XXXII. EEN NATUURKALENDER
Reading edition
„De hoeveelste is het van daag?”
„De 28ste, Neef, de 28ste October.”
„Bloeien er nog Heliotropen?”
„Ja zeker. Woudt u een takje hebben?”
En ik plukte een paar frissche takjes en bood er neef Piet een aan. ’t Was verleden najaar, op een heerlijk mooien dag, zoo als in dit seizoen alleen vinkenmist-ochtenden ze kunnen opleveren.
„Citrouilles, dat zijn immers pompoenen?”
„Ja, neef.”
„En Aubergine, hoe noem je dat in ’t hollandsch?”
„O, dat is Datura. Doornappels is de hollandsche naam. Maar hoe komt u zoo aan ’t fransch vandaag?”
Mijn neef Piet was namelijk jong geweest in den franschen tijd en had, om bijzondere redenen, zijn leven lang een hekel gehad aan al wat fransch was.
„Wel, die fransche kalender......”
„Wat meent u?”
„Je weet toch wel: die republikeinsche kalender: Nivôse, Pluviôse, Ventôse?”
„Germinal, Floréal, Prairial.... Maar wat heeft die met bloemen te maken?”
„Wel, voor iederen dag stond een bloem, of een beest, of een hark, of een ploeg, maar meest bloemen. De 28ste October was de verjaardag van Jan, goeden jongen, en dat was de dag van de Heliotrope. Dat wisten wij als kinderen allen precies. Je tante Lucie, die zoo droomerig kon wezen, plaagden wij er altijd meê, dat zij op den papaverdag t’huis hoorde, maar zij trof op de aardbei. Moeder had de Lelietjes-van-dalen, 27 April....” En neef verdiepte zich in zijne kindsheidsherinneringen.
„Maar hoe was dat dan, neef? Hadt u dat zelf bedacht, of was dat, hoe zal ik zeggen, officiëel?”
„Wel, het hoorde bij den kalender. ’t Was in plaats van de heiligendagen. Wij hadden ’t uit een zwitsersch almanakje; als je goed zoekt, kan je ’t misschien nog wel vinden.....”
Ik was recht in mijn schik met mijn vondst, en neef Piet’s hart werd er jong van. Allerhande bijzonderheden kwamen bij hem boven. „Op den 1sten September”, vertelde hij, „gooiden wij altijd naar noten, en ergerden ons als ze nog niet rijp waren, want het was le jour des noix. Eén dag in ’t jaar werd de poes getrakteerd, omdat het le jour du chat was. Dat viel... O, neen, dat was de hond, die viel op Kerstmis. Dat was de ergernis van tante Leentje. Goed luthersch als zij was, vond ze ’t heel best, dat de heiligendagen afgeschaft werden; maar dat op 25 en 26 December Cire en Chien stond, dat kon ze niet velen...”
„Er is iets frisch, iets oorspronkelijks aan,” beproefde ik.
„Ja, ’t was wel fransch, maar ’t was toch aardig!”
En neef en ik, nu beiden tamelijk onpartijdig tegenover de nagedachtenis dier fransche republikeinen,—ik omdat ik hun tijd niet gekend had, hij, omdat er thans zooveel jaren tusschen lagen,—verdiepten ons naar hartelust in het tintelende leven dat er ligt in die poging om, tegelijk met de omwenteling in de staatkundige wereld, de vernieuwende beginselen ook dadelijk op allerlei maatschappelijk gebied door te voeren. Men bewondert, en te recht, de levenskracht dier mannen, die te midden van de woelige en bloedige tooneelen van het schrikbewind, zich rustig bezighielden met het samenstellen van een wetboek, waaruit later het Code Napoléon is geworden; maar hoe eigenaardig uit zich dan niet de geest dier dagen in dezen, al naar ge het noemen wilt, naïeven of genialen kalender. In alles moest verandering komen; geen onderdeel van ’t dagelijksch leven was te gering om in de plotselinge hervorming te deelen; aan scheppingskracht ontbrak het niet, en een oorspronkelijke inval had meer dan in gewone tijden kans van toegejuicht te worden. Met welk een kunstgevoel is hier partij getrokken van het beetje natuurkennis, sinds gisteren of eergisteren door Rousseau op ’t tapijt gebracht; hoeveel ruwe, maar karakteristieke poëzie ligt er in al die ploegen, eggen, zeissen, ossen, als ’t aktief ingrijpend element, midden tusschen de van wege de natuur geschonken grondstof, vertegenwoordigd door delfstoffen, boomen en bloeiende kruiden!
Maar ’t merkwaardigste van alles zijn en blijven toch voor mij die „jours complémentaires”. Ligt daarin niet de indruk van eene bekentenis,—en in dit geval wel een zeer ongedwongene, zeer onwillekeurige, misschien onbewuste, maar daarom te treffender bekentenis,—dat de menschheid alleen bij de stoffelijke natuur om haar heen het leven niet kan houden? Dat zij bij en boven boomen en bloemen, hoe schoon ook, en koorn hoe nuttig ook, en karren, wagens, spaden, hoe onontbeerlijk ook, en dieren, hoe na ook aan ons verwant, nog steeds iets anders noodig heeft, wat alleen den menschelijken geest aangaat: in den eenen of anderen vorm geestelijke idealen?
Jänner. Nivôse.
Mittwoch 1 Neujahr. Primidi 11 Poix.
Donnerstag 2 Mel D. Duodi 12 Thérebent.
Freitag 3 Enoch. Tridi 13 Argile.
Samstag 4 Gottfried. Quatridi 14 Marne.
Sonntag 5 Simeon. Quintidi 15 Lapin.