← Table of contents
Onder de Mooren

XX.

Reading edition

HET SPRINKHANENLEGER.

Onder zeer treurige omstandigheden trok men den volgenden dag verder. In den afgeloopen nacht namelijk had Dries eene hevige wondkoorts gekregen. Men had zijne wonden onderzocht, en hoewel niet gevaarlijk, waren zij talrijk, en hij had veel bloed verloren. Het ergste was zijn hoofd. Behalve dat de luipaard hem een oor had afgescheurd, waren op den schedel en in den nek allerwege de sporen van de tanden te vinden; en door een paar beten in het gelaat had Dries een stuk of vijf tanden verloren. Daarbij waren zijne schouders geheel ontvleescht. Het een kwam bij het ander. Eerst de val van zijn paard, dat de luipaard had geroken en daarom geweigerd had voort te gaan, daarna de worsteling, de val in de kloof, de afmatting van den zwaren arbeid om in den brandende zon zich naar boven te werken; dat alles had den wakkeren knaap zeer aangegrepen.

't Was gedurende de ziekte van Dries, dat men eerst recht verheugd was eene vrouw bij het gezelschap te hebben. Rebecca toch, de schoone Jodin, was het, die hem onverpoosd oppaste, zijne wonden telkens wiesch en verbond, hem allerlei versterkende middelen klaar maakte, kortom, die hem verzorgde, zooals alleen eene vrouw dat kan.

Zoo goed en zoo kwaad als het ging, had men een rustbed vervaardigd, dat tusschen de twee muilezels van Selam en Mohammed was opgehangen, waardoor de patiënt een gemaklijk leger had en niet blootgesteld was aan schokken. Scheen de zon te fel, dan spreidde men op een paar voet boven hem een stuk doek uit, en zoo lag Dries zoo goed het maar kon.

Met dat al was het treurig, zoo bijna aan het einde der reis, na tal van avonturen en na den dood meer dan eenmaal onder de oogen te hebben gezien, nog in zoo'n verschriklijken toestand te komen. De anders zoo vroolijke knaap lag nu stil daar neder, en 't was net of met hem ook al de vroolijkheid was geweken. Wel poogde de kapitein hem nu en dan door een of anderen geestigen zet wat op te beuren; doch wanneer dit al geschiedde, was het toch slechts voor weinige oogenblikken.

Zoo reed men treurig voort, zoolang de hitte en de toestand van den zieke het gedoogden, en tegen den middag hielt men halt in eene met welig groen bedekte vallei, waar men tot aan den avond zou blijven, want Selam had het gezelschap aangekondigd, dat men binnen een paar uren aan de groote kale vlakte van den Seboe, in het land der Beni-Hassen, zou zijn, en het was wel zaak eerst door eenige uren rust, en een flink diner zich wat te verfrisschen.

Men sloeg de tenten op, en na het maal gebruikt te hebben, gaf men zich in de schaduw van het geboomte aan een zalig nietsdoen over.

Doch die rust zou niet lang duren, want Selam, die reeds eenigen tijd met een onrustbarend gezicht naar den horizont had gekeken, kwam toen hard aanloopen onder het geroep van: »de sprinkhanen! de sprinkhanen!”

Iedereen sprong bij het vernemen van deze Jobstijding op.

—Waar ziet ge ze? vroeg de luitenant.

—Daar bij den ingang van den bergpas van Beb-el-Tinea, zeide Selam, ziet ge die wolk die zich hierheen beweegt? Dat zijn ze.

Met eene ontzettende snelheid daalde de wolk en viel als een levende hagel neer. Bladz. 193.
Met eene ontzettende snelheid daalde de wolk en viel als een levende hagel neer. Bladz. 193.

Met eene ontzettende snelheid daalde de wolk en viel als een levende hagel neer. Bladz. 193.

Het geheele gezelschap tuurde uit naar de aanwijzing van Selam.

Inderdaad zag men heel in de verte eene ontzaglijke donkere wolk, die uit het zuiden van de vlakte van den Seboe kwam opdagen.

—Zij komen recht op ons aan, want de oostenwind drijft ze hierheen, zeide Selam op angstigen toon.

—Welnu, zeide de kapitein, vertrekken we. Het wordt tijd. Ik ken dat goedje.

—Vertrekken, vroeg Dries, die in de schaduw lag uitgestrekt, vertrekken, en waarom dan?

—Waarom, antwoordde de kapitein, omdat straks over een uur, een half, een kwartier misschien reeds, die wolk zal neerdalen in deze met welig groen bedekte vallei en alles zal bedekken, het gras, de planten, de boomen, kortom alles, en, nadat het al wat maar plant is, zal hebben opgegeten, ons zal overstelpen.

—Ja, zeide de luitenant, komaan Selam, maak voort.

Dat behoefde voor Selam niet herhaald te worden. In een oogenblik was alles gereed, en eer een kwartier was verloopen, reed men voort naar den bergpas van Beb-el-Tinea.

Maar het sprinkhanenleger was sneller in zijne bewegingen dan men had gedacht, en reeds zag men ze met schrik naderen. 't Was eene wolk van ontzettenden omvang. Zij kwam al nader en nader. Op eens hoorde men een gefluit als dat hetwelk een storm voorafgaat, vermengd met een geloei en gedruisch als van een woedenden orkaan. Op hetzelfde oogenblik werd het duister, alsof de nacht inviel. De levende wolk bevond zich voor de zon en onderschepte haar licht. Menschen en dieren werden door ontzetting aangegrepen. De kameelen begonnen te brullen, de paarden brieschten van vrees, en steigerden en sloegen woedend om zich heen. Gelukkig waren de twee muilezels, tusschen welke Dries op zijn rustbed lag, te stevig aan elkaar gekoppeld om zich los te rukken, maar de beesten stonden nu op de vóór- dan op de achterpooten, en Dries kon zich niet anders dan door zich stevig vast te klampen, voor vallen behoeden. Om de verwarring te vermeerderen begon de levende wolk te dalen.

Selam stiet een angstkreet uit, en zijnen ezel aansporend schreeuwde hij:—Vooruit, vooruit, naar den pas!

Iedereen poogde hem te volgen en spoorde zijn viervoeter aan, maar het was reeds te laat. Met eene ontzettende snelheid daalde de wolk en viel als een levende hagel neer. Boom en plant, mensch en dier waren in een oogwenk door dat heir van ongedierte overdekt en het was onmogelijk verder te komen. Toen werden de dieren opeens als door eene verlammende vrees overvallen en bleven staan. Geen sporen, geen zweepslagen, niets hielp. En dat wriemelende ongedierte overdekte alles, kroop in de mouwen en plooien der kleederen, in de ooren der paarden, in den loop der buksen zoodat men geen handen genoeg had om zich dat tuig van het lijf te houden.

Binnen weinig tijds was de geheele omtrek kaal gegeten. Daar vóór hen uit kwam het leger, steeds opmarcheerende, recht op hen aan. Het was een groen veld, dat zich voortbewoog. Met eene wanhopige poging gelukte het eindelijk de dieren voort te krijgen, en men galoppeerde over dien beweegbaren bodem. Het kraakte en piepte onder de hoeven der paarden, en telkens gleden zij uit zoodat zij bijna vielen. Dan bleven de dieren weer een oogenblik als versuft staan, maar de sporen en stokslagen dreven hen verder.

Eindelijk, na een half uur in woedenden galop te zijn voortgegaan, was men ter linkerzijde buiten den grooten hoop gekomen. Hier waren nog slechts enkele afgedwaalden. Toen hield ons gezelschap halt, schudde en sloeg de dieren van zich af, en bleef een oogenblik uitblazen om den voortgang van dat verwoestende heir gade te slaan.

En het was waarlijk een merkwaardig schouwspel, dat vernielende leger te aanschouwen. Allengs trok de massa zich samen en vormde eene kolonne, wier lengte niet juist te bepalen was en ter breedte van 10 à 20 voeten. In geregelde orde marcheerde deze kolonne voort door de vallei, hier zich verspreidend, daar, waar den bodem zandig of steenachtig was, zich samentrekkend, en toen men den bergpas van Beb-el-Tinea bereikt had, na een rit van drie uren, zag men eerst de achterhoede van dat geduchte leger.

Een treurigen en ontzettenden aanblik leverde de streek op. Het was alsof men opeens in den winter was verplaatst. Geen boom, waaraan nog een blad of twijg te vinden was. Zij stonden daar als dood, hunne naakte takken ten hemel heffend, als smeekten zij om wraak over die plotselinge vernietiging; van velen was zelfs de schors afgevreten. Evenzoo het lage hout en de struiken; die bosschages, daar straks zoo dicht, zoo groen, men kon er thans doorheen zien. De planten, het gras, met één woord, alle wasdom, alle plantengroei was in eenige uren verdwenen.

Het was alsof men door eene doode landstreek trok, alsof men zich in eene woestijn bevond. Er was geen plant of grashalm van een vinger lang te vinden. Daarentegen was de aarde als overstroomd van allerlei kleine zoogdieren, kruipende dieren en insecten, die naar alle kanten een goed heenkomen zochten, opgejaagd uit hunne schuil- of woonplaatsen, en voor die allen schoot voor het meerendeel niets anders over dan de hongerdood. De eenigen, die feesthielden, waren de roof- en insecten-etende vogels, welke in groote zwermen van heinde en ver aanrukten om de achterhoede en de flanken van het sprinkhanenleger te bestoken.

—Daar gaan zij, de verwoesters tegen wie niets bestand is, zeide de luitenant; eerst de verwoesting, en daarna de hongersnood en de pest.

—Allah behoede ons land, zeide Selam! 't is een vloek des hemels, 't is eene tuchtroede die over het land komt!

—Ja, zeide de kapitein, ik heb ze meer gezien, die verwoesters, dien schrik van den landbouw. In 1845 kwam die geesel over Algiers. Daarna hoorde men er in langen tijd niets van, maar in 1866 veroorzaakten zij eene vreeslijke ramp. De sprinkhanen kwamen uit de Sahara. In de maand April begon de inval van dat ongedierte. Komende uit de bergengten en valleien van het zuiden, stortten zij zich neer in de Mitidja en den Sahel van Algiers. Zij waren in zoo'n ontzettend getal aanwezig, dat hunne wolken de zon verduisterden. Zij verslonden het koolzaad, de haver, het graan, de gerst, de groenten, kortom al wat plant was en drongen zelfs in de huizen door. De Arabieren beletten door het branden van groote vuren, die een dikken rook van zich gaven, en door een geweldig leven de sprinkhanen neder te dalen.

—Maar nog erger werd het op het einde van Juni, toen de dieren waren uitgekomen en de daardoor vermeerderde sprinkhanen zich in grooten getale overalheen verspreidden. De kanalen en zelfs de stroomen werden letterlijk door hen gedempt. De grond was er zoo mee bedekt als bij menschengeheugenis het geval niet was geweest Om de lijken der doode dieren te verwijderen, vereenigden verscheidene duizenden soldaten zich met de kolonisten en de inlanders, doch hunne pogingen stuitten af op het onnoemelijk aantal.

—Omstreeks denzelfden tijd werden de provinciën Oran en Constantine door hen bezocht. Hier vernielden zij te Sidi-Bel-Abbès, te Sidi-Brahim en te Mostaganem de tabak, den wijnstok, de vijgen en zelfs de olijven, ondanks hun bitter gebladerte. Te Pelizane en te Habra vernielden zij de katoen. De weg van Mascara tot Mostaganen was er over zijne volle lengte van 80 kilometers mede overdekt. In de provinciën Constantine overweldigden zij het land van den Sahara tot aan de zee en van Bougie tot aan Galle, verwoestende de omstreken van Batna, Setif, Constantine, Guelma, Bona en Philippeville. Deze vreeslijke plaag veroorzaakte over dit geheele gedeelte van Barbarije een grooten hongersnood.

—Drommels, zeide Dries, ik wist niet, dat dat kleine groene beest zoo'n verschriklijke vijand is.

—Ba, zeide de kapitein, 't is een walgelijk, schandelijk ontuig, en ik weet waarachtig niet waarvoor dat goed op de wereld is.

—O, zeide de luitenant, zij zijn bekend sedert de vroegste tijden, ja, men kan zich geen nog zóó lang verleden denken, of men vindt de verwoestingen, door deze dieren aangericht, en den daarop gevolgden hongersnood en pest opgeteekend.

—Pest, zeide Dries vragend, ook dat nog? Duivels! hongersnood kan ik mij begrijpen, wijl zij alles verslinden, wat voor den mensch bestemd is, maar waardoor komt de pest, luitenant?

—'t Is heel natuurlijk, antwoordde Frank. Van die millioenen en millioenen sprinkhanen worden er ook millioenen gedood. Zij verdrinken in de stroomen en kanalen, bronnen, enz., worden vertreden en door rook verstikt. Deze doode insecten, blootgesteld aan eene brandende Afrikaansche zon, gaan spoedig tot ontbinding, tot rotting over. Een paar dezer dieren, ja een honderdtal zou nauwlijks genoeg stank verwekken om opgemerkt te worden, maar die soms meer dan een palm dikke laag rottende diertjes verontreinigt door den afschuwelijken stank de lucht en het water en veroorzaakt daardoor de pest.

—Dank u, zeide Dries, nu is het mij duidelijk.

—Deze vernielende sprinkhaan, aldus vervolgde de luitenant, komt gewoonlijk uit de woestijnen van Arabië en Tartarije in Azië opzetten. De oostenwinden voeren die ontzaglijke wolken hierheen. Het is gebeurd, dat schepen op 60 à 80 mijlen van de kust er mede overdekt werden. Niet alleen Afrika, maar ook Europa is meermalen door hen geteisterd. Bizonder was dit het geval in 1747, 1748 en 1749. In 1748 kwam een dier sprinkhanen-wolken tot in Engeland. Gij hebt straks gezien, hoe zij onzen marsch vertraagden; welnu, ik zal u een nog erger staaltje noemen van hetgeen zij vermogen. Toen Karel XII, de dappere, avontuurlijke, maar ongelukkige Zweedsche Vorst, nog slechts 27 jaar oud, na de Denen, de Russen en de Polen overwonnen te hebben, opnieuw den oorlog met de Russen begon om de Ukraine te veroveren, werd hij voor 't eerst overwonnen door de Russen onder Czaar Peter I, die door de ondervonden nederlagen het oorlog voeren beter had geleerd. Dat was op den 2den Juli 1709 en de nederlaag van Pultawa, waar de Zweden door de overmacht der Russen werden verpletterd, was oorzaak, dat Karel op Turksch grondgebied de wijk moest nemen. Het was toen, op dezen terugtocht in Bessarabië, dat het leger, zich in een bergpas bevindende, werd overvallen door de sprinkhanen, die met een geweld als van een orkaan kwamen aanzetten, de zon verduisterden en een geluid maakten als het geloei van de verbolgen zee. Het geheele leger werd een tijdlang hierdoor opgehouden.

—Parbleu! zeide de kapitein, men moet respect voor dat ongedierte hebben.

—Zoo kreeg elk land, elk werelddeel zijne beurt, vervolgde de luitenant. In Indië, in de landen van de Mahratten, zegt men eene kolonne gezien te hebben van 80 mijlen lang en verscheidene voeten breed, die vast aaneengesloten, alles verwoestende, voortrokken. In 1835 werd China door deze plaag bezocht. Zon en maan werden door hunne wolken verduisterd. Het geheele plantenrijk niet alleen, maar zelfs de oogst in de voorraadschuren en de kleederen in de woningen werden verslonden. Den inwoners sloeg de schrik om het hart, en men vluchtte naar het gebergte. Barrow en Levaillant verhalen, dat hunne verwoestingen in Zuid-Afrika ontzettend zijn en alle beschrijving te boven gaan. De rivieren en stroomen vonden zij er als het ware door gedempt, en het land was niet alleen kaal maar zag er uit, als ware het geëgd. Hier in Marokko veroorzaakten zij in 1780 een vreeslijken hongersnood.

—Ja, zeide Aroesi, 't is waar. Allah heeft ons arm land toen zwaar bezocht. Er heerschte zoo'n nood, dat men van de opgegraven wortelen leefde. De armen zochten de graankorrels uit den drek der kameelen, om zich er mede te voeden.

—Vreeslijk, zeide de kapitein, verschriklijk!

—Ja, wel verschriklijk, antwoordde de luitenant. In Senegal werd op het einde van 1864 de geheele aanplant der koffie door hen verwoest, en men nam waar, dat hunne voorhoede eene wolk vormde van vijftien mijlen lengte. En generaal Levaillant heeft te Philippeville eene wolk gezien, die 3 à 4 myriameter lang was, en toen deze nederstreek, vormde zij eene laag van 3 palm dikte.

—'t Is waarlijk niet te verwonderen, zeide Dries, dat er de pest door ontstaat.

—De eenige voldoening, die men er nog van heeft, zeide de kapitein, is, dat men wraak op hen kan nemen door ze te eten.

—Eet men dat tuig? vroeg Dries. Nu spot ge zeker, kapitein!

—Neen, waarlijk ik spot in het geheel niet, antwoordde de kapitein. De Bedouïnen,3) de Kabylen,4) de Mooren en de negers eten ze. De gewone soort van sprinkhaan, door de inlanders djerab-el-arbi genaamd, wordt veel door hen gegeten. Zij snijden den kop af onder het prevelen van Bism-Allah (in den naam van God). Daarna rukken zij ze de vlerken en de lange pooten uit en eten het lichaam met een weinig zout.

—Een lekker kostje, zeide Dries. Ba! als ik er om denk, word ik misselijk. Hoe is het mogelijk zulk walgelijk ongedierte te eten.

—Nu, onaangenaam smaken ze niet, antwoordde de kapitein. Ik heb ze geproefd; zij smaken eenigszins als kreeften.

—Wel moge 't u bekomen! zei Dries, maar ik dank er voor.

—Ja, zeide de luitenant, ik bewonder uw moed, maar hoe hartstochtelijk minnaar van insecten ik ben, geloof ik toch niet, dat ik den moed zou hebben ze te eten. Overigens zijn het niet alleen de Arabieren en Mooren, die ze als voedsel gebruiken; in alle Oostersche landen is dat gebruiklijk. Men kookt en braadt ze, en discht ze zelfs in de koffiehuizen op als dessert en lekkernij.

—De Arabische vrouwen en kinderen rijgen ze aan een draad even als een rozenkrans, en brengen ze na ze gedroogd te hebben in den handel. Ook in Zuid-Afrika worden zij door de inwoners niet versmaad; de Hottentotten houden er veel van, en als het land, zooals nu hier het geval is, door sprinkhanen-zwermen wordt overstroomd, verzamelen zij ze en zouten ze in aarden potten in, om ze te kunnen bewaren.

—Maar is er geen middel op, om dat gevaarlijk insect te verdelgen? vroeg Rebecca.

—Wat zal ik u daarop antwoorden, zeide de luitenant, men heeft nu en dan maatregelen daartoe genomen. Reeds bij de oude Grieken bestond eene wet, die in zoodanig geval elken burger verplichtte een zeker getal maten sprinkhanen te leveren. Somtijds heeft men er premiën uitgeloofd voor het opzoeken der eieren. Zoo gaf men in 1613 in Provence voor een kilogram eieren ongeveer 25 cents en voor een gelijk gewicht sprinkhanen de helft. Marseille gaf toen aan premiën 20.000 francs en Arles 25.000 francs uit, en nog kort geleden betaalde men in dezelfde streken aan premiën in verschillende jaren van 2200 tot 6200 francs per jaar.

—Dat heeft men in onze kolonie (Algerië) ook gedaan, zeide de kapitein. In 1850 betaalde het gouvernement voor een zak sprinkhanen ongeveer 12 cents en er werden zoovele zakken aangebracht, dat men telkens eene partij van 30 à 40 kameelenvrachten naar Medeah bracht.

—Maar, dat moeten millioenen en millioenen geweest zijn, zeide Dries.

—Ja, zeide de kapitein, men kan van hen met recht zeggen: zij zijn ontelbaar als de zandkorrels in de woestijn en als de sterren aan den hemel.

—Neem nu eens in aanmerking, zeide de luitenant, dat de sprinkhanen ongeveer 40 eieren leggen. Men kan dan een weinig begrijpen, vanwaar die ontelbare massa dieren komt.

—Behalve het zoeken naar eieren, om die te verbranden, is er al heel weinig tegen hen te doen. Het eenige, dat met succes gedaan wordt, is, ze met groote goed rookende vuren te beletten om neder te dalen. De negers in Midden-Afrika beproeven dit ook door een oorverscheurend concert van helsch gekrijsch aan te heffen. Hierdoor doet men echter natuurlijk niets anders dan de ramp verplaatsen; ge jaagt ze daardoor van uw land naar dat van uwen buurman en hierdoor ontstaan meermalen bloedige oorlogen. In Hongarije moet men eens beproefd hebben ze te verjagen door middel van kanonschoten, en het moet geholpen hebben ook.

—'t Is een vloek! mompelde Aroesi.

—Ja, zei Selam, een vloek, verwoesting, ellende, hongersnood, dood en pest. Toorn van den Profeet. Allah behoede ons arm land!

Intusschen had men het sprinkhanen-leger uit het gezicht verloren en trok men den bergpas in. De geheele weg, dien men langs kwam, was dor en als uitgestorven; geen plant, geen grasje bespeurde men. Gelukkig dat men voeder voor de beesten had, anders zou men gevaar hebben geloopen, dat ze van honger waren omgekomen. Den bergpas uitkomende, zag men opeens weder de uitgestrekte vlakte van den Seboe voor zich, en men sloeg daar het kamp op, om den anderen morgen vroeg de vlakte te betreden onder eene hitte van 45 graden Celsius. Na een rit van vier uren werd het kamp aan den oever van den Seboe opgeslagen, want het was onmogelijk onder de hitte, die toen reeds tot 47° was gestegen, voort te gaan. Ook hier vond men de sporen van den doortocht der sprinkhanen, en de oppervlakte van den Seboe was zoodanig overdekt met de drijvende lijken, dat het water er groen van zag als ware het een groen veld.

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings