← Table of contents
Ons Vaderland van de vroegste tijden tot de 15de eeuw

Front matter (continued 3)

Reading edition

51.--Graaf Lodewijk van Male. Hij leefde in weelde en overvloed, hij maakte muziek met zijne minstreelen[34] of hield zich bezig met zijne vogels, honden en apen. «Ik houd het met den graaf» zei Ghysbrecht Mahu «hij is rijk en machtig. Hij zal mij aan zijn hof uitnoodigen, mij prachtige steekspelen en ridderfeesten laten bijwonen. Met vorsten en edellieden zal ik omgaan en mijne dochters, in zijde en fluweel gekleed, met peerlen en smaragden getooid, zullen uitblinken tusschen de meest schitterende vrouwen van Vlaanderen.» «Ik houd het met mijn volk» sprak Jan Yoens. «Ik wil lijden als het lijdt, arbeiden aan zijn welzijn, sterven voor zijne vrijheid.» En beide Gentenaars hielden woord. Lodewijk van Male gaf schitterende feesten en noodigde al de ridders van Brabant, van Holland, Henegouwen, Picardië[35], aan zijn hof. Te Gent woonden doorluchtige heeren en edele vrouwen. De graaf ontving die in zijne paleizen en op zijne kasteelen. De heeren droegen lange mantels, met bontwerk gevoerd, groote hoeden van beverhaar, gevlamde gordelriemen en schoenen met zilveren gespen. De vrouwen hadden scharlaken kleederen, versierd met edelgesteenen; zij droegen faliën van rood fluweel of van venetiaansche stoffen met goud of zilver doorweven. Jan Yoens en zijn volk arbeidden en leden, want zij waren het die de feesten des graven moesten betalen; te Gent deed de graaf eene belasting afkondigen, die hij wilde heffen, maar de inwoners verhieven de stem en verzetten zich tegen die onwettige afpersing. «De schattingen door 't volk opgebracht moeten niet dienen om kluchtspelers en potsenmakers te betalen,» sprak een hunner en al de andere poorters vereenigden zich met zijne weigering. Zeer verbitterd, begaf zich de graaf naar Brugge, waar hij hulpgeld aan de gemeente vroeg. «Ik zal u toelaten eene vaart te graven, waardoor gij de wateren der Leie kunt afvoeren,» beloofde hij, «die vaart kunt gij verbinden met de Reye, en het graan van Artois[36] zal niet langer naar Gent, maar naar Brugge worden gevoerd. De Gentenaars zullen het voorrecht verliezen, dat zij tot hiertoe hadden genoten. Het ijverzuchtige Brugge voldeed aan het verlangen van den graaf en weldra begaven zich vijfhonderd Brugsche werkers aan den arbeid om den loop der Leie te verleggen. De Gentenaars vernemen het gevaar, dat hunnen handel en hunne welvaart bedreigt, allen scharen zich rondom Yoens, hem smeekende, hen toch met zijne raadgevingen bij te staan. «Laten wij opstaan en strijden» sprak Yoens. «Als wij overwinnen zullen wij gewroken zijn en, als wij vallen, zullen onze kinderen den strijd voortzetten.» Dat elke nering de wapens opneme, en de stadsbannier volge, dat, bij het hooren der stormklok, ieder onder het vaandel zijner nering sta en dat God ons bescherme!» Weldra werd in Gent het gilde der Witte Kaproenen opgericht, aldus genaamd naar hun hoofddeksel. Zij trokken de Stad uit en dreven het werkvolk uiteen dat, tusschen Aalter en Knesselare, aan de nieuwe vaart arbeidde. In verraderlijke taal berichtte Mahu den graaf, hetgeen in Gent voorviel en, op zijn kasteel van Male gebood Lodewijk, dat men Jan Yoens en zijne helpers gevangen nemen en ze ter dood brengen zou. Maar de Gentenaars waakten; zij versloegen de lieden van den graaf en staken te Wondelgem zijn kasteel in brand. Jan Yoens, als hoofdman van Gent uitgeroepen, bezocht Dendermonde, Aalst, Deynze, Ninove, begaf zich naar Brugge en trad met den burgemeester en de hoofden der neringen in onderhandeling. Van Brugge reisde hij naar Damme. Eene maand tijds was hem genoeg geweest om in gansch Vlaanderen het gezag der gemeenten te herstellen; eene schoone toekomst lachte Yoens tegen, reeds waande hij Gent, waande hij Vlaanderen gered. Helaas! het noodlot of ... zijne vijanden achtervolgden hem. Op het onverwachts, onmiddellijk na een gastmaal, dat hij bijwoonde, werd Yoens ongesteld en voelde zijn einde naderen. Zijne vrienden legden hem op eene draagbaar om hem naar Gent terug te brengen, doch Yoens stierf onderweg. Langzaam bereikte de treurige stoet de diepbeproefde stad; de geestelijkheid kwam het lijk van den hoofdman te gemoet en het dankbare Gent begroef Yoens met zulke groote plechtigheden, als ware hij Vlaanderens graaf geweest. De verraders zegepraalden; Mahu won de gunst van den graaf, maar die gunst was tijdelijk, terwijl, zes eeuwen na zijnen dood, Jan Yoens immer voort leeft in de harten van het dankbare nageslacht.

52.--Philips Van Artevelde. Het was in het jaar 1382. In de benedenkamer zijner woning, eenzaam, bij het vallen van den avond, zat een rijzig man in diepe gedachten verzonken. Die man was Filips, zoon van Jakob Van Artevelde. Hij dacht aan zijne vaderstad, aan het eens zoo machtige, thans zoo ongelukkige Gent. Plotseling treft geraas en dof gemompel het oor van Filips. Het was alsof eene groote volksmenigte zich voor de deur verzamelde. Filips opent een venster en ziet honderden poorters en ambachtslieden voor zijn huis vergaderd. Welk was hunne bedoeling? Op aller gelaat staat diepe verslagenheid, ellende, gebrek te lezen. De klopper bonst op de deur. Filips opent en voor hem staat het bestuur der stad, dat hij zich haast binnen te noodigen en eenvoudig, doch roerend luidt de aanspraak van den eersten schepen: "Ser Filips, onze stad bezwijkt, zij is belegerd en hongersnood bedreigt ons. De Wijze Man is niet meer daar om ons te redden ... zal de zoon minder vaderlandlievend zijn dan de vader? Op u hebben wij onze laatste hoop gevestigd, Ser Filips, wij plaatsen Gent onder uwe bescherming." Filips Van Artevelde was diep ontroerd. Een oogenblik verrees het bloedig lijk van zijnen vader voor zijne oogen. Wat zou hij doen? Zich wreken over geleden onrecht of, groot van ziel, zich opofferen voor het welzijn zijner stadgenooten? "Wat mijn vader deed en nog zou doen indien hij kon herleven, zal ik zijn zoon, voor u beproeven," sprak hij vastberaden. "Gaat tot het Gentsche volk en zegt dat ik hun, heden nog, op de Vrijdagsmarkt, mijne plannen zal blootleggen." Het bestuur vertrok en even daarna steeg uit de opeengedrongen volksmassa een ontzaglijke jubelkreet: «Heil! Ser Filips, heil!» galmde het door de straten der stad. Onmiddellijk zette Artevelde zich aan den arbeid. Hij kocht al het graan op, dat zich in de abdijen en bij rijke poorters bevond en deed het aan het volk uitdeelen. Maar dit was onvoldoende; de hongersnood breidde zich uit en meer dan duizend menschen bevonden zich weldra zonder brood. Filips verliet de stad en toog naar Doornik, waar hij met den graaf onderhandelde, maar deze stelde zulke onmogelijke eischen, dat het Gentsehe volk besloot liever tot den laatsten man te sterven, dan zich daaraan te onderwerpen. Filips wist de Gentsche poorters met een heilig vuur te bezielen: «Vrij of dood» riepen zij uit en meer dan vijfduizend wapenknechten, al die nog kracht genoeg bezaten om eene bijl of een zwaard te dragen, verlieten in 't geheim de stad en begaven zich op weg naar Brugge, waarheen de graaf zich begeven had. Deze echter, verwittigd zijnde, keerde terug, en werd handgemeen met de Gentenaars, op de heide van Beverhout. Na lang en hardnekkig worstelen werden de benden des graven uiteengedreven en de Gentenaars behaalden eene schitterende overwinning. De graaf ontsnapte slechts bij toeval. De Gentenaars achtervolgden hem tot in de straten van Brugge, waar een arm vrouwtje hem op haar zolderkamertje verborg. 's Anderendaags gelukte het Lodewijk van Male vermomd uit Brugge te ontvluchten. Hij begaf zich naar Frankrijk en verzocht hulp tegen zijne onderdanen. Alle steden trokken partij voor de Gentenaars. In November 1382 deed de ontelbare Fransche legermacht met den veertienjarigen koning Karel VI aan het hoofd, een inval in ons land. Yperen gaf zich over, hetgeen Filips Van Artevelde, die Oudenaarde belegerde, noodzaakte haastig naar West-Vlaanderen op te rukken om den vijand den weg naar Brugge te versperren. De twee legers ontmoetten elkander te West-Rozebeke; een ongelooflijk vertrouwen op den uitslag bezielde Artevelde, maar de slag viel niet uit, zooals hij het had voorspeld. Nooit leden de Vlamingen zulk een bloedige nederlaag; duizenden gemeentemannen, waaronder ook Filips Van Artevelde, vonden den dood op het slagveld. Trots de slagen van het noodlot bleef aan Gent nog levenskracht genoeg over om den strijd voort te zetten. Eerst in 1386 werd de vrede geteekend. BLADWIJZER 1. De Hut in 't Woud 2. Oud België 3. Langs Poel en Plas 4. Bij de Menapiërs 5. Aan den Voet van den Reuzeneik 6. Verovering van ons Land door de Romeinen 7. Twee Eeuwen later 8. De Romeinsche Overheersching 9. De Romeinsche Villa 10. Invallen der Barbaren 11. Een Frankische Knaap 12. De Franken 13. Grimbald en Bertolf 14. De Salische Wet 15. Van een Koning en eene Prinses 16. Hlodwig en Clotildis 17. Amandus 18. Sint-Bavo 19. Het Wandelend Woud 20. De Zonen van Hlodwig 21. Van een armen kleinen Zanger en een grooten Keizer 22. Karel de Groote 23. Renier en Albrade 24. Invallen der Noormannen 25. Anneken Soete, de kleine Herderin 26. De Graven van Vlaanderen 27. Een Sprookje 28. Het Slot van Bouillon 29. De boetvaardige Zondaar 30. De Kruistochten 31. Twee Vluchtelingen 32. Koophandel en Nijverheid 33. Eene Klokkenvertelling 34. De Gemeenten 35. Kapitein Lorenzo en zijne Reis naar Brugge 36. Brugge 37. Een Dichter 38. Jakob van Maerlant 39. Een Verhaal van Lijden en Tranen 40. Innerlijke Twisten in de Gemeenten 41. Eene Voorspelling 42. Het Prins-Bisdom Luik 43. Broeder en Zuster 44. Jan I en het hertogdom Brabant 45. Twee Vorstinnen 46. Strijd der Gemeenten tegen den Koning van Frankrijk 47. Hongersnood 48. Jakob Van Artevelde, de Wijze Man van Gent 49. Broedermoord 50. Dood van Jakob Van Artevelde 51. Graaf Lodewijk van Male 52. Filips Van Artevelde VOORNAAMSTE GERAADPLEEGDE WERKEN. BORMANS S. Le bon métier des Tanneurs de l'ancienne cité de Liège. DE GERLACHE G. Histoire de Liège depuis César jusqu'à Maximilien de Bavière. DEMAREZ G. Les luttes sociales en Flandre au XIIIe et XIVe siècles. FRIS V. Vlaanderens vrijmaking in 1302. HOTTON J. James and Philip van Arteveld. HYMANS L. Histoire populaire de Belgique. JONCKBLOET. Geschiedenis der Nederlandsche Letterkunde. KURTH. Histoire poétique des Mérovingiens. Id. Clovis. Id. La frontière linguistique. Id. Les origines de la ville de Liège LÜBKE W. Grundriss der Kunstgeschichte. MONE F. Übersicht der Niederländischen Volks-Literatur älterer Zeiten. NAMÈCHE. Histoire nationale. PIRENNE H. Histoire de Belgique. Id. Histoire du meurtre de Charles le Bon. STALLAERT K. Geschiedenis van Hertog Jan den Eersten van Brabant en zijn tijdvak. TEN BRINK H. Geschiedenis der Nederlandsche Letterkunde. THONISSEN. La loi salique. VANDERKINDERE L. De Eeuw der Artevelden VAN LENNEP. Onze Voorouders. WAUTERS A. Les libertés communales. Id. Le duc Jan I et le Brabant. NOTEN:

[Noot 1: Herinnert u, dat de Romeinen van Rome kwamen; in krijgskunde zeer bedreven waren, en dat de toen bekende wereld hun toebehoorde.]

[Noot 2: Hoofdman of centurio, die bevel voert over honderd soldaten.]

[Noot 3: Scherpe, platte lans.]

[Noot 4: Zware bijl.]

[Noot 5: Hemel.]

[Noot 6: Hem, heem, heim beteekent woonplaats, erf.]

[Noot 7: Salische komt van Sala (Ysel), rivier in Nederland, dus wet van de Franken die woonden aan den oever van de Ysel.]

[Noot 8: Germaansche volksstam, die zich in Oost-Gallië had gevestigd.]

[Noot 9: Oude naam van het Zuidelijk gedeelte van Gallië.]

[Noot 10: Austrasië of oostelijke landstreek, tusschen Rijn en Schelde.]

[Noot 11: Neustrië of westelijke landstreek, ten westen der Schelde en der Boven-Maas.]

[Noot 12: Thans Braine s/la Vesle, bij Soissons, in Frankrijk.]

[Noot 13: De Friezen, woonden langs de kusten der zee aan de monding van den Weser, tot aan die van de Schelde. Evenals de Saksers waren zij gedurig in oorlog met de Franken.]

[Noot 14: Aldus geheeten naar Merwig, voorvader van Hlodwig.]

[Noot 15: Centgraaf, die rechterlijk toezicht had over honderd vrije huisgezinnen (oud Germaansch recht).]

[Noot 16: Thans St Amand bij Valencijn in het Noorden van Frankrijk.]

[Noot 17: Men beweert, dat hij te Luik of in de omstreken geboren werd in 742.]

[Noot 18: Runen = rechtlijnige letters der Noordsche volkeren.]

[Noot 19: Heden eene Fransche stad.]

[Noot 20: Damespaardje.]

[Noot 21: Een maliënkolder of hemd; eene soort van hemd of harnas, uit maliën of ijzeren ringetjes gemaakt.]

[Noot 22: Naam waarmede de Arabieren, in Spanje in Frankrijk en aan de noordwestkust van Afrika benoemd werden.]

[Noot 23: Palestina, Syrië (West-Azië).]

[Noot 24: Hardnekkige, slepende huidziekte, die tegenwoordig in Europa zelden voorkomt.]

[Noot 25: Sanderus, Flandria illustrata, Keulen. 1641.]

[Noot 26: Addio = vaarwel.]

[Noot 27: Handelsvereeniging.]

[Noot 28: Deze steden maakten geruimen tijd deel van het prins-bisdom Luik, dat dus vroeger uitgestrekter was dan onze hedendaagsche provincie Luik.]

[Noot 29: Henri Martin.]

[Noot 30: De eersten onder de poorters bij uitnemendheid.]

[Noot 31: Een voormalig koninkrijk in Spanje.]

[Noot 32: Zie Jacob van Artevelde.--Hendrik Conscience.]

[Noot 33: Langs moederlijke zijde was hij kleinzoon van Philippe le Bel terwijl Filips VI enkel de neef was van den overleden koning.]

[Noot 34: Middeleeuwsche muzikanten of speelmannen.]

[Noot 35: Oude provincie in het Noorden van Frankrijk.]

[Noot 36: Weleer eene noordwestelijke provincie en een der korenschuren van Frankrijk.]

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings