XIII. Hoe Smaland geschapen werd.
Reading edition
De wilde ganzen hadden een goede reis over de zee gehad, en waren in het district Tjust in Noord Smaland neergestreken. Dat district scheen niet te kunnen besluiten, of het land of zee wilde zijn. Overal gingen de zeeboezems diep het land in, en sneden het in eilanden en schiereilanden, in landtongen en landengten. De zee was zóó indringerig, dat rotsen en heuvels het eenige was, wat zich kon staande houden. Al het lage land was onder den waterspiegel verborgen.
Het was avond, toen de wilde ganzen aankwamen van over zee, en het heuvelachtige land lag mooi tusschen de glanzende inhammen. Hier en daar op de eilanden zag de jongen hokjes en hutjes, en hoe verder hij ’t land inkwam, hoe grooter en beter de woningen werden. Eindelijk werden het groote, witte heerenhuizen. Aan den kant van het strand stond gewoonlijk een kring van boomen, daar binnen lagen de akkers, en op de toppen van de heuvels verschenen de boomen weer. Hij kon niet laten aan Blekinge te denken. Dit was ook een plaats, waar land en zee elkaar op zoo’n mooie, stille manier ontmoetten, en als ’t ware elkaar ’t mooiste en beste trachtten te vertoonen, wat zij bezaten.
De wilde ganzen streken neer op een kaal eilandje, diep in de ganzenbaai. Bij den eersten oogopslag naar ’t strand, merkten zij, dat de lente groote vorderingen had gemaakt, in den tijd, dat zij op de eilanden waren geweest. De groote, prachtige boomen waren nog niet in blad, maar ’t veld beneden was bont gekleurd door witte en blauwe anemonen.
Toen de ganzen ’t bloemenveld zagen werden ze bang, dat ze te lang in het Zuiden waren gebleven. Akka zei dadelijk, dat er geen tijd was om een van de rustplaatsen in Smaland op te zoeken. Al den volgenden morgen moesten ze doortrekken naar het Noorden, over Oostgothland.
De jongen zou dus niets van Smaland te zien krijgen, en dat speet hem toch wel wat. Hij had over geen ander landschap zooveel hooren spreken, als over Smaland, en hij had verlangd het met eigen oogen te zien.
Den vorigen zomer, toen hij als ganzenjongen bij een boer in de nabijheid van Jordberga diende, had hij bijna elken dag een paar arme kinderen uit Smaland ontmoet, die ook ganzen hoedden. Die kinderen hadden hem vreeselijk met hun Smaland geplaagd.
Maar eigenlijk was het niet mooi om te zeggen, dat Asa, het ganzenhoedstertje, hem had geplaagd. Zij was daar veel te verstandig voor. Maar wie hem plagerige antwoorden kon geven, dat was Mads, haar broertje.
“Heb je gehoord, Niels, hoe het toeging toen Smaland en Skaane geschapen werden,” vroeg hij, en toen Niels Holgersson: “Neen,” zei, begon hij dadelijk het oude, grappige verhaal te doen: “’t Was in den tijd, dat onze lieve Heer bezig was de wereld te scheppen. Terwijl Hij daar druk meê bezig was, kwam de heilige Petrus voorbij. Hij bleef staan, en keek er naar, en toen vroeg hij, of het een moeilijk werk was.
“Och ja, dat is zoo gemakkelijk niet,” antwoordde onze lieve Heer.
Petrus bleef nog een oogenblik staan, en toen hij merkte, hoe gemakkelijk het ging, het eene land na het andere uit te spreiden, kreeg hij lust het ook eens te probeeren.
“Misschien hebt U wat rust noodig,” zei Petrus, “zoodat ik intusschen het werk kan overnemen.” Maar dat wilde onze lieve Heer niet hebben.
“Ik weet niet, of je de kunst zoo goed verstaat, dat ik ’t je kan toevertrouwen voort te gaan, waar ik ophoud,” antwoordde Hij.
Toen werd Petrus boos, en zei, dat hij meende even mooie landen te kunnen scheppen als onze lieve Heer zelf.
’t Was nu zoo, dat onze lieve Heer juist op dat oogenblik bezig was Smaland te scheppen. ’t Was nog niet half klaar, maar ’t zag er uit, alsof het een onbeschrijfelijk mooi en vruchtbaar land worden zou. Onze lieve Heer kon Petrus niet best iets weigeren, en behalve dat, dacht Hij zeker, dat wat zoo mooi begonnen was, niet door een ander bedorven zou kunnen worden. Daarom zei Hij:
“Als je ’t met me eens bent, zullen we eens probeeren wie van ons beiden dit soort werk het best verstaat. Jij, die nog maar een beginner bent, moet dit werk voortzetten, wat ik begonnen ben, en ik zal een nieuw land scheppen.”
Daar ging Petrus dadelijk op in, en toen begonnen zij te werken, ieder aan een kant.
Onze lieve Heer trok een eind naar het Zuiden, en daar begon Hij Skaane te scheppen. ’t Duurde niet lang, tot Hij klaar was, en dadelijk vroeg Hij, of Petrus zijn werk al af had, en of hij niet wou komen kijken naar ’t werk van onzen lieven Heer.
“Ik heb ’t mijne al lang in orde,” zei Petrus, en men kon aan zijn stem hooren, hoe blij hij was met wat hij had klaar gekregen.
Toen de Heilige Petrus Skaane zag, moest hij bekennen, dat er van dat land niets dan goeds was te zeggen. ’t Was een vruchtbaar en gemakkelijk te bewerken land, met groote vlakten, waar hij ook heen zag, en nauwelijks een zweem van bergen. ’t Scheen, dat onze lieve Heer er het er echt op had toegelegd te maken, dat de menschen het er goed zouden hebben.
“Ja, dit is een mooi land,” zei de Heilige Petrus, “maar ik geloof toch, dat het mijne beter is.”
“Laat ons er eens naar gaan kijken,” zei onze lieve Heer.
’t Land was al klaar geweest in ’t noorden en in ’t oosten, toen Petrus was begonnen te werken, maar het zuidelijk en westelijk gedeelte en ’t geheele binnenland had hij alleen moeten scheppen. Toen nu onze lieve Heer daar kwam, waar Petrus had gewerkt, schrikte Hij zóó, dat Hij bleef staan, en zei: “Wat ter wereld heb je toch met dit land uitgevoerd, Heilige Petrus?”
Petrus stond ook heel verbaasd rond te kijken. Hij had gemeend, dat niets voor een land zoo best was, als veel warmte. Daarom had hij een ontzettende massa steenen en bergen bij elkaar gehaald en een hoog land gemaakt; en dat had hij gedaan, omdat het dicht bij de zon zou komen, en veel zonnewarmte krijgen. Boven op de steenen had hij een dun laagje vruchtbare aarde gelegd, en toen had hij gedacht, dat alles goed in orde was.
Maar nu waren er een paar hevige regenbuien gekomen, terwijl hij in Skaane was, en meer was er niet noodig, om aan te toonen, hoe weinig zijn werk deugde. Toen onze lieve Heer het land kwam bekijken, was alle aarde weggespoeld, en de kale rotsgrond stak overal door. Op de beste plaatsen waren de steenen met klei en zwaar grint bedekt, maar dat zag er zoo mager uit, dat het gemakkelijk te begrijpen was, dat er nauwelijks iets anders dan dennen, mos en heikruid kon groeien. Wat er in overvloed was—dat was water. Dat had alle kloven in den berg gevuld, en meren, stroomen en beken zag men overal, om niet te spreken van moerassen en plassen, die zich over groote stukken land uitstrekten. En het ergerlijkste was, dat terwijl sommige streken meer dan genoeg water hadden, er op andere plaatsen zoo’n gebrek aan was, dat er groote velden droge hei waren, waar zand en aarde in wolken opstoven bij den minsten wind.
“Wat kan toch je bedoeling zijn geweest met zoo’n land te scheppen!” zei onze lieve Heer; en de Heilige Petrus verontschuldigde zich, en zei, dat hij het land zoo hoog had willen maken, dat het veel van de zonnewarmte zou krijgen.
“Maar dan krijgt het immers ook veel van de nachtkou,” zei onze lieve Heer, “want die komt ook van den hemel, evengoed. Ik ben bang, dat het beetje, wat hier groeien kan, nog bevriest.”
Daar had de heilige Petrus natuurlijk niet aan gedacht.
“Ja hier wordt het mager en koud land,” zei onze lieve Heer, “daar is niets aan te doen.”
Toen kleine Mads zoover gekomen was met zijn verhaal, viel Asa, het ganzenhoedstertje hem in de rede.
“Ik kan ’t niet best aanhooren, Mads, dat je zegt, dat het hier in Smaland zoo akelig is,” zei ze. “Je vergeet heelemaal hoeveel goede grond er toch is. Denk maar aan Möre daar bij ’t Halmar Sund. Ik zou wel eens willen weten, waar je rijker korenvelden vinden kunt. Daar ligt akker aan akker, precies als hier in Skaane. Dat is zulke goede grond, dat ik niet weet, wat hier niet zou kunnen groeien.”
“Dat kan ik niet helpen,” zei kleine Mads. “Ik vertel maar na, wat anderen eerst hebben gezegd.”
“En ik heb veel menschen hooren zeggen, dat er geen mooier kustland is dan Tjust. Denk aan de baaien en de eilanden, aan de heerenhoeven en de bosschen,” zei Asa.
“Ja, dat is wel waar,” gaf kleine Mads toe.
“En herinner je je niet,” ging Asa voort, “dat de schooljuffrouw zei, dat zoo’n levendige en mooie streek, als ’t stukje van Smaland, dat ten zuiden van ’t Wettermeer ligt, in heel Zweden niet te vinden is? Denk eens aan ’t mooie meer, en de gele heuvel aan het strand, en aan Grenna en Jönköping met de lucifersfabriek en ’t Munkmeer, en denk aan Huskvarna en alle groote inrichtingen daar.”
“Ja, dat is wel waar,” zei kleine Mads weer.
“En denk aan Visingö, Mads, met de ruïnen, en ’t eikenbosch, en alle sagen. Denk aan het dal, waar de Em-beek uitkomt, met alle steden en molens en houtfabrieken, de zagerijen en meubelfabrieken.”
“Ja, dat is alles waar,” zei kleine Mads en zag er heel bekommerd uit.
Maar toen keek hij snel op.
“Nu zijn we toch al heel dom,” zei hij. “Dat allemaal ligt immers in ’t Smaland van onzen lieven Heer, in dat gedeelte van ’t land, dat al klaar was, toen de Heilige Petrus begon te werken. Dat is immers juist in orde, dat het daar mooi en heerlijk is. Maar in ’t Smaland van den Heiligen Petrus ziet het er alles zoo uit, als ’t in ’t verhaal staat. En het is geen wonder, dat onze lieve Heer bedroefd werd, toen hij dat zag,” ging de kleine Mads voort, en nam den draad van ’t verhaal weer op. “De Heilige Petrus verloor den moed niet, maar probeerde onze lieve Heer te troosten.”
“Trek u dit maar niet zoo erg aan,” zei hij. “Wacht maar, tot ik menschen geschapen heb, die de moerassen kunnen bebouwen en akkers kunnen ontginnen op de rotsen.”
Maar toen was het geduld van onzen lieven Heer eindelijk uit, en Hij zei: “Neen, jij moogt naar Skaane gaan, dat ik tot een goed en gemakkelijk te bewerken land heb gemaakt en den Skaaning scheppen, maar den Smalander wil ik zelf scheppen.”
En toen schiep onze lieve Heer den Smalander, en maakte hem vlug en met weinig tevreden, opgewekt en vlijtig, ondernemend en flink, opdat hij zou kunnen leven in zijn armoedig land.” Toen zweeg de kleine Mads, en als nu Niels ook maar had gezwegen, was alles goed gegaan, maar hij kon niet laten te vragen, hoe het den Heiligen Petrus was gegaan, toen hij den Skaaning scheppen ging.
“Ja, wat vindt je zelf?” zei kleine Mads en keek zóó verachtelijk, dat Niels Holgersson op hem aanvloog om hem te slaan. Maar Mads was nog een klein ventje, en Asa, ’t ganzenhoedstertje, die een jaar ouder was, sprong dadelijk toe om hem te helpen. Hoe goedig ze ook was, ze werd als een leeuw, als iemand haar broertje aanraakte. En Niels Holgersson wou niet met een meisje vechten. Dus keerde hij hun den rug toe, en liep weg, en keek dien heelen dag niet meer naar die Smalandskinderen om.