← Table of contents
Onder de Mooren

XVIII.

Reading edition

OP DEN TERUGTOCHT.—MECHINEZ.—DE KIF.

't Was reeds een paar uren nà zonsopgang en nog kwam de kapitein niet opdagen.

De luitenant werd onrustig en wandelde, vergezeld van Dries, langs den stroom in de richting der stad.

De morgen was heerlijk. Het sinds eenige dagen zoo droge, schrale groen was door den overvloed van water meer dan verkwikt, en zag er zoo frisch uit, dat men zich wel had willen uitstrekken op het mollige frissche tapijt. Tallooze soorten van insecten vlogen rond, kropen tegen de stengels en bladeren der planten en boomen op, of bewogen zich snel tusschen het gras.

De luitenant vond eene goede gelegenheid om zijnen voorraad aan te vullen en verdreef zoo den tijd, die hem, wachtende op zijn vriend, bizonder lang viel. Dries, die zijne buks had medegenomen, schoot op de wilde duiven en reigers, die hier in menigte waren te vinden.

Juist schoot hij onder eene vlucht duiven. Een paar daarvan vielen op den grond, toen opeens een roofvogel bliksemsnel toeschoot, een der geschoten duiven aangreep en er even snel mede wegvloog.

—Drommels, zei Dries, dat is knap gedaan en je mag je buit behouden; ik zal niet op je schieten.

—'t Is een havik, zeide de luitenant; dat goed is erg brutaal, maar zoo heb ik het nog nooit gezien.

—Kijk, zei Dries eensklaps, daar komt eene Moorsche dame aan op een ezel, met een bediende bij zich. Maar zie eens, luitenant, wat wil die kerel? Men zou haast zeggen, dat hij ons wenkt.

De luitenant hield de hand boven de oogen en keek in de aangeduide richting.

—Dat begrijp ik niet, zeide hij. Wat die Moorsche dame of die kerel toch van ons willen?

—Wie weet, zei Dries, misschien is het wel een bode, door den kapitein afgezonden.

—In elk geval, zeide de luitenant, zullen wij hun te gemoet gaan; bevreesd behoeven wij niet te zijn. Kom, Dries!

Men liep snel voort in de richting der vreemdelingen en verdiepte zich in allerlei gissingen, wie of wat het kon zijn.

De vreemdeling maakte ook spoed. De bediende hield den ezel bij den teugel en spoorde hem met woorden en stokslagen aan harder te loopen.

Toen bleef Dries stokstijf staan.

—Nu, vroeg de luitenant, wat is er?

—Bij mijne ziel, zeide Dries, als ik het niet beter wist, zou ik zeggen, dat ik dien Moor meer heb gezien. De kerel heeft zoo'n bekende houding en gang, waar duivel kan ik hem gezien hebben?

—Ja, mij komt hij ook bekend voor, antwoordde de luitenant, en toch weet ik hem mij niet te herinneren.

Een honderd pas verder bleef Dries weder staan en greep den arm van den luitenant.

—God in den hemel, luitenant! ziet ge niet wie het is? riep hij uit. 't Is de kapitein, en zijn geweer wegwerpend, snelde hij den naderenden te gemoet.

De kapitein had zijn ezel losgelaten en was, toen Dries op hem toesnelde, een eind vooruitgeloopen.

—Parbleu, mijn brave vriend, leef je ook nog! zeide de kapitein, nadat de eerste verbazing voorbij was.

Thans was ook de luitenant genaderd, en de vreugde van het wederzien was zoo hartelijk als alleen onder vrienden, die veel gevaar met elkaar gedeeld hebben, zulks kan zijn.

—Maar wat weerga, kapitein, zei de luitenant, wat in 's hemels naam hebt gij nu toch weer voor een dollen streek uitgevoerd. Hebt ge eene Moorsche schoone geschaakt?

De kapitein begon hartelijk te lachen.

—Geschaakt heb ik haar niet, zeide hij. Zij is mij uit vrije beweging gevolgd. Maar dit zal ik u later verhalen; volg mij en ik zal u aan haar voorstellen.

De kapitein deed, zooals hij had gezegd en toen Rebecca haren langen sluier opsloeg, zagen de luitenant en Dries, in plaats van eene Moorsche, het schoone gelaat der Jodin, die verlegen hoewel glimlachend onze vrienden aankeek.

De luitenant maakte eene beleefde buiging en drukte haar hartelijk de hand, terwijl Dries er zich met eene linksche buiging en een militair saluut afmaakte.

—Hoe het zij, zeide Frank tot den kapitein, 't is hier de tijd noch de plaats voor verdere ophelderingen, doch wie gij medebrengt, die is van harte welkom. Laten wij ons nu naar onze schuilplaats spoeden, dáár kunnen wij praten! En men begaf zich terstond op weg.

—Duivels, mompelde Dries, nu en dan een blik op Rebecca slaande, men kan niet zeggen, dat de kapitein een slechten smaak heeft.

—Moeten we nog niet haast den stroom over? vroeg de kapitein, naar het kamp rondziende.

—Wel neen! zeide de luitenant. O, 't is waar, gij weet het nog niet, ons kamp bestaat niet meer.

—Wat! riep de kapitein, bestaat het niet meer?

—Volg ons maar, hernam de luitenant, en ge zult zien, dat wij geen slechten ruil hebben gedaan.

—En hoe is het met mijn getrouwen Mohammed en Selam en onzen vriend Aroesi?

—Allen nog springlevend, zeide Dries.

—Goddank, zeide de kapitein, dat is mij een steen van 't hart.—Drommels! ge moogt zeggen wat ge wilt, maar ik vind, dat wij buitengewoon gelukkig overal doorheen rollen.

—Tot heden ja, antwoordde de luitenant, maar wij zijn nog niet terug; wie weet wat er nog kan gebeuren!

—Ba! zeide de kapitein, op zijne gewone luchtige manier, ik gevoel mij tweemaal zoo sterk als anders. Al kwam de duivel, ik zou hem weerstaan.

—Zie, zeide de luitenant, dat komt er van als men verliefd is en eene schoone vrouw medevoert.

Men was intusschen de plaats genaderd, waar de uitgestrekte graanvelden begonnen, en wilde juist het koornveld betreden, toen allen opeens schrikten van eene gestalte, die zich bliksemsnel voor het verbaasde gezelschap vertoonde, alsof zij uit den grond verrees.

De schrik duurde echter slechts kort; 't was niemand anders dan Mohammed, die uit een soort van greppel opstond, waarin hij had gelegen.

Niet zoodra zag hij den kapitein onder het gezelschap, of hij sprong als een wilde op hem toe, greep zijne handen en bedekte die met kussen, terwijl de tranen hem uit de oogen sprongen. Toen rees hij overeind en vloog als een pijl uit den boog door het korenveld, om Selam en Aroesi de blijde tijding te brengen.

Selam vermaakte zich met op de vogels te schieten, die hij uit het koren opjoeg, en had reeds een paar dozijn duiven naast zich liggen, toen hij den snellen loop van Mohammed vernam en deze hem in het volgend oogenblik om den hals vloog.

—Mohammed mijn vriend! zeide Selam, die het onder die omhelzing te benauwd kreeg, bij Allah, je worgt me; wat is er aan de hand?

—De kapitein! was al wat de verheugde Mohammed kon uitbrengen.

—De kapitein? riep Selam. Maar laat me dan toch los, ik stik half.

Met moeite onttrok hij zich aan de al te onstuimige omhelzing en volgde Mohammed.

Na de begroeting zat men eindelijk in de tenten. 't Was daar echter spoedig benauwd, en weldra zat men buiten rondom een paar heldere op den grond uitgespreide kleeden, waarop Selam en Mohammed binnen korten tijd een keurig diner opdischten, verrijkt met een paar dozijn vette heerlijk gebraden duiven.

Toen men met smaak had gedineerd, kwamen de geurige koffie en de sigaren voor den dag. Onderwijl werd het gesprek levendig, en de één voor, de andere nà, verhaalde nu aan den kapitein zijn wedervaren op dien dag, en natuurlijk biechtte ook de kapitein zijne avonturen op, hoewel hij veel van hetgeen Rebecca betrof, en wat hij niet voor ieders ooren geschikt achtte, voor zich hield om het den luitenant later mee te deelen.

—En waart gij niet bevreesd herkend te worden? vroeg de luitenant.

—Ja, daar was ik nu en dan wel eens bevreesd voor als de Arabieren of Mooren mij zoo onderzoekend aankeken. Maar, Goddank! dat duurde slechts een half uur. Toen waren wij buiten de stad. Maar die hevige regen van gisteren avond noodzaakte ons een grooten omweg te maken, anders waren wij reeds eer hier geweest.

Intusschen had de luitenant last gegeven de goederen op de beesten te laden en alles klaar te maken voor de afreis. Dit spoedige vertrek geschiedde op raad van Aroesi, die bevreesd was, dat de fanatieke bevolking van Fez het wel eens in het hoofd kon krijgen, om de Christenen op te sporen en te vervolgen. En daar men licht kon weten vanwaar ons gezelschap gekomen was, werd er besloten om, ten einde alle mogelijke vervolging te vermijden, een anderen weg voor de terugreis te kiezen.

Een paar uren later trok de kleine karavaan, thans met twee personen vermeerderd, behoedzaam en zich zooveel mogelijk verborgen houdend, voort op den weg, die van Fez naar Mechinez loopt, welke stad, de parel van Marokko genoemd, op vijftig kilometer afstand van Fez ligt.

Dat was eene hitte op dien dag! En het was nogal nà den middag, dat wil zeggen na de grootste hitte. Het was dan ook bijna onmogelijk voort te trekken. Daarbij kwam de eentonige landstreek, die niets anders opleverde dan wat men op de heenreis dagen lang had gezien: bebouwde velden met graan, gierst enz. Het eenige verschil bestond op sommige plaatsen daarin, dat men aan het maaien was. Hier en daar stonden een paar mastboomen of dwergpalmen. Men passeerde kleine uitgedroogde riviertjes en alles zag er dor en droog uit. Eindelijk dwong eene hitte van 42 graden Celsius (107° Fahrenheit) ons gezelschap de eenige overgeblevene tent op te slaan. Selam, Mohammed en de drijvers, die hunne tent zeer misten, hadden echter spoedig een paar lange takken afgesneden, en na die op een paar meter van elkaar in den grond te hebben gestoken, zoodat zij een vierkant vormden, boog men de topeinden naar elkaar toe, bond die te samen en wierp er alle kapmantels over, die men kon missen. Zoo was men ten minste eenigermate tegen de brandende hitte beveiligd.

—Wat een hitte! zuchtte de luitenant.

—O, zeide de kapitein, wees maar stil; we hebben nog maar tweehonderd mijlen vóór ons.

—En de zekerheid van elken dag zoo'n hitte te hebben, zeide de luitenant.

—Een prettig vooruitzicht! merkte Dries aan.

Men beproefde te slapen, doch daar was geen denken aan. Men bleef stil liggen totdat de insecten zich begonnen te vertoonen, en deze droegen er niet weinig toe bij om onze vrienden wanhopend te doen worden. Toen het al te erg werd, bestrooide men den grond weder met kruit, en dat hielp. Eindelijk, na langen tijd rusteloos te hebben liggen wenden en keeren, gelukte het hun laat in den nacht in slaap te komen.

Den tweeden en derden dag was het eveneens heet. De hitte verminderde niet, ja vermeerderde eer. Voor het overige bracht het tamelijk drukke verkeer op den weg tusschen Fez en Mechinez een weinig afwisseling in den marsch. Men ontmoette troepen Arabieren met hunne zeissen, die uit maaien gingen, groote karavanen van beladen kameelen, paarden, vee enz.; dat alles ging naar de markt. Daardoor ook werd men gewaar dat men Mechinez naderde, en den derden dag van de terugreis zag men tegen den avond opeens op een heuvelrug de stad vóór zich, omgeven van muren waarboven witte minarets en palmen uitstaken.

Daar Selam en ook Aroesi van meening waren, dat men zonder groot gevaar de stad zou kunnen bezichtigen, en zij bovendien zoozeer hare schoonheid roemden, besloot men in de nabijheid te overnachten en Mechinez den anderen dag te bezoeken.

Zoo was men dan, o wonder! eindelijk in eene Marokkaansche stad aangeland, waar men zonder levensgevaar kon rondwandelen. Nog grooter wonder was de aangename verrassing van breede straten aan te treffen; geen steegjes, zooals bijna overal, geen hemelhooge muren, die het daglicht uitsloten; neen, hier waren breede straten, lage huizen en lage tuinmuren, waarboven het frissche groen kwam uitkijken.

Door eene der poorten, waarachter eene tweede poort, kwam men in de stad, welke door drie muren met tinnen gekroond omgeven was. Wel waren de straten niet recht maar vreeslijk kronkelend, doch dat zag men gaarne over het hoofd om het vele schoone, dat men aantrof. De indruk was zoozeer verschillend van wat men in de andere steden had gezien, dat onze vrienden geen woorden konden vinden om hun gevoelen lucht te geven. Niet alleen de breede straten en het frissche groen, maar nog veel meer schoons was het, dat hun aangenaam aandeed. Men vond er ruime pleinen, waar prachtige eike- en vijgeboomen prijkten, frissche klaterende fonteinen en telkens werd het oog bekoord door prachtige proeven van Moorschen bouwtrant.

Bovendien was de frissche landelijke lucht bezwangerd met allerlei bloemengeuren en heerschte overal eene rust, die onbeschrijflijk aangenaam was.

Een der fraaiste bouwwerken was ongetwijfeld het paleis van den gouverneur, dat op een plein stond, en waarvan de gevel uit een heerlijk mozaïek bestond. Die kleuren, door het vroolijke zonlicht beschenen, deden denken, dat de gevel van dat paleis was ingelegd met edelgesteenten. Het fonkelde en schitterde in alle schakeeringen; kortom, het was een tooverpaleis uit de »Duizend en één nacht.” Niet minder trok de fraai bewerkte boog van eene oude poort hunne aandacht.

Het was geen wonder, dat het onzen vrienden moeite kostte deze schoone plaats te verlaten. Doch de tijd was beperkt en Aroesi, zoowel als Selam, drong er op aan spoed te maken. Echter was de luitenant niet te bewegen heen te gaan vóór hij met vlugge trekken een paar schetsen van den gevel van des gouverneurs paleis en van de schoone poort had gemaakt.

Het was zeer vroeg in den morgen, dat men dit uitstapje had gemaakt. De drijvers waren intusschen met de kameelen vooruitgegaan en ons gezelschap reed zoo snel als de hitte het slechts veroorloofde, ten einde hen zoo spoedig mogelijk in te halen. Hier werd de landstreek, als om het eentonige van de vorige dagen te vergoeden, weder bij uitstek schoon en lieflijk; heuvels, die bijna geheel bedekt waren met de fraaiste rozenstruiken en dicht geboomte, afgewisseld door alleenstaande palmen of aloë's en de lucht bezwangerd met de aangenaamste geuren. Dien avond kampeerde men onder beschutting van een laag bosch op eene vlakte, die geheel met bloemen was overdekt.

Het was op dezen avond, dat in het gesprek, hetwelk voornamelijk over de schoone stad Mechinez liep, ook de beruchte kif ter sprake kwam, en de luitenant, die Aroesi verdacht van kif bij zich te hebben, den wensch uitte om eens eene proef daarmede te nemen. Na eenig tegenstribbelen gaf Aroesi nog half onwillig toe, daar Frank hem verzekerde, dat het alleen was om bij ondervinding te kunnen spreken van de zoozeer geroemde gewaarwording, die men daarvan moet ondervinden.

De kif, door geheel het Oosten om hare bedwelmende kracht beroemd, is het blad van den haschisch, een soort van hennep. Men gebruikt het op tweeërlei manier, namelijk men rookt het met tabak vermengd, of eet het gemengd in een zoet, uit boter, honig, kruidnagelen en muskaatnoot bestaand deeg, hetwelk men madjaen noemt. Vooral in Marokko wordt het veel gebruikt.

Het gezelschap zat in de tent bijeen, toen Aroesi aan Frank de kif toediende. Het was een klein stukje, dat hij uit een gouden doosje nam. Het zag er week, deegachtig uit en was violet van kleur.

Op het gelaat van Dries en den kapitein was eene uitdrukking van angst te bespeuren, toen de luitenant het stukje in den mond stak.

—Dat is een rare smaak, zeide de luitenant, echt oostersch, 't smaakt als gesuikerde pomade.

—Smakelijk eten! zeide de kapitein.

Een half of drie kwart uur verliepen zonder dat zich eenig verschijnsel openbaarde, en reeds dacht men dat de dosis te klein was geweest, doch opeens begon de luitenant op opgewekten toon druk mede te praten.

Aroesi gaf den kapitein en Rebecca een wenk, en Dries hield, met eene angstige uitdrukking op het gelaat, de oogen op zijnen heer gevestigd.

Al drukker en drukker begon de luitenant te praten, en zijne vroolijkheid steeg zonder eenige reden ten top.

—Het begint al te werken, zeide Aroesi lachend tot den luitenant.

Deze lachte hartelijk.

—Hoe gevoelt gij u? vroeg de kapitein.

—Opperbest! antwoordde de luitenant, en hij begon schaterend te lachen.

Eene uitbundige uitbarsting van vreugde volgde hierop. De luitenant keek vroolijk rond, lachte om al wat er werd gezegd, om de blikken die men op hem wierp, om de voorwerpen die hij ontwaarde, kortom alles wekte zijn lachlust op.

Dries zette een boos gezicht.

Opeens sprong de luitenant op en zijn glas opheffend, riep hij met eene van aandoening trillende stem:—Vrienden! ik ben gelukkig, en ik zou u allen ook gaarne gelukkig willen zien. Aroesi, mijn wakkere trouwe vriend! gij gaat met mij mede naar Holland. Ik ben millionair en zal u rijk maken.

—Parbleu! zeide de kapitein, dan ga ik ook mede.

—En Selam, aldus ging de luitenant voort, Selam dien dapperen knaap, hem zal ik laten opvoeden, zooals het betaamt. Na een kundig man te zijn geworden, zal hij naar zijn land terugkeeren en Minister, misschien wel Sultan worden, en zijn land beschaven. Dries, Mohammed, Selam waar zijt gij, mijne dapperen? gij, die elk oogenblik bereid zijt uw leven voor ons te geven, om u voor ons op te offeren. Komt allen hier. Ik ben gelukkig! Komt, laat ik u omhelzen.

Hij ging weder zitten, en Dries stond op en ging de tent uit.

—Het wordt mij hier te benauwd, mompelde hij. Waarvoor, bij alle duivels, heeft hij ook dat goed te eten, 't is vergift!

Eenige oogenblikken bleef Frank stil zitten. Telkens hief hij het hoofd op, en keek het gezelschap aan, als wilde hij iets zeggen.

—'t Was op den 19en Februari van het jaar 1865, begon hij. Ik moest naar.... wat drommel! waarheen moest ik ook. O ja, ge weet wel, kapitein, dat we te Tanger die kloppartij hebben gehad?

—Ja, zeide de kapitein.

Maar Frank antwoordde niet. Hij keek stil voor zich, als had hij geen woord gesproken.

De kapitein keek Aroesi aan. Deze glimlachte, en de kapitein werd weder gerust.

—Jongen, Dries! begon de luitenant opeens weder op droefgeestigen toon. Weet ge wel, dat we die reis naar Marokko nooit hadden moeten doen. Denk eens hoeveel onschuldige menschen wij hebben gedood, en als we te huis waren gebleven, was dat alles niet gebeurd. Weet ge nog wel dien Heilige? Ik hoop dat hij mij zal hebben vergeven, dat ik hem naar de andere wereld heb gezonden.

En de luitenant smolt weg in tranen. Na nog eenige malen tevergeefs te hebben beproefd iets te vertellen, legde hij het hoofd op de armen en ging liggen slapen; twee of drie malen lichtte hij plotseling het hoofd weder op en glimlachte. Toen bleef hij voortslapen.

Aroesi gaf nu den kapitein een wenk; men nam den luitenant op en legde hem op zijn bed neder, waar hij binnen eenige oogenblikken in een onrustigen slaap verzonken lag.

Een paar uren daarna opende hij de oogen en rees overeind.

—Drommels, zeide hij, heb ik geslapen?

—Mooi zoo! zeide de kapitein, die doet een dut van een paar uren, en vraagt dan nog, of bij ook geslapen heeft!

—O duivels, zeide de luitenant, nu herinner ik het mij... de kif!

—Ja, de kif! zeide de kapitein, en ge hebt u aardig aangesteld, dat moet ik zeggen.

—Hoezoo? vroeg Frank.

Men verhaalde hem wat hij had gedaan en gezegd, en hij lachte er hartelijk om.

—Ik wil het best gelooven, zeide hij. Ik denk, dat ge ook wel zoudt gelachen hebben. In het begin was het mij, of al wat ge zeidet eene geestigheid was. Alles kwam mij even belachlijk voor. Gij zaagt er in mijn oog allen even bespotlijk uit. Terwijl de een opeens een dik opgeblazen hoofd had, had de andere een lang smal gezicht, of vertrokken of mismaakte gelaatstrekken. Vervolgens kreeg ik allerlei verwarde gedachten, die bliksemsnel oprezen, om nog sneller te verdwijnen. Het kwam mij voor dat ik een knap wijsgeer was, doch mijne wijze ideeën niet kon vasthouden. Daarna kreeg ik een gevoel van nameloos geluk. Ik wist niet wat mijn geluk eigenlijk uitmaakte, maar ik was zóó gelukkig, dat ik de geheele wereld wel zou kunnen omhelzen, tot zelfs de oude schoonen, die ons met gebalde vuisten hebben verwelkomd. Na het gevoel van geluk maakte zich dat van droefheid van mij meester. Ik vond, dat ik niet leefde als een mensch. Ik wilde pogen zooveel mogelijk mensch te zijn. Talrijke tooneelen, zoowel uit mijn vroeger leven als uit den laatsten tijd, kwamen mij in de gedachte, en ik verweet mijzelf menige slechte daad te hebben verricht. En het slot van alles was, dat ik gestorven was en mij in eene geheel andere wereld meende te vinden.

—Nu, zeide Aroesi, het is nu geschied. Maar het is voor de eerste en ook voor de laatste maal!

—Natuurlijk, antwoordde Frank, 't was mij ook maar om een proef te doen.

—En ik, zeide Dries, ik ben blijde dat het voorbij is. Ik werd er akelig van, toen ik u zoo zag, en ik liep naar buiten, omdat het mij hier te benauwd werd. Zie, 't was mij net alsof gij krankzinnig waart en daarom was ik zoo beangst.

—Ik wist niet, dat ik er je zoo ongerust mede had gemaakt, antwoordde de luitenant; vergeef het mij dus.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings