← Table of contents
Noorwegens Letterkunde in de Negentiende Eeuw

HOOFDSTUK IV. (continued 2)

Reading edition

Maar de jeugdige Laurits Kruse is verdeeld tusschen de aardsche en de hemelsche liefde. De eerste geldt de dienstbode van zijn huisheer, de tweede eene moderne dame, die niet aarzelen zou, hem een handschoen in het gezicht te werpen, indien al zijn gangen haar bekend waren. Hij kan noch van de eene, noch van de andere afzien,—en zoo blijft hem dan niets anders over dan huichelen. Met het dienstmeisje leeft hij als man en vrouw, krakeelt hij ook als man en vrouw; haar kind sterft, en het is hem een pak van het hart; maar tot de schoone Dagny richt hij zijne zuchten in poëtische oogenblikken. Als zij zich eindelijk over hem ontfermt en te gelijk een getuigenis omtrent zijne reinheid verlangt, er aan toevoegend, dat zij dezen eisch slechts pro forma stelt, daar zij van hèm zeker is, dan luidt zijn antwoord: "ik kan naar waarheid zeggen, dat de vrouw mij ongenaakbaar is geweest". En even later knikt hij resoluut: "De waarheid moet ons heilig zijn".

Hoe denkt Garborg nu over de zedelijkheidsvraag? Hij erkent, dat er veel is, dat beter anders ware, maar de oorzaak zoekt hij niet in de verdorvenheid der mannen, maar in de maatschappelijke verhoudingen, vooral in de bemoeizucht van kerk en staat, voorts in de oeconomische toestanden; niet minder echter in de opvoeding der vrouwen, die vele ongeschikt maakt tot blijvende levensgezellin, dikwijls juist van de beste mannen. Meer echter dan reinheid, die volstrekt niet altijd een teeken van zedelijkheid is, beteekent oprechtheid, en vooral moed, want deze is de bron van oprechtheid. Laurits, de tegenhanger van Daniël Braut, wordt een leugenaar, omdat hij den moed tot waarheid mist.

Garborg zou aan zijn boek niet uitsluitend vreugde beleven. Het verlangen naar martelaarschap ontbrak niet. Hij wendt tot de overheid het verzoek, dat ook zijn boek in beslag zal worden genomen. Hij meent daar recht op te hebben. Maar de regeering, die door vroegere confiscatiën den tegenstand slechts aangewakkerd had, zag van dien maatregel af. Een andere straf wachtte den onvoorzichtigen schrijver. Toen het volgend jaar de betrekking van revisor aan de rekenkamer opnieuw moest vervuld worden, liet men den schrijver van Mannfolk schieten en veroordeelde hem tot hongerlijden.

Garborg trekt zich terug in een kleine houten woning, weinig meer dan een hut, aan het meer Savalen in het Østerdal, en weldra treedt hij in het huwelijk. Zijne bruid, Hulda Bergersen, behoorde tot zijn bewonderaars, en zijne armoede was voor haar eene aantrekkelijkheid te meer.

Het verblijf op Kolbotten—zoo heet Garborg's woning in het Østerdal—heeft hij beschreven in een idyllisch boek, Kolbottenbrev (Brieven van Kolbotten), dat een intiem beeld geeft van het samenleven van het echtpaar in eenzaamheid, armoede en vrijheid. Overigens stammen uit deze periode nog een paar werken, die denzelfden geest van oppositie en onafhankelijkheid ademen, dien wij reeds als belangrijksten factor in Garborg's vroegere geschriften ontmoetten. Van deze noemen wij nog in het voorbijgaan Hjaa ho Mor (Bij Moeder thuis) (1889), een tegenhanger van Mannfolk. Ook dit boek behandelt bezwaren van het geslachtsleven, maar ditmaal van de zijde der vrouw. In een brief aan zijn biograaf geeft hij te kennen, dat Hulda hem zooveel materiaal geleverd heeft, dat het boek bijna is op te vatten als een gemeenschappelijk werk. Een pleidooi voor de vrije liefde, waarvoor dit boek veelal verklaard wordt, kan men het eigenlijk niet noemen. Eer is het een pleidooi voor een verstandiger opvoeding, waardoor het jonge meisje minder met vooroordeelen gevuld en haar oordeel des onderscheids gescherpt wordt. Maar zijn waarde ontleent het aan de voortreffelijke karakterstudie. Dit blijkt thans na 30 jaar, nu het zijn actualiteit verloren heeft en toch met dezelfde, misschien met zuiverder belangstelling gelezen kan worden, dan toen het voor het eerst het licht zag.

Interessant is ook het een jaar vroeger verschenen tooneelstuk Uforsonlige (Onverzoenlijken). Het is geïnspireerd door politieke gebeurtenissen van den dag. De dichter toont zijn radicaal standpunt. Maar het stuk is niet een inleg voor een partij; wat het schilderen wil, is de demoraliseering van het karakter door de politiek. Een partijaanvoerder laat zich vinden tot een compromis, en al de 'onverzoenlijken' vinden, de een wat vroeger, de ander wat later, dat het het beste is, het beginsel te laten varen voor 'hoogere consideratiën'. Eén man die dat niet begrijpen kan, mist zijn brood. De meesten geven eerst in luide woorden hun verontwaardiging te kennen, en slaan dan om.

Wanneer wij Garborg weer ontmoeten, is hij een gansch ander man geworden.

FOOTNOTES:

[17]

Men zie zijne uiting in een brief aan Herman Thoresen van 27 Sept. 1872: "Menschen, die Jaabeck en Bjørnson op vrije voeten laten gaan, qualificeeren zich zelf, om in de doos gezet te worden" (Breve I, 264).

[18]

Het is in dit verband niet van belang ontbloot, dat hij later nog eenmaal den redenaar Bjørnson als voorbeeld neemt, ditmaal voor zijn ideale figuur Dr. Stockman (zie blz. 135). Dit toont, dat Ibsen's satyre niet persoonlijk is. Slechts blijkt het, dat hij somtijds levende voorbeelden gebruikte.

[19]

De dichter heeft het succes gehad, te beleven, dat de predikant, die het sterkst tegen hem geageerd had, en die het voor iedereen duidelijke voorbeeld werd voor den gemeensten huichelaar in zijn boeken, een paar jaar later ten gevolge van vergrijpen tegen de zedelijkheid voorgoed onmogelijk werd.

[20]

Van zijn romans is er maar één (Jacob) geschreven na zijn werkzaamheid als redacteur.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings