasten top, waar de pas of nek was, dien wij over moesten. Het pad verdiepte zich in het woud, een bosch van beuken, oude, die verspreid stonden. Er was geen onderhout in de eeuwige schaduw, en ook geen gras of bloemen waren er te zien. Doode bladeren lagen er bij hoopen, en gevallen boomen kwamen ons telkens in den weg; ze waren soms over het pad gestort en daar ze te groot waren, om te worden verschoven, had men ze moeten doorzagen ter breedte van enkele voeten, zoodat aan weerszijden een stuk van den dooden reus lag.

Geen geluid verbrak de stilte; geen vogelgezang, geen bladergeritsel, geen watergemurmel, zelfs niet de klank van een koeklokje, want er was geen gras, om af te grazen. Stilte lag over een heele uitgestrektheid, een vreemde stilte, die de grootsche wouden van Bosnië kenmerkt, verhoogd nog door het lichte geruisch van het kraken van een twijgje of een dood blad, dat dadelijk wegstierf en geen echo naliet.

De natuur deed zich hier voor in grootsche pracht, de eerwaardigheid, die met den ouderdom gepaard gaat. De groote boomen, ten deele met mos bekleed, verhieven zich tot op groote hoogte kaal, zonder takken of bladeren tot in de kruin, en eerst toen we aan den voet van den pas waren gekomen, was het bosch ten einde. Het pad was dat ook, en we moesten nu over een steenachtigen grond klauteren in de blakende zon. Wij waren afgestegen en bevonden ons onmiddellijk onder de steile klippen, die den top van den Treskovica vormen. Terugziende op een groep van ruwe pijnboomen, konden we onzen weg nog onderscheiden en in de verte de witte stipjes herkennen, die Trnovo vormden.

Toen we weer opstegen, nam de gids de leiding en bracht ons vlug over een groote, grazige vlakte, door bergen ingesloten, volkomen vlak en zeer uitgestrekt. Dit is de plaats, waar duizenden stuks vee grazen. Maar dit jaar was er geen enkel dier op de weide; het gras was verbrand door de felle hitte en droogte. Aan het eind van het dal daalden we snel naar Kalinovik, waar we tegen duister kwamen. Het is geen mooi plaatsje, maar er waren belangwekkende oude graven, en de omgeving was bijzonder mooi. Een politieman kwam ons tegemoet en deelde ons mee, dat er kamers voor ons in de herberg gereed waren. We troffen het niet gelukkig in Kalinovik. De herberg was niet veel bijzonders, en daar er oostenrijksche troepen voor de manoeuvres in de buurt waren, moest de eigenares, om ons gezelschap te believen, haar eigen kamers verlaten, die wij al zeer primitief vonden.

Den volgenden morgen om zeven uur schudden onze paardjes het stof van Kalinovik van hun pooten, en over een ruw golvend plateau ging het omhoog. Door de wonderschoone natuur van een boschrijk rotslandschap reden we, tot we de uitloopers van het Zelengora-gebergte reeds te zien kregen, een prachtig gezicht. Tegen den middag bereikten wij het blokhuis van den politiepost van den Zelengora, waar twee aardige, zindelijke kamers voor ons gezelschap in gereedheid waren gebracht. Het lunch was zoo goed als een diner, want het bestond uit soep, schapevleesch, gevogelte, salade en zoetigheid. Jammer, dat het schapevleesch meer op caoutchouc leek dan op iets anders, wat wonderlijk leek bij al die vette weiden, maar wat is het geval? Schapevleesch wordt in Bosnië als armelui’s voedsel beschouwd en wordt nooit op de tafel der welgestelden gezien in hôtels of in particuliere woningen. Waarschijnlijk zijn daardoor de schapen niet zoo goed, en er worden geen pogingen gedaan, om het ras te verbeteren.

Na het lunch keken wij rond in den omtrek en bewonderden het Zelengora-district, dat zoo mooi is en nog zoo weinig bezocht wordt, zelfs niet door oostenrijksche toeristen. Wat engelsche bezoekers aangaat, waren wij denkelijk de eersten. Maar die toestand zal niet veranderen, zoo lang de toegang enkel langs een pad, als dat, wat wij gevolgd hadden, is opengesteld. De beste tijd, om erheen te gaan is van Mei tot het midden van Augustus, als alleen de gewone matige hoeveelheid regen valt, maar in het begin van September vallen zware regenbuien, en op de hoogte van den Zelengora zou die dan stellig in den vorm van sneeuw neerkomen, want de toppen van die bergketen zijn ongeveer 6000 voet hoog.

Serviërs ’s winters in de bazar.
Serviërs ’s winters in de bazar.

Serviërs ’s winters in de bazar.

Den volgenden morgen scheidden zich de wegen van den consul-generaal en van ons; onze vrienden gingen door Suka en het Sutjeskadal over de grens van de beschermde provincies naar Plevlje in het sandsjak Novibazar, dat onder turksch bestuur staat, ofschoon er ook oostenrijksche troepen liggen. Onze bestemming was de vroeger belangrijke stad Foca aan de mooie Drina, een der eerste steden van Bosnië, die in handen der Turken vielen.

Het was niet zeer vroeg meer, toen we vertrokken, zoo ongaarne zeiden we de bekoorlijke plek vaarwel tusschen de bergen en wouden van dien heerlijken Groenen Berg met zijn alpenlandschap en verrukkelijke lucht. Er was ons aangeraden over Ljubino te rijden, een politiepost op twee uren afstands, maar de oude Ibro, onze paardeknecht en gids, wist den weg niet, en dus gingen we den langeren weg naar Foca over Jelec, van waar een goede weg naar Foca leidt.

Het eerste eind was langs het pad van den vorigen dag. Het was half negen, toen we vertrokken. Hoewel wij den vorigen dag zoo prettig langs het riviertje stroomop hadden gereden, nu, in den vroegen morgen was het nog veel prettiger. De frissche morgenlucht, beladen met onvergelijkelijke woudgeuren, gaf er een grootere bekoring aan. Daar we nu afdaalden in de tegenovergestelde richting van gisteren, hadden we het eene prachtige uitzicht na het andere, die weer nieuw voor ons waren, en ook schaduw en licht waren totaal anders verdeeld. Het dalen ging al sneller, toen we Jelec naderden, dat in boomgaarden lag van pruimen en appels, peren en kersen.

We reden al dadelijk de eenige straat binnen van Jelec, dat in turksche tijden een plaats van eenige beteekenis was, beroemd om zijn handwerk van leder. Enkele jaren geleden werd er een leerfabriek opgericht, die het oude handwerk op den achtergrond bracht en ten slotte het zelf ook niet kon bolwerken. Maar hoewel Jelec een aangenamen indruk maakte, de weg, die nu volgde, deed dat niet. Van een weelderig bosch en een goed bebouwd land kwamen we nu in een kale, dorre streek, maar in meer bewoonde en bezochte oorden.

Omstreeks half twaalf gingen we lunchen in de schaduw van een brug, en toen we onze flesschen in het stroompje wilden vullen, riep een voorbijgaande Bosniër ons toe, dat er aan den oever wat hooger een bron was, waar het water ijskoud en kristalhelder was. Dat is een groot voordeel van het reizen in Bosnië, dat er overal water is. Het is een land van bronnen en langs ieder pad, elken weg is er voor den vermoeiden reiziger gezorgd. De bronnetjes zijn alle beveiligd voor bevuiling, en altijd is er een drinkbeker voor de menschen en een trog voor de dieren. Maar dit geldt alleen voor Bosnië, niet voor Herzegowina.

Wat de toerist ook vrij vaak aantreft langs den weg, is een der vele kleine turksche hans of herbergen, waar men uitstekende en verkwikkende zwarte koffie kan krijgen op ieder uur van den dag in kleine turksche koperen koffiepotjes, waar drie of vier kleine kopjes in gaan. Het geheel kost één stuiver, met de suiker erbij. Wij verlangden naar zoo’n ontmoeting, en werkelijk na twintig minuten, daar was er een. Ibro verdween in het huis, en wij dronken onze koffie buiten, terwijl de gids zich binnen aan een stevig maal te goed deed.

Verder ging de rit bergop en bergaf, tot we de oevers van de Drina bereikten, waar onze weg uitkwam op den Gorazda-Focaweg. Om half vijf waren we te Foca, gelegen op een schiereiland tusschen de Drina en de Gehotina, die hier in de Drina valt. Het oude stadje is echt turksch van aanzien door de bruggen, de muren, de huizen en de beroemde Aladze-moskee, een der beste voorbeelden van den turkschen bouwtrant in Bosnië en een der sierlijkste moskeeën van de vele, die wij hadden gezien.

Toen we onze vijf-uurskoffie dronken, verscheen een jonge man, die door den gouverneur was gezonden, om ons de stad te laten zien. Hij stelde voor, dat wij dadelijk met hem naar de tennisvelden zouden gaan, om aan de heeren en dames van Foca te worden voorgesteld. Wij wezen op onze verreisde kleeding en bedankten, geamuseerd bij het idee, dat hier scheen te bestaan, dat Engelschen zooveel van tennis houden, om terstond, als ze ergens komen, zich daarheen te spoeden. Meer interesseerde ons de bazar of Carsija, die breede straten had en soliede gebouwde winkels met roode pannen daken.

Serajewo onder de sneeuw.
Serajewo onder de sneeuw.

Serajewo onder de sneeuw.

Wij keerden naar Serajewo terug in September, verdreven uit Palé door den aanhoudenden regen. Op onze tochten in den omtrek stieten we telkens op herinneringen aan de Bogumilen of Bogomilen, de christelijke secte uit de tiende eeuw, die ook wel de Patareners wordt genoemd en tot in de vijftiende eeuw zich op het Balkan-schiereiland en vooral in Bosnië heeft uitgebreid. In het Lukavicadal, zeven mijlen van Serajewo verwijderd, vindt men den grootsten Bogumilengedenksteen, die in Bosnië nog aanwezig is. De weg erheen leidt langs het kerkhof der spaansche joden en gaat door vruchtbaar land, waar kleine boerenhoeven in het dal zijn verspreid. De groote gedenksteen was één van vele en was, als de meeste van die grafmonumenten uit de oudheid in Bosnië, van den weg af niet te zien en moeilijk te vinden. Het pad naar de graven was telkens afgebroken en soms met hekken afgezet. Ook werden de steenen nog door struikgewas voor het oog verborgen.

De grootste steen staat alleen en schijnt weinig beschadigd door den tijd of door de menschen; hij is het volmaaktste voorbeeld in Bosnië van een ongebeeldhouwden grafsteen van de Bogumilen. De rest van de steenen liggen verspreid tusschen de struiken. Het zijn groote blokken steen, zoo zwaar, dat men zich verwondert, hoe ze op hun plaats zijn gebracht. Er is weinig bekend van de secte, wier graven verstrooid liggen in afgelegen hoekjes van Bosnië en Herzegowina. De hoofden van de gemeente, die door priesters werden geregeerd, werden djetts of bisschoppen genoemd, die in macht met de lama’s schenen overeen te komen. Voor Engelschen en voor Protestanten in het algemeen hebben de secte en haar monumenten een bijzondere belangrijkheid, want men zegt, dat de Bogumilen in den tijd der vervolging over Ragusa en Genua naar West-Europa uitweken en dat hun niet strenge leer den grond heeft gelegd tot de hervorming of althans tot het geloof, waarvoor Huss werd verbrand en waarvoor de ongelukkige Albigenzen en Waldenzen van de aarde werden weggevaagd door de kerk van Rome.

Het was zeer koud, toen wij onze laatste toer in Bosnië maakten, en er was veel sneeuw gevallen, die op de bergen bleef liggen en die in de dalen en langs de wegen onder den invloed der zon in ijs overging. Een ongewoon natte October en een vroege winter, die al in November optrad, had veel van onze voorgenomen uitstapjes onmogelijk gemaakt. We bezochten nog een oud klooster, zagen bij die gelegenheid een prachtigen gebeeldhouwden Bogumilengrafsteen, maar besloten toen tot de thuisreis, Serajewo achterlatend onder de sneeuw.

Illustration from Op het Balkan-schiereiland De Aarde en haar Volken, 1909

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings