← Table of contents
Natuur en leven

’T MADELIEFJE

Reading edition

O Madeliefje, teer en klein, Zoo nederig, als smet’loos rein, Gij liefje van de Made![2] Als Beeld der Onschuld daar geplant, Gestikt door ’s Hoogen Scheppers hand, Op ’s weidlands groene wade.

Wat is ’t, daar ’t oog graag op u rust? Is ’t, dat ge u zelven ’t onbewust, Zoo ned’rig, zoo bescheiden Ons treft? zeg! is het dan niet dit: Dat sterrenreine rood bij wit. Lief kind der groene weiden?

Er prijken duizenden in kleur, Er aad’men duizenden hun geur, Vervolgens om u henen, Al prijken, geuren zij om ’t zeerst! Gij lieve kleine, waart het eerst, Als lenteboô verschenen.

Zoo stort gij hoop in menig hart, Dat diep bezwaard door leed en smart, U groenen ziet ten leven, Ten trots van ’t gure jaargetij; Gij heft uw kelkjes vrij en blij, Van smart en zorg ontheven.

En daarom zijt ge ons lief en waard; Ons wordt, als ’t oog zoo op u staart, In ’t hart ons wel te moede. De Schepper kleedde u met die pracht, Waarin gij zoo onschuldig lacht, En houdt u in Zijn hoede.

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings