Cooks-Archipel.
Reading edition
Reeds waren twee dagen verloopen sedert ons vertrek van Rimatara, toen de man op den uitkijk ons land aankondigde; de nevel had tot dusver het eiland aan ons oog onttrokken, maar nu brak de zon door de wolken en strooide haar goud en diamanten op de stralende wateren van de terecht zoo genoemde schoone zee.
Weldra bespeurde ik aan den horizon de tweehonderd el hooge bergen en de steile kusten van het eiland Mangia; een driemaster, de John Williams, laveerde statig aan bakboordzij. Dit was het eerste zeilschip, dat wij sedert ons vertrek van Valparaiso ontmoetten.... Slechts wie geruimen tijd in Oceanië vertoefd heeft, kan zich een denkbeeld maken van die ontzaglijke aangrijpende eenzaamheid van den onmetelijken Stillen-oceaan.
De eilanden Rarotonga, Mangia, Mauti, Watioe, Mittiero, Hervey, Fenoea-iti en Oeïtoetaté, die te zamen den dusgenoemden Cooks-archipel vormen, zijn tot dusver nog onafhankelijk, ondanks de zeer ijverige propaganda van de engelsche zendelingen, wier post hier reeds in 1821 door John Williams werd gesticht. Wil men de verzekeringen van de opvolgers van dien man gelooven, dan zouden de wesleyaansche zendelingen zoo spoedig en zoo volkomen geslaagd zijn in hunne poging om de anthropophagen van deze eilanden tot hun geloof te bekeeren, dat er voor de katholieke missionarissen niet de minste kans bestond om hun invloed en gezag te bestrijden. Maar al wat deze evangeliepredikers verkondigen, is daarom nog geen Evangelie. Voor de meesten hunner is de godsdienst niet anders dan een zeer krachtig hulpmiddel om de politieke macht van Engeland uit te breiden; zij maken zich meester van alle gezag en beheerschen de gewetens der vorsten. De door en door mercantiele geest van verreweg de meesten dezer zendelingen is zoo algemeen bekend, dat ik daarover niet behoef te spreken. De beruchte zendeling-apotheker Pritchard was in zijn tijd een type van deze klasse van lieden.
Toen wij nog ettelijke mijlen van het strand verwijderd waren, bespeurden wij eenige prauwen met inlanders, die een walvisch vervolgden. Velen hunner hadden, in plaats van een harpoen, eene lange lans van ijzerhout met metalen punt. De stoutmoedigheid dezer inlanders is inderdaad verbazend: met hunne primitieve vaartuigen, uit uitgeholde boomstammen bestaande, wagen zij zich dikwerf in volle zee. Eene der prauwen scheidde zich van de groep af en draaide met verwonderlijke snelheid om de Manua heen, dank zij het groote driekantige zeil, waarin de wind met volle kracht blies. Maar daar wij onze vaart vertraagden, ten einde niet op de banken en ondiepten te vervallen, die Mangia aan alle kanten omringen, namen de inboorlingen met luid geschreeuw afscheid van ons, en het brooze vaartuig voer recht naar de branding toe. Ik nam mijn verrekijker en was alzoo getuige van eene eigenaardige vertooning, de gorué, eene uitspanning, die ge niet zonder huivering kunt aanschouwen.
De prauw werd op het rif gezet, en verschillende jongelieden sprongen uit het vaartuig en doken in de opening tusschen de koraalriffen, juist op de plek waar de branding het hevigst was en de zee een draaikolk geleek. Naderhand vertelde men mij, wat de gorué eigenlijk is. De duikers zijn gewapend met een plank van drie of vier voet lengte en wachten, op die plank uitgestrekt, tot eene machtige golf hen in de hoogte zal tillen. Op het oogenblik waarop de golf hen aanraakt, weten zij met eene vlugge beweging er zich boven op te werken, en in een oogwenk worden zij tot bij het strand medegevoerd. Een Europeaan zou gewis verpletterd worden; de inlanders, die als bruinvisschen zwemmen en duiken, maken zich los van de golf juist als zij tegen de rotsen gaat breken, Bladzijde 195en zwemmen weer terug, om hetzelfde spel te hervatten. Naar men mij verhaalde, nemen zelfs vrouwen en kinderen daaraan deel.
Mangia heeft misschien dertig mijlen in omtrek. De grond is uiterst vruchtbaar en voor een groot deel met bosch bedekt; het eiland wordt zeer goed bebouwd door inlandsche planters, die van de lessen en het voorbeeld hunner europeesche onderwijzers uitmuntend partij hebben weten te trekken: dat resultaat verdient te meer waardeering, omdat de Mangianen van zuiver maöri-ras zijn. De vierduizend inwoners van het eiland houden zich alleen met landbouw bezig, en hunne plantages maken den besten indruk.
De woningen der inlanders, van hout getimmerd, zijn voor het meerendeel met kalk gewit, hetgeen een uitmuntend voorbehoedmiddel is tegen het felle branden der zonnestralen. Elke woning is omringd door een lagen muur van koraalblokken, waarvan de melkwitte kleur scherp afsteekt bij het donkergroen der tropische planten. De eigendomsrechten zijn nauwkeurig omschreven; de grond heeft hier eene wezenlijke waarde.
De woning van den protestantschen leeraar op Mangia voldoet aan alle vereischten van comfort in een heet klimaat, waar de eenvoud van het ameublement eene wezenlijke voorwaarde van de gezondheid is. Het huis is ruim en boven den grond verheven; een woud van kokospalmen, mango- en broodboomen bedekt den heuvel, tegen welks helling de cottage is gebouwd. Bij het doorwandelen van de heerlijke lanen van het park, dat tot de pastorie behoort, zou men kunnen denken, op het buitengoed van een of ander landedelman te zijn. Welk een onderscheid met de ellendige krotten, waarin sommige andere missionarissen moeten verblijven!
In tegenwoordigheid van Europeanen, die hem met vragen zouden kunnen lastig vallen, houdt deze engelsche predikant zich zedig op den achtergrond. Metterdaad echter is hij oppermachtig heer en gebieder over dit eiland, waar hij zich gevestigd heeft en dat hij bijna als zijn eigendom beschouwt. Zijne woning heeft hem niets gekost: de inboorlingen hebben het hout voor hem gehakt en de kalk van de koraalriffen gehaald; de mooie tuin, waarin hij naar hartelust mijmeren en botaniseeren kan, is een geschenk van de dankbare gemeente. “Ik ben niemand tot overlast, en tracht alleen een weinig nut te stichten”, zoo zegt hij.
De raad der opperhoofden van Mangia neemt geen enkel besluit van eenig gewicht, zonder raadpleging en overleg met dien zachtzinnigen man, wiens invloed des te grooter is, omdat zijn eigen belang geheel buiten spel schijnt te zijn en dit, in den gewonen alledaagschen zin, meestal ook inderdaad is. Minder prijzenswaardig is het echter, dat hij zijn aandeel krijgt van de boete, op de overtreding van politiereglementen gesteld, waarvan de uitvoering aan inlandsche beambten is toevertrouwd en die dikwijls een zeer eigenaardig karakter dragen. De Europeanen, die tijdelijk op het eiland verblijven, de officieren der oorlogschepen, de koning en de koningin zelfs, zijn in beginsel gehouden, zich aan de bevelen van deze mutoïs te onderwerpen. Deze reglementen en politie-verordeningen, waarvan de minste voorschriften door de inboorlingen letterlijk moeten worden opgevolgd, ademen voor het meerendeel den echten geest van het bekrompen, despotieke, puriteinsche ascetisme, dat in Engeland nog zooveel invloed heeft, en waarvan—als van elke absolute theorie—een der kenmerkende trekken is, dat het alle menschen met dezelfde maat meet en allen over één kam scheert. Het hoofdstuk betreffende de handhaving der goede zeden is uit dat oogpunt inderdaad merkwaardig; zie hier enkele van zijne bepalingen: “Ieder, man of vrouw, die na negen uren ’s avonds buiten de omtuining van zijn huis wandelt, zal eene boete van twee piasters betalen aan den mutoï die hem betrapt.”—“Elke gehuwde vrouw, die door een gerechtsdienaar in te vertrouwelijk gesprek met een buurman gevonden wordt, zal eene boete betalen van vijftig piasters, waarvan twintig voor den predikant en de rechters, tien voor den koning of de koningin, en twintig voor haar echtgenoot.”—Voorts is het verboden des zondags te gaan wandelen, in de boomen te klimmen, te visschen of te jagen. Inlandsche politie-agenten vestigden mijne aandacht op dit verbod, toen ik gidsen zocht om een uitstapje te gaan doen. Maar ik kon over een onwederstaambaar argument beschikken om hunne bezwaren te overwinnen: een goudstukje ruimde alle bedenkingen uit den weg en de puriteinsche overheid sloot de oogen. De prijs der levensmiddelen, varkens, gevogelte, vruchten, wordt door de zendelingen vastgesteld.
De stout geteekende bergen van Rarotonga, waarheen wij na ons vertrek van Mangia koers zetten, geven aan dit eiland zekere overeenkomst met Moorea, het zustereiland van Tahiti, dat bij zonsondergang van de kaaien van Papéete gezien, zulk een onvergetelijken indruk maakt. Op Rarotonga zijn de heuvelhellingen niet, als op sommige andere eilanden, met dun en schraal gras bedekt, maar met dichte bosschen, die tot de kruinen van de voornaamste bergketen reiken. De hoogste bergspits is negenhonderd ellen hoog; de helling is voor drie vierden met struiken, heesters en boomen begroeid, wier verschillende tinten en schakeeringen van groen een schilderachtig effect maken.
Wij voeren eerst langs het dorp Arognani, op de noord-westelijke kust, zonder dat het mogelijk was, zelfs met de sloep aan land te komen, zoo moeielijk genaakbaar is de kust. Naast de hut, waarop de vlag der vorstin van het district Arognani wapperde, stond, tusschen het geboomte, een betrekkelijk massief gebouw van witte koraal: dat was de protestantsche kerk, aanstonds kenbaar aan hare boogvensters, die men in alle bedehuizen op de eilanden aantreft.
Rarotonga wordt geregeerd door twee vrouwen, waarvan de eene te Arognani, de andere te Avarua, het belangrijkste dorp van het eiland, resideert. De landing is te Avarua betrekkelijk gemakkelijk; Bladzijde 196de Manua liet het anker vallen, en ik had gelegenheid mij naar wal te begeven en een interessant uitstapje te maken. Wij werden te Avarua ontvangen door eene nieuwsgierige menigte, die ons aan de landingplaats stond op te wachten; de vrouwen vielen in het oog door haar roode rokken: rood is de modekleur in Cooks-archipel. Trommels maakten de aankomst van ons schip bekend; het luid en herhaald geroep der inlanders, die elkander het nieuws mededeelden, en het geschreeuw van hun talrijk nakroost deden ons bijna hooren en zien vergaan.
Met een mijner mede-officieren ondernam ik eene wandeling; weldra kwamen wij in de kom van het dorp, waarvan alle woningen, even als op Tahiti, half verdwenen onder de weelderige, rijk geschakeerde tropische flora. De Kanaken zijn groote liefhebbers van bloemen; zelfs de armsten kweeken in hun tuintje eenige bloemen aan. De polynesische vrouwen kennen geen ander tooisel, en zij verstaan bij uitnemendheid de kunst, zich op de smaakvolste en bevalligste wijze met bloemen te versieren. Men moet die vrouwen liefst des avonds en bij feestelijke gelegenheden zien: het ruwe en grove van haar gelaatstrekken valt dan minder in het oog, en haar koperkleurige huid hindert minder dan bij het volle daglicht. Haar groote donkere oogen stralen in de schemering, en het zoetvloeiende, zangerige van haar taal, waarin de klinkers verreweg de overhand hebben, oefent eene onbeschrijfelijke bekoring uit. Deze jonge meisjes, in wijde witte jurken gekleed, het lange pikzwarte hair doorvlochten met bloemen, die langs haar welgevulden hals afhangen of haar voorhoofd omkransen, zijn inderdaad eene liefelijke verschijning.
Het bezoek aan het dorp, hoe aardig ook, was ons niet voldoende; van de weinige uren, die wij tot onze beschikking hadden, wilden wij zooveel mogelijk profiteeren. Waarheen zouden wij gaan? Het toeval kwam ons te hulp. Een inlander, die eenige woorden engelsch sprak, gaf ons den raad, den weg rondom het eiland te volgen, die naar zijn oordeel de meest bruikbare was. Aan den boom, waaronder wij stonden te praten, waren twee paarden vastgebonden; wij huurden die en sloegen nu den weg in die Avarua met Arognani en zelfs met Atania, een derde dorp in het zuid-oostelijk deel des eilands, verbindt. Onze paarden waren een paar magere knollen en hun tuig was in de hoogste mate eenvoudig: matten vervingen de plaats van zadels en voor toom moesten wij ons behelpen met een stuk touw van kokosdraad gevlochten. Onze rossen namen het aanvankelijk zeer kalm en bedaard op; zij stonden hardnekkig stil om zich te goed te doen aan het gras, dat langs de bermen van den weg groeide. Daar wij volstrekt niet op een rit te paard hadden gerekend, hadden wij onze sporen niet aangedaan; maar wij behielpen ons met dorentakken, en weldra vlogen wij in vollen ren door het kreupelhout.
Te Arognani, tegenover de kerk, hielden wij stil en stegen af; en een blik op het heerlijke landschap rondom ons deed ons al de onaangenaamheden van onzen dollen rit vergeten. Achter de kerk verhief zich de berg, met dicht bosch bedekt, waarboven groote zeevogels zweefden; voor ons strekte zich, zoover de blik reiken kon, de donkerblauwe oceaan uit, en vlak in onze nabijheid stak boven het water de gordel van koraalriffen uit, afgebroken door diepe gaten en spleten, waar wij onder het bleekgroene, kristalheldere water, de fantastische vegetatie konden zien, die op de klippen en rotsen haar tooverachtige vormen ontplooit. Tusschen de verschillend gekleurde koraaltakken zwommen en dartelden visschen, wier schubben schitterden in al de kleuren van den regenboog. Stel u daarbij voor de verschillende soorten van zeewier, die de wanden van deze natuurlijke aquariums bekleeden, en ge zult u misschien eenig denkbeeld kunnen maken van deze overstelpende kleurenpracht. Het tafreel is onbeschrijfelijk, want het wisselt onophoudelijk: de bekwaamste schilder zou in wanhoop penseel en palet wegwerpen tegenover deze fantasmagorie. Het kleinste wolkje, dat aan den azuren hemel opdoemt, wijzigt de verlichting; de meeuw, die zich in de lagune dompelt, brengt het water in beweging, en aanstonds veranderen de tinten en schakeeringen; zoo wisselt dit kleurenspel elk oogenblik en ge wordt niet moede deze feërie aan te staren.
Als de avond gekomen is, is het schouwspel niet minder interessant: dan is voor de inboorlingen de tijd gekomen om te gaan visschen. Hoe schoon, hoe skulpturaal schoon, zijn die naakte gestalten, wier onberispelijke athletische vormen nog grootscher en indrukwekkender schijnen bij het bleeke licht der maan, dat over de wateren wemelt. De vrouwen en kinderen loopen en springen over de riffen, met brandende fakkels in de hand, waarvan de rosse gloed zich weerspiegelt in de effen watervlakte, nauwelijks door het suizende koeltje gerimpeld. De visschen, door het licht aangelokt, komen uit de rotsspleten, waarin zij zich verscholen hielden, te voorschijn en worden door de visschers met hunne houten lansen doorboord.

Het koninklijk paleis en de tempel te Rurutu.
Maar ik keer tot mijne wandeling terug.... Na deze tooverachtige dekoratie der koraalriffen bewonderd te hebben, moesten wij weder te paard stijgen; de tijd verliep en het uur naderde, waarop wij weder aan boord moesten zijn. Wij deden, stapvoets rijdende, onzen intocht in het dorp Arognani, waar alles in diepen slaap scheen gedompeld, uitgezonderd eene oude vrouw, die halfluid in den Bijbel zat te lezen. Maar weldra begonnen de kinderen alarm te maken; de honden schoten onder woedend geblaf op ons toe, en binnen vijf minuten waren al de bewoners van Arognani uit hunne siesta opgeschrikt. Zij ontvingen ons niettemin zeer vriendelijk, en noodigden ons uit, enkele hutten te bezoeken. Het trok mijne aandacht, dat de vrouwen in katoen van engelsch fabrikaat waren gekleed, want de oude tapa is hier in onbruik geraakt: zij had het groote ongerief van niet tegen de vochtigheid bestand te zijn. Bladzijde 198Toen de door het Britsche zendelinggenootschap uitgezonden zendelingen voor het eerst aan deze eilanden verschenen, was de bevolking op het strand saamgestroomd en keek met verbazing naar de reusachtige prauw, die de vreemdelingen aanbracht. Eenige prinsessen, gedreven door de onder alle hemelstreken aan alle vrouwen ingeschapen nieuwsgierigheid, wilden dat drijvende huis van nabij gaan zien; gevolgd door eene menigte vrouwen, gingen zij te water en, als echte najaden, met forsche slagen de golven klievende, bereikten zij weldra het schip, langs welks boord zij omhoog klauterden. De predikers, wier belangstelling door deze proef van zwemkunst was gewekt, volgden met hun verrekijkers de bewegingen hunner toekomstige hoorderessen. Toen zij van wal staken, waren deze dames onberispelijk gekleed: wijde draperiën van tapa omhulden haar slanke gestalte. Maar verbeeld u de verontwaardiging der eerwaarde heeren, toen zij op het dek verschenen: de rokken waren onder het zwemmen letterlijk weggesmolten!
Onze terugreis naar Avarua leverde niets bijzonders op: onze paarden roken den stal en liepen flink. Wij reden door een bosch van mapés, waarvan de zoom door de golven der zee werd bespoeld. Zulk een bosch van mapés levert een eigenaardig schouwspel op. Deze boom, waarvan de vrucht, goed gebraden, eenige overeenkomst in smaak heeft met onze kastanje, is door den eigenaardigen bouw van zijn stam en zijne takken, een der zonderlingste die men zien kan. De stam bestaat uit dunne, naast elkander gelegde strooken; de hooge, smalle wortels kronkelen zich als krullen onder de schaaf. De mapé bereikt dikwijls een kolossalen omvang; zijn dicht gebladerte overschaduwt in wijden omtrek den dorren grond, waarin hij bij voorkeur tiert; even als de kokospalm groeit hij langs het strand, in den zandigen, met fragmenten van koraal vermengden bodem; beiden zijn de geliefkoosde schuilplaats van eene zekere soort van landkrabben, die door de inboorlingen gegeten worden.
In den omtrek van Arognani merkte ik twee inlandsche begraafplaatsen op, geheel verschillende van die, welke ik reeds elders gezien had. De graven bevonden zich eenvoudig ter zijde van den weg, zonder een muur of eenige afscheiding hoegenaamd. Hierbij mag echter niet vergeten worden, dat de doodenakker nog steeds taboe is, onschendbaar voor iedereen. De roekelooze, die de graven der vaderen durfde schenden, zou vroeger onverwijld ter eere der wrekende goden geofferd zijn geworden; nu zou hij nog steeds als een heiligschenner worden beschouwd, die met afschuwelijke ziekten, zoo als melaatschheid, zou worden bezocht of het slachtoffer worden van de erincatua, eene soort van geheimzinnige betoovering, die hare prooi langzaam maar onvermijdelijk ten grave sleept.
Van Rarotonga zetten wij koers naar Oeaïtoetaté, in het noordelijk gedeelte van den archipel. Nog voor wij de bergtoppen van het eiland konden onderscheiden, zagen wij aan den horizon de kruinen van kokospalmen uit de zee verrijzen; het was een eilandje, het eerste eener reeks van rotsen, die zich over vele mijlen uitstrekt, en waarin negen bloeiende oasen haar groenen dos in de zee weerspiegelen. De bergen van het voornaamste eiland, zich scherp afteekenende tegen den helderen hemel, beheerschten den ganschen omtrek. Myriaden van zeevogels zweefden en zwermden in wilde vlucht boven het rif, luid schreeuwende en nu en dan in de rollende golven duikende; groote plekken grijsachtig schuim, hoopen veelkleurige zeeplanten, wemelende van mikroskopische diertjes, getuigden van den rusteloozen strijd tusschen den oceaan en het koraalrif. Ook hier was de kust ongenaakbaar en moest de Manua in het ruime sop ankeren.
Omstreeks vijf uren in den avond keerde de sloep van den kommandant naar boord terug, gevolgd door twee groote booten, waarin de notabelen van het land hadden plaats genomen. De inboorlingen van Oeaïtoetaté klauterden als apen tegen het boord op, beladen met zakken vol oranjeappelen; de gouden vruchten rolden in zoo grooten overvloed over het dek, dat de matrozen er meer dan tweeduizend opraapten. Weldra waren wij met onze bezoekers op den besten voet. De koning Kuâ en zijn rechterhand, het opperhoofd Tamatoa, bewezen alle eer aan den welvoorzienen wijnkelder van den kommandant, niet het minst aan de champagne, die wij juist voor dergelijke gelegenheden hadden medegenomen.
De inlanders bekeken het gansche schip, waarbij niets aan hunne aandacht ontging en zij onophoudelijk allerlei vragen richtten tot onzen tolk.
Deze leerzame en interessante bijeenkomst werd besloten met een bezoek aan de keuken, waaruit verleidelijke geuren opstegen, die blijkbaar hunne uitwerking op de wijde neusgaten onzer gasten niet misten; de matrozen kwamen aan hunne wenschen te gemoet, door hen uit te noodigen aan hun maal deel te nemen. Het dek leverde inderdaad een aardig schouwspel op; wat al naïeve uitstortingen van vreugde, wat al hartelijke handdrukken en vriendschapsbetuigingen! Alvorens afscheid van ons te nemen, knielden de opperhoofden en alle anderen neder en hieven, op plechtigen toon, in de tahitische taal, een psalm aan. Dit ernstig, statig gezang, bij het vallen van den avond, aan boord van het schip, te midden der onbegrijpelijke stilte en aangrijpende eenzaamheid der onmetelijke zee, had iets onuitsprekelijk plechtigs en treffends. De predikant bad ons ten slotte den zegen des Heeren toe; de krijgslieden van Oeaïtoetaté rezen op in hunne booten en begroetten onze vlag met een driemaal herhaald hoezee! Toen voeren zij weg, en het werd weder stil rondom ons....