← Table of contents
Ons Vaderland van de vroegste tijden tot de 15de eeuw

Front matter (continued 2)

Reading edition

28.--Het Slot van Bouillon. Laten wij handelen als zoovele toeristen en een bezoek brengen aan het geduchte slot. Wij moeten 235 meter klimmen en eerst na een vrij lastigen tocht bereiken wij de slotpoort, waar wij aankloppen. De bewaker opent de poort en leidt ons, over de binnenplaats, naar het eigenlijke slot, dat wij met hem in al zijne bijzonderheden leeren kennen. Nu eens bevinden wij ons in een killen, duisteren gang, dalen daarna in diepe kelders, tot in een onderaardsch gewelf, waar geen zonnestraal kan doordringen en ijzeren ringen in den dikken muur zijn aangebracht. Onze geleider zegt ons, dat men hier krijgsgevangenen, ook wel misdadigers heenvoerde, en dat zij, die er binnentraden, nimmermeer het zonnelicht aanschouwden. Eene rilling doorloopt onze leden en zuchtend verlaten wij de sombere plaats, waar vroeger zooveel werd geweend en geleden en waar heden nog de voetstappen der bezoekers zoo akelig weerklinken. Wij klimmen den wenteltrap op en bereiken den toren, waar wij, door een eng schietgat naar beneden staren. Wel zijn we verbazend hoog geklommen; de Semois schijnt een kronkelend lintje en de huisjes der stad zijn zoo klein, dat zij uit eene speelgoeddoos schijnen te komen. Onwillekeurig vergelijken wij de sombere plaats met een hooggelegen arendsnest, waaruit zich de roofvogel op zijne levende prooi laat nedervallen. Wij dalen de trap af, hier en daar nog een blik werpend op de dikke muren en in de menigvuldige schietgaten. Eindelijk opent onze geleider de zware poort en wij zijn blij, dat we het sombere gebouw verlaten, de blauwe lucht aanschouwen en de warmte der koesterende zonnestralen genieten. Het kasteel van Bouillon is het eenige niet, dat een bezoek waard is. Te Gent, werden de bouwvallen van het oude Gravensteen onlangs hersteld en aan de oevers der Maas en hare bijrivieren, treft men, meestal op hooge bergen en steile rotsen, bouwvallen aan van Middeleeuwsche burchten, waar norsche ridders woonden, waarvan sommigen naar het voorbeeld der Noormannen, van plundering en roof leefden of met elkander gedurig twistten en oorloogden. Meer dan eens werden, om nietige redenen, onze heden zoo bloeiende provinciën te vuur en te zwaard verwoest. Het kwaad was zoo erg, dat de graaf van Vlaanderen, de bisschop van Luik en andere groote leenheeren den «Godsvrede» invoerden, waarbij het verboden werd te strijden tusschen den Woensdag avond en den Maandag morgen, verder gedurende den Advent, de Vasten, enz. In 1082 stelden de prins bisschop van Luik en andere vorsten een vredegerecht in, waar ieder, die de Godsvrede durfde verstoren, tot strenge straffen werd veroordeeld. Ongelukkig werd dit vredegerecht niet altijd gehandhaafd. In het voorbijgaan moet ik u ook herinneren wat gij vroeger leerdet, namelijk dat Neder-Lotharingen of Lotherrijk de landstreek tusschen Schelde en Rijn, heette. Zij bevatte: 1° Het hertogdom Brabant, dat zich in het hartje van ons land en in Nederland tot aan de Maas uitstrekte; 2° Het graafschap Henegouwen; 3° het graafschap Namen; 4° het graafschap Luxemburg; 5° het hertogdom Limburg; 6° het prinsbisdom Luik. De keizers van Germanië aan wie zij in werkelijkheid toebehoorden, oefenden er nooit grooten invloed op uit; de leenheeren waren machtiger dan zij, daarbij was Germanië zeer groot en, onze provinciën vormden als het ware een weinig belangrijk uithoekje van een uitgestrekt grondgebied.

29.--De Boetvaardige Zondaar. Op de Reye te Brugge woonde in de tweede helft der XIe eeuw een wisselaar, die belangrijke zaken deed, zoowel met de kooplieden zijner stad als met die van het buitenland. Jacob, zoo heette hij, was eerlijk en zeer werkzaam, maar de rijkdommen, welke hij vergaarde, maakten hem zelfzuchtig en zóó hoogmoedig, dat hij met minachting nederzag op lieden van geringen stand. Hij had eene zuster, die weduwe was, met een kind, een zoontje dat zij in liefde en deugd trachtte groot te brengen. Met haar rijken broeder kwam zij zelden of nooit in aanraking; zij wist, dat hij zich schaamde over zijne zuster, die armoedig was gekleed en dicht bij den Burcht een schamel zolderkamertje bewoonde, waar armoede en ziekte haar heel onverwacht kwamen bezoeken. Koud en duister was de maand December ingevallen; lange ijskegels hingen aan de houten gevels der huizen en in de grachten lagen de schepen vast in het ijs. De arme weduwe werd al zieker en zieker, zij had hout noch brood en in den uitersten nood dacht zij aan haar rijken broeder. «Johannes,» sprak zij tot haar zoontje, «begeef u naar oom op de Reye en zeg hem hoe diep ongelukkig wij zijn.» Johannes vertrok en bereikte weldra het huis van den wisselaar. Warm en sierlijk gekleed zat deze met twee vrienden in zijne rijke woonkamer, bij het flikkerend haardvuur, doch het schamele knaapje zag hij met toornigen blik aan. «Heer oom,» stotterde de kleine, moeder zendt mij tot u, «wij hebben brood noch vuur en zijn diep ongelukkig.» «Elk zorge voor zich zelven» luidde het norsche antwoord. «Moeder is ziek» vervolgde de knaap. «Maak dat ge wegkomt,» antwoordde de wreedaard, die verstoord was, omdat de in lompen gehulde knaap hem in tegenwoordigheid zijner rijke vrienden «heer oom» had genoemd. De knaap verliet de woning en keerde naar moeder terug, op het akelige zolderkamertje. Twee dagen lang vroos het zoo geweldig, dat de vogeltjes dood bleven. De arme weduwe en haar zoontje leden verschrikkelijk en, op den derden dag verspreidde zich eene akelige mare door de stad. Dicht bij den burcht, op een zolderkamertje, waren eene weduwe en haar zoontje van koude en honger gestorven. Toen de rijke wisselaar de ontzettende tijding vernam, rilde hij over zijn gansch lichaam, hij meende, te sterven van berouw en schaamte, maar hij herstelde zich. Hij zou leven, zéér lang leven om zijn wraakroepend misdrijf te boeten. Wroeging verteerde zijn hart en belette hem te slapen. Niet zelden doolde hij met gebogen hoofd door de straten der stad en, toen het voorjaar aanbrak, verkocht hij zijn huis, borg zijn goud in eene lederen tasch en verliet Brugge. Waarheen? Hij zelf wist het niet; het weder was frisch en de vogels zongen, maar Jakob ging verder, altijd verder, tot zijne voeten waren doorgeloopen en hij uitgeput, aan den zoom van een mastbosch nederstortte. Toen de dag aanbrak stond hij op, trok door het bosch en bevond zich weldra aan den voet van een kruisbeeld, dat, door eene vrome hand, op deze eenzame plaats was opgericht. Jakob zonk op de knieën, doch bidden kon hij niet. Krampachtig vouwde hij de handen en, stroomen van tranen vloeiden over zijne heete wangen. Eensklaps voelde hij eene bevende hand op zijnen schouder, terwijl eene zachte stem sprak: «Gij weent, arme vreemdeling, zeg mij, kan ik u soms troosten?» Jakob hief het hoofd op. Een eerbiedwaardige grijsaard, met witten baard, in een donker, lang boetkleed, stond voor hem. «Ik ben diep ongelukkig» snikte de zondaar, maar de grijsaard nam hem bij de hand en leidde hem naar eene houten kluis. «Wie gij ook zijn moogt,» welk leed u ook het hart verscheurt, deel het mij mede,» sprak de kluizenaar, «ik zal u troosten, u opbeuren, u raad geven.» Zijne stem was zoo roerend en zacht, zijne woorden waren zóo verkwikkend, dat zij den berouwhebbenden misdadiger, als hemeldauw in het hart vielen. Met gebogen hoofd, snikkend, zuchtend, bekende Jakob zijne schuld en, toen zijne biecht was geëindigd, bleef de grijsaard geruimen tijd in diepe gedachten verzonken. Eindelijk sprak hij, op treurigen, ernstigen toon: «Uwe zelfzucht, uwe verwaandheid hebben uwe arme zuster en haar zoontje gedood, voortaan zult gij u geheel en al aan het welzijn van anderen wijden.» «Hoe kan ik zulks doen?» vroeg de door smart gefolterde zwerver en de grijsaard antwoordde: «Dagelijks vertrekken uit stad en dorp honderden Christenen naar het verre Oosten. Aan de ongeloovigen hebben zij den oorlog verklaard en zullen niet rusten, voor zij de zege behalen. Volg de kruisvaarders, mijn zoon, onderweg zult gij ze spijzen, laven, kleeden, in een woord, helpen waar gij helpen kunt, troosten waar het noodig zal zijn.» * * * * * Nog verscheidene weken bleef Jakob bij den kluizenaar. Deze had in zijne jeugd, de reis naar het Heilige land[23] gemaakt, hij gaf zijnen gast allerlei nuttige raadgevingen en zond hem eindelijk naar Brussel, bij eenige zijner vrienden, vrome monniken, die zich voorstelden, het Christen leger te vergezellen, niet als strijders, maar als verplegers van zieken en gewonden.

Illustration from Ons Vaderland van de vroegste tijden tot de 15de eeuw

[De Kruistochten.] Deze brave menschen ontvingen met liefde den boetvaardigen zondaar en vol hoop en vertrouwen, voegden zij zich bij de legerscharen, die langs den Rijn en den Donau, over Konstantinopel en door Syrië, Jerusalem wenschten te bereiken. Thans begon voor Jakob en zijne nieuwe vrienden een leven van opoffering en ontbering. De tocht duurde maanden en maanden, niet zelden ontbrak het den kruisvaarders aan levensmiddelen en aan drinkwater. Hoe nader zij aan het einddoel hunner reis waren, hoe grooter hun lijden werd. Brandende hitte, besmettelijke ziekten, vermoeienis doodden duizenden kruisvaarders. Niet zelden waren de inwoners der streken, die zij doortrokken, den reizigers vijandig en, zoodra zij in Azië aanlandden, verdubbelden de moeilijkheden. Dank aan zijn krachtig gestel, bood Jakob weerstand aan ziekte en vermoeienis; dag en nacht was hij op de been; de pijlen des vijands schrikten hem niet af en de akelige slagvelden betrad hij zonder vrees. Eindelijk, na een zwaar beleg en eene bloedige bestorming, werd Jeruzalem ingenomen. Jakob woonde soms gruwelijke slachtingen bij; maar hij nam daaraan geen deel, hij verzorgde de gekwetste strijders en begroef de dooden. Na de inneming van Jeruzalem keerden talrijke kruisvaarders naar hun vaderland terug, doch Jakob bleef in Palestina om zich te volmaken in de heel-en geneeskunde, die er veel meer gevorderd waren dan in zijne geboortestreek. Toen hij, na zeven jaar naar hier terug keerde, vertoefde hij in verschillende steden, waar hij, als ziekenverpleger, aan de bevolking groote diensten bewees.

Illustration from Ons Vaderland van de vroegste tijden tot de 15de eeuw

[Lijder aan melaatschheid.[24]] De vrome kluizenaar was reeds lang overleden.

30.--De Kruistochten. Alhoewel de wegen slecht en onveilig waren, ondernamen onze voorouders niet zelden verre bedevaarten: naar Tours in Frankrijk, naar Rome in Italië, naar Jeruzalem in Azië. Maar toen de Turken laatstgenoemde stad bezaten, stonden de Christenen er aan mishandelingen bloot. Ook vreesden de volkeren van Westelijk Europa, met reden, dat bovengenoemde Turken zich weldra van de stad Konstantinopel meester maken en verder ons werelddeel zouden bedreigen. Om dit te beletten ondernamen zij krijgstochten, die men «Kruistochten» noemt, want het schijnt, dat zij die er aan deel namen als herkenningsteeken een kruis van roode stof op hunnen schouder of hunne borst naaiden. De kruisvaarders waren: edellieden, die alvorens te vertrekken, hunne goederen aan kloosters of kerken afstonden, of hun slot, hunne velden, hunne wouden verkochten om wapens te koopen en krijgslieden aan te werven; ook wel monniken, die naar de eeuwige zaligheid trachtten; kooplieden, ambachtslieden, naar vrijheid snakkende lijfeigenen, berouwhebbende zondaars. De held van den eersten kruistocht was Godfried van Bouillon, hertog van Lotharingen, een volmaakt ridder, bedreven in alle krijgsverrichtingen, gehard tegen vermoeienis, verstandig, welsprekend, kalm, zedig en geduldig. Ten einde deel te kunnen nemen aan den verren tocht, verkocht hij zijn slot van Bouillon aan den bisschop van Luik en liet toe, dat de inwoners van Metz, wier heer hij was, hunne stad vrij kochten. Hij geleidde de kruisvaarders door Duitschland, Hongarije en bereikte met hen de stad Konstantinopel, waar zich Robrecht, graaf van Vlaanderen, Boudewijn van Henegouwen en talrijke edellieden, die over zee gekomen waren, bij het Christenleger voegden en naar Azië overstaken. In de geschiedenis van Jakob, den boetvaardigen zondaar, verhaalden wij van het lijden en strijden der kruisvaarders in Azië. Wij mogen echter niet vergeten er bij te voegen, dat Godfried boven alle andere ridders er blijken gaf van wijsheid, moed en beleid. Met algemeene toestemming werd hij tot koning van Jeruzalem uitgeroepen, doch hij weigerde «eene gouden kroon te dragen, waar Jezus-Christus eene doornen kroon had gedragen; hij aanvaardde enkel den titel van Beschermer van het Heilig Graf.» Hij voerde het leenstelsel in Palestina in; verdeelde het land in groote leenen, die hij aan de voornaamste ridders schonk, en vaardigde werken en bevelen uit, die men Assisen of Grondwetten van Jeruzalem noemt. Het volgend jaar reeds, in 1100, stierf Godfried van Bouillon. Later onderscheidde zich Boudewijn, Graaf van Vlaanderen en Henegouwen, in den vierden kruistocht.

Illustration from Ons Vaderland van de vroegste tijden tot de 15de eeuw

[Kruisvaarder der XIIIe eeuw.] Men noemt hem, in de geschiedenis, niet zelden Boudewijn van Konstantinopel, en ziehier waarom. In de lente van het jaar 1202 trok hij met talrijke ridders de Alpen over en ging scheep te Venetië, maar in plaats van rechtstreeks naar Palestina te varen, zeilde hij met de christenvloot naar Konstantinopel. Deze stad werd ingenomen door de kruisvaarders en Boudewijn tot keizer uitgeroepen. Hij onderscheidde zich als krijgsman en stierf in eenen oorlog tegen de Bulgaren.

31.--Twee Vluchtelingen. Jan en Klaas waren hoorigen van den heer van Gaver, in Vlaanderen. Zij telden nauwelijks zestien jaar en Jan hoedde de zwijnen zijns meesters, terwijl Klaas arbeidde aan den heirweg, dien de heer deed leggen van af zijn slot, over de heuvels, naar eene naburige heerlijkheid, erfdeel van zijne vrouw. Beide jongelingen leidden een hoogst ellendig leven. Zij waren slecht gevoed en gekleed en kenden van heel de mooie, wijde wereld, niets dan hunne armoedige hut en het slot van hunnen heer. «Willen wij vluchten» sprak op zekeren lentenmorgen Klaas tot zijnen vriend, en op zijn bevestigend antwoord, verlieten zij hunne geboorteplaats en gingen door bosch en brem tot aan den oever der Schelde, langswaar zij de naburige stad Gent hoopten te bereiken. «In steden» zei Klaas, «zijn de menschen gelukkiger, vrijer, en hangen er niet af van de willekeur van een gestrengen heer.» «Laten wij verder gaan, altijd verder,» antwoordde Jan en stapte moedig voort aan de zijde van zijnen vriend. Een schip, geladen met Doorniksche steenen voer langzaam op het water voorbij; twee mannen hadden moeite om het voort te trekken. «Schipper, mogen wij helpen» vroeg Jan en toen hij een bevestigend antwoord ontving, lieten de knapen zich in het gareel spannen en trokken er duchtig op los. Na een paar uren liet de schipper hun brood, kaas en bier voorzetten, waarna zij weder lustig den arbeid hernamen. Te Gent was er veel drukte; schepen werden geladen en ontladen, koopwaren gekocht en verkocht. Op de marktplaatsen durfden de jongens zich niet wagen, omdat zij vreesden herkend te worden, maar, van den schipper vernomen hebbende, dat hij naar Brugge moest, vroegen zij tot in deze stad in zijnen dienst te mogen blijven. Hij stemde er in toe, maar weldra moesten de knapen hunnen weldoener verlaten, want van Brugge voer hij terug naar Gent en vandaar voorbij Gaver en Oudenaarde naar Doornik om eene nieuwe lading. Onderweg echter had de brave schipper de twee vluchtelingen leeren waardeeren. Zij hadden hem hun droevig lot kenbaar gemaakt en door zijne voorspraak, vonden zij te Brugge werk bij reizende kooplieden, die zich maar de jaarmarkt van Thorhout begaven. Die jaarmarkt was toen de voornaamste van het land; op de wegen, die er henen leidden, ontmoette men rijtuigen en reizigers uit verschillende streken, alsook zware wagens, door zes paarden getrokken en beladen met laken, leder, wapens, koperen en tinnen vaatwerk, wijn, bier en wat al meer. De jaarmarkt te Thorhout duurde verscheidene weken; zij werd niet alleen door Vlamingen bezocht, maar ook door Walen, Franschen, Duitschers, Italianen. Honderden koopers verdrongen zich tusschen de tenten; potsenmakers en kermisvolk vertoonden er allerlei kunsten en grappen, bedelaars riepen de weldadigheid in der aanwezigen. Aangenaam en helaas, al te spoedig vlogen dagen en weken voorbij ... de kooplieden verlieten de stad en Klaas en Jan bevonden zich weldra zonder werk of brood, verlaten, alleen op de wereld. Hoeveel moeite zij zich ook gaven, te Thorhout vonden zij geene bezigheid. Zij verlieten de stad, doolden over heiden en in sparrebosschen, bedelden van dorp tot dorp. Nu eens hoedden zij de kudden van eenen schapenfokker, dan hielpen zij de landbouwers bij het maaien en oogsten. De arme jongens sliepen op stroo in de schuren, brachten ettelijke nachten onder den blooten hemel door en ... de zomer snelde voorbij. November bracht wind en koude regenvlagen over het land en in December vroos het zoo erg, dat rivieren en waterplassen met eene dikke ijskorst bedekt werden. * * * * * Al bedelend bereikten Jan en Klaas de stad Yperen. In dien tijd was deze alom vermaard om haren rijkdom, haren handel en de vlijt harer inwoners. «Hier komen wij aan het einde van al ons lijden» sprak Klaas en trok met zijn jongen vriend moedig en opgeruimd een der stadspoorten van Yperen binnen. Wel was zij de bloeiende stad, die de arme jongelingen zich hadden voorgespiegeld; in hare voorsteden, in ontelbare nauwe straten, arbeidden honderden wevers, volders, ververs. Overal klapperden de weefgetouwen, op de uitgestrekte marktplaats verdrongen zich koopers en vèrkoopers, in de weidsche hallen lagen de koopwaren tot bergen opgestapeld. Maar Jan en Klaas vonden niet wat zij zochten. Overal werden de arme jongens, met hunne vermagerde trekken, hunne havelooze kleederen, zonder genade afgewezen. Op zekeren kouden namiddag hadden zij in de prachtige St-Maartenskerk gebeden, gerust en geweend. Maar de avond viel, de kerk moest gesloten worden en, zonder schuilplaats voor den nacht, doolden de twee vrienden door de straten. Tegen middernacht verborgen zij zich in het somberste hoekje van het groote kerkportaal. Spookachtig vielen de koude stralen der maan op de spitse gevels der houten huizen, die in dien tijd nog algemeen met stroo waren gedekt. Slapen konden Klaas noch Jan; de steenen waren zoo koud en de wind blies zoo akelig. Beide jongelingen vouwden de handen tot een laatste gebed en hieven de doffe oogen ten hemel ... maar, wat was dat? Eene vlam kronkelde zich aan den gevel der houten huizen, een schrikwekkende gloed verhelderde den duisteren nacht. «Brand! brand!» gilden Klaas en Jan, terwijl zij naar de bedreigde woningen snelden, er aanklopten en de bewoners uit hunne nachtrust wekten. Weldra was elkeen op de been, ladders werden aangebracht, ontelbare emmers water op de vlam gegoten, maar ... deze vermeerderde, werd een vuurgloed, die dreigend, machtig, zich verder uitstrekte. Akelig kermden vrouwen en kinders; in sombere wanhoop trachtten de mannen hun goed, hunne kostbaarheden, hunne kleederen te redden. De brandklok klepte, hulpbiedende poorters kwamen toegesneld.... «Wie redt Liesbeth, mijn kleindochtertje!» kreet als uitzinnig van smart, een grijsaard, zeer rijk koopman, wiens huis door de vlammen was aangestast. Niemand antwoordde, terwijl steeds luider en luider, de klachten van den grootvader weerklonken. Twee edele harten echter voelden medelijden met den armen man: «Jan, willen wij het wagen,» fluisterde Klaas zijnen vriend toe en: «Tot den dood volg ik u» luidde het korte doch zielroerende antwoord van den armen hoorige. Een ijzeren ladder werd aangebracht en tegen den gevel van het huis geplaatst. Klaas beklom die het eerst, en vlug als eene boschkat, volgde hem zijn vriend. Beiden verdwenen in het brandend huis. Een ... twee ... drie ... vier stonden, als uren zóó lang, gingen voorbij en beneden in de straat, jammerde een bevende grijsaard, woelde eene anstige volksmenigte. Goddank! daar verscheen de wakkere Klaas, de kleine Liesbeth in de armen. Jan volgde hem, een ijzeren kistje op den rug, dat vergeten was en waarschijnlijk goud of kostbaarheden bevatte. Beiden daalden de ijzeren ladder af; de menigte verdrong zich om de moedige knapen, de beangste vader zegende hen als de redders van zijn kleinkind. De koopman nam intrek bij zijne zuster, die aan de andere zijde der stad woonde. Hij verzocht Klaas en Jan hem daarheen te volgen, want hij wilde zijne belofte houden en de redders van zijn kleindochtertje rijkelijk beloonen, «Wie zijt gij? Van waar komt gij en wat kan ik voor u doen?» sprak hij tot de knapen. Zij bogen het hoofd en zuchtten. «Spreekt vrienden,» vervolgde de koopman, «hebt vertrouwen in mij, want ik verlang niets dan uw welzijn.» Nu vertelde Jan, die de tranen in de oogen kreeg, wat er met zijn vriend en hem het laatste jaar was gebeurd; hij sprak van hunnen zucht naar arbeid en vrijheid, van hunne vlucht, van den schipper, van Thorhout, van den langen, bangen zwerftocht door stad en dorp, over heide en bosch. De rijke koopman weende. «Gij blijft bij mij, sprak hij, ik zal voor u zorgen.» Intusschen had hij het zeer druk; zijn huis moest hij doen opbouwen en zijne uitgebreide zaken nazien. Klaas en Jan bleven in zijnen dienst; de eerste hielp de metselaars, want het afgebrande, houten huis werd door een steenen woning vervangen; de tweede deed boodschappen voor den koopman, die handel in laken dreef en aan talrijke wevers der stad arbeid verschafte. Twee jaar later, toen de ramp volledig was hersteld, riep de dankbare heer de jongelingen tot zich en vroeg hun, welke plannen zij voor de toekomst vormden. Klaas wenschte metselaar, Jan wolwever te worden. De koopman keurde dit besluit goed en deed Klaas bij eenen metselaar, Jan bij eenen wolwever in de leer. Zijn edel werk werd met goeden uitslag bekroond. De jongelingen onderscheidden zich door ijver en werkzaamheid en de brave man had het geluk zijne beschermelingen waardige poorters der stad Yperen te zien worden.

32.--Koophandel en Nijverheid. Wie heeft bij het lezen van het voorgaande verhaal niet gezeid, dat het lot der arme hoorigen niet zelden beklagenswaardig was? Evenals Jan en Klaas verlieten vele dezer lieden het platte land om elders een waardiger en rustiger bestaan te zoeken. De eerste mensch, die aan onze jonge vrienden de behulpzame hand reikte, was een schipper; want reeds in de Xde en XIde eeuw werden de waterwegen in ons land druk bevaren; hout, schors, steenen, graan, wol, vlas, wijn, vervoerde men op de Yperlee, den Yzer, de Lei, de Schelde, de Durme, de Dijle, de Maas en den Rijn; plaatsen, die aan den oever van eene rivier, aan eenen inham van het water, aan de samenvloeiing van twee bevaarbare rivieren gelegen waren, trokken de bevolking tot zich.

Illustration from Ons Vaderland van de vroegste tijden tot de 15de eeuw

[Schip der XIIe eeuw.] Aldus zien wij, dat onze vrienden het dorp Gaver vluchtten, Gent en Brugge bezochten. Vroeger leerden wij, dat deze twee plaatsen reeds in de Xde en XIde eeuw zeer belangrijk waren, doch hoewel er reeds talrijke handelaars en ambachtslieden woonden, trof men er als in de steden van onzen tijd geene schitterende winkels, groote magazijnen of fabrieken aan; de ambachtslieden werkten tehuis en de voortbrengselen van hunnen arbeid werden niet zelden ter markt verkocht. Geruimen tijd was de voornaamste jaarmarkt van ons land, die van Thorhout, waar Klaas en Jan eenige weken doorbrachten. De kooplieden, allen goed gewapend, reisden in troepen of karavanen, want de wegen waren onveilig, struikroovers talrijk en sommige edellieden schaamden zich niet de karavanen aan te randen, ze tol te doen betalen, aan de reizigers goud, juweelen, paarlen te ontstelen en de kooplieden of hunne dienaars te dooden.

Illustration from Ons Vaderland van de vroegste tijden tot de 15de eeuw

[Wagen der XIIIe eeuw.] De graven van Vlaanderen, de bisschoppen van Luik trachtten die misbruiken uit te roeien; roovers, al waren het ook edellieden werden gevangen genomen en--naar de gebruiken van dien tijd,--met den dood gestraft. Nu werd ons land rustig, de wegen werden veilig en de handel bloeide. Fransche en Duitsche wijnen werden hier aangebracht, verkocht of naar Engeland verzonden, en hetzelfde gebeurde met de specerijen der Italiaansche kooplieden. Keeren wij echter tot ons verhaal terug. Van Thorhout begaven zich onze twee vrienden naar Yperen. In 1073 telde deze stad reeds twee groote kerken en duizenden inwoners. Evenals te Brugge en te Gent was de lakenhandel er zeer belangrijk. De beschermer van Jan en Klaas was koopman in laken en de man was zóó rijk dat, toen zijn houten huis was afgebrand, hij zich eene steenen woning kon doen bouwen, hetgeen in dien tijd zeker geene kleinigheid was. In die lang vervlogen eeuwen was het uitoefenen der ambachten niet vrij. Zoo bij voorbeeld moest men om leder te mogen maken noodzakelijk tot de nering der huidevetters behooren; de leden van het ambacht der smeden alléén mochten ijzer bewerken en, om het truweel te hanteeren, moest men tot de metselaarsnering behooren. Om in een ambacht opgenomen te worden als gezel moest men 21 jaar oud zijn, den katholieken godsdienst belijden en gedurende verscheidene jaren bij eenen baas of meester gewerkt hebben. Om baas of meester te worden moest men alweer gedurende lange jaren arbeiden en een meesterstuk vervaardigen. De werkuren waren voor elk ambacht bepaald, niemand mocht tegen verminderden prijs of buiten den gestelden tijd arbeiden. Gemeenlijk bewoonden de ambachtslieden, die een zelfde bedrijf uitoefenden, dezelfde straat of wijk der stad, vandaar de namen van Ketelvest, Huidevettershoek, Kalanderstraat, enz. De koopwaren werden eerst door overheden gekeurd, deze stelden er den prijs van vast, daarna werden zij uitgestald op de openbare markten of in groote gebouwen, Hallen geheeten. De hallen van Yperen vormen een der schoonste gebouwen van ons land. Elke koopman had daar zijne afgepaste en genummerde plaats, waar zijn toog of kraam stond, maar het was streng verboden de koopers te roepen, en vooral hen te bedriegen. In vele steden: Yperen, Gent, Brugge was de nering der lakenhandelaars, zooniet de voornaamste, dan toch een der voornaamste. Vlaamsch laken was zoo degelijk en schoon, dat men het overal in Europa, zelfs tot in Azië verkocht.

33.--Eene Klokkenvertelling. Op zekeren avond, vergastte ons grootmoeder op de volgende vertelling: «Elk jaar, op Witten Donderdag, zegt men, verlaten de klokken der torens hunne hooge verblijfplaatsen, om naar Rome te vliegen en er den zegen van den Paus te ontvangen. Op den avond vóór Paschen keeren zij naar huis terug, onderweg gekleurde eieren strooiende als geschenk aan de brave kinderen van hun vaderland. Op zekeren Goeden Vrijdag van het jaar 1250 reisden hoog, zeer hoog in de lucht, drie klokken naast elkander. «Ik behoor tot eene abdij, sprak de oudste en bewoon het zonnige Zuiden; sedert honderd jaar roep ik de vrome abten tot het gebed of tot den arbeid. Op feestdagen laat ik mijne stem helder en frisch door de lucht weergalmen, en van tijd tot tijd melden mijne trage, treurige klanken aan de menschen, dat een hunner broeders het tijdelijke met het eeuwige heeft verwisseld.» «En ik, sprak de tweede klok, kom uit een trotschen, dreigenden burcht, die zich op eene hooge rots, aan den linkeroever van den Rijn verheft. Mijn heer en meester is een krijgsman, een hertog, wien honderden hoorigen gehoorzamen. Hij erfde den toren, mijne verblijfplaats, en den burcht, die er zich onder bevindt, van zijne voorouders, die, evenals hij, roemrijke krijgslieden waren. Zijn overgrootvader ontving van den keizer brieven van adeldom; mijn meester erfde die en bewaart ze in den toren, daarbij bezit hij een zegel, een blazoen en eene kostbare wapenrusting. Woeste aanvallen van wreede krijgslieden heb ik in mijn slot beleefd, roemrijke steekspelen heb ik er bijgewoond.» «En gij» sprak de klok tot de derde reisgenoote, die, ofschoon veel grooter dan de twee andere nog steeds een bescheiden stilzwijgen had bewaard «vanwaar komt gij en hoe is uw naam?» En donderend, zoodat berg en dal er van dreunden, klonk het eensklaps uit den bronzen mond der reizende klok: "Roelandt, Roelandt, als ick kleppe, dan ist brandt. Als ick luy, dan ist storm in Vlaenderlandt."[25] Verschrikt stoven de twee klokken op zijde, maar de aangesprokene vervolgde: «Vreest niet, vriendinnen, want alhoewel heden groot en machtig, ben ik van nederigen oorsprong. Ik werd niet in het leven geroepen door een machtigen hertog, maar door noeste werkers, ambachtslieden, die mij liefhebben als het licht hunner oogen. Als woonplaats bouwden zij mij tusschen hunne houten en steenen woningen, een hoogen, slanken toren, versierd met een koperen, glinsterenden draak, zinnebeeld der vrijheid. Dien toren noemen wij het Belfort.» «Bij ons, aan den voet van den burcht, ondernemen de hoorigen niets zonder de toestemming van hunnen heer» sprak de klok uit de Rijnlanden. «Wij zijn niet meer aan den grond verbonden, wij mogen naar goeddunken koopen en verkoopen, reizen en handel drijven, goederen bezitten, er vrij over beschikken en een anders goed erven. In stede van cijnsbaar te wezen naar willekeur des heeren, betalen wij eerst dan buitengewone belastingen en schattingen als wij er vrijelijk in toegestemd hebben. Wij benoemen zelven onze meesters.»--«Staat dat alles wel geschreven,» onderbrak de klok uit den burcht, op ongeloovigen toon? «Zonder twijfel, hernam de fiere Roelandt, en dat nog wel op perkamenten, die wij bewaren in ijzeren koffers met verscheidene sloten, in de geheimkamer van het Belfort. Die perkamenten noemen wij keuren, handvesten, charters, voorrechten. Wij ontvingen of kochten die van onzen vorst, die gezworen heeft, ze te zullen eerbiedigen.» «Zijt gij rijk,» sprak de klok der abdij? «Voorzeker, antwoordde Roelandt, en wij hebben eene kas, waarin wij onze penningen bewaren, een zegel, eene banier. Onze rijkdommen echter hebben wij niet bekomen door deelname aan roemrijke veldtochten, maar door arbeid, vlijt en volharding.» «Dat alles is heel schoon en goed, antwoordde de klok uit de Rijnlanden, maar, indien gij enkel voor arbeid leeft, wat doet gij dan, als gij met uwen heer in onmin geraakt, als vijanden u aanranden, als gewapende benden uwe schatten, uwe woningen, uwe vrouwen en kinderen bedreigen?» «Stel u gerust, wij vormen onder elkander, broederschappen of gilden, wier leden zich oefenen in het hanteeren van hand-, kruis-, voetboog en andere wapenen. Zoodra ons eenig gevaar bedreigt, luid en roep ik uit al mijne macht; de poorters verlaten hunne bezigheden, loopen te wapen, scharen zich rondom onze banier en verweeren zich dapper tegen den vijand.» «Is uwe verblijfplaats, evenals de burcht van mijnen heer, door muren, poorten, torens of diepe grachten omgeven?» «Dat is zij, sprak de machtige Roelandt, maar, hoe stevig die muren, hoe zwaar die poorten, hoe hoog die torens ook zijn, ik beheersch ze alle en de landlieden, die uren ver, in den omtrek op den harden grond zwoegen, begroeten het Belfort als het zinnebeeld der vrijheid.» «Bezit gij ten uwent ook bedehuizen en zijt gij den Godsdienst verkleefd?» vroeg de klok der abdij, die zich tot hiertoe heel weinig in het gesprek had gemengd. «Wij bezitten heerlijke kerken, antwoordde Roelandt, schier alle zijn juweelen van kunst en goeden smaak; daarbij heeft elke onzer neringen, haren patroon, hare kapel, haren bijzonderen feest-of heiligdag. Zie, vriendin, ik wenschte wel dat gij ten onzent een godsdienstigen ommegang kondet bijwonen. Al onze neringen, en wij tellen er meer dan vijftig, onze gilden met vlaggen, wimpels, banieren, nemen er deel aan, en zich tot de klok uit de Rijnlanden wendend, vervolgde zij: «Ook de graven van Vlaanderen vereeren wij op dergelijke wijze.» «Als zij van een roemrijken veldtocht wederkeeren» vroeg de klok? «Neen, neen, als zij hunne intrede doen in hunne goede stad, als wij hun de sleutels der poorten aanbieden, als edellieden, poorters, ambachtslieden hun te gemoet gaan en....» «Gij eerbiedig en gedwee voor uwen wettigen vorst nederbuigt?» vroeg de klok der abdij. «Neen, dat niet, vervolgde Roelandt, als wij den plechtigen eed aanhooren, die onze heer bij dergelijke gelegenheden zweert: Onze duurgekochte vrijheden te handhaven en te eerbiedigen.» «Dat moet schoon en plechtig wezen, zuchtte de klok der Rijnlanden. Het spijt mij, vriendin, zulk een feest niet te kunnen bijwonen; maar ik zal in mijn vaderland verkonden, fiere Roelandt, wat gij mij hebt medegedeeld; alle volkeren hebben er belang bij te weten, wat het vrije Vlaanderen tot stand heeft gebracht.» De klokken namen afscheid van elkander. Roelandt vloog naar hare geboorteplaats en ter gelegenheid van het Paaschfeest, als duizenden poorters in feestgewaad, zich aan den voet van het Belfort in de schilderachtige straten verdrongen, als, in de prachtige bedehuizen in gouden vaten, de wierook walmde en dankgebeden ten hemel stegen, zong zij hoog in den machtigen toren: "Roelandt, Roelandt, als ick kleppe, dan ist brandt. "Als ick luy, dan ist storm in Vlaenderlandt!"

34.--De Gemeenten. Roelandt, de groote, machtige klok werd gegoten in het begin der XIVde eeuw en eenige jaren later gehangen in het Belfort van Gent. Met rechtmatige fierheid mocht zij zeggen, dat zij, uit hare hooge verblijfplaats, op eene schoone en bloeiende landstreek, op eene werkzame en vrijheidslievende bevolking nederzag, want, in de XIIIde en XIVde eeuw hadden onze voorouders, door groote vlijt, inspanning en taai geduld, het vroeger zoo barre Vlaanderen tot den tuin van België gemaakt, woeste heiden, droge zandvlakten, kille moerassen hadden zij in weiden en velden herschapen, ontelbare kanalen gegraven en dijken aangelegd, terwijl zij, in hunne dichtbewoonde steden, leder, wol, hennep, vlas, hout, koper, ijzer, steen bewerkten. In dien tijd was Gent reeds geklommen tot den rang van gemeente, en, onze lezers, die de klokkenvertelling met eenige aandacht lazen, zullen spoedig vinden waarom. Ten einde hunne nasporingen gemakkelijk en het onthouden ervan mogelijk te maken, zullen wij het vroeger geleerde aldus samenvatten: De steden hadden het recht zelven hare zaken te besturen, zij kozen hare stedelijke magistraten, onderhielden een leger. Elke stad was ommuurd, bezat een belfort, eene groote klok, en had net als de edellieden een blazoen en een zegel. Jegens den heer had de stad zekere verplichtingen; zij moest hem behulpzaam zijn bij de verdediging van den grond, bij het uitoefenen van het gerecht en hem in sommige gevallen met geld bijstaan. De steden die dergelijke voorrechten verkregen, noemde men gemeenten. De poorters bezaten: 1° de persoonlijke vrijheid, 2° staatkundige rechten en 3° roemrijke zinnebeelden hunner onafhankelijkheid. In de Middeleeuwen waren in ons land talrijke gemeenten en sommige waren zeer oud, doch vele perkamenten, keuren, voorrechten zijn in den loop der eeuwen verloren gegaan. Met zekerheid echter weet men, dat Boudewijn VI, graaf van Henegouwen en Vlaanderen, reeds in 1068 aan de gemeente Geeraardsbergen eene vermaarde keure gaf, die verklaarde dat, al wie zich in de stad vestigde, geen hoorige, maar vrije zou wezen. Zij verleende daarenboven aan de inwoners nog talrijke andere voorrechten. Waren de groote leenheeren wellicht vrienden en beschermers der gemeenten? Eenigen verdienden wel dien naam, daarom ook schrijven wij hem hier dankbaar neer. Filips van Elzaten, graaf van Vlaanderen, breidde de voorrechten uit, die Gent, Brugge, Veurne, Oudenaarde reeds bezaten en gaf nieuwe keuren aan Damme, Aalst, Duinkerken. Meest al deze keuren zijn in het Dietsch of Nederlandsen opgesteld. Filips begunstigde den handel, liet verscheidene vaarten graven en bekwam van Duitschlands keizer, talrijke voorrechten voor de Vlaamsche kooplieden, die op den Rijn, handel dreven. Boudewijn van Konstantinopel, dezelfde, die zich in de kruistochten onderscheidde, schonk talrijke voorrechten aan de gemeenten en zijne dochters Johanna en Margaretha volgden het voorbeeld van haren vader. Ook in Luik en Brabant leefden vorsten, die de ontwikkeling der gemeenten bevorderden. In verdere verhalen zullen wij ze leeren kennen, want eerst moeten wij, naar aanleiding van de Klokkenvertelling, nog eenige opmerkingen maken. De machtige Roelandt zeide niet zonder reden, dat de landlieden uren ver in den omtrek, met liefde het hooge Belfort begroetten. Hoe rijker de steden werden, hoe hooger het cijfer der bevolking klom, hoe grooter ook hunne behoeften waren en hoe bloeiender de veeteelt en de landbouw moesten worden.

Illustration from Ons Vaderland van de vroegste tijden tot de 15de eeuw

[Gentsche Poorter (Steenen beeld).] Ten einde de bevolking van het platte land te beletten zich meer en meer naar de steden te begeven, waren de heeren verplicht aan hunne hoorigen vrijheden te schenken, zoodat het leven der landlieden aanmerkelijk beterde en de meeste dorpen werden ontvoogd. De gemeentevrijheden van ons land werden in den vreemde hooggeschat; de wetten en gebruiken van eenige onzer steden werden «voorbeelden» voor de Fransche steden, terwijl de invloed der Vlaamsche en Brabantsche gemeenten zich in Zeeland en Holland gelden deed.

35.--Kapitein Lorenzo en zijne reis naar Brugge. Op een morgen der maand April verliet een groot koopvaardijschip de haven van Venetië in Italië. De saamgestroomde menigte zond het als afscheidsgroet een aanmoedigend «addio»[26] achterna en het scheepsvolk beantwoordde dien groet, zoo lang en zoo ver het maar kon. De zuiderzon goot hare milde stralen over de kabbelende golfjes der blauwe zee, witte meeuwen scheerden de oppervlakte van het heldere water en langzaam, zeer langzaam voer eene kleine gondel uit de haven naar de stad terug. In die gondel zaten eene oude dame en een jong meisje, wier rijke kleederdracht genoegzaam aanduidde, dat zij tot eene voorname familie behoorden. De oude dame hield het hoofd gebogen en wischte van tijd tot tijd met een kanten doek de tranen af, die langzaam over hare wangen vloeiden. Ook de jonge dame scheen geweend te hebben, doch zij deed zich geweld aan om hare tranen te bedwingen en sprak met zoete, streelende stem: «Troost u, lieve moeder, onze Lorenzo volbracht reeds zoovele reizen op zee! Telkenmale keerde hij ongehinderd tot zijne moeder en zuster terug.» «Tot hiertoe voer Lorenzo enkel op de Middellandsche zee, heden onderneemt hij eene reis naar het verre Noorden, die reis schrikt mij af, Lenora, zij zal lang duren, want in de afgelegen streken, die Lorenzo bezoeken zal, is de winter streng en mistig, hevige orkanen woeden er op den Oceaan, zij beletten de schepen naar huis terug te keeren en ik ben oud en ziekelijk, wie weet of ik Lorenzo nog zal wederzien.» Lorenzo was de kapitein van het groote koopvaardijschip, dat zoo juist Venetië had verlaten om de havens der Noord-en Oostzee te bezoeken; Lenora was zijne zuster, Dona Maria zijne moeder. «De tijd vliegt zoo spoedig voorbij, troostte Lenora, alle dagen moeder, zullen wij bidden voor den afwezige, heel dikwerf zullen wij ter kerke gaan, aalmoezen uitreiken aan de arme lieden, zieken bezoeken, bedroefden vertroosten en intusschen met moed en betrouwen, Lorenzo's terugkomst verbeiden.» Dona Maria schudde het hoofd, veegde nogmaals hare tranen af en, daar beide dames hare woning genaderd waren, stapten zij aan wal. Helaas ... dagen, weken, maanden vervlogen en het groote Venetiaansche schip, met den jongen, moedigen kapitein Lorenzo keerde niet weder. Elken dag, 's morgens, 's avonds begaven Dona Maria en hare dochter zich naar de haven, hopende op de terugkomst van haren lieveling, doch zij vernamen enkel onrustwekkende tijdingen. Bruingebrande zeelieden verhaalden van hevige stormen, die de kusten van Spanje, van Frankrijk, van Vlaanderen teisterden, van Italiaansche schepen, die door de golven verzwolgen of door stranddieven waren geplunderd, maar van kapitein Lorenzo, van het groote Venetiaansche schip wisten zij niets ... niets. Het nieuwe jaar brak aan, de lentebloemen ontloken en verwelkten, de zomer kwam in het land en moeder en dochter verloren hare laatste hoop, toen, op zekeren namiddag der maand Augustus eene blijde mare zich door de stad verspreidde; het langvermiste schip was de haven binnengeloopen, kapitein Lorenzo en zijne manschappen waren in leven, weldra zouden zij aan wal stappen en vrienden en magen begroeten. Dona Maria en Lenora weenden van ontroering, en, o zalige stond! Lorenzo, de langverbeide zoon, de teergeliefde broeder zag zijne moeder en zuster terug. Angst en lijden werden vergeten om plaats te maken voor de vreugde van het blijde wederzien. Lorenzo wist zooveel te vertellen over de reis, die zoo lang geduurd en zoo vol afwisseling was geweest. Drie weken lang waren wind en weder het groote koopvaardijschip gunstig geweest, maar, na dien tijd werd het, in de wateren van de golf van Gasconje en in die van het Kanaal herhaaldelijk door hevige stormen overvallen, zoodat het averij leed, herstellingen noodig had eer het de eigenlijke plaats zijner bestemming, de groote handelsstad Brugge bereikte. Hier had het schip zijne lading afgezet, maar, daar het schoone jaargetijde voorbij was, moesten kapitein Lorenzo en de bemanning te Brugge overwinteren, om zich eerst in de lente weer op zee te begeven. Op zijne reis had kapitein Lorenzo vele wonderlijke zaken ontmoet, volkrijke steden, heerlijke gebouwen, schilderachtige kleederdrachten aanschouwd, het liefst echter sprak hij over Brugge, de rijke fiere stad, die hij als de meeste zijner landgenooten, het Venetië van het Noorden noemde.

36.--Brugge. Brugge, zeide Lorenzo, had heerlijke straten met fraaie gebouwen en schilderachtige huizen, waarvan vele op het water zagen. Die stad telde prachtige bedehuizen, fiere torenspitsen en duizenden inwoners. Zij was door een kanaal verbonden met de naburige stad Damme, die, door eene golf met de Noordzee in verbinding stond. Brugge, dat ongeveer halverwege tusschen de straat van Gibraltar en de Baltische zee gelegen was, ontving koopwaren uit Brittanje, Noorwegen, Denemarken, Zweden, Rusland, Hongarije, Duitschland, Frankrijk, Spanje, Portugal, Italië, Konstantinopel Jeruzalem, Egypte. Het Noorden zond er hout, leder, pelterijen, gedroogde visch; Brittanje, wol, lood, tin; het Oosten, goud en zilver; Duitschland, graan, ijzer, wijn; Frankrijk, wijn en zout; de Zuiderlanden, gedroogde vruchten, zijde, kwikzilver; Afrika en Azië, suiker, peper, en andere specerijen, artsenijplanten, rijst, katoen, aluin; Italië bracht er zijden en fluweelen stoffen, juweelen, schoone wapens.

Illustration from Ons Vaderland van de vroegste tijden tot de 15de eeuw

[Hanzeschip der XIVe eeuw.] Te Brugge zeilden honderden schepen de haven binnen. In die stad werden de eerste verzekeringsmaatschappijen opgericht; de naam «beurs» is te Brugge ontstaan. De hanze[27] van Londen werd door Bruggenaars gesticht en door Bruggenaars bestuurd. Wisselbrieven waren al vroeg te Brugge bekend. De burgemeester der stad was eene aanzienlijke persoonlijkheid, die met vorsten briefwisseling hield. De overheid deinsde voor geene opoffering terug om den bloei der stad te bevestigen. Brugge bezat eene groote loskraan, consulaten, geplaveide straten, riolen, eene heerlijke waterleiding, badplaatsen of stoven; er woonden ook verscheidene geneesheeren. De haven en het kanaal van Damme waren goed onderhouden; de groote sluis dezer laatste stad was een bewonderenswaardig werk, evenals de overwelving der Reye, die in een dok veranderd was. Alle wijken der stad waren voorzien van drinkwater, dat in rood koperen buizen vloeide; er bestonden openbare pompen en fonteinen. De Brugsche ambachtslieden en kunstenaars vervaardigden allerlei nuttige en mooie voorwerpen en om zijne woorden door bewijzen te staven, liet kapitein Lorenzo door een bediende de geschenken brengen, die hij uit Brugge voor zijne dierbaren had medegebracht. Voor zijne zuster fraaie juweelen en een heerlijk geborduurd kleed; voor zijne moeder een schoon gebedenboek versierd met mooie penteekeningen en voorzien van een kunstig bewerkt slot in gedreven zilver. Dona Maria en Lenora konden hare oogen niet gelooven; overgelukkig dankten zij den jongen kapitein en luisterden nog uren lang naar de heerlijke beschrijving van Brugge, de wereldstad der XIIIde en XIVde eeuw.

37.--Een Dichter. Het was nacht. Bij een smokend lampje, in een kleine woning van het stadje Damme, zat, in diepe gepeinzen verzonken, een man, die, bij den eersten aanblik, in de volle kracht des levens scheen te zijn. Vóór hem, op eene schrijftafel, lag eene rol perkament, waarop hij, van tijd tot tijd, eenige regels neerschreef. Daarna legde hij de pen neder, liet het hoofd op de vlakke hand zakken en sprak tot zich zelven: «Arme Jakob, uw werk vordert niet, uwe denkbeelden zijn verward, uw stijl is gedwongen ... waarom dag en nacht arbeiden, uwe rust, uwen zielevrede aan de dichtkunst opofferen? Geniet de genoegens van het leven, vermaak u bij spel en dans, verlustig u in de lieve natuur, in stede van, arme droomer, uwen geest af te matten en uw gansche leven aan de studie te wijden.» Een traan rolde over de wangen des dichters; hij las nog eens de verzen over, die hij daareven neerschreef, greep het perkament met beide handen en gooide het, als wanhopig, in een hoek der kamer. Toen werd het zóo stil, zóo stil, dat men het zachte geritsel vernam van de groene linde die, voor het huis, in den zoelen zomernacht, den balsemgeur van hare duizenden bloempjes verspreidde. Het lamplicht verbleekte en een zachte glans, voorbode van den naderenden dag, vervulde de kamer. Jakob bemerkte er niets van en bleef in zijne mijmering verdiept, toen eensklaps, rein als zilver, helder als de ontluikende dag een zoetluidend gezang zijne ooren kwam streelen: "Aloëtte, vogel clein, "Dijn nature is zoet ende rein, "So es dijn edel sanc, "Daar dient u met den Here allein "Te love om sinen danc." «Het herderinnetje leidt hare kudde naar de weide,» sprak de dichter, «straks zal de landman zich naar het veld begeven, de Vlaamsche wever zal zijn getouw laten klapperen.» Jakob keek naar buiten en ademde met volle borst de heerlijke morgenlucht in, die in het gouden licht der opgaande zon over de vlakte stroomde. Nieuwe zangen troffen zijn oor: "Wi willen van den Kerle singen, "Si dragen eenen langen baert." «De Vlaamsche visschers gaan naar zee,» murmelde de dichter. «Al mijne broeders hervatten den arbeid, ieder van hen werkt mede aan de welvaart van anderen.» Hij keerde naar de schrijftafel terug, verdiepte zich in den arbeid en schreef: "Elken man, Al en hadde hi gheen groot goet, Es hi hovesch ende vroet Van wat lande dat hi si, Al en ware sin geslachte niet vri, Ware hi geheten van goeden seden, Men zouden eren t' allen steden; Want dieghene is edel allene, Die hovesche van seden is ende rene."

38.--Jakob van Maerlant. In die lang vervlogen eeuwen bracht ons land niet alleen noeste werkers maar ook vruchtbare dichters voort. Uit de XIIde eeuw reeds dagteekent: Van den here Wisselau; in de XIIIde eeuw verscheen: Karel en Elegast; omstreeks 1240 schreef Diederic van Assenede, klerk van Margaretha van Konstantinopel de aandoenlijke geschiedenis van: Floris en Blancefloer en meester Wilhelmus van Gent, dichtte: Van den vos Reinaerde. De dichter, dien wij in het voorgaande verhaal aan onze lezers voorstelden was Jakob van Maerlant, die in de XIIIde eeuw, de stad Damme bewoonde. Een wijze, zeer geleerde professor spreekt over hem ongeveer in dezer voege: «In stille eenzaamheid, dag aan dag, met onverdroten geduld, arbeidde hij aan de zedelijke ontvoogding van ons volk. Hij was buitengewoon ontwjkkeld en zijne kennis was verbazend. Buiten zijne moedertaal was hij even vertrouwd met het Fransch als met het Latijn en met het voornaamste, dat daarin geschreven was. Hij kende de natuurleer en het Duitsche recht.» In zijnen tijd waren de meeste wetenschappelijke werken in het Latijn geschreven, zoodat geringe menschen, die niet konden lezen. Van Maerlant besloot voor zijn volk in het Dietsch te schrijven. Hij vertaalde in 15000 verzen een Latijnsch boek over natuurkunde en andere wetenschappen en noemde het: Der naturen bloeme. Een tweede werk, dat hij vertaalde draagt voor titel: de Rijmbijbel en bevat 2700 verzen. Zijn Spiegel Historiael, geschiedkundig werk, bestaat uit 7500 verzen, doch is ongelukkig niet voltooid geworden. Maerlant is een leeraar en weldoener van zijn volk geweest. De Vlamingen hebben hem veel te danken, daarom ook verwierf hij den eerenaam van: "Vader der Dietsche dichters."

39.--Een Verhaal van Lijden en Tranen. Op eenen Zondag van het jaar 1281, bij het vallen van den avond, stapte een Minderbroeder door de straten van Gent en haastte zich merkbaar om zijn klooster te bereiken. Dien dag toch, had hij het bijzonder druk gehad; arme zieken had hij bezocht, geholpen en getroost, aalmoezen ingezameld en, in een der talrijke bedehuizen der stad een preek gehouden, die door honderden lieden, grootendeels menschen uit den lagen stand, met buitengewone vroomheid was aangehoord. Broeder Johannes was een volksvriend in den vollen zin van het woord: Zoon van een armen weversgezel, had hij zich door studie en deugd gevormd, en, als jongeling opgenomen in de orde van den Heiligen Franciscus, had hij, als Minderbroeder, zijn gansche leven aan de armen en ongelukkigen zijner geboortestad gewijd. Streng voor zich zelven, was hij het ook voor de rijke poorters der stad en herinnerde hun gedurig de nederigheid en de vrijwillige armoede van den zoeten Jezus. Broeder Johannes troostte de bedrukten en wist de ellendigen op te beuren, zoodat hij op de talrijke gezellen, nederige ambachtslieden der stad een grooten zedelijken invloed had verworven. De Minderbroeder bereikte de poort van zijn klooster en wilde er aankloppen, toen hij eene vrouwelijke gestalte bemerkte, die op den kouden grond zat nedergehurkt en de weenende stem vernam van een kindje, dat de vrouw met zachte woorden trachtte te sussen. «Arm schaapje,» troostte zij, «ongelukkig Betteken, ween niet zoo bitter, wij zullen uwen oom terugvinden en die zal ons helpen, want hij is zoo goed en liefderijk....» Broeder Johannes schrikte; «mijne zuster,» fluisterde hij ... «onmogelijk, Veerle bewoont Brugge,» en, de stem verheffende, sprak hij tot de vrouw: «Sta op, moedertje, en volg mij.» Hij klopte aan de kloosterpoort en zoodra men deze voor hem ontsloot, leidde hij de bedrukte in de spreekzaal, die verlicht was door eene brandende lamp. Hij wierp eenen blik op de vreemde en «zuster! arme zuster!» «broeder, o broeder, help mij!» klonk het door de kamer. Broeder Johannes kon zijne oogen niet gelooven: zijne zuster Veerle stond voor hem, bleek en bevend, haar weenend kindje in de armen. Hoe, waarom had zij Brugge verlaten? Waar bevond zich haar echtgenoot en wat kwam zij hier doen? Eensklaps schenen hare laatste krachten de vrouw te begeven. Zij sloot de oogen en zakte buiten kennis in de armen van haren broeder. Deze riep om hulp en twee kloosterbroeders brachten de lijdende op een bed, legden het kindje naast haar en verzorgden de kranke zoo goed zij konden. Na een half uur opende Veerle de oogen en kwam tot bezinning. Haar broeder bereidde haar een verkwikkenden drank en bracht den heelen nacht wakend aan hare sponde door. Veerle, de zuster van Johannes, was tot vóór eenige dagen de gelukkige echtgenoote geweest van eenen blauwverver, die sedert vijf jaar te Brugge gevestigd was. Het gezin was niet rijk, maar de werkzaamheid en het voorbeeldig gedrag van den man waren voldoende om armoede en ellende op een afstand te houden. Vóór een paar maanden nog had broeder Johannes zijne zuster en haren echtgenoot een bezoek gebracht en zich verheugd over de eensgezindheid, die in het gezin heerschte. De vrome Minderbroeder verloor zich in gissingen maar, bij het krieken van den dag ontwaakte Veerle en voelde zich sterk genoeg om haren broeder mede te deelen, wat te Brugge was gebeurd. «Sedert geruimen tijd:» sprak zij, was de goede verstandhouding tusschen de ambachtslieden en de rijke poorters der stad verbroken. Waarom, kon zij, arme onwetende vrouw, niet begrijpen, maar haar man, wiens leven vroeger zóó geregeld was, bleef soms tot laat in den nacht van huis weg en zijne gezellen, alsook de wevers, vollers en de leden van andere neringen, handelden eveneens. Weldra weenden te Brugge honderden volksvrouwen om hare afwezige echtgenooten. Bange moeders, zusters, echtgenooten, spraken van oproer en gevecht, van brand en plundering. Helaas! hare vrees was maar al te gegrond: Op zekeren avond werden de verbitterde poorters met de ambachtslieden handgemeen, bloed stroomde in de straten van Brugge, verscheidene gebouwen werden aan plundering prijs gegeven, gewapende benden doorliepen de stad tot laat in den nacht. Angstig biddend, geknield voor haar kruisbeeld, lag Veerle in hare eenzame woning, toen eensklaps de lage deur werd opengestooten en de arme blauwverver, gewond, bebloed, de woning binnenstoof. «Verberg mij, vrouw,» riep hij wanhopig, maar nog was Veerle niet opgesprongen of woedende, met bijlen gewapende mannen, verschenen in de woning en wierpen zich op den vluchteling. Deze trachtte zich te verdedigen, maar een bijlslag van een zijner vervolgers deed hem dood nedervallen vóór de voeten zijner vrouw. Half waanzinnig had Veerle haar kind aan het hart gedrukt, en toen de bijlen der moordenaars ook haar bedreigden, was zij, evenals andere vrouwen, de stad ontvlucht, waar de vlammen des oproers zoo onheilspellend flikkerden. Zij was steeds voörtgeloopen, menigmaal onderweg gevallen, maar had zich weer opgericht onder de slagen van het zweepend noodlot. «Naar mijnen broeder te Gent wil ik gaan» had zij snikkend uitgeroepen en thans rustte zij in het vreedzame klooster, waar elkeen zich over haar scheen te ontfermen. Haar broeder boog het hoofd en weende. «Arme zuster! arm, hulpeloos volk» zuchtte hij; want hij, die geleerd was en den toestand der Vlaamsche gemeenten kende, besefte ten volle de uitgestrektheid der ramp, die Brugge had getroffen. «Wat stond hem te doen?» Zijne zuster naar Brugge terugzenden kon hij niet, haar echtgenoot was dood en broeder Johannes onvermogend. Hij dacht aan de talrijke vrienden, die hij te Gent bezat, maar ... hulp afsmeeken voor zijne eigene familieleden, neen, dat ging niet.... De overste van het begijnhof der stad was eene vrouw, die door haar verstand en liefderijk hart, boven anderen uitblonk. Die zou hij opzoeken, die zou hem raad geven en zijne arme zuster helpen. In den morgen nog verliet hij het klooster der Minderbroeders, begaf zich naar het begijnhof en was zoo gelukkig er de overste aan tes treffen. Hij deelde haar de ramp mede, die Brugge en zijne zuster getroffen had en, nauwelijks was zijn treurig verhaal geëindigd of de brave vrouw sprak met bewogen stem: «Breng de arme bedrukte naar hier, wij zullen haar herbergen, haar troosten, haar genezen.» Broeder Johannes leidde zijne zuster naar het stille begijnhof. Langzaam keerden hare krachten terug en de zoete oogjes, de zachte liefkozingen van haar Betteken, verdreven hare wanhoop en schonken haar levensmoed. Dank aan de bescherming der bewoonsters van hare nieuwe verblijfplaats, was zij weldra in staat door handwerken in hare behoeften en in die van haar dochterje te voorzien. De tijd, die alle wonden heelt, stilde ook de smart der zwaar-beproefde vrouw en hare stille dankbaarheid zegende den broeder, die haar en honderden bedrukten had getroost en geholpen.

40.--Innerlijke Twisten in de Gemeenten. Laten wij nog eenige oogenblikken stilstaan bij ons verhaal, of liever, laten wij trachten het nader te verklaren: Schier in al onze gemeenten, was de handel zeer bloeiend en rijke kooplieden waren er talrijk. Geruimen tijd waren het alleen de rijke poorters, de burgers bij erfenis, de «coomans» die de stad bestuurden. Zij vormden de «poorterij» of poorters bij uitnemendheid. Dank aan hunne bekwaamheid, hunne werkzaamheid, hunne volharding verkregen de gemeenten hunne voornaamste voorrechten en het waren de «poorters bij uitnemendheid» de coomans, die de muren der gemeenten lieten opbouwen, hallen en bedehuizen stichtten, straten plaveiden, kanalen deden graven, waterleidingen deden overwelven, hospitalen stichtten. In den loop der XIIIe eeuw echter, leefden en arbeidden naast die «poorters bij uitnemendheid» de massa der eenvoudige ambachtslieden en kleine burgers, die in «neringen» waren vereenigd. Deze menschen werden op verre na niet als de gelijken der «rijken» behandeld. Zij waren wel is waar vrij, verzekerd van de bescherming der schepenen, zij genoten de voordeelen, welke de charters aan de gemeenten gewaarborgd hadden, doch zij mochten geene aanspraak maken op eenige deelname in het bestuur hunner stad. Dit laatste voorrecht wenschten zij te bezitten, maar zij veroverden het niet gemakkelijk. De erfgerechtigden en coomans verdedigden zich hardnekkig; zij waren niet zelden verwaand, hoogmoedig en maakten soms misbruik van hun gezag. Menschen, die met elkander in slechte verstandhouding leven, slaan helaas! heel licht over tot geweld; vandaar oproeren, waarbij burgers derzelfde gemeente elkanders bloed vergoten en de woningen, de openbaren gebouwen, de kerken plunderden of vernielden. Verstaat gij thans, hoe Veerle's echtgenoot in Brugge werd gedood, waarom zijne arme vrouw naar Gent vluchtte? De Minderbroeders, tot welker orde broeder Johannes behoorde, begunstigden het streven der geringe ambachten, vandaar dat het volk een ongemeen groot vertrouwen stelde in deze geestelijken. De begijnen vormden eene zusterschap van godvruchtige vrouwen, die van haren arbeid leefden; edelmoedige begiftigers bouwden haar gemeenschappelijke huizen, prinsessen namen ze onder hare bescherming. Heden nog bestaan begijnhoven in vele steden van ons land.

41.--Eene Voorspelling. Er was eens een stroom; een frissche, jeugdige stroom, die eene schilderachtige landstreek besproeide en onderweg rivieren en beekjes in zijnen schoot ontving. Hij vloeide door mooie valleien, omzoomd met wilgjes, die zich in zijne golven spiegelden of dartelde langs groene wouden, die zich hier en daar aan zijne oevers verhieven. Zijne machtige armen omstrengelden talrijke eilanden, waarop de reizende ooievaars in het najaar rustten, waar bronnetjes murmelden en, in de lente, goudgele lischbloemen tusschen het riet ontloken. Nu en dan, vloeide hij tusschen hooge rotsen met grillige koppen en diepe, met mos begroeide kloven, maar dit laatste beviel hem weinig; hij vond, dat de rotsen zijne leden knelden en de vrijheid zijner bewegingen beletten. Op zekeren nacht, dat de maan helder scheen en het weder bijzonder zacht was, vergat de jonge stroom het slapen en speelde verstoppertje met eene heldere beek, die gedurig tusschen de rotsblokken van den oever wegdook. Hij achtervolgde haar en bereikte eene fraaie grot, met kronkelende gangen, prachtige zuilen, mooie dropsteenen en ziet!... hier verdwaalde de jonge stroom en zocht vruchteloos naar eenen uitweg. Hij werd ongeduldig, gejaagd en stiet weldra zijne golven met zooveel geweld tegen de rotswanden, dat duizenden waterdroppelen, als zoovele pareltjes naar omhoog stoven. De stroom maakte zulk een geweld, dat de gangen der grot er luid van weergalmden en de bewoners harer geheimzinnige vertrekken, in hunnen slaap gestoord, kwamen zien wat er gebeurde. Tien, twintig, dertig ... misschien wel honderd aardmannetjes, elk hunner voorzien van een brandend lampje, daalden van den steilen rotswand naar beneden en vroegen den stroom «wat hij begeerde?» «Ik wil er uit! ik wil er uit!» gilde de gevangene, maar de aardmannetjes lachten en zeiden, dat zulks vóór zonsopgang niet mogelijk was. «Stel u gerust, stroompje» spraken zij, we zullen met u spelen en u al de wonderen van ons onderaardsch paleis laten zien.» «Ik wil niet» antwoordde de stroom. «We zullen u mooie sprookjes vertellen» lachte een aardmannetje en ... «ik ben de kinderschoenen ontwassen» sprak het fiere water. Eensklaps onstond eene eerbiedige stilte onder de aardmannetjes; zij plaatsten zich ordelijk langs den rotswand, namen de roode petjes van het hoofd en bogen zoo diep, dat hunne lange, witte baarden den grond raakten. «De fee! de weldoende fee der onderwereld» fluisterden de aanwezigen en zwegen dan weer stil, eerbiedig stil ... stil.... Eene statige vrouw in ruischende zijde gekleed, verscheen en groette den jongen stroom. Fonkelende edelgesteenten blonken in hare zwarte haarvlechten, gouden banden versierden haar keurslijf en den langen sleep van haar ruischend gewaad. «Vrees niet, heer ridder,» sprak zij tot den stroom, «ik zal u gezelschap houden, u bij het krieken van den dag op de rechte baan helpen; bij mijne geboorte schonk mijne meter mij de gave der voorspelling, wilt gij mij uwe hand reiken? Ik zal in hare lijnen lezen, wat de toekomst voor u heeft weggelegd.» De stroom bedaarde en reikte de fee zijne opene hand. Zij nam ze aan, las er aandachtig in, verdiepte zich langen tijd in die lezing en sprak met trage, zachte stem, in tegenwoordigheid der zwijgende aardmannetjes: «Weldra zal een vroom en verstandig man langs uwe oevers reizen. Hij zal er een wijd, mooi dal ontdekken, begrensd door heerlijke heuvels en talrijke frissche wouden: «Ik wenschte wel hier eene groote stad te kunnen aanleggen» zal hij zeggen en, alvorens zijne reis voort te zetten, zal hij, in de mooie vallei, eene kapel stichten. De fee zweeg en ... «is dat alles» fluisterde de stroom? «Bij lange na niet» antwoordde de fee, «ik zie zóoveel, zóoveel. «Zeg mij nog iets, voorspel mij mijn gansche toekomst» vroeg de nieuwsgierige stroom en de fee vervolgde: «Rondom de kapel, in het mooie dal, verheffen zich menschelijke woningen, geloovige christenen richten en hunne schreden heen. Ik zie een heilig man, den bisschoppelijken staf in de hand. Hij predikt godsvrucht en broederliefde; aan de grooten der aarde herinnert hij hunnen plicht en laakt hun zondig leven. Helaas! zulks doet hij niet ongestraft; wreede moordenaars heffen hunne bijl tot hem op en koelen hunne wraak in het onschuldig bloed van den martelaar. Nu zuchten en weenen de menschen aan uwe oevers, jonkheer stroom; zij betreuren den man, die een wreeden dood onderging, omdat hij enkel «rechtvaardigheid» betrachtte. De menschen brengen zijn stoffelijk overschot naar de kapel midden in het stille dal, waar het weldra door duizenden bedevaartgangers wordt bezocht. Jaren en jaren verloopen. Een machtig man, prins en bisschop, laat in het dal eene mooie, groote kerk bouwen en er eene stad aanleggen, verschanst achter kloeke muren. Die stad wordt de zetel van een prins-bisdom met kanunniken, kloosters, scholen, monniken en kloosterzusters. Langzamerhand vestigden zich handelaars in de bisschoppelijke stad; bootslieden brengen er hout en steenen aan, menschelijke woningen ontstaan als door tooverslag; ik zie teekenaars, bouwmeesters, schilders en andere kunstenaars, die goud, zilver, koper verwerken en de heilige vaten der bedehuizen scheppen; ik zie beeldhouwers, die marmer, arduin, eikenhout bezielen en naast hen een wriemelenden drom van nederige ambachtslieden, leerlooiers, smeden, kopergieters en anderen. Hoe talrijk worden die menschen! Ik kan ze niet meer tellen, ze zijn levendig van aard, werkzaam, opgeruimd. Zij doorboren de ingewanden der heuvels, zoeken er steenen en allerlei ertsen. Eindelijk ontdekken zij de zwarte steenkool, nederige brandstof, die hun onschatbare diensten bewijst. Aan uwe oevers, heer stroom, ontstaan nog andere steden, ik zie ontelbare lachende dorpen, wijngaarden, boomgaarden, ik bemerk hooge torenspitsen, bruggen, marktplaatsen. De bevolking groeit aan, de stoffelijke welvaart vermeerdert en gij zijt de koning, de vader der heele landstreek. De jonge stroom lachte en schudde ongeloovig het met wier en loof omkransde hoofd. Ook de bergmannetjes lachten en een hunner spoedde zich naar den ingang der grot. Weldra echter keerde hij terug en kondigde aan: «De nachtster verbleekt, de morgenzon breekt door de nevelen, de leeuwrik zingt hoog boven de toppen der rotsen.» «Kom met mij» sprak de fee tot den stroom. Zij nam hem bij de hand, leidde hem door de heimnisvolle gangen, door afgronden en over rotsblokken, tot aan de poort van haar onderaardsch verblijf. Hier nam zij afscheid en sprak op zachten toon. «Vaarwel, heer ridder, leef lang en gelukkig.» Eensklaps goot de morgenzon een schat van zilveren starren over het donkere harnas van den stroom. De glans, die er van uitging was zoo verblindend, dat de oogen der fee die niet verdragen konden en zij zich in hare duistere woning terugtrok. De stroom echter vloeide verder, hij groette de vlugge hinde, die aan zijn helder water, haren dorst kwam lesschen; hij kuste de slapende bloempjes wakker en speelde met de zilveren vischjes, die in zijn vochtigen schoot zwommen. Hij murmelde, hij zong, hij juichte van levensblijheid en vergat weldra de schitterende fee en de lachende, goedaardige bergmannetjes der onderwereld.

42.--Het Prins-Bisdom Luik. «Wie toch is de stroom, die zulke tooverachtige avonturen beleefde?» vraagt mij eene nieuwsgierige lezeres. De Schelde is het niet, die vloeit bijna overal tusschen lachende beemden en malsche weiden, die is te kalm en te ernstig om in grotten te spelen en voorbij rotsen te dartelen. «Is het misschien de Maas?»--«Inderdaad, die telt hooge rotsen aan hare oevers, die vloeit door diepe dalen, door heuvels omzoomd; die is schilderachtig, romantisch schoon, die besproeit eene landstreek, die glinsterende ertsen en gitzwarte kool in haren schoot verbergt. Maar, die aardmannetjes met hunne roode petjes en lange, witte baarden, die schitterende fee met haar ruischend gewaad, bewonen zij wel de grotten, die men in Hoog-België aantreft? De geleerden, de wijzen zeggen «neen» de dorpslieden, vooral de ouden van dagen beweren «ja». Zij kennen zóovele sprookjes waarin feeën en kabouters voorkomen en zijn die niet «waar gebeurd» ze zijn toch lief en schilderachtig mooi. Willen we maar voor «een keer» onderzoeken of de voorspelling der fee is uitgekomen? Zoo volgt mij en beantwoordt de vragen, die ik u stellen zal. «Waar strekte zich het breede, mooie dal uit, dat, vóór eeuwen, door den vromen, verstandigen reiziger werd bezocht?» «Dit dal strekt zich uit midden in onze huidige provincie Luik en ligt dichtbij de samenvloeiing van Maas en Ourthe. De heilige Monulphus, bisschop van Tongeren, naar Dinant reizende, bezocht het ten jare 578. Hij was het die, getroffen door de schoonheid der landstreek, er eene kapel stichtte en voorzag, dat zich hier, in later jaren, eene mooie, groote stad zou verheffen. «Wie werd er vermoord?» De heilige Lambertus, dezelfde die zoo rechtschapen was, dat hij zelfs aan de machtigen der aarde hunne ondeugden verwijten durfde. Sint Hubertus, opvolger van Lambertus, liet eene mooie, groote kerk bouwen op de plaats, waar de heilige martelaar een gewelddadigen dood onderging en bracht naar die kerk, het stoffelijk overschot van Sint Lambertus over. Rondom ontwikkelde zich eene bisschoppelijke stad, met hare kerken en torens, hare abdijen, hare talrijke bedehuizen, hare scholen. Ziedaar den oorsprong van Luik, heden eene der grootste steden van ons land. In dien tijd behoorde het grootste deel van haar grondgebied aan de geestelijkheid, alsmede vele domeinen, burchten, wouden, abdijen uit den omtrek. Gedurende de Middeleeuwen, ja veel later nog, bezat de bisschop van Luik niet alleen eene geestelijke, maar ook eene wereldlijke waardigheid. Hij was «prins-bisschop.» Waar haalden de menschen de grondstoffen vandaan, noodig tot het bouwen der stad Luik? In de steengroeven; in de wouden der landstreek vonden de menschen niet alleen de noodige grondstoffen, voor het oprichten van bedehuizen, abdijen en andere gebouwen, maar, zooals de fee zeide: weldra bezielden beeldhouwers arduin en marmer, terwijl zilver-en goudsmeden, koper-en bronsgieters menig kunstgewrocht voortbrachten, vooral ter verfraaiing der bedehuizen. Dit alles echter gebeurde niet op éénen dag, zelfs niet op een jaar, maar het duurde vijftig, honderd, tweehonderd en meer jaren. Aan wie had de stad Luik hare eerste verfraaiingen te danken? Aan bisschop Notger of Notkerus, die in 1008 overleed. Notger was een groot man. Hij deed de stad Luik ommuren, liet schoone bedehuizen bouwen, kanalen graven, deed de steden Thuin, Fosse en Mechelen[28] van vestingwerken voorzien. Sommige edellieden zooals de heer van Chevremont gedroegen zich als roofzuchtige plunderaars. Notger wist ze te bedwingen en deed hunne burchten afbreken. Niet alleen de kunst, ook de wetenschap bloeide te Luik; want in die stad waren scholen, woonden geleerden, volkomen op de hoogte der wetenschap van hunnen tijd. Hoei en Dinant bezaten smederijen, die zoo bloeiend waren, dat onze voorouders niet genoeg hebbende aan de ertsen van hun vaderland, ook aankoopen deden in Duitschland, voornamelijk te Goslar. De Dinanteezen, beroemde kopergieters en koperslagers, verkochten de voortbrengselen hunner nijverheid en kunst, in Vlaanderen, in Engeland, in Frankrijk. Te Londen bezaten zij eene afzonderlijke halle en in de XIVde eeuw, maakte de stad Dinant deel van de Teutonische (Duitsche) hanze. Op het gebied van nijverheid en handel was de ontwikkeling der stad Luik langzamer, maar het ontginnen der steenkool, het vervaardigen van wapens bevorderden weldra den welstand harer inwoners, alsook de handelsbetrekkingen, die zij aanknoopte met de groote stad Brugge. Vormden de handelaars, de ambachtslieden der Luiksche steden evenals die der Vlaamsche en Brabantsche ook neringen, ambachten, gilden? Kan men bij de studie der Luiksche geschiedenis, de vorming, de ontwikkeling der gemeenten nagaan? Zonder twijfel, jammer echter, dat de voorspelling onzer fee juist daar eindigt, waar zij het belangrijkst worden moest. We zullen hier dus, zonder hare hulp, ons verhaal voortzetten. De inwoners der Luiksche gemeenten kregen of eischten al vroeg burgerlijke rechten. In 1198 gaf bisschop Albrecht van Cuyck aan zijne onderdanen eene vermaarde keure. Zij bepaalde, dat de woning der burgers onschendbaar was, dat de Luikenaar vrij was in persoon en goederen, dat hij aan geene schattingen noch gerechtelijke proeven mocht onderworpen, dat hij niet mocht aangehouden worden, dan krachtens een vonnis der Schepenen. Denkt nu echter niet, dat het verkrijgen dier voorrechten gemakkelijk ging. Heel dikwerf kwamen de bisschop, de hooge geestelijkheid, de edellieden, de groote en kleine burgers met elkander in botsing. Dit gebeurde vooral in de XIIIde en XIVde eeuwen, wanneer, eerst de rijke burgers, daarna de geringe ambachtslieden, voorrechten vergden. Ik wil u echter niet verontrusten met de beschrijving der ruwe, bloedige twisten, die de stad Luik teisterden gedurende de XIIIde en XIVde eeuwen; ik wil doen, zooals de fee, die van oorlog, brand, moord en andere akeligheden liefst in het geheel niet gewaagde. Een laatste vraag echter: «Wie behaalden, bij die innerlijke beroerten, de overwinning? Was het de bisschop, de hooge geestelijkheid? Waren het de rijke burgers of de leden der neringen? Oordeelt zelven: In 1337 onderteekende bisschop Adolf van der Marck den «Vrede van Angleur.» Zoo noemt men een verdrag, waarin bepaald werd, dat alleen de leden der neringen van den stedelijken raad mochten deel maken. Drie jaar later bevestigde de Vrede van Fexhe al de oude vrijheden des lands; hij wordt beschouwd als de grondwet des vorstendoms. In 1343 richtte de bisschop de rechtbank der XXII op, welke in de gewichtigste zaken van Kerk en land moest vonnissen; daar de meerderheid dier rechtbank uit de burgerij bestond, werd zij de kostbaarste waarborg der Luiksche vrijheden.

43.--Broeder en Zuster. Hertog Jan had eene zuster, Maria genaamd en gehuwd met den koning van Frankrijk, Filips de Stoute. Deze vorstin was zeer schoon en aanminnig, bovendien had zij van haren vader een verwonderlijke dichtgave geërfd. Zij ondersteunde begaafde zangers en dichtte fraaie liederen. Daar was in dien tijd aan het Fransche hof een zekere heer de Labrosse, kamerheer en gunsteling van den koning. Hij was jaloersch op de koningin, en gebruikte al zijnen invloed om haar bij den koning in een valsch daglicht te stellen. Filips had Maria in tweede huwelijk getrouwd en bezat kinderen van zijne eerste vrouw. Op zekeren dag stierf de oudste zoon des konings en de Labrosse wist bij den bedroefden vader het vermoeden te doen ontstaan, dat Maria door vergif aan zijn kind het leven had benomen. Het gemoed des konings was door deze verdenking op het hevigst ontroerd, hij ging peinzend daarhenen, zegt de kronijk, het hart vol druks. Men verhaalt, dat hij Maria in eenen burcht liet opsluiten en haar ter dood wilde laten brengen. Uit hare gevangenis meldde de ongelukkige haren nood aan haren broeder "Beschreven met haren bloede root, "In eene scale daer zij uit dranc."

Illustration from Ons Vaderland van de vroegste tijden tot de 15de eeuw

[Ridder ten tijde van Jan I.] Op het ontvangen der akelige tijding, springt hertog Jan te paard en snelt naar Parijs. Een schildknaap, Godekin van Stalle en Vlieger, een hazewind, vergezelden hem alleen. Na tweemaal vier en twintig uren is hij in de hoofdstad van Frankrijk, trekt eene monnikspij aan, begeeft zich naar Maria's gevangenis, en, als biechtvader tot haar toegelaten, verneemt hij de onschuld zijner zuster. Nu werpt de hertog zijne vermomming af, meldt zich ten hove aan, treedt voor den koning--naar het gebruik dier tijden--als kampvechter der koningin en daagt ieder tot een tweegevecht uit, die de schuld der belasterde vrouw mocht staande houden. De laffe de Labrosse, door de verschijning des vermaarden krijgsmans verschrikt, door het geweten gefolterd, neemt de vlucht. Geen zijner vrienden waagt het, de eer des kamerheers met het zwaard te verdedigen. De twijfel aan Maria's onschuld ware een smaad aan de nagedachtenis dezer vorstin, daarom besluiten wij ons verhaal met het oordeel van een beroemden, Franschen geschiedschrijver[29]: «Het is niet mogelijk, dat deze vrouw tot een laffen en snooden aanslag bekwaam zij geweest.»

44.--Jan I en het hertogdom Brabant. Jan I, de held van ons verhaal was hertog van Brabant; het voormalige Brabant strekte zich uit over het grondgebied, dat onze hedendaagsche provincie Brabant, de provincie Antwerpen en, in Nederland, Noord-Brabant bevatte. Leuven, Brussel, Antwerpen en 's Hertogenbosch waren er de hoofdplaatsen van. Hertog Jan, die zijne arme zuster zoo dapper verdedigde, was een uitstekend ruiter; in den wapenhandel was hij zeer bedreven en ook als veldoverste wist hij eer en roem te verwerven. In twist zijnde met verscheidene vorsten van zijnen tijd, die meenden recht te hebben op het bezit van het hertogdom Limburg, sloeg hij het beleg voor de sterkte Woeringen, die op den oever van den Rijn gelegen was. Zijne vijanden kwamen hem aldaar aanranden en er werd een veldslag geleverd op eene heide nabij Woeringen (1288). Hertog Jan behaalde er eene roemrijke overwinning en wordt om dit wapenfeit, in de geschiedenis niet zelden de Overwinnaar of de Zeeghaftige genaamd. Na den slag van Woeringen werd Limburg met Brabant vereenigd. Ter eer van hertog Jan dient vermeld te worden, dat hij van zijne overwinning geen misbruik maakte; reeds op het slagveld, had hij aan krijgsgevangenen genade verleend; weldra wist hij de genegenheid der Limburgers te winnen door zijne zachtmoedigheid en rechtvaardigheid. Talrijke dichters bezongen Jan I en zijne roemrijke wapenfeiten; want, niet alleen in Vlaanderen, maar ook in Brabant trof men reeds in de XIIIde en XIVde eeuwen, beoefenaars aan der fraaie letteren. Adinez-li-Rois, een Brabander, was de grootste Fransche zanger zijner eeuw, terwijl Jan van Heelu in het Dietsch den slag van Woeringen beschreef en Lodewijk van Velthem den Spiegel Historiael van Maerlant voltooide. Jan De Clercq ook Jan van Boendaele genaamd, schreef eene Rijmkronijk van Brabant en verscheidene andere dichtwerken. De beroemde Jan van Ruysbroec geboren in 1294 is een merkwaardig prozaschrijver. Zijne werken werden in het Hoogduitsch, ook in het Latijn overgezet.

Illustration from Ons Vaderland van de vroegste tijden tot de 15de eeuw

[An alle deghene die dese lettren selen sien ofte hoeren lesen. Schepenen Raet ende alle de goede ghemeene liede van der poort van audenarde saluut. Schrift van 1350.] Jan I schonk talrijke voorrechten aan de Brabantsche gemeenten. Zijn opvolger was Jan II. Om de oneenigheden te beslechten die tusschen de geslachten[30] en de ambachten gerezen waren, riep deze vorst, in 1312, eene vergadering bijeen te Kortenberg, tusschen Leuven en Brussel. Daar werd besloten, dat er alle drie weken, te dier plaats, een raad zou vergaderen van 4 afgevaardigden des adels en 10 afgevaardigden der Brabantsche steden. Die raad zou over de goede uitvoering der wetten waken, de heeren verhinderen het volk te verdrukken en misbruiken beletten, waarop men de aandacht der leden roepen zou. Gedurende de regeering van de hertogen Wencelyn en Johanna (1355-1383) ontstond te Leuven en te Brussel oneenigheid tusschen de ambachtslieden en de rijke poorters of patriciërs, die groote voorrechten bezaten. Het bloed vloeide vooral te Leuven, vanwaar ontelbare ambachtslieden, meest wevers, naar Engeland weken. Burgeroorlog sleept talrijke onheilen na zich; de stad Leuven ging te niet en erlangde nooit meer haren bloei der XIIde en XIIIde eeuwen. In 1356 moest hertog Wencelyn zweren al de vrijheden van het land en de voorrechten der steden te handhaven. De keure, die hij toen verleende werd de «Blijde inkomst van Brabant» geheeten. Zij geldt om zoo te zeggen als grondwet der Brabanders, want de gebruiken, die er in voorkomen, bleven voor het grootste deel in zwang, tot op het einde der XVIIIde eeuw.

45.--Twee Vorstinnen. (SPROOKJE) Er was eens eene machtige koningin, die over duizenden onderdanen regeerde. Zij bewoonde een prachtig paleis en was steeds in kostbare, ruischende zijde gekleed. Schitterende juweelen versierden hare armen en borst en haar fluweelen mantel was met hermelijn gevoerd en met zilveren leliën geborduurd. Een rijke stoet van hofdames, edelknapen en ridders omgaf de koningin en, waar zij haar schreden ook richtte, overal bogen hare onderdanen voor haar in het stof. «Ik ben wel de machtigste vrouw der wereld, sprak de koningin tot haren echtgenoot, maar toch, wenschte ik mij op reis te begeven en mijn rijkdom en glans door duizenden te laten bewonderen.» «Uw wil geschiede!» antwoordde de koning en de fiere vorstin begaf zich op weg. In steden en dorpen werd zij met ongemeenen luister ontvangen en de burchtheeren der trotsche kasteelen betwistten elkander de eer, de geduchte vrouw en haar schitterend gevolg te ontvangen en te herbergen. De reis der koningin was een onafgebroken zegetocht. «Gevoelt uwe Majesteit geen lust naar ons koninklijk hof terug te keeren?» vroeg de koning aan de koningin. Maar de fiere vorstin schudde het met goud gekroonde hoofd, streelde het prachtig ros, waarop zij gezeten was, reisde verder en bereikte een haar onbekende landstreek. Hier zat eene nog jonge vrouw op den troon, schoon als een heldere zomerdag, kalm en krachtig, minzaam en zacht als eene teedere moeder. Zij was in goudgele zijde gekleed; een zwarte leeuw lag aan hare voeten en een schilderachtige stoet van jongelingen en meisjes omringde en beschermde haar. Zij ontving de trotsche vorstin met eerbied, doch niet met de slaafsche onderwerping, waaraan de ijdele vrouw gewoon was; daarom ontstak deze in toorn en sprak op bitsen toon: «Weet gij dan niet, dat, zelfs zij, die tot den hoogsten adel behooren, voor mij in het stof buigen?» «Ik ken geen anderen adeldom, dan arbeid en deugd» antwoordde de schoone vrouw. De koningin lachtte spottend: «Zijn dat misschien uwe vazallen» vroeg zij, een afgunstigen blik werpend op de jongelingen, die rondom den troon waren geschaard. «Neen, vorstin, dat zijn mijne zonen,» luidde het fiere antwoord. «Niet in rijkdom, maar met onuitsprekelijke liefde heb ik ze grootgebracht.» «Ik dacht hier alleen koningin te zijn» sprak de afgunstige vorstin, maar ik zie hier honderd vrouwen, die meer op koninginnen gelijken dan ik zelve.» «Mijne dochters bedoelt gij, vorstin? Inderdaad, zij zijn schoon en prachtig uitgedoscht, en toch werden mijne kinderen niet in weelde en overvloed grootgebracht. Ik leerde hun den arbeid liefhebben en waardeeren; mijne zonen zaaien en maaien, zij weven, metselen en timmeren, zij bevaren de zee en reizen van land tot land. Mijne dochters spinnen, naaien, borduren....» «Genoeg» gebood de koningin, «dit onderhoud duurt al te lang. Buigt allen de knie voor mij en erkent mij als uwe wettige, uwe eenige gebiedster.» Maar nu zag en hoorde de trotsche vrouw, wat zij nog nooit had gezien noch gehoord. «Wij buigen voor niemand,» spraken moeder en kinderen als uit eenen mond, terwijl de leeuw aan den voet van den troon opsprong, zijne fiere manen schudde en een vervaarlijk gebrul aanhief. De koningin vlood ijlings weg en, nog denzelfden dag sprak zij tot haren echtgenoot: «Die gemeene vrouw en hare kinderen hebben mij bloedig gehoond. Zend gewapende dienaars tot hen, dat zij hunne zwaarden, messen, bogen en pijlen gebruiken en heel het hoogmoedige ras aan onze heerschappij onderwerpen.» Maar de koning schudde het hoofd en sprak: «Er bestaan, o koningin, veel doeltreffender wapens dan zwaarden, messen, bogen en pijlen, laat mij begaan, ik zal u bewijzen dat «list, niet zelden overwint, geweld.» De sluwe vorst toonde zich zacht en gedwee als een lam en trachtte zijne slachtoffers door honingzoete woorden en schoone beloften te misleiden; maar, na eenigen tijd, ontdeed hij zich van zijne schapevacht, toonde zich in zijne werkelijke gedaante en volbracht het bevel zijner trotsche echtgenoote. Maar de kloeke vrouw en hare knappe kinderen waakten, lieten zich niet bedwingen en verjoegen de huurlingen des konings. Deze keerden naar hunnen meester terug en onderrichtten hem van het gebeurde. «Keert terug» sprak de vorst, dat krijgslieden en soldeniers u vergezellen. Neemt de wederspannige vrouw gevangen, slaat haar in boeien, brengt haar naar hier, dat ik haar opsluite, haar doe verkwijnen in eene kille en duistere gevangenis. En de krijgslieden vertrokken om het bevel huns meesters ten uitvoer te brengen. Nu hadden de talrijke kinderen der edele vrouw groot verdriet, maar twee hunner, de meest geliefde zonen der waardige moeder, wisten hunne broeders en zusters moed in te spreken en ze tot krachtdadige tegenweer aan te zetten. «Plicht en liefde dwingen ons te handelen,» spraken zij, «het goede recht is met ons. Onze moeder schonk ons het leven, zij leerde ons arbeiden, voortbrengen, scheppen, zij ontwikkelde onzen geest en leerde ons de deugd liefhebben. Vrij! eeuwig vrij zal zij wezen; boven de trotsche koningin moet zij uitblinken, de heele wereld moet haar eeren en achten, niet om hare adellijke geboorte, niet om hare schatten, maar om hare hoedanigheden, om haren geest en hare deugd, om haren vrijheidszin, om de voortbrengselen van haren arbeid en van hare kunst.» En allen togen ten strijde, allen besloten te overwinnen of hun leven te laten voor de vrijheid hunner innig geliefde moeder. De koning ondertusschen riep zijne edelste en dapperste ridders op. «Gaat» sprak hij, «vernielt het gemeene ras, dat mijne macht trotseeren durft.» De ridders vertrokken op hunne steigerende rossen; hunne helmen en harnassen blonken in het zonnelicht, hunne vaandels wapperden in den morgenwind, hunne krijgstrompetten schalden door bosschen en dalen, over heuvels, over velden, over duinen en weiden. Bij voorbaat verheugden zij zich over hunne overwinning. Waren zij niet de bloem der krijgslieden? Hadden, tot hiertoe, niet alle vijanden voor de macht hunner wapenen moeten zwichten? Minachtend, honend zagen zij op hunne tegenstanders neer en, door hoogmoed verblind, zonder nadenken, gingen zij den onrechtvaardigen strijd aan, tegen hen, die, als helden, het dierbaarste verdedigden, dat menschen op aarde bezitten kunnen. Hevig woedde de kamp. Menschenbloed werd bij stroomen vergoten, doodskreten klonken, akelige zuchten van gewonden lieten zich hooren en de gouden Julizon, die veel liever eene zee van ruischende korenaren had doen rijpen, weende omdat zij de kinderen der menschen, als te vroeg afgemaaide halmen, ter aarde zag vallen. Omstreeks den middag, lagen meestal de trotsche ridders in het zand; hunne gulden sporen, hunne harnassen, helmen, waren met bloed bevlekt, hunne wapperende vaandels gescheurd, bezoedeld en door het slijk gesleurd. Een daverende kreet van vrijheid en verlossing galmde over stad en dorp, over land en water; de beste, de liefderijkste aller moeders was gered door hare minnende, dankbare kinderen.

46.--Strijd der vlaamsche Gemeenten tegen den koning van Frankrijk. Alvorens nog het slot van het voorgaande sprookje gelezen te hebben, hadden de meeste mijner lezers waarschijnlijk geraden, dat de trotsche vorstin Frankrijk was en de liefderijke moeder Vlaanderen. De koningin draagt eenen mantel, die met zilveren leliën is geborduurd; een zwarte leeuw, op gouden veld, rust aan de voeten der kloeke, Vlaamsche moeder. Wie gevoelt zich niet aangetrokken tot Vlaanderen, dat arbeid als adeldom beschouwde, welks kinderen leerden spinnen, weven, metselen, timmeren, den akker bebouwen en dat dan ook, door diezelfde kinderen, om zijn kloek verstand, zijne rechtschapenheid, zijn gulden hart werd bemind en verdedigd? De koning van Frankrijk, Philippe le Bel (de Schoone) en zijne vrouw Johanna van Navarre[31] beseften ten volle de stoffelijke waarde van Vlaanderen. Maar Philippe was listig; hij wachtte zich wel zijne inzichten openbaar te maken. Op sluwe wijze mengde hij zich in de innerlijke twisten, die, zooals wij vroeger leerden, de inwoners onzer gemeenten verdeelden. Langzamerhand won hij de gunst der edellieden en rijke burgers, die hoopten, dat de koning hunne zucht naar alleenheerschappij zou begunstigen. Zoo kwam het dat, al wie in Vlaanderen den koning van Frankrijk genegen was, den naam kreeg van Leliaart. De menschen van den lagen stand, de nederige ambachtslieden, hielden van de Leliaarts niet, en heetten «Klauwaarts» naar de klauwen van den Vlaamschen Leeuw. Gwyde, graaf van Vlaanderen, ijverzuchtig op den invloed der Leliaarts zijnde, steunde de Klauwaarts. Gwyde werd tot tweemaal toe gevangen genomen door den koning van Frankrijk, die Vlaanderen bemachtigde.

Illustration from Ons Vaderland van de vroegste tijden tot de 15de eeuw

[Fransch wapenschild.]

Illustration from Ons Vaderland van de vroegste tijden tot de 15de eeuw

[Vlaamsch wapenschild.] In 1301 brachten Philippe le Bel en zijne gemalin een bezoek aan Vlaanderen en de koning vertrouwde het bestuur van het graafschap toe aan een Fransch edelman, Jacques de Châtillon. Maar de Klauwaarts, de wakkere zonen van Vlaanderen waakten. Zij zouden de plannen van den arglistigen koning verijdelen! De Leliaarts intusschen zagen hoe langer hoe meer, misnoegd neer op de Klauwaarts en Jacques de Châtillon toonde zich zoo onkundig in het besturen van het graafschap, dat de geheele volksklasse tegen hem aan het morren ging. Te Brugge kwamen de inwoners in opstand en doodden op éénen nacht honderden Franschen en Leliaarts. Jacques de Châtillon vluchtte naar Frankrijk en de meeste gemeenten kozen partij voor de Klauwaarts. Te Brugge stelden zich Pieter de Coninc, deken der wevers en Jan Breydel, deken der vleeschhouwers aan het hoofd der neringen, die de wapenen hadden opgenomen. De Bruggenaars vielen in hunne stad onverhoeds de Franschen aan en doodden ze in grooten getale. Deze gebeurtenis noemt men de «Brugsche Metten.» * * * * * Weldra zond Philippe le Bel naar Vlaanderen een schitterend leger, dat onder bevel stond van zijn broeder Robrecht van Artois. De bloem der Fransche ridders maakte deel uit van dat leger en de koning, in zijne gramschap, had bevolen de steden te plunderen, de velden te verwoesten, de bevolking uit te roeien en--hoe schandelijk zulks in het boek der Geschiedenis te moeten neerschrijven--de ridders haakten er naar het bevel des konings ten uitvoer te brengen! Maar de Vlaamsche gemeentemannen zouden het menschonteerende schelmstuk beletten! Op den Groeningen kouter, bij Kortrijk, wachtten zij, in dichte gelederen, de vreemde indringers af en deze meenden, reeds bij den eersten aanval, de nederige poorters te verpletteren, die zij verachtten. Eene smalle beek liep door de moerassige weide en scheidde beide legers van elkander. In onstuimige vaart, waagden het de Fransche ridders de beek over te springen, maar, belemmerd door hunne zware wapenrustingen, zonken zij met hunne paarden in het slijk. Toen trokken de gemeentemannen in gesloten gelederen voorwaarts, roepende: «Vlaanderen den Leeuw!» Zij richtten onder de Fransche edelen eene vreeselijke slachting aan; prinsen, ridders, voetknechten, Robrecht van Artois, Jacques de Châtillon bleven op het slagveld. Na den veldslag raapte men, op de met lijken bezaaide vlakte, meer dan 700 gulden sporen op, welke men als zegeteekens in Onze Lieve Vrouwkerk te Kortrijk ophing. De bloedige veldslag, die plaats greep op 2 Juli 1302, draagt den naam van Gulden Sporenslag. De mare van deze nederlaag weerklonk in ons land en in den vreemde. Te Rijsel, te Yperen, te Gent kwamen de Klauwaarts aan het hoofd der gemeenten en de gemeentemannen bekwamen talrijke voorrechten. Zelfs in Frankrijk verzetten de nederige ambachtslieden van sommige steden zich tegen den koning en de steden van Italië zonden hare gelukwenschen aan de Vlaamsche gemeenten. De merkwaardige Sporenslag had nog een ander belangrijk gevolg:

Illustration from Ons Vaderland van de vroegste tijden tot de 15de eeuw

[Zegel van 1305.] Hadden de Fransche ridders de overwinning behaald, Vlaanderen ware bij Frankrijk ingelijfd en een Fransch wingewest geworden. Zijne taal, zijne beschaving, zijne kunst zouden uitgeroeid zijn en het tegenwoordige België niet bestaan. Eere dus aan de Vlaamsche Zonen, die zoo heldhaftig hunne moeder verdedigden.

47.--Hongersnood! Het was winter en nijpend koud. Op een zolderkamertje, in een houten huis der Wolvesteeg, dicht bij de Vrijdagsmarkt te Gent, zat eene jonge vrouw te zuchten en te weenen. Zij was mager als een geraamte en het kindje, dat op hare knieën lag, kreunde pijnlijk en met zwakke stem. Zijne handjes waren rimpelig als die eener oude vrouw, zijne gelaatskleur was blauw en koortsvuur gloeide in zijn wijdgeopende oogjes[32]. «Arm Betteken, ween zoo droevig niet» snikte de jonge moeder. «Gij zijt ziek van honger en gebrek en ik heb geen korstje brood om u te spijzen, geen druppel melk om u te laven. Uw vader en zijne gezellen zitten werkeloos op de Vrijdagsmarkt. Arm kind! wat zal er van ons geworden! In Gent is geen slag werk te vinden, alle weefgetouwen liggen stil.... God weet! wanneer die akelige toestand veranderen zal!...» Het scheen alsof de klagende stem der moeder het arme Betteken in slaap suste, want, langzamerhand verzwakte het gekreun om eindelijk geheel op te houden. De moeder echter suste het wichtje voort en zag het bij wijlen aan met treurigen, doch liefderijken blik. Eensklaps teekende zich eene ontzettende uitdrukking van schrik op haar bleek gelaat. Bettekens oogjes waren gesloten, haar lichaampje was stijf en onbeweeglijk, zij ademde niet meer en.... «Dood! dood! mijn kind is dood! gestorven van honger, verstijfd van koude!» gilde de arme vrouw met radeloozen schrik, waarop zij, het wichtje aan hare borst drukkend, de deur openwierp en huilend en weenend, de trap af, naar beneden stormde. Weldra bevond zij zich in eene woonkamer, waar een jong meisje aan het ziekbed harer moeder was gezeten. Bij het akelig gekerm der binnentredende, sprong de maagd ijlings op, terwijl de kranke zich in de bedstede oprichtte. «Om Gods wil, bedaar, vrouw Katelijne, bedaar,» sprak het meisje, maar de vrouw schreide maar immer door en bedekte het aangezicht van haar Betteken met tranen en kussen. «Ontkleed het kindje, leg het op tafel, Livina,» sprak de zieke moeder tot hare dochter, neem een wollen doek en wrijf het arme schaapje tot het bijkomt....» en uitgeput liet de zieke het hoofd weer op de peluw vallen. Livina deed zooals de kranke had gezegd. Zij wreef het koude lichaampje, dat na eene poos weder warm werd, toen opende zij het mondje van het wichtje en goot eenige druppeltjes melk tusschen zijne paarse lipjes. De doodskleur verdween van de magere wangetjes, het kind sloeg de oogleden op, en zijne zachte blauwe oogjes zochten de nog altijd weenende moeder. «Goede Livina, heb dank!» kreet Katelijne, maar Livina scheen hare dankende woorden niet te hooren; zij bracht de vrouw bij den haard, dwong haar zich op eene bank neder te zetten en hare koude ledematen te verwarmen. «Keer naar uw zolderkamertje niet terug, Katelijne,» sprak Livina, «blijf bij ons tot uw echtgenoot terugkeert....» «Wij ook zijn ongelukkig,» vervolgde zij op de kranke wijzend, «maar eigen leed heeft bij ons de liefde niet uitgedoofd, die wij onzen evenmensch verschuldigd zijn.» «Er is nog brood in de schapraai,» sprak de zieke moeder, «Livina, zet het Katelijne voor en warm heur wat melk. » «Ik dank u, Geertrui,» antwoordde Katelijne. «Gij zijt al te, goed, gij zelve zijt ziek van gebrek en uw zoon Antoon is werkeloos.» «Dezen morgen,» zei thans Livina, «verkocht ik bij den juwelier in de Geldmunt, den gouden ring, dien moeder van hare grootouders erfde. Van honger zullen wij dus niet sterven en de ongelukkige toestand waarin alle Gentenaars zich bevinden, zal veranderen.» Katelijne schudde het hoofd. «In onze stad is alle nering uitgedoofd,» sprak zij treurig.... «Nog altijd weigeren de Engelschen ons wol te zenden, nog veertien dagen en Gent sterft van honger en gebrek.» «Hoop op de toekomst,» vervolgde Livina. «Heeft de Wijze Man niet beloofd met den koning van Engeland te onderhandelen en Vlaanderen van den ondergang te redden? Geloof mij, Katelijne, eer het laatste geldstukje, dat ik voor onzen gouden ring ontving verteerd zal wezen, zullen de neringen den arbeid hebben hervat.» «Moogt gij waarheid spreken,» hernam de jonge moeder, ... «maar de honger, de angst hebben mij, arme, het hopen afgeleerd.» Eensklaps werd de huisdeur van buiten geopend en de twee mannen stormden juichend binnen. «De Engelsche wol komt weer vrij in Vlaanderen!» riepen zij als uit eenen mond. De Wijze Man van Gent heeft ons gered! Nog drie dagen en de Neringen kunnen den arbeid hervatten! De oogen der beide mannen straalden van blijdschap. De jongste, Livina's broeder, was een weversgezel, klein van gestalte, mager, doch ongemeen vlug in al zijne bewegingen. Zijn gezel, de echtgenoot van Katelijne, was een groote, krachtige voller, met grove handen en sterkgespierde ledematen. Hij nam zijn kind in de armen en trachtte zijne vrouw op te beuren. Deze verhaalde hem, wat er gedurende zijne afwezigheid was voorgevallen en de stoere voller, veegde met zijne grove hand de tranen af, die hem over de wangen biggelden. «Heb dank, Livina, heb dank, moeder Geertrui, stotterde hij....» maar Livina hoorde niet. Zij stond met haren broeder voor de bedsponde der kranke. «Thans zult gij spoedig genezen, moeder,» lachte Antoon. «Naarstig en onvermoeid zal ik voor u werken, u vleesch en eieren koopen! Nog veertien dagen en, aan Livina's arm, wandelt gij op de Vrijdagsmarkt. De zieke glimlachte. Katelijne en Simon de voller, wilden met Betteken naar het zolderkamertje gaan, maar Antoon de wever hield ze terug. «Boven is het veel te koud» sprak hij «warmt u bij den haard en deelt ons brood. Laten wij den avond gezellig doorbrengen en praten over den arbeid, dien wij welhaast zullen hervatten!»

48.--Jakob Van Artevelde, de Wijze Man van Gent. Het treurige tooneel, dat wij in het somber huisje der Wolvesteeg bijwoonden, was te Gent en elders, niet eenig in zijn soort; ten jare 1339 heerschten ellende, gebrek, ziekte in gansch Vlaanderen.

Illustration from Ons Vaderland van de vroegste tijden tot de 15de eeuw

[Kruisboogschutter. (ten tijde van Jacob van Artevelde)] Ziehier wat er was gebeurd: Karel IV, koning van Frankrijk, was gestorven zonder mannelijke erfgenamen na te laten en twee vorsten betwistten elkaar zijne kroon. Het waren Filips van Valois, neef van den overleden koning en Eduard III, koning van Engeland. Een verschrikkelijke strijd, de honderdjarige oorlog, brak uit tusschen Frankrijk en Engeland. De graaf van Vlaanderen, Lodewijk van Nevers, koos partij voor Filips van Valois en wilde Vlaanderen in een verbond met Frankrijk betrekken. Weldra verbood Eduard III den uitvoer der Engelsche wol naar Vlaanderen en door dien maatregel was de wolweverij, de voornaamste tak van nijverheid onzer streken, ten gronde gericht. De vollers, wevers, ververs bevonden zich zonder werk en onze arme voorouders leden verschrikkelijk. Te Gent vergingen de inwoners letterlijk van honger en gebrek. In deze stad leefde toen een man, die boven zijne tijdgenooten uitblonk door zijne wijsheid en welsprekendheid. Hij heette Jakob Van Artevelde, maar zijne stadgenooten noemden hem «den Wijzen Man van Gent.» «Laten wij om raad gaan bij den Wijzen Man» riepen de Gentenaars als uit éénen mond. «Hij alleen kan ons redden.» Artevelde bewees aan zijne medeburgers, dat zij bevriend moesten blijven met den koning van Engeland, zonder daarom tegen den koning van Frankrijk te strijden of anders gezegd, dat zij onzijdig moesten blijven. Jakob Van Artevelde onderhandelde met beide vorsten en volbracht zijne taak op uitstekende wijze. Filips van Valois en Eduard III erkenden de onzijdigheid van Vlaanderen, de Vlaamsche schepen mochten vrij de zee doorkruisen, de Engelsche wol werd hier heengebracht, ellende en hongersnood weken uit stad en dorp. De invloed van den Wijzen Man groeide gedurig aan. Door zijne bemiddeling sloten de gemeenten van Vlaanderen en Brabant een verbond, dat weldra erkend werd door Henegouwen, Holland en Zeeland. Frankrijk echter erkende niet langer Vlaanderens onzijdigheid. Op raad van Van Artevelde, nam Eduard III den titel aan van koning van Frankrijk[33] en sloot in 1342 een verbond met Vlaanderen. De Franschen verloren den zeeslag van Sluis en Eduard maakte zich deze overwinning ten nutte om Doornik te belegeren. Weldra kwam een wapenstilstand de vijandelijkheden schorsen. Graaf Lodewijk van Nevers was naar Frankrijk teruggekeerd; Jacob Van Artevelde zag zich, met den titel van Ruwaert, het bestuur van Vlaanderen toevertrouwd. Handel en nijverheid bloeiden, landbouw, rivier-en zeevaart herleefden.

49.--Broedermoord. Eenige jaren zijn verloopen en, in het houten huis der Wolvesteeg, wonen nog altijd onze vroegere bekenden Livina, Antoon en hunne moeder, Simon, Katelijne en Betteken, dat tot een lief meisje is opgegroeid. Het akelige spook van den honger bedreigt niet langer de sombere woning, gezondheid en welstand zijn er teruggekeerd, maar helaas ... vrede noch geluk zijn er binnengedrongen. Antoon de wever en Simon de voller zijn geene vrienden meer maar vijanden. Als zij elkander ontmoeten ballen zij de vuisten en roepen elkander scheldnamen toe. En weder is voor de arme vrouwen een treurig tijdvak van lijden en tranen aangebroken. Op eenen Maandag morgen had Simon al vroeg zijn zolderkamertje verlaten. «Zoek eene andere woning,» had hij zijne vrouw toegesnauwd, «bij den hoogmoedigen wever blijf ik niet langer inwonen.» Betteken had vader om een kus gesmeekt, maar toen zij dien ontving, had zij, onder vaders kolder, het harde staal eener scherpe bijl gevoeld. Ook Antoon de wever, was sedert geruimen tijd opgewonden, ruw en barsch. De zoete stem zijner zuster, de tranen zijner moeder konden den storm niet bedaren, die in zijn binnenste woedde. Op dien akeligen Maandag morgen had hij, gewapend, de moederlijke woning verlaten, terwijl hij, bij het henengaan, gruwelijke woorden van dood en moord had gemompeld. Thans zaten de vrouwen biddend in de sombere woonkamer, tranen van angst biggelden over hare wangen en treurig klonk hare smeekbede: «En vergeef ons onze schulden, gelijk wij vergeven onze schuldenaren.» «Verlos ons van den kwade» prevelde Livina, maar sprong weldra, evenals de andere vrouwen, verschrikt op. Huilend en schreeuwend, met kletterende wapens, trokken scharen ambachtslieden door de enge steeg, terwijl van de naburige Vrijdagsmarkt een verward gedruisch van menschenstemmen, als de deining eener woelige zee, tot het oor der vrouwen doordrong. «Ik blijf hier niet langer, kermde Livina. Ik wil Antoon halen ... bij de liefde zijner moeder zal ik hem bezweren naar huis te komen.» «Ik vergezel u, Livina» sprak Katelijne. Misschien kunnen wij, vrouwen, moord en doodslag beletten. «Moeder» sprak Livina vastberaden, «sluit de deur dicht achter ons, verberg u met Betteken op het zolderkamertje en bid voor de Gentsche ambachtslieden.» De twee vrouwen verlieten de woning en bevonden zich weldra op de markt. Eene grijze stofwolk verhief zich boven het uitgestrekte plein, waar een akelig schouwspel de oogen der vrouwen trof. Honderden ambachtslieden vochten er tegen elkander; vollers met opgestroopte mouwen, blauwververs met donkergekleurde handen, vleeschhouwers met messen en priemen, smeden met zware bijlen, sjouwerslieden met lasthaken, brouwers, timmerlieden, bakkers, schippers woelden door elkander, bloed vloeide langs den grond, droevige klachten van stervenden, pijnlijke kreten van gekwetsten, stegen naar omhoog. Livina sloot de oogen en meende te sterven, maar eensklaps stiet Katelijne een ontzettenden kreet van wanhoop en smart uit, trok Livina bij den arm mede in de richting der Waaistraat. De knieën van het meisje knikten en toch volgde zij hare gezellin.... Was het zinsbedrog? Was het werkelijkheid?... Neen, zij droomde niet, haar broeder lag op den grond, terwijl Simon de voller hem de knie op de borst drukte en het moordend staal boven zijn hoofd zwaaide. «Gij zult niet doodslaan,» riep Katelijne, «hebt gij vergeten dat Simons zuster ons kind van den dood redde?» Zij sprong op haren echtgenoot toe, trok hem het moordende wapen uit de hand en vluchtte met hem door de Zuivelsteeg. Ondertusschen had Livina haren broeder opgericht en het bloed afgeveegd, dat langs zijne wangen sijpelde. Antoon waggelde als een dronken man, doch Livina ondersteunde en bracht hem, dwars door de vechtende ambachtslieden, bij zijne moeder in het somber huisje der Wolvesteeg.

50.--Dood van Jakob Van Artevelde. De vreeselijke dag, waarop de Gentenaars, alle broederliefde vergetende, zich aan de gruwelijkste moorderijen overgaven, wordt door de geschiedenis met den naam van «Quade Maendach» bestempeld. De gemeenten, die het nageslacht zulke schoone voorbeelden van werkzaamheid en vrijheidsliefde gaven, waren niet vrij te pleiten van groote gebreken, die onvermijdelijk haren ondergang moesten bewerken. Zij waren ijverzuchtig, jaloersch op elkander; de groote gemeenten beheerschten de kleine, alsook het platteland. Niet zelden leefden de verschillende neringen eener zelfde gemeente in onmin met elkander. In 1345 leefden te Gent de vollers, wevers en de kleine neringen in volslagen vijandschap. De haat der ambachtslieden onder elkander was zoo hevig, dat zij, zooals het vorige verhaal ons leerde, elkander gewapend aanvielen en afgrijselijke broedermoorden pleegden. Niets was in staat den steeds klimmenden haat der ambachtslieden te dooven, zelfs de stem van Artevelde, den Wijzen Man, was niet krachtig genoeg om de opgewonden bevolking kalmer en redelijker te maken. Allengs vergaten vele Gentenaars, al wat zij den Wijzen Man verschuldigd waren; zijn invloed verminderde en benijders, vijanden, schijnen getracht te hebben zijn goeden naam te bezoedelen. In de maand Juli 1345 begaf Artevelde zich naar Sluis om met Eduard III te onderhandelen en, bij zijne terugkomst naar Gent werd hij ongemeen koel ontvangen, ja, dreigende stemmen verhieven zich tegen den eens zoo geliefden volksvriend.... 's Avonds begaf zich eene woedende volksmenigte naar Artevelde's huis en sloeg de deuren in. De Wijze Man trad vooruit, wilde tot het volk spreken, het bedaren, maar, hij werd niet eens aangehoord en ... onvergeeflijke snoodheid, de bijl eens moordenaars durfde zich boven het hoofd van den grooten volksvriend verheffen. Zij viel neer en doodde den doorluchtigsten inwoner der Gentsche stad. Het nageslacht erkende de groote verdiensten van Jakob Van Artevelde. Heden verheft zich het bronzen standbeeld van den grooten Man op de Vrijdagsmarkt, waar hij zoo menigmaal sprak tot het volk.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings